1 Tragedie

 

De ochtendzon scheen.

Dauwdruppels hingen als glinsterende edelsteentjes aan de grashalmen op de oever van het meer en de zoete roep van broedende shatravogels werd meegedragen door het briesje. Vrouwe Mara van de Acoma zoog de frisse lucht naar binnen. Spoedig zou de koelte wijken voor de hitte van de dag. In haar draagstoel gezeten, naast haar echtgenoot en met haar twee jaar oude zoontje Justijn slapend op haar schoot, sloot ze haar ogen en slaakte ze een gelukzalige zucht.

Toen liet ze haar vingers tussen die van haar echtgenoot glijden. Hokanu glimlachte. Hij was onmiskenbaar een knappe man, en op en top een krijger. De rustige jaren hadden zijn atletische gestalte niet week gemaakt. Hij nam haar hand in zijn greep, teder, maar met voelbare kracht.

Ze hadden drie goede jaren achter de rug. Voor het eerst sinds haar kinderjaren had ze zich veilig gevoeld, niet bedreigd door de dodelijke, eindeloze intriges van het Spel van de Raad. De vijand die haar vader en broer had gedood was voor haar geen gevaar meer. Hij was vergaan tot stof en herinneringen, zoals zijn hele familie, en zijn voorouderlijke landerijen en zijn magnifiek ingerichte landhuis waren door de keizer aan Mara geschonken.  

Volgens het bijgeloof werd het land van een gevallen familie geteisterd door ongeluk, maar op een prachtige ochtend als deze was daarvan geen spoor te bemerken. Terwijl de draagkoets langzaam langs de oever van het meer werd gedragen, deelde het paar de vrede van het moment en keken ze samen naar het huis dat ze tot het hunne hadden omgevormd.

De vallei tussen de steile, met kale rotspunten bekroonde heuvels was vroeger het eigendom geweest van de Heren van de Minwanabi. Ze was niet alleen van nature goed te verdedigen, maar ook zo lieflijk alsof ze was geschapen door de goden zelf. Het meer weerspiegelde een kalme hemel, het water werd slechts gerimpeld door de riemen van een snelle roeiboot in de verte, die met dringende berichten op weg was naar de handelsagenten in de Heilige Stad. Daar leverden door zingende slaven geroeide graanschepen de oogst van dit jaar af bij pakhuizen, waarin deze werd opgeslagen tot de lentevloed verder transport over de rivier mogelijk zou maken.

Het droge herfstbriesje bracht het gouden gras in beroering en de ochtendzon deed de muren van het grote huis glinsteren als albast. Daarachter, in een natuurlijke kom in het landschap, drilden de opperbevelhebbers Lujan en Xandia een gezamenlijke legermacht van krijgers van de Acoma en de Shinzawai. Aangezien Hokanu op een dag de titel van zijn vader zou erven, had zijn huwelijk met Mara geen samensmelting van de beide huizen betekend. De krijgers van de Acoma liepen in het groen en die van de Shinzawai in het blauw, en hier en daar waren de gelederen doorspikkeld met zwart: groepjes van de insectachtige cho-ja's. Samen met het land van de Minwanabi had vrouwe Mara een alliantie met twee nieuwe korven verworven, waardoor ze drie compagnies van door hun koninginnen voor de strijd gefokte soldaten aan haar leger had kunnen toevoegen.

Een vijand die zo roekeloos zou zijn om haar aan te vallen riskeerde een snelle uitschakeling. Mara en Hokanu hadden met hun trouwe vazallen en bondgenoten staande legers van een ongekende omvang tot hun beschikking. Alleen de Keizerlijke Witten zelf - de krijgsmacht die de keizer vormde uit de contingenten die de huizen onder zijn heerschappij hem ter beschikking moesten stellen - konden zich met die twee legers meten. En als haar legers en haar bijna onneembare vesting niet voldoende waren om vrede te aaranderen dan bezat Mara bovendien nog de titel Dienares van het Keizerrijk, die haar was verleend wegens haar verdiensten voor Tsuranuanni en die een soort honoraire adoptie in de keizerlijke familie zelf voorstelde. De Keizerlijke Witten zouden haar derhalve eerder verdedigen dan aanvallen, want volgens het centrale eerconcept in de Tsuranese cultuur was een belediging of dreiging jegens haar in feite een schoffering van een bloedverwant van het Hemelse Licht in eigen persoon.  

'Je lijkt me vanmorgen héérlijk met jezelf ingenomen, vrouw,' zei Hokanu zachtjes in haar oor.

Mara liet haar hoofd schuin op zijn schouder steunen en opende haar lippen voor zijn kus. Als ze diep in haar hart de wilde passie miste die ze met haar roodharige barbaarse slaaf had gekend, Justijns vader, dan had ze met dat verlies leren leven. Hokanu was een gelijkgestemde geest. Hij deelde haar politieke vernuft en haar geneigdheid om nieuwe dingen uit te proberen. Hij was snel van begrip, vriendelijk, en haar toegewijd, en hij toonde een verdraagzaamheid voor haar koppige karakter die weinig mannen uit haar cultuur zouden kunnen opbrengen. Bij hem was Mara's stem die van een gelijke. Het huwelijk had een diepe en blijvende bevrediging gebracht, en hoewel haar belangstelling voor het Grote Spel van de Raad niet was verflauwd, speelde ze het voor de veiligheid niet meer mee. Hokanu's kus verwarmde het moment als een zoete slok wijn, maar toen sneed er opeens een hoge kreet door de lucht.  

Mara trok zich los uit de omarming door haar echtgenoot en zag haar glimlach weerspiegeld in zijn donkere ogen. 'Ajiki,' concludeerden ze eenstemmig. Het volgende moment kwamen donderende hoefslagen snel naderbij over het pad langs het meer.

Hokanu sloeg zijn arm stevig om Mara's schouder. Samen leunden ze naar buiten om de capriolen van Mara's oudste zoon en erfgenaam te bekijken.  

Er stortte zich vanuit een opening tussen de bomen een gitzwart paard naar voren, met wapperende manen en een staart die zwaaide in de wind. Groene kwastjes versierden het bit en een met parels bestikte ruggensteun voorkwam dat het zadel te ver naar achter schoof over de lange rug van het dier. Half opgericht in de glimmend gepoetste stijgbeugels stond een jongen die onlangs twaalf was geworden en wiens haren even ravenzwart waren als die van zijn paard. Hij trok de teugels aan en stuurde de ruin de kant van Mara's draagkoets op. Zijn gezicht bloosde van opwinding en zijn fraaie, met lovertjes bestikte mantel zwierde als een banier achter hem aan.

'Hij is al een onverschrokken ruiter,' zei Hokanu bewonderend, 'en zijn verjaarscadeau blijkt hem goed te bevallen.'

Mara had een gloed van genoegen op haar gezicht toen de jongen stapvoets haar kant op kwam rijden. Ajiki was haar grootste vreugde en de persoon van wie ze in dit leven het meeste hield.  

De zwarte ruin maakte protesterende hoofdbewegingen. Het was een vurig dier en het wilde veel liever rennen. Mara voelde zich nog steeds niet echt op haar gemak bij deze grote rijdieren, die ze uit de barbaarse wereld hadden geïmporteerd, en ze hield bezorgd haar adem in. Ajiki had een paar wilde trekjes geërfd van zijn vader, en in de paar jaar sedert hij op het nippertje was ontsnapt aan het mes van een moordenaar had hij zich soms laten meeslepen door rusteloze aandriften. Op zulke momenten leek hij de dood te willen tarten - alsof hij het leven in zijn aderen nieuwe, steviger realiteit kon geven door gevaren te trotseren.

Maar vandaag was het niet zo'n moment. De ruin was trouwens niet alleen om zijn rapheid en kracht gekozen, maar ook om zijn gehoorzaamheid. Hij snoof nog eens afkeurend, maar liep toen keurig in de pas naast de dragers van Mara's koets mee, die schichtig naar het grote dier keken en de neiging toonden er veilig uit de buurt te blijven.  

De vrouwe keek naar de jongen en het paard. Ajiki zou breedgeschouderd worden - een erfenis van allebei zijn grootvaders. Hij had de Acoma-aanleg voor een soepele, slanke lichaams bouw geërfd, plus de volle maat van zijn vaders koppige moed. Hoewel Hokanu niet zijn natuurlijke vader was, deelden Ajiki en hij vriendschap en respect voor elkaar. Ajiki was een jongen waar elke ouder trots op kon zijn, en hij toonde al tekenen van de intelligentie die hij nodig zou hebben wanneer hij volwassen werd en zelf als Heer van de Acoma aan het Spel van de Raad zou moeten deelnemen.  

'Jonge opschepper,' plaagde Hokanu. 'Onze dragers mogen dan als enige in het keizerrijk het privilege van sandalen hebben, maar we gaan heus geen wedstrijdje met je doen wie het eerste bij de weiden zal zijn.'

Ajiki lachte. Hij richtte zijn donkere ogen op zijn moeder. Ze hadden een opgetogen schittering. 'Maar wel wil ik Lax'l vragen of ik onze snelheid eens mag meten met die van een cho-ja. Het zou interessant zijn om te weten of zijn krijgers een legertje barbaren te paard kunnen inhalen.'

'Ja, als het oorlog was, hetgeen momenteel niet zo is, dank de goden!' zei Hokanu met een ernstige ondertoon in zijn stem. 'Let op je manieren en houd rekening met de waardigheid van bevelhebber Lax'l wanneer je het hem vraagt.'

Ajiki's grijns werd breder. Hij was opgegroeid met de exotische cho-ja's en werd niet in het minst geïntimideerd door hun vreemde manieren. 'Lax'l heeft me nog steeds niet vergeven dat ik hem ooit een jomachvrucht met een steen erin heb gegeven.'

'Natuurlijk wel,' kwam Mara tussenbeide. 'Maar vanaf die dag is hij bedacht op je streken, en dat is maar goed ook. De cho-ja's hebben niet hetzelfde gevoel voor humor dat mensen hebben.' Ze keek even naar Hokanu. 'In feite geloof ik dat ze onze humor niet eens snáppen.'  

Ajiki trok een lelijk gezicht en zijn zwarte paard begon even te steigeren. De koets dragers deinsden achteruit voor de trappelende hoeven en door de opschudding werd de kleine Justijn gewekt, hetgeen hij liet blijken door een luide kreet van verontwaardiging.

Ajiki had het vurige paard meteen in bedwang, maar toch deed het een paar stappen achteruit. Hokanu moest zich bedwingen om niet te lachen, zo amusant vond hij Ajiki's verwoede poging om de controle te houden. Inmiddels was Justijn zijn moeder tegen haar buik aan het schoppen. Zij boog zich naar hem toe en nam hem in haar armen.  

Toen vloog er iets vlak langs Hokanu's oor. Het kwam van achter hem en deed het gordijntje van de draagkoets fladderen. Er was een gaatje in de zijden stof verschenen - daar waar zich zojuist Mara's hoofd had bevonden. Hokanu wierp zijn lichaam voor dat van zijn echtgenote en zijn stiefkind, en draaide zijn hoofd om. In de schaduwen tussen de bosjes langs het pad zag hij iets zwarts bewegen. Zijn krijgservaring dreef hem tot een instinctieve reactie.

Hij duwde zijn vrouwen het kind uit de draagkoets en gebruikte zijn lichaam om de twee af te schermen. Door de abrupte bewegingen kantelde de koets, waardoor ze verdere bescherming kregen. 'De struiken!' riep hij terwijl de dragers stonden te wankelen.

De lijfwachten trokken hun zwaarden, klaar om hun meesteres te verdedigen, maar daarna aarzelden ze, want ze zagen geen duidelijk doelwit.  

Mara was half bedekt door een warboel van kussens en gescheurde gordijntjes. 'Wat...' begon ze, boven het huilen van Justijn uit.

'Achter die akasistruiken!' riep Hokanu naar de lijfwachten.

Het paard steigerde weer, nu alsof het door een horzel was gestoken. Ajiki voelde hoe de ruin beefde. Zijn oren lagen plat naar achter en hij schudde met zijn manen. De jongen liet de teugels vieren om het dier te kalmeren. 'Rustig maar, grote jongen. Op je gemak.' Hij hoorde zijn stiefvaders waarschuwende kreet niet eens, zo druk had hij het met het sussen van zijn rijdier.  

Hokanu keek over de rand van de draagkoets. De soldaten haastten zich nu naar de bosjes die hij had aangewezen. Toen hij omkeek om te zien of ze ook van die kant werden aangevallen zag hij Ajiki druk bezig met pogingen om zijn gevaarlijk opgewonden ruin te kalmeren. Een glinstering van metaal in het zonlicht verried een pijltje dat in de flank van de ruin stak. 'Ajiki! Stijg snel af!'

Het paard begon wild om zich heen te trappen. Het gif in zijn lijf had inmiddels zijn werk gedaan en het bloed vergiftigd. De rollende ogen van de ruin vertoonden alleen nog wit, en het dier maakte een schril, krijsend geluid, dat akelig menselijk klonk.

Hokanu sprong bij de draagkoets vandaan en graaide naar de teugels van het paard, maar de trappelende hoeven dwongen hem achteruit. Hij dook weg en probeerde het nog eens vanuit een andere hoek, maar ook het paard draaide zich opeens half weg. Hokanu wist genoeg van paarden om te weten dat deze ruin dol was geworden.

'Ajiki,' riep hij naar de jongen, die zijn armen om de nek van het dier had geldemd, 'spring naar beneden! Nu meteen!'

'Nee,' riep het kind - niet uit brutaliteit, maar uit dapperheid. 'Ik kan hem kalmeren!'

Hokanu sprong weer naar de teugels, zonder aan zijn eigen veiligheid te denken. De jongen had misschien gelijk gehad als het paard alleen maar geschrokken was geweest, maar Hokanu had ooit eerder het effect van een giftig pijltje gezien. Hij wist dat deze schokkerige bewegingen en dit acute gebrek aan coördinatie de symptomen waren van een snel werkend vergif Als het pijltje Mara had geraakt, zou ze binnen een paar tellen dood zijn geweest. In een dier dat tien keer zo groot was als zij zou het langer duren en met wrede pijnen gepaard gaan. Het paard krijste van doodsangst en er gingen onbeheerste stuiptrekkingen door zijn grote lichaam. Het dier ontblootte zijn gelige tanden en vocht tegen zijn bit. Hokanu miste de teugel weer. 'Het is gif, Ajiki!' riep hij boven het gehinnik van het dolle paard uit. Hokanu greep nu naar de stijgbeugel, in de hoop de jongen naar beneden te kunnen trekken. Het paard zette opeens zijn voorpoten schrap, alsof alle spieren daarin opeens verkrampt waren, en zakte toen schuin opzij door zijn achterpoten.  

De jongen weigerde nog steeds naar beneden te springen. Hij hield dapper de hals van het paard omklemd toen het kolossale dier als een rotsblok omviel en met een doffe klap op de bodem stortte, waar het stuiptrekkend bleef liggen - dwars over Ajiki heen. Ajiki maakte geen geluid. Hokanu ontweek de trappelende hoeven van de stervende ruin en rende naar de andere kant, maar het was te laat. De jongen lag beklemd onder het zware gewicht van het dier en zijn gezicht zag onnatuurlijk bleek. Ajiki richtte zijn donkere ogen op Hokanu en stak in de laatste hartslag voor zijn dood zijn ene vrije hand uit naar die van zijn stiefvader.  

Hokanu voelde hoe de kleine, vuile vingers in de zijne verslapten. Hij greep ze vast - een gebaar van woedende ontkenning. 'Nee!' riep hij, alsof hij een beroep deed op de goden. Mara's kreten klonken in zijn oren en hij was zich ervan bewust dat de krijgers van haar garde hem opzij trokken en zich inspanden om het dode paard weg te trekken. De lucht uit de longen van de ruin veroorzaakte via de stembanden nog een laatste zacht gekreun, maar Ajiki moest het stellen zonder een dergelijk symbolisch protest tegen zijn voortijdige dood. De schoften van het paard hadden zijn ribbenkast verpletterd - hier en daar staken botten naar buiten als afgebroken zwaarden.  

Het jonge gezicht met de te witte wangen staarde nog met open ogen, verbaasd, naar de onaangedane hemel. De vingers die zich hadden uitgestrekt naar een vertrouwde stiefvader om de dreiging van donkere verschrikkingen af te weren lagen leeg, open, op de grond. Een blaar op een duim getuigde van ijverige oefeningen met een houten zwaard. Deze jongen zou echter noch de eer, noch de verschrikkingen van een slagveld leren kennen, en evenmin de genoegens van een zoete kus van zijn eerste geliefde, noch de trots en de verantwoordelijkheid behorend bij de mantel van Regerend Heer die eens de zijne zou zijn geworden.  

De onomkeerbaarheid van dit abrupte einde was pijnlijk als een bloedige wond. Hokanu voelde verdriet en ongeloof en verbijstering. Alleen door zijn slagveldervaring als krijger was hij in staat zijn geest uit zijn verdoving te rukken. 'Bedek het kind met je schild,' beval hij een van de lijfwachten. 'Zijn moeder moet hem niet in deze toestand zien.'

De woorden kwamen echter te laat over zijn halfverdoofde lippen. Mara was achter hem aan gekomen en hij voelde haar zijden rokzoom langs zijn kuiten strijken toen zij zich naast haar zoon op haar knieën liet vallen. Ze stak haar armen al uit om hem half van de grond te tillen, alsof ze hem door haar omarming, door pure liefde, weer tot leven zou kunnen wekken, maar de beweging stokte toen ze Ajiki's roerloze, bloedige bovenlichaam zag. Haar mond opende zich voor een geluidloze kreet. Iets in haar binnenste brak in scherven. Hokanu steunde haar instinctief in haar rug en trok haar beschermend tegen zijn schouder aan.

'Hij is naar de zalen van de Rode God vertrokken,' mompelde hij. Mara gaf geen antwoord. Hokanu voelde het snelle kloppen van haar hart onder zijn hand. Nu pas merkte hij het gewoel in de struiken naast het pad op. Mara's lijfwachten hadden zich daar wraakzuchtig op het in zwarte kleding gehulde lichaam van de sluipmoordenaar gestort. Voordat Hokanu voldoende bij zijn positieven was gekomen om terughoudendheid te bevelen -levend zou de man misschien onthullen wie hem had gehuurd - hadden de soldaten die vraag in een achterhaalde kwestie veranderd. Ze hakten de moordenaar met hun zwaarden letterlijk in stukken - alsof hij een nidrastier was.  

Hokanu had geen medelijden met hem. Ondanks het vele bloed herkende hij de zwarte broek, het korte zwarte hemd en de roodgeverfde handen. Toen de hoofddoek opzij was getrokken - waarachter het hele gezicht verscholen was geweest, op de ogen na - werd bovendien de blauwe tatoeage op de linkerwang onthuld: het merkteken dat alleen de leden van de tong Hamoi droegen, het beruchtste moordenaars gilde van allemaal.  

Hokanu ging langzaam staan. Achteraf bleek het niets uit te maken dat de soldaten de moordenaar in stukken hadden gehakt. Leden van dit gilde lieten zich liever doden dan ook maar één greintje informatie los te laten. De tong werkte strikt in het geheim en deze moordenaar zou niet eens hebben gewéten door wie zijn leider was betaald om deze aanslag uit te voeren. En dat was nu juist de enige vraag van belang: door wie was de Hamoi gehuurd voor deze smerige klus?

In een koel hoekje van zijn geest begreep Hokanu ten volle dat deze aanslag op Mara's leven een dure zaak moest zijn geweest. De man kon onmogelijk hebben gehoopt deze missie te overleven, en zelfmoordacties kostten een fortuin in metaal.

'Doorzoek zijn kleren en ga na of hij in de omgeving is waargenomen,' hoorde hij zichzelf zeggen met een stem die bars klonk wegens de emoties die in zijn binnenste ziedden. 'Probeer aanwijzingen te vinden door wie de tong gehuurd zou kunnen zijn.'

De slagleider van dienst boog voor zijn meester en begon zijn manschappen meteen scherpe bevelen te geven.  

'En laat een wachter bij het lichaam van de jongen achter,' vervolgde Hokanu. Hij boog zich over Mara heen, met de bedoeling haar te troosten. Het verbaasde hem niet dat ze nog sprakeloos was van afschuw en ongeloof. Haar echtgenoot nam haar niet kwalijk dat ze nu niet in staat was zich op de voorgeschreven Tsuranese manier schijnbaar onaangedaan en formeel te gedragen. Ajiki was al jaren de enige familie die ze bezat. Ze had geen andere bloedverwanten meer. Al vóór zijn geboorte was haar leven door een overmaat van bloedvergieten en verliezen ontregeld. Hij trok haar frêle, rillende lichaam koesterend tegen het zijne aan terwijl hij doorging met het uitdelen van orders.  

Toen alles geregeld was en Hokanu voorzichtig probeerde Mara weg te leiden, verzette ze zich. 'Nee!' zei ze met een stem die verstikt was door verdriet. 'Ik wil hem hier niet alleen laten!'

'Mijn vrouwe, Ajiki is buiten het bereik van onze hulp. Hij staat al in een zaal van de Rode God. Ondanks zijn jeugd heeft hij zijn dood moedig onder ogen gezien. Hij zal welkom worden geheten.' Hij streelde haar donkere haren, die nat waren van de tranen, en probeerde haar te kalmeren. 'Je kunt beter binnen zijn, met je geliefden om je heen en met Justijn in de goede handen van zijn verzorgsters.'

'Nee,' antwoordde Mara, en ze had die ondertoon in haar stem waardoor hij instinctief wist dat het geen zin had om haar tegen te spreken.

Hoewel ze er na een poosje in toestemde dat haar nog levende kind onder begeleiding van een groep soldaten terugkeerde naar het landhuis, bleef ze zelf, op de stoffige grond en in de steeds heter wordende zon, de hele ochtend naar het levenloze gezicht van haar oudste zoon zitten staren.

Hokanu liet haar geen moment alleen. Noch de stank van de dood verjoeg hem, noch de zoemende vliegen die gonzend en zuigend rond de vochtige ogen van de dode ruin zwermden. Volledig beheerst, als op een slagveld, zag hij het ergste onder ogen en stelde er zich op in. Met kalme stem gaf hij een bode opdracht om bedienden te halen, en een luifel om voor wat schaduw te zorgen. Toen de laatste werd opgezet keek Mara op noch om. Ze liet rulle aarde door haar vingers glijden alsof de mensen om haar heen niet bestonden, tot het moment waarop twaalf krijgers in ceremonieel tenue verschenen om haar gesneuvelde zoon weg te dragen. Niemand had geprotesteerd tegen Hokanu's suggestie dat de jongen een begrafenis met militaire eer verdiende. Ajiki was gestorven ten gevolge van een vergiftigde pijl van de vijand, of deze hem nu rechtstreeks in zijn lijf had getroffen of niet. Hij had geweigerd zijn geliefde paard in de steek te laten, en zulk verantwoordelijkheidsgevoel en zulke moed bij iemand die zo jong was verdienden erkenning.  

Mara keek toe. Haar gezicht was onbewogen als dat van een porseleinen beeldje toen de krijgers het lichaam van haar zoon optilden en het op een baar legden, die was bedekt met lappen stof in het groen van de Acoma, plus een enkele in het rood, ter ere van de Rode God, die alle leven uiteindelijk vergaart.

Het ochtendbriesje was gaan liggen en de soldaten zweetten van de inspanning. Hokanu hielp Mara overeind en hoopte dat ze zich goed zou houden. Hij wist hoe moeilijk hijzelf het had om onbewogen te lijken, en dat niet alleen wegens Ajiki, maar ook omdat zijn hart bloedde voor Mara, wier leed onvoorstelbaar moest zijn. Hij steunde haar tijdens het lopen toen ze naast de draagbaar plaatsnam en de kleine stoet zich in beweging zette naar het landhuis, dat nog maar enkele uren geleden een gezegend brandpunt van vrede en geluk had geschenen.

Het leek een misdaad tegen de natuur dat de tuinen er nog steeds zo weelderig uitzagen en dat de oever van het meer nog steeds een lust voor het oog was - in bitter contrast met de jongen die daar zo roerloos en geknakt en bebloed op de baar lag.

De eregarde van dragers bereikte de voordeur die bij ceremoniële gelegenheden werd gebruikt. Onder het immense granieten portaal stonden de trouwste dienaren van het huishouden te wachten. Een voor een maakten ze een buiging om de jonge Ajiki de laatste eer te bewijzen. Voorop stond Keyoke, Adviseur voor Oorlogszaken. Zijn haren waren zilverwit wegens zijn leeftijd. Hij had de krukken met behulp waarvan hij kon lopen, ondanks een als krijgsgevolg ontbrekend been, discreet in de plooien van zijn ceremoniële mantel weggemoffeld. Terwijl hij de rituele woorden van medeleven uitsprak, keek hij Mara aan met donkere ogen en een verweerd gezicht waarachter een verdriet als dat van een vader smeulde. Achter hem wachtte Lujan, de opperbevelhebber van het leger van de Acoma. Zijn gebruikelijke schelmengrijns ontbrak, en zijn vaste blik werd ontsierd doordat hij voortdurend met zijn ogen moest knipperen om zijn tranen tegen te houden. Hij was een soldaat in hart en nieren, maar nu kon hij zijn ontroering nauwelijks beheersen. Hij had de jongen onderricht gegeven in het zwaardvechten. Nog die ochtend had hij hem geprezen om zijn groeiende vaardigheid.  

Toen ze passeerde raakte hij even Mara's hand aan. 'Ajiki mag pas twaalf jaar zijn geweest, mijn vrouwe, maar hij was al een voorbeeldige soldaat.'

De meesteres reageerde slechts met een miniem knikje. Geleid door Hokanu bereikte ze vervolgens de hadonra, de volgende in de rij. Klein, schuw als een muis, zag Jican er nu ook nog ontroostbaar uit. Het was hem recentelijk gelukt bij de ongedurige Ajiki een rudimentaire belangstelling voor het financiële beheer van een landgoed te wekken. Nu was er voor altijd een einde gekomen aan hun spelletjes in een hoekje van de keuken, na het ontbijt, waarin ze schelpen hadden gebruikt om de handelsartikelen van de Acoma voor te stellen. Jican stamelde de formele woorden van medeleven. Zijn eerlijke bruine ogen spiegelden het verdriet van zijn meesteres en haar echtgenoot als het ware door naar haar jonge adviseur Saric en diens helper, Incomo. Beiden waren pas later deel gaan uitmaken van haar huishouden, maar hun affectie voor Ajiki was er niet minder om geweest. Hun condoleances waren oprecht, maar Mara kon geen woord uitbrengen. Slechts Hokanu's greep om haar elleboog voorkwam dat ze struikelde toen ze na de laatste treden over het bordes naar de hal van het huis liep.

De plotselinge overgang naar de schaduw deed Hokanu rillen. Voor het eerst gaf de prachtig betegelde hal hem geen gevoel van beschutting, en de kunstig beschilderde wandschermen die Mara en hij hadden laten aanbrengen riepen deze keer geen warme bewondering op. In plaats daarvan voelde hij een knagende twijfel: was de dood van de jonge Ajiki een teken van de goden, een blijk van ongenoegen, omdat Mara de eigendommen van haar gevallen vijanden als buit had opgeëist? De Minwanabi die ooit door deze gangen hadden gelopen hadden bloedwraak op de Acoma gezworen. In afwijking van de traditie had Mara hun natami echter niet begraven, hoewel de natami van een huis de stenen talisman was die, zo lang hij in het zonlicht stond, de geesten van de doden met het Wiel van het Leven verbond. Konden daarom de lange schaduwen van haar verdelgde vijanden haar en haar kinderen nu alsnog met ongeluk treffen?  

Bezorgd om de veiligheid van de kleine Justijn, en zichzelf in gedachten berispend om zijn bijgelovige fantasie, concentreerde Hokanu zich vervolgens op Mara. Dood en verderf om haar heen hadden haar steeds aangezet tot moed en actie, maar deze keer leek ze volslagen verdoofd. Ze zag erop toe dat het lichaam van de jongen naar de grote zaal werd gebracht, maar haar stappen leken op die van een pop in een poppenkast. Daarna zat ze roerloos naast de baar terwijl bedienden haar kind wasten en hem daarna kleedden in de zijden, met juwelen versierde gewaden waar hij als erfzoon van een groot huis aanspraak op kon maken. Hokanu bleef angstvallig in de nabijheid, maar hij werd gekweld door een besef van zijn eigen nutteloosheid. Hij liet voedsel brengen, maar zijn vrouwe wilde niet eten. Hij liet een heler een kalmerend middeltje brouwen, in de verwachting - zelfs de hoop - daarmee een verontwaardigde reactie uit te lokken.  

Mara schudde vaagjes van nee en duwde het kopje van zich af.

De schaduwen op de vloer werden langer naarmate het zonlicht vanuit de dakvensters in scherpere hoeken naar binnen viel. Toen de klerk die door Jican was gestuurd voor de derde keer op de grote toegangsdeur had geklopt nam Hokanu tenslotte het heft in handen. Hij zei de man dat hij naar Saric of Incomo moest gaan om een lijst te maken van de edele huizen die over deze tragedie bericht moesten worden. Het was evident dat Mara daartoe zelf nu niet in staat was. Haar enige beweging, en dat was al uren zo, was dat ze af en toe de koude vingers van haar zoon in de hare nam.

Lujan arriveerde bij het vallen van de schemering. Zijn sandalen waren bestoft en hij keek bezorgder dan tijdens welke veldslag ook. Hij maakte een buiging voor zijn meesteres en haar echtgenoot, en wachtte op toestemming om te spreken.

Mara bleef met doffe ogen naar haar zoon staren.

Hokanu stak zijn hand uit en raakte zachtjes haar verkrampte schouder aan. 'Mijn geliefde, je bevelhebber heeft nieuws.'

De Vrouwe van de Acoma verroerde zich alsof ze vanaf ergens ver weg in beweging werd gezet. 'Mijn zoon is dood,' zei ze zwakjes, 'maar bij de genade van alle goden had ik dat moeten zijn.'  

Door diep medelijden bevangen streek Hokanu een van haar losgeraakte lokken naar achter. 'Als de goden genadig waren, zou de aanval zélf nooit hebben plaatsgevonden.' Maar toen hij zag dat zijn vrouwe weer wegzakte in haar verlamdheid keek hij haar officier aan.

Hun blikken ontmoetten elkaar. De mannen waren even bezorgd. Ze hadden Mara woedend meegemaakt, gewond, zelfs in levensgevaar. Altijd had ze moedig gereageerd, vaak innovatief. Deze apathie was niets voor haar, en iedereen die van haar hield was bang dat misschien een deel van haar geestkracht samen met haar zoon gestorven was.

Hokanu was van plan een zo groot mogelijk deel van de last op zijn eigen schouders te nemen. 'Zeg me maar wat je mannen hebben gevonden, Lujan.'

Was Mara's opperbevelhebber een traditioneler ingestelde man geweest, dan zou hij hebben geweigerd. Hokanu was weliswaar een edelman, maar hij was niet de meester van de Acoma. Het Shinzawai-gedeelte van het huishouden had echter trouw gezworen aan het huis Acoma, en Mara was op dit moment niet in de conditie om belangrijke besluiten te nemen. Lujan slaakte daarom een bijna onhoorbare zucht van verlichting. De erf zoon van het huis Shinzawai was een krachtige persoonlijkheid, en wat Lujan aan nieuws te melden had was niet opbeurend. 'Mijn heer, onze krijgers hebben het lijk vergeefs gefouilleerd. Maar toen zijn onze beste spoorzoekers aan het werk gegaan, en in een kuil waar de moordenaar kennelijk een nacht had doorgebracht hebben ze dit gevonden.'  

Hij reikte een rond schelpmuntje aan, symbolisch beschilderd in rood en geel, met daarin het driehoekige embleem van het huis Anasati gekerfd. Hokanu nam het voorwerpje met zichtbare tegenzin aan. Het was een schijfje zoals een Regerend Heer dat aan een koerier meegaf ten bewijze dat deze een belangrijke boodschap had afgeleverd. Natuurlijk gaf een verstandig iemand zoiets nooit van zijn leven aan een huurmoordenaar. Anderzijds had de Heer van de Anasati er geen geheim van gemaakt dat hij Mara haatte. Jiro was machtig, en spande openlijk samen met huizen die de nieuwe politiek van de keizer zo snel mogelijk wensten af te schaffen. Hij was qua type eerder een geleerde dan een soldaat. Hoewel hij te slim was om zich aan botte daden te buiten te gaan, had Mara ooit zijn mannelijke gevoelens gekwetst, namelijk toen ze niet hém, maar zijn oudere broer als haar eerste echtgenoot had verkozen. Vanaf die dag had Jiro zich openlijk vijandig betoond.  

Niettemin was zo'n schelpmuntje veel te onsubtiel voor iemand die meedeed aan het Grote Spel. En de tong Hamoi was een veel te sluw gilde om zomaar toe te stemmen in de stommiteit van het meedragen van een dergelijk bewijsstuk, al dan niet op verzoek van de opdrachtgever zelf. De tong had een geschiedenis van eeuwen, maar het grootste deel van die geschiedenis bestond uit geheimen. Wie moord wilde kopen moest kunnen rekenen op absolute discretie. Het muntje zou hoogstens een truc kunnen zijn om het huis Anasati te compromitteren.  

Hokanu richtte een bezorgde blik op Lujan. 'Denk jij dat heer Jiro verantwoordelijk was voor deze aanval?'  

Hij liet het minder als een vraag dan als een uiting van ongeloof klinken. Aan Lujans gezicht te zien, toen hij zijn mond opende om te antwoorden, had ook hij zijn twijfels over het belang van het schelpmuntje.

Kennelijk had de naam van de Heer van de Anasati Mara's pantser van lethargie weten te doorboren. 'Heeft Jiro dit gedaan?' Ze draaide zich abrupt af van Ajiki's lichaam en staarde naar het rood-en-gele muntje dat Hokanu in zijn hand had. Haar gezicht was vertrokken in een angstaanjagend masker van woede. 'De Anasati zullen worden als vuiltjes in de wind! Hun natami zal worden begraven in mest en hun geesten zullen worden opgesloten in het donker. Ik zal minder genade kennen dan tegenover de Minwanabi!' Ze balde haar handen tot trillende vuisten. Ze staarde zonder iets te zien tussen haar echtgenoot en haar legerleider door, alsof ze door de pure kracht van haar haat haar verachte tegenstander lijfelijk wilde oproepen. 'Maar zelfs dat zal onvoldoende betaling zijn voor het bloed van mijn zoon. Zelfs dát zal niet genoeg zijn!'

'Misschien is heer Jiro niet verantwoordelijk,' merkte Lujan op. Zijn gewoonlijk zo vaste stem was nu schor van verdriet. 'U was het doelwit, niet Ajiki. Tenslotte was de jongen een neef van de Heer van de Anasati. De moordenaar kan door elke andere vijand van de keizer gestuurd zijn.'

Mara scheen hem niet eens te horen. 'Jiro zal boeten. Mijn zoon zal gewroken worden.'

'Stel jij heer Jiro aansprakelijk?' vroeg Hokanu nog eens aan de opperbevelhebber. Als de jonge erfzoon van de Anasati nog steeds dergelijke gevoelens koesterde, ook nu hij de mantel met zijn vaders macht had overgenomen, getuigde dat van een koppige, kinderachtige eigenliefde. Een rijpe geest zou zich over de oude wrok heen zetten, maar in zijn ijdele arrogantie wilde de Heer van de Anasati misschien wel iedereen laten weten wiens hand voor Mara's ongeluk verantwoordelijk was.  

Daar stond tegenover dat Mara veel te populair was geworden sinds ze tot Dienares van het Keizerrijk was benoemd. Die wrokkige Jiro mocht dan misschien wat puberaal zijn, maar toch zeker niet zó erg dat hij de wraak van de keizer wilde riskeren!

Lujan richtte de blik van zijn donkere ogen op Hokanu. 'Dat schelpmuntje is alle bewijs dat we hebben. Juist het overduidelijke zou iets subtiels kunnen zijn - een poging om ons het huis Anasati meteen te laten afschrijven en elders naar schuldigen te gaan zoeken.' Er broeide woede onder zijn woorden. Ook hij wilde keihard terugslaan naar degene die dit had bedreven. 'Het maakt weinig uit wat ik ervan denk,' besloot hij grimmig. Zijn eer vereiste dat hij deed wat zijn vrouwe wenste, zonder vragen, met absolute gehoorzaamheid. Als Mara hem vroeg zijn garnizoen te verzamelen en op een zelfmoordmissie ten oorlog te trekken, zou hij de order met volledige instemming gehoorzamen. 

 

De dakramen van de grote zaal toonden dat het buiten donker was geworden. Bedienden kwamen stilletjes naar binnen en ontstaken de lampen rond Ajiki's baar. Zoete rook geurde in de lucht. Het spel van het warme licht verzachtte de bleekheid van de dood, en de akelige wonden gingen schuil onder de zijden kleding. Mara was nu de enige die wake hield. Ze bekeek het ovale gezicht van haar zoon, en stelde wrang vast dat zijn gekamde haren voor het eerst van zijn leven langer dan een uur achter elkaar netjes waren blijven zitten.  

Tot het moment van die fatale val van de ruin was Ajiki haar hele toekomst geweest. Op hem had ze al haar hoop gevestigd, hij was het centrum van al haar dromen geweest, meer nog: hij was de toekomstige hoeder van haar voorouders en de voortzetting van de naam Acoma.  

En haar zelfgenoegzaamheid had hem gedood.

Mara kneep haar witte vingers samen op haar schoot. Nooit, nooit, had ze zich mogen laten verleiden tot de misvatting dat haar vijanden haar niet konden raken. Het schuldgevoel over dit gebrek aan waakzaamheid zou haar de rest van haar leven achtervolgen. En hoe grauw was die hele toekomst tóch al geworden! Naast haar stond een schaal met de restanten van een maaltijd. Ze kon zich niet herinneren iets van het voedsel geproefd te hebben. Hokanu's zorg was niet echt een troost geweest. Ze kende hem te goed. De echo van haar eigen verdriet en woede die ze achter zijn woorden kon horen maakte haar zelfverwijten alleen maar bitterder.  

Alleen de jongen liet niets blijken van misprijzen om haar stommiteit. Ajiki was alle gevoelens voorbij, immuun voor verdriet en voor vreugde.

Mara onderdrukte een snik. Had de pijl háár maar geraakt, háár levenslicht voor altijd gedoofd, en niet dat van haar zoon! Dat ze een tweede kind had, dat nog leefde, verminderde haar wanhoop niet. Van de twee had Ajiki des levens volheid het minste gekend, ondanks het feit dat hij veel ouder was. Hij was verwekt door Buntokapi van de Anasati, een familie die tot de vijanden van de Acoma behoorde, in een huwelijk dat Mara veel smart had bezorgd, en geen greintje geluk. Haar politieke handigheid had haar destijds tot intriges en valstrikken aangezet die volgens haar eigen inzicht, achteraf, in feite neerkwamen op moord. Ajiki was in zekere zin een vergoeding voor de verspillende zelfmoord van zijn vader - iets waartoe deze door Mara's eigen machinaties was aangezet. Hoewel ze daarmee volgens de ongeschreven regels van het Spel van de Raad een eclatante overwinning had behaald, zag ze zélf Buntokapi's dood als een nederlaag. Dat zijn eigen familie hem zo had verwaarloosd dat hij voor haar een gemakkelijke prooi was geweest, maakte geen verschil. Ajiki had haar echter een kans geboden om haar eerste echtgenoot met terugwerkende kracht blijvende eer te bezorgen. Ze was vastbesloten geweest zijn zoon de allure te laten bereiken die aan Buntokapi ontzegd was.  

Die hoop was nu de bodem in geslagen. Heer Jiro van de Anasati was Buntokapi's broer. Het feit dat zijn complot tegen haar was mislukt, met de dood van zijn neef als gevolg, had voor een verandering in de politieke balans gezorgd, want zonder Ajiki zou de Anasati zich weer net als vroeger aan het bestrijden van de Acoma kunnen wijden.

Ajiki had onderwijs gehad van de beste leraren. De waakzaamheid van al haar soldaten had hem beschermd. Toch had hij moeten betalen voor de privileges van zijn rang. Op zijn negende jaar had hij al bijna zijn leven verloren door het mes van een sluipmoordenaar. Twee kinderverzorgsters en een geliefde oude vrouw waren toen voor zijn ogen vermoord. De ervaring had hem nog jaren achtervolgd in nachtmerries. Mara moest een opwelling onderdrukken om troostend over zijn hand te wrijven. Het vlees was al koud. Zijn ogen zouden zich nooit meer vol blijdschap en vertrouwen voor haar openen. Mara hoefde niet te vechten om haar tranen binnen te houden. Haar woede over het onrecht smoorde haar verdriet. De persoonlijke demonen die zijn vaders natuur tot wreedheid hadden misvormd, hadden Ajiki vaak geïnspireerd tot gepieker en melancholie. Pas de afgelopen drie jaar, sinds Mara's huwelijk met Hokanu, had de zonnige kant van zijn aard steeds meer de overhand gekregen.  

Het fort van de Minwanabi, had Ajiki altijd met graagte opgemerkt, was in feite niet eens ooit belégerd geweest. De verdediging hier was voor een vijand simpelweg niet om door te komen. Bovendien was Mara een Dienares van het Keizerrijk. Die titel garandeerde welwillendheid vanwege de goden en zeker ook voldoende fortuin om rampen af te weren. Nu maakte Mara zich bittere verwijten dat ze zich door dit soort kinderlijk, blind geloof had laten misleiden. Ze had tradities en bijgeloof in het verleden vaak genoeg voor haar eigen doeleinden ingezet. Ze was zo ijdel en stom geweest om niet te zien dat zulke dingen ook tégen haar gebruikt konden worden.

En daarom vond ze het een grof onrecht dat het kind daarvoor had moeten betalen, en niet zijzelf.

Zijn halfbroertje, Justijn, had geholpen Ajiki van zijn tobberige buien af te helpen. Haar tweede zoon was een kind van de barbaarse slaaf van wie ze nog steeds hield. Ze hoefde haar ogen maar even dicht te doen om Kevins gezicht weer voor zich te zien - altijd glimlachend om een of ander bespottelijk grapje - met rode haren en een baard die koperkleurig glansde in het Kelewaanse zonlicht. Met hem had ze geenszins de harmonieuze verhouding gekend die ze nu met Hokanu genoot. Nee, Kevin was stormachtig, impulsief en bij vlagen gepassioneerd onlogisch geweest. Hij zou zijn verdriet niet voor haar verborgen hebben gehouden, maar zijn gevoelens in een wilde uitbarsting de vrije loop hebben gelaten. Juist door zijn intensieve manier van leven zou zij misschien de moed en de kracht hebben gevonden om deze ramp onder ogen te zien. De jonge Justijn had het zorgeloze karakter van zijn vader geërfd. Hij lachte snel, was dol op het uithalen van kattenkwaad, en begon nu al een rap tongetje te krijgen. Zoals zijn vader vroeger, had ook Justijn een aangeboren talent om Ajiki uit zijn sombere buien te halen, bijvoorbeeld door op zijn korte, mollige beentjes een eindje te rennen en dan, luid schaterend, zogenaamd te struikelen en te vallen, of door zo lang gekke gezichten te trekken dat je je wel gewonnen moest geven.

Maar nu zou niemand Ajiki meer aan het lachen maken.

Mara rilde, en pas op dat moment drong de aanwezigheid van iemand anders naast haar tot haar door. Hokanu was de zaal binnengeslopen op de griezelig stille manier die hij van bosbewoners op de barbarenwereld had geleerd.

Beseffend dat zij hem had opgemerkt, nam hij haar koude hand in de zijne. 'Mijn vrouwe, het is voorbij middernacht. U zou er goed aan doen wat rust te nemen.'

Mara wendde zich half van de baar af. Ze richtte haar blik op Hokanu, en het medeleven dat ze op zijn gezicht las bracht tranen in haar ogen. Zijn knappe gelaatstrekken werden wazig. Hij veranderde zijn houding en steunde haar schouder. Hij was sterk, maar op een spaarzaam gespierde manier, net als zijn vader. Hij mocht dan niet zo vurig zijn als Kevin was geweest, met hém deelde Mara een moeiteloos wederzijds begrip. Hij was een echtgenoot voor haar zoals Ajiki's vader er nooit een was geweest, en zijn aanwezigheid op dit moment, nu ze dreigde te bezwijken onder haar verdriet, redde haar van de waanzin. De aanraking waarmee hij trachtte haar te troosten was die van een man die uitstekend in staat was een leger te velde te leiden. Hij gaf de voorkeur aan vrede, zoals ook zij, maar wanneer het gebruik van zwaarden noodzakelijk was bezat hij de moed van de tijgers die op de wereld aan gene zijde van de Scheuring leefden.  

En nu zou de Acoma deze krijgersvaardigheden alsnog nodig hebben.

Terwijl de tranen over Mara's wangen stroomden, voelde ze een bitterheid die geen grenzen kende. Maar ze had nu een naam die als zondebok kon dienen voor het schuldbesef in haar binnenste. Jiro van de Anasati had haar zoon vermoord. En om die reden zou ze zijn huis met de grond gelijk maken, en de naam ervan voor eeuwig uitwissen.  

Alsof hij aanvoelde welke lelijke richting haar gedachtegang had ingeslagen, schudde Hokanu zachtjes aan haar schouder. 'Mijn vrouwe, u bent nodig. Justijn heeft bijna de hele avond gehuild. Hij vraagt wat er met zijn mama is gebeurd. Keyoke is elk uur om instructies komen vragen. Bevelhebber Lujan wil weten hoeveel compagnies hij moet terugroepen van hun garnizoensdienst op uw goederen in de omgeving van Sulan-Qu.'  

Op zijn onnavolgbaar subtiele manier trok Hokanu de noodzaak van een oorlog niet in twijfel. Dat zorgde voor opluchting. Had hij moeilijke vragen gesteld, of geprobeerd haar van wraak te laten afzien wegens het feit dat die ene schelp wel een érg mager bewijs was, dan zou ze hem woedend zijn aangevlogen. Wie op dit moment niet met haar was, was tegen haar. De Acoma was een slag toegebracht, en haar eer eiste actie.

Maar de aanblik van de contouren van haar dode zoon deed haar wilskracht verslappen. Het leek alsof ook uit háár alle leven was weggevloden.

'Vrouwe?' drong Hokanu aan. 'Uw beslissingen zijn noodzakelijk voor de continuïteit van uw huis. Vanaf nu bént u weer de Acoma.'

Er verscheen een groefje tussen Mara's wenkbrauwen. De woorden van haar echtgenoot waren de waarheid. Bij hun huwelijk waren ze overeengekomen dat de jonge Justijn de erfgenaam van de Shinzawai zou worden, na Hokanu zelf. Abrupt, met intense vurigheid, wenste Mara dat ze die belofte nooit had gedaan. Nooit zou ze in zoiets hebben toegestemd als ze zich beter van Ajiki's sterfelijkheid bewust was geweest!

De cirkel sloot zich weer. Ze was nalatig geweest. Als zij niet zo gevaarlijk lui en zelfvoldaan was geworden, zou nu haar zwartharige zoon daar niet te midden van doodslampen liggen opgebaard. Dan zou hij morgen weer rond hebben gerend, zoals jongens dat behoren te doen, of hebben geoefend met zijn houten zwaard, of op zijn grote paard sneller dan de wind over de heuvels hebben gegaloppeerd.

Voor de zoveelste keer zag Mara voor haar geestesoog het steigerende paard, de trappelende hoeven, het langzame vallen van het kolossale lichaam...  

'Vrouwe,' zei Hokanu, nu enigszins berispend. Teder opende hij de verkrampte vingers van haar handen en begon de spanning eruit weg te strelen. 'Het is voorbij. We moeten voortgaan met ons best te doen voor de levenden.' Hij veegde de tranen van haar wangen, maar onder haar wimpers vandaan sijpelden er nieuwe naar beneden. 'Mara, de goden zijn niet zachtzinnig geweest. Maar mijn liefde voor jou blijft voortbestaan en het vertrouwen van de leden van je huishouden in je geestkracht straalt als een lamp in de duisternis. Ajiki heeft niet voor niets geleefd. Hij was dapper, en sterk, en deinsde niet terug voor zijn verantwoordelijkheid, zelfs niet op het moment van zijn dood. En wat hij deed moeten ook wij doen, anders zou de pijl die het paard trof meer dan één dodelijke slag hebben toegediend.'  

Mara sloot haar ogen en probeerde de olieachtig geurende rook van de doodslampen uit haar geest te bannen. Ze hoefde er niet aan herinnerd te worden dat duizenden mensen van haar, als Regerende Vrouwe van de Acoma, afhankelijk waren. Vandaag had ze geboet voor het bewijs dat ze hun vertrouwen niet verdiende. Ze was niet langer de regente namens een opgroeiende zoon. Het leek alsof ze geen hart en geen gevoelens meer had, maar toch diende ze zich voor te bereiden op een grote oorlog, en op wraakneming, ter wille van de eer van haar huis, en dan ook nog op het voortbrengen van een nieuwe erfgenaam.

De hoop, de toekomst, het enthousiasme, de dromen - alles waar ze zo veel voor had opgeofferd leek in rook vervlogen te zijn. Ze voelde zich leeg en verdoofd, en ten diepste gestraft.

'Mijn heer en echtgenoot,' zei ze hees, 'geef mijn adviseurs uw aandacht en laat hen doen wat u voorstelt. Ik heb niet de kracht om beslissingen te nemen, maar de Acoma moet zich voorbereiden op strijd.'

Hokanu keek haar met gewonde ogen aan. Hij had haar geestkracht altijd bewonderd, en het deed zijn hart pijn te moeten aanzien hoe haar durf en fantasie nu werden gesmoord door verdriet. Hij hield haar dicht tegen zich aan, zich bewust van de diepte van haar smart. 'Vrouwe,' fluisterde hij, 'ik zal proberen u zo veel mogelijk te ontzien. Als u ten strijde zou trekken tegen Jiro van de Anasati, zal ik aan de rechterhand van uw bevelhebber staan. Maar vroeg of laat moet u de mantel van uw huis omhangen. De naam Acoma is uw verantwoordelijkheid. Ajiki's dood mag niet een einde betekenen, maar zal een vernieuwing van uw dynastie moeten inluiden.'  

Niet in staat iets te zeggen, of rationeel te denken, legde Mara haar gezicht tegen de schouder van haar echtgenoot, en lange tijd doordrenkte zij de blauwe zijde van zijn jasje geluidloos met haar tranen.