22 Uitdaging
Mara kwam bij bewustzijn.
Haar laatste herinneringen - een open plek aan het begin van een jungle, een patrouille van cho-ja's - sloten in het geheel niet aan bij wat ze nu om zich heen zag: een kleine zeshoekige kamer met effen vensterloze muren. De vloer was van gepolijste leisteen, het plafond van een of andere spiegelachtige materie die het licht van de ene verlichtingsbol in de cel- hij zweefde vrij in het midden - weerkaatste.
Mara duwde zich op haar ellebogen en vervolgens op haar knieën omhoog, en zag toen dat Lujan achter haar stond, klaarwakker, maar zichtbaar slecht op zijn gemak.
'Waar zijn we?' vroeg de Vrouwe van de Acoma. 'Heb je enig idee?'
Haar legerleider draaide zich om. Hij zag bleek van een woede die hij maar met moeite kon onderdrukken. 'Ik weet het niet. Het doet er weinig toe, vrees ik, want we worden vastgehouden als vijanden van de stadstaat Chakaha.'
'Vijanden?' Mara accepteerde Lujans hand en liet zich overeind helpen. Ze zag dat Lujans zwaardschede nog leeg was en dat was een gedeeltelijke verklaring voor zijn gespannenheid. 'Zijn we hier dan op magische wijze naar toe gebracht?'
Lujan veegde zijn zweterig-vochtige haren naar achter en trok toen puur routinematig het bandje van zijn helm strakker. 'Magie moet ons vanaf die helling hierheen hebben getransporteerd. En in elk geval kan alleen magie ons hier weer uit krijgen. Als u om u heen kijkt, zult u zien dat er hier deuren noch ramen zijn.'
Mara controleerde het snel. De zes wanden rezen hoog en recht op, zonder vensters of nissen of wat dan ook. Toch was de lucht in de cel fris. Kennelijk, zo concludeerde de vrouwe, was deze hele cel een product van magische krachten.
Het was een gevolgtrekking die haar deed rillen.
Ze had nu niet langer te maken met mensen, van wie ze om natuurlijke redenen toch tenminste op een spránkje begrip en medeleven zou kunnen rekenen. Met een ijskoude zekerheid besefte ze dat zij en Lujan nu speelballen waren geworden van een ondoorgrondelijke en onvoorspelbare korfgeest. Meer dan ooit werd ze geconfronteerd met de onbegrijpelijkheid van een volslagen vreemd ras, waarvan het 'geheugen' en de 'ervaring' millennia omspanden, en dat zich uitsluitend liet leiden door een rationaliteit waarin de collectieve welvaart en overleving van het eigen ras centraal stonden. Erger nog: anders dan de korven die ze in haar eigen land kende, waren deze vrije, buitenlandse cho-ja's nooit gedwongen geweest volgens andere voorwaarden met de mensen samen te werken dan die ze vrijwillig hadden aanvaard. Zelfs het beetje wederzijdse begrip dat ze in de loop van de jaren met de koningin in haar eigen land had opgebouwd zou ze hier moeten missen.
Lujan voelde de wanhoop van zijn vrouwe aan. 'We zijn niet zonder hoop, vrouwe. Het zijn beschaafde wezens die ons gevangen houden. Ze moeten een hekel hebben aan zinloos moorden, anders zouden ze ons ter plekke hebben gedood.'
Mara zuchtte. Ze zei maar niet wat ze eigenlijk dacht: als ze voor vijanden werden gehouden, dan niet wegens hun individuele daden, maar wegens alles wat alle Tsurani in alle eeuwen hadden misdreven! De lijst van door bloedig verraad verbroken verdragen was eindeloos lang. In het kader van het Spel van de Raad hadden vaders hun zonen vermoord, en omgekeerd, en hadden leden van een en dezelfde clan elkaar naar het leven gestaan. Ook Mara's eigen handen waren verre van schoon. De rituele zelfmoord van haar eerste man was duidelijk door haar gemanipuleerd, en ook de manier waarop ze Kevin had weggestuurd, zonder dat hij wist dat ze een kind van hem droeg, zou in de ogen van de cho-ja's misschien geen genade vinden. Voor hen was het verleden iets dat niet vervaagde of verjaarde, en een begrip als vergiffenis kénden ze misschien niet eens.
'Lujan?' De echo van Mara's stem in die besloten ruimte klonk hol van angst. 'Wát er uiteindelijk ook met ons zal gebeuren, we moeten per se een manier vinden om gehoord te worden.'
Haar legeraanvoerder draaide zich gefrustreerd om. 'Wat kunt u ánders doen, vrouwe, dan op deze muren beuken met mijn vuisten?'
Mara hoorde de wanhoop die hij achter zijn bravoure probeerde te verbergen. Ze begreep hoe ongelukkig hij zich moest voelen. Vanaf het moment dat ze van boord van de Coalteca waren gegaan had hij niets gehad aan zijn militaire training. Toen ze door de Thurils werden overvallen had zij hem geboden zijn wapens neer te leggen. In Loso had hij vernederingen moeten verduren die hij anders met zijn zwaard zou hebben afgestraft en was hij bijna als een slaaf behandeld. En nu hij ook nog zijn makkers moest missen voelde hij zich ongetwijfeld bijzonder somber en machteloos.
Lujan bezat humor en verstand en moed, maar niets van Arakasi's onstilbare nieuwsgierigheid naar het onbekende. Beseffend wat ze allemaal van haar trouwe legerleider had gevergd, raakte Mara zijn pols aan. 'Bewaar nog even je geduld, Lujan. We zijn nu ofwel dicht bij ons einde, ofwel dicht bij ons doel.'
Lujan voelde aan welke gedachten door haar heen waren gegaan. 'Ik voel me zo waardeloos, vrouwe,' zei hij. 'U had beter Arakasi kunnen meenemen, of Saric aan uw zijde kunnen houden.'
Mara deed een poging tot humor. 'Wat? Sarics vragen dulden, als de goden zélf om stilte vragen? En Arakasi? Denk je dat hij Kamlio zou hebben laten wegbrengen zonder die hele meute met zijn blote handen aan te vallen? Tenzij zij hém al op de Coalteca met haar nageltjes had bewerkt, natuurlijk, nog voordat we voet aan land zetten. Nee, ik wil nu noch Saric, noch Arakasi aan mijn zijde. Ik moet erop vertrouwen dat het lot een goede reden heeft gehad om jou hierheen te brengen.'
Het laatste was vooral een oppepper, want in haar hart had Mara alleen maar bange voorgevoelens, maar ze wist er haar bevelhebber een bleek glimlachje mee te ontlokken. Hij hield op met zijn nerveuze vingergetrommel op zijn lege zwaardschede. 'Vrouwe,' zei hij geforceerd opgewekt, 'laat ons maar hopen dat u gelijk hebt.'
Er gingen vermoeiende uren voorbij, zonder licht om te schatten hoe laat het was, zonder geluiden die de monotonie doorbraken. Lujan ijsbeerde in de kleine cel, Mara zat op de grond en probeerde vergeefs te mediteren. Telkens weer moest ze verlangend aan haar kinderen en echtgenoot denken. Vooral het vooruitzicht dat ze haar geschil met Hokanu misschien nooit zou kunnen bijleggen zat haar vreselijk dwars. Ze begon zich irrationele zorgen te maken: dat Hokanu zou hertrouwen, en zonen zou krijgen, en dat Kasuma haar erfdeel nooit zou krijgen, of dat Justijn zou worden gedood, en dat het huis Acoma zou uitsterven, of dat Jiro nu zijn kans zou grijpen om als Krijgsheer de nieuwe orde af te schaffen en de keizer weer te reduceren tot een machteloos religieus symbool, of dat het bloeddorstige Spel van de Raad hervat zou worden, en dat de cho-ja's voor altijd gebonden zouden blijven aan dat vernederende verdrag uit het verre verleden.
Mara sperde haar ogen open. Er was opeens een gedachte bij haar opgekomen die haar hartslag versnelde. Deze cho-ja's zouden misschien letterlijk geen poot uitsteken voor haar, die tenslotte behoorde tot het volk van hun Tsuranese doodsvijanden, maar zouden ze ook hun rug toekeren aan hun rasgenoten die in het keizerrijk onderdrukt werden? Ze moest hun zien duidelijk te maken dat zij, gezien haar rang en invloed, de eerste was die de cho-ja's in Tsuranuanni misschien hoop op veranderingen te bieden had!
'We moeten een manier vinden om gehoord te worden,' mompelde Mara.
Meer uren gingen voorbij. Ze begonnen honger te krijgen, en ook andere onderdrukte lichaamsbehoeften begonnen een probleem te worden. Over het laatste merkte Lujan wrang op: 'Onze overweldigers hadden toch minstens voor een latrine kunnen zorgen. Als het nog lang duurt zal ik mijn hele opvoeding moeten verloochenen door mijn blaas gewoon op deze vloer te legen.'
Voor dat crisismoment aanbrak werden Mara en haar begeleider echter volstrekt onverwachts verblind door een felle lichtflits, en toen ze na enkele momenten van desoriëntatie weer iets konden zien, stelde Mara vast dat de wanden waarbinnen ze waren opgesloten in het niets leken te zijn opgegaan. Ze had geen enkele beweging gevoeld, noch enig geluid gehoord, maar de opsluiting was van het ene moment op het andere simpelweg beëindigd. Was die hele cel dan niet meer dan een optische illusie geweest?
Mara zag daglicht naar binnen vallen door een hoge, rood getinte glazen koepel. Zij en Lujan stonden in het midden van een glanzende tegelvloer. De schoonheid van de patronen die ze zag deed de fraaiste mozaïeken in het paleis van de keizer verbleken, meende Mara. Ze zou misschien nog een hele poos met open mond bewonderend hebben blijven staan kijken als een van de leden van een dubbele rij cho-ja's haar niet een por had gegeven.
Paniekerig keek ze om zich heen. Waar was Lujan? Hij was niet meer bij haar! Ze had gefascineerd naar de vloer staan kijken en in de tussentijd moest hij zijn weggeleid. Weer kreeg ze een por in haar rug, die haar bijna deed struikelen. Voorafgaand aan de krijgers van haar escorte zag Mara een cho-ja die op zijn borst gele merktekens droeg. Aan de spullen te oordelen die aan zijn riem hingen moest het een klerk zijn. Hij volgde een andere gestalte, die veel hoger oprees, maar die op zijn rug geen fluwelen mantel droeg, zoals Mara eerst meende, maar kunstig, als een geplooide sleep opgevouwen vleugels, die heel lichtjes over de vloer ruisten. Ze wekten daarbij kleine vonkjes op, die Mara's huid zachtjes deden prikken. Ze begreep dat dit een magiër was. Ontzag verlamde haar tong. Wat was hij groot! Hij bewoog zich op zijn hoge, steltvormige ledematen op een gracieuze manier, die haar deed denken aan de Midkemische elfen waarvan Kevin haar ooit, lang geleden, de schoonheid had beschreven. Dit vreemde wezen was echter méér dan alleen maar mooi. Zijn gladde, bolle hoofd was bekroond met voelhoorns die af en toe opgloeiden. De klauwen van zijn voorpoten waren voorzien van kostbare metalen ringen - van zilver en koper en ijzer. Wat vanuit de verte versierende strepen over de romp hadden geleken bleken van dichtbij rijen van symbolen te zijn - teksten misschien, zoals de runen die Mara uit tempels kende.
Ze was ten prooi aan gevoelens van nieuwsgierigheid en angst tegelijk, maar ze besloot te zwijgen en zich waardig te gedragen. De toekomst van het keizerrijk hing van haar af, en net als de oude Dienaren van het Keizerrijk moest ze pal staan.
Ze werd via een gang naar een buitendeur en een boogvormige, duizelingwekkend hoge loopbrug tussen twee torens geleid. Daarvandaan had ze een prachtig uitzicht op de kristallen stad, de omringende jungle en de hoge, gekartelde bergketens aan weerszijden van het dal. Mara zag enkele magiërs boven de stad vliegen, maar ze kreeg niet de tijd om op haar gemak om zich heen te kijken, want haar ongeduldige escorte duwde haar voorwaarts over de loopbrug. Deze had geen leuningen, maar wel een stevige, bijna plakkerige ondergrond, waarop het gemakkelijk lopen was.
Ze kwamen uit in een overkoepelde zaal. Hierin zaten meerdere geel gemerkte cho-ja's - allemaal klerken? - in een halve cirkel bij elkaar. Mara werd naar het midden van het zaaltje gebracht. Daar draaide de grote magiër zich abrupt om en vestigde de blik van zijn robijnkleurige ogen strak op haar. 'Tsuranese mens, wie ben je?'
Mara haalde diep adem en sprak met vaste stem: 'Ik ben Mara, Vrouwe van de Acoma en Dienares van het Keizerrijk. Ik ben gekomen om te pleiten...'
'Tsuranese mens,' onderbrak de magiër haar met zijn sonore bas, 'degenen die je voor je ziet zijn de rechters die je al hebben veroordeeld. Je bent niet hierheen gebracht om ergens voor te pleiten, want over je lot is al besloten.'
Mara verstijfde, alsof ze een klap in haar gezicht had gekregen. 'Veroordeeld? Voor welke misdaad?'
'De misdaad van je aard. Dat je bent wat je bent. De daden van je voorouders getuigden ervan.'
'Moet ik sterven om wat mijn voorouders eeuwen geleden hebben gedaan?'
De magiër negeerde de vraag. 'Voordat het vonnis wordt gelezen, en ter wille van Tsuranuanni, de mensenkorf die je heeft voortgebracht, krijg je volgens onze zeden het recht om een testament te dicteren, om je soort niet te beroven van de eventuele wijsheden die je wenst door te geven. Je krijgt de uren tot zonsondergang om te spreken. Onze klerken zullen noteren wat je zegt en hun notities zullen via Thurilse handelaren naar je korfland worden gebracht.'
Mara bekeek de onbewogen kop van de magiër en voelde een vreselijke woede opkomen. Net als Lujan, moest ook zij nodig plassen. Ze kon niet denken met een volle blaas! En zeker wenste ze niet te accepteren wat die magiër daarnet in zijn toespraakje had verkondigd: dat zij slechts een lid van een korf was, dat gemakkelijk gemist kon worden.
Aan de ondoorgrondelijke rode ogen van de magiër zag ze wel dat protest zinloos zou zijn. Hier zou ze niets kunnen bereiken met hooghartigheid en bluf, zoals in Thuril. In deze rare, onmenselijke cultuur stelden al haar prestaties binnen het keizerrijk nog minder voor dan de prestatie van een kind dat een zandkasteel heeft gebouwd op een strand, besefte ze mismoedig. Ze moest zich inhouden om het niet uit te schreeuwen van frustratie over haar lot. In de ogen van dit ras was ze een kind - weliswaar een gevaarlijk, moordzuchtig kind, maar toch niet meer dan een kind. Wel, besloot ze impulsief, ziedend van kwaadheid, dan zou ze zich ook zo gedrágen! Dan zou ze gewoon toegeven aan de nieuwsgierigheid die haar kwelde! Misschien zou haar dat nieuwe inspiratie geven. Ze zette al haar zorgen over haar familie en haar land van zich af, en stak van wal.
'Ik heb weinig wijsheid na te laten,' verklaarde ze stoutmoedig. 'In plaats van aan Tsuranuanni kennis te geven wil ik die liever vrágen. In mijn geboorteland bestaat een verdrag dat de natie van de cho-ja's gevangen houdt. In mijn land is het taboe over dat verdrag of het ontstaan ervan zelfs maar te spréken. Als de herinnering aan de grote strijd en de termen van het vredesverdrag in Chakaha bewaard is, wil ik daar informatie over vernemen. Ik wil de waarheid weten over het verleden, dat mij kennelijk heeft veroordeeld.'
Er ontstond geroezemoes binnen het tribunaal, een scherp, akelig gezoem. Mara beet haar tanden op elkaar. Haar bewaker zat roerloos achter haar en leek voorlopig niet van plan een vin te verroeren, maar de klerk die naast de magiër stond maakte bewegingen die op onzekerheid leken te duiden. De magiër zelf bewoog zich niet, tot hij opeens zijn vleugels opende en ze meteen daarna met een luide klap weer dichtsloeg. Meteen was iedereen stil. Mara zag het met open mond aan. Kennelijk waren die vleugels - ze waren zo groot als zeilen - op een of andere manier met de benige voorste armen van de magiër verbonden, als een soort vlies. Wanneer hij die meerledige armen ophief reikten de blinkend geringde klauwen bijna tot de benedenrand van de koepel boven Mara's hoofd!
De magiër draaide zich om op zijn steltachtige benen. Zijn fonkelende blik nam de leden van het tribunaal een voor een op. Toen keek hij neer op Mara, zo te zien ook kwaad op háár. 'Je bent een nieuwsgierig wezen,' stelde hij vast.
Mara boog, hoewel haar knieën het bijna begaven. 'Inderdaad, Grootheid.'
De magiër maakte een sissend geluid. 'Spreek me niet aan met de titel die jouw soort heeft bestemd voor die verraders van de Assemblee!'
'Heer, dan,' repliceerde Mara vlug. 'Ik bied u mijn nederige respect aan, want ook ik heb geleden onder de onderdrukking door de Assemblee!'
Dit veroorzaakte opnieuw geroezemoes, dat deze keer echter sneller wegstierf. De magiër richtte zijn borende blik op Mara en leek ermee tot in de kern van haar gedachten door te dringen. Mara voelde zich geestelijk aangerand - een gevoel als een hevige koortsrilling, of het schroeien van een onzichtbare steekvlam. Ze kromp ineen en moest een kreet smoren. Toen was de onaangename gewaarwording voorbij en voelde ze alleen nog maar een lichte duizeligheid. Ze moest vechten om haar evenwicht niet te verliezen.
Toen haar geest weer helder was hoorde ze de magiër tegen het tribunaal praten: 'Ze spreekt de waarheid.' Zijn toon was muzikaal geworden, misschien als gevolg van zijn verbazing. 'Deze Tsuranese mens heeft geen weet van de daden van haar voorouders! Hoe is dat mogelijk?'
Mara raapte de restanten van haar waardigheid bij elkaar, stak haar kin naar voren en gaf zelf antwoord. 'Omdat mijn soort geen korf geest heeft, geen collectief geheugen. We weten alleen wat we zelf ervaren, en wat ons is geleerd door anderen, binnen de korte periode van ons eigen leven. In bibliotheken wordt ons verleden bewaard, maar dat zijn slechts kronieken en verslagen, onderhevig aan de tand des tijds en aan de grillen en de visie van degenen die de gebeurtenissen hebben geboekstaafd. Onze geheugens zijn onvolmaakt. We hebben geen...' Toen maakte ze het gorgelende klikgeluid dat de koningin in haar eigen land altijd gebruikte om het korfbewustzijn een naam te geven.
'Stil, Tsuranese mens!' De magiër ontplooide zijn reusachtige vleugels, hetgeen zorgde voor een stevige luchtverplaatsing plus een lichtschijnsel vanuit een onzichtbare bron. 'We zijn geen kinderen. Mensen hebben geen korfgeest, dat weten we. Het concept is raar en past slecht bij onze manier van denken. We begrijpen dat jullie bibliotheken en leraren gebruiken om de gezamenlijke kennis van de korven aan volgende generaties door te geven.'
Mara probeerde gebruik te maken van wat volgens haar een moment van wapenstilstand leek. 'Iemand van uw soort heeft me ooit verteld dat de korfgeest van de cho-ja's resideert in de koninginnen. Wat een koningin weet, wordt ervaren door allen. Mag ik dan vragen wat er gebeurt wanneer een koningin sterft zonder dat er een opvolgster is? Wat gebeurt er met haar werkers en haar mannetjes, en alle andere individuen die samen haar korf vormen?'
De magiër klikte met zijn kaken. 'Haar onderdanen hebben geen eigen geest,' gaf hij toe. 'Zou een koningin door een ongeluk om het leven komen, dan zullen haar rirari's, dat zijn haar uitverkoren broedopzichters, degenen die haar overleven uit genade onthoofden, want zonder geest zouden ze doelloos rondzwalken en sterven.' Het werd zonder enig gevoel gezegd, want cho-ja's dachten heel anders over leven en dood dan mensen.
'Dus,' veronderstelde Mara brutaal, 'ze zouden niet op zoek gaan naar voedsel of hun best doen om in leven te blijven?'
'Dat zouden ze niet kunnen.' Er blonk metaal van ringen toen de magiër een abrupt gebaartje maakte met zijn onderarm. 'Ze hebben geen ander doel dan de korf. Ik ben zelf niet anders. De koningin die mij uitbroedde is in alles mijn leidster. Ik ben haar ogen, haar handen, als je wilt, en haar oren. Ik ben haar instrument, zoals dit tribunaal haar arm van gerechtigheid is. Een deel van mij is zichzelf bewust, en zou in zekere zin onafhankelijk kunnen handelen, mits in het belang van de korf, maar alles wat ik ben, alles wat ik weet, zal bij de korf blijven nadat dit lichaam heeft opgehouden te functioneren.'
'Wel, dan kan ik u van mijn kant zeggen dat mensen heel anders zijn dan de onderdanen van een koningin van de cho-ja's. Zoals uw koninginnen, zo heeft elke mens een eigen geest, met eigen doeleinden en een eigen drang tot overleven. Dood gerust onze heersers en keizers, we gaan niettemin allemaal door met onze eigen zaken. Laat slechts één man in leven, of één kind, en hij zal tot het einde van zijn dagen voortgaan zijn eigen zin te doen.'
Het leek de magiër te verwonderen. 'We denken al vele generaties' dat onze Tsuranese korf krankzinnig is. Als hij voortdurend in contact heeft gestaan met de krioelende aanwezigheid van miljoenen individuele geesten, dan begrijpen we nu waaróm!'
'Zo gaat dat nu eenmaal bij individualisme, in plaats van een gezamenlijke korf geest,' vatte Mara samen. 'Als enkel persoontje heb ik de Tsuranese natie weinig van belang te bieden. In plaats daarvan herhaal ik liever mijn verzoek om me mee te delen welke acties van mijn verre voorouders uw tribunaal aanleiding hebben gegeven mij te veroordelen zonder me zelfs maar gehóórd te hebben.'
De klerk die naast de magiër stond keek Mara aan en nam voor het eerst het woord. 'Dat verhaal zou wel eens tot het vallen van de avond kunnen duren, dus alle tijd die u is toegestaan.'
'Dat moet dan maar,' zei Mara, die zich iets rustiger voelde nu ze tenminste tot een soort van gesprék met deze cho-ja's had kunnen komen. Vooralsnog hadden haar te lang verwaarloosde lichamelijke behoeften nu haar hoogste prioriteit. Ook op dit punt bleken de cho-ja's echter niet geheel ongevoelig. Het was weer de klerk die sprak. 'Tot het moment van de duisternis zullen we aan uw wensen tegemoet komen.' Mara boog dankbaar haar hoofd, en toen ze weer opkeek was de magiër verdwenen. Alleen de klerk stond er nog. Hij gaf aanwijzingen aan een groepje zwarte werkers die zich bekommerden om Mara's noden.
Later, toen ze op een kussen zat, nog steeds tegenover het tribunaal, en een blad met fruit, brood en kaas voor zich had staan, kreeg ze de beschikking over een verteller, die haar moest inlichten over de leemten in de geschiedenis van het keizerrijk die thuis verboden terrein waren.
Terwijl de middagschaduwen steeds langer werden luisterde Mara naar een oud, tragisch verhaal over korven die door verraderlijke uitbarstingen van boosaardige magie knetterend in de as werden gelegd, en over duizenden en nog eens duizenden cho-ja's die onthoofd moesten worden door de meedogenloze rirari's van afgeslachte koninginnen. Ze hoorde bloedstollende verhalen over wreedheden, over gestolen eieren, over magiërs die zinloos gefolterd waren.
Cho-ja's waren in die tijd slecht voorbereid geweest op de hardheid van een complete oorlog met esoterische middelen. Ze bezaten magie waarmee ze wonderen bouwden en de natuur verfraaiden met de producten van artistieke geesten, en ook magie waarmee ze het weer konden beïnvloeden en fortuin konden brengen. Wat deze vreedzame vormen van magie betrof beschikten de magiërs van de cho-ja's over de gecumuleerde kennis van vele eeuwen, en de oudste magiërs hadden de markeringen van wel duizenden spreuken op hun buitenskelet gegrift staan.
Hier waagde Mara een interruptie. 'Bedoelt u dat de markeringen op het lichaam van uw magiërs in feite de zichtbare tekens van hun ervaring zijn?'
De verteller bewoog zijn ronde hoofd van voor naar achter en terug. 'Inderdaad, vrouwe. In de loop van de tijd zijn ze dat geworden. Elke spreuk die zij zich eigen weten te maken grift zich op kleurige wijze in de,buitenlaag van hun lichaam, en hoe machtiger de magiër wordt, des te complexer en talrijker worden zijn markeringen.'
De verteller benadrukte nog eens dat de magiërs van de cho-ja's ten tijde van de Gouden Brug geen toverspreuken voor oorlogsdoeleinden kenden. Wel kenden ze spreuken om zichzelf te beschermen, maar ook deze waren niet opgewassen tegen de agressieve magie van de Assemblee. Het was dus uit puur lijfsbehoud dat de cho-ja's zich destijds een verdrag met de naties hadden moeten laten welgevallen.
'De bepalingen hiervan zijn hardvochtig,' besloot de verteller op een toon die misschien verdrietig was. 'Er mogen binnen Tsuranuanni geen magiërs worden uitgebroed. Ook is het de cho-ja's verboden de markeringen te dragen die hun leeftijd, functie of rang indiceren. Ze moeten hun gehele volwassen leven effen zwart zijn, zoals menselijke slaven in uw land zich moeten beperken tot grijze kleren. Handel met cho-ja's buiten uw landsgrenzen is niet toegestaan, en de uitwisseling van informatie, nieuws en vooral magische kennis is uitdrukkelijk verboden. Het is ons ernstige vermoeden, zo niet de droeve waarheid, dat de koninginnen binnen uw landsgrenzen gedwongen zijn alle herinneringen aan de magie van de cho-ja's als het ware uit hun korfgeesten weg te snijden. Zou het gehele Tsuranese volk uitsterven, en het gebod van de Assemblee dus achterhaald zijn, dan zullen de koninginnen in uw land waarschijnlijk niet meer in staat zijn een magiër uit te broeden. Zo geraken de hemelsteden van ons volk bij hen in de vergetelheid en worden ze door de mensen gedwongen tot een bedompt en morsig bestaan ondergronds. Onze trotse soortgenoten zijn gedwongen rond te wroeten in de aarde, beroofd van hun magische vermogens, die voor eeuwig verloren zullen gaan.'
Inmiddels was de schemering gevallen. Het tribunaal, dat tot dan toe volmaakt roerloos had zitten meeluisteren, rees op. De verteller moest een ongezien teken hebben gekregen, want hij hield op met spreken. Een van de wachters achter Mara's rug gaf haar een por ten teken dat ze moest opstaan. De klerk die met de magiër mee was gekomen hield zijn hoofd schuin op een manier die spijt suggereerde. 'Vrouwe, de tijd voor uw testament is thans ten einde. Als u nog een laatste wens hebt, raad ik u dringend aan deze nu uit te spreken.'
'Laatste wens?' De wijn en de zoetigheden hadden Mara's geest een beetje suf gemaakt, en de vertrouwelijke omgang met de verteller, de hele namiddag, had haar nieuwe moed gegeven. 'Wat bedoelt u?'
De klerk verplaatste zijn gewicht en bleef toen als bevroren staan. Het was de grootste cho-ja van het tribunaal die namens hem antwoordde. 'Uw vonnis, vrouwe Mara. Nadat u uw testament hebt beëindigd zal u formeel worden voorgelezen dat u bij het aanbreken van de dageraad zult worden terechtgesteld.'
'Teréchtgesteld?' Er ging een scheut adrenaline en woede door Mara heen. Ze rechtte haar schouders en haar ogen schoten vuur. Ze trok zich niets meer aan van goede manieren. 'Wat zijn jullie voor een achterlijke barbaren, om een afgezant te veroordelen zonder zelfs maar haar weerwoord te hebben gehoord?' De leden van het tribunaal bewogen zich onrustig en een van de wachters kwam agressief naderbij, maar Mara wás al doodsbang, dus ze trok er zich niets van aan. 'Het was nota bene een koningin van jullie eigen soort die me hierheen heeft gestuurd om met jullie te onderhandelen. Zij koesterde hoop voor de cho-ja's die binnen de grenzen van ons keizerrijk gevangen worden gehouden, en ze zag in mij een mogelijkheid om de menselijke wandaden uit het verleden recht te zetten! Willen jullie me zomaar executeren, mij, de enige opponent van de Assemblee, hierheen gekomen om jullie hulp te vragen in het bestrijden van haar tirannie?'
De leden van het tribunaal bekeken haar allemaal met een onbewogen, spijkerharde blik. 'Vrouwe,' herhaalde hun zegsman, 'geef uw laatste wens te kennen, als u er een hebt.'
Mara sloot haar ogen. Zouden al haar inspanningen hier dan eindigen met een beschamende dood op vreemde bodem? Ze rilde, en moest zich inhouden om niet het zweet van haar voorhoofd te vegen. Nee, nee, ze zou in elk geval haar wáárdigheid niet verliezen! Het geloof in haar eer was sterk afgenomen sedert ze had gehoord aan welke wandaden ook háár voorouders zich schuldig hadden gemaakt, maar haar waardigheid was iets persoonlijks.
Ze stak haar hand in haar zak, en haar stem klonk merkwaardig vast toen ze zei: 'Dit is mijn laatste wens: dat jullie deze leessteen van me aannemen.' Ze hield het langwerpige magische voorwerp voor zich uit dat ze van Gittania had gekregen. Misschien had ze er tegenover deze vijandige vreemdelingen eerder melding van moeten maken. 'Neem dat verslag van me aan en neem het op, samen met de details van mijn zogenaamde terechtstelling, in het collectieve geheugen van deze korf, om jullie soort tot in de lengte van jaren te onderwijzen dat niet alleen ménsen zich schuldig kunnen maken aan zinloze wreedheid, maar ook cho-ja's. Als mijn echtgenoot en mijn kinderen - inderdaad: het gezin dat mijn eigen kleine korfje is - mij moeten verliezen als vergelding voor een verdrag dat eeuwen geleden niet door gewone mensen, en zeker niet door mij, maar door de Assemblee is afgedwongen, dan kunnen in elk geval de bedoelingen van mijn hárt voordeven in de korfgeest van mijn moordenaars.'
Er ontstond grote opschudding onder het tribunaal. Mara was echter niet meer te houden. 'Dit is mijn laatste wens!' riep ze met ijzige vastberadenheid. 'Doe wat ik vraag, of wees anders door de goden tot het einde der tijden toe vervloekt voor het begaan van hetzelfde onrecht dat u óns zo verwijt!'
'Stilte!' Het gebulderde bevel kaatste als een donderslag door het zaaltje. Ineenkrimpend voor het oorverdovende geluid keek Mara om zich heen, en ze zag dat het commando niet afkomstig was van een lid van het tribunaal, maar van een magiër die zich vlak bij haar uit het niets had gematerialiseerd. Hij had zijn vleugels in volle glorie opengeslagen en zijn markeringen waren talrijk en ingewikkeld genoeg om er acuut draaierig van te worden. Hij liep met grote stappen naar Mara toe. De blik van zijn lichtblauwe ogen was harder dan het ijs op de verre bergpieken. Hij bleef vlak voor de vrouwe staan, en zijn houding was dreigend.
'Geef me die leessteen,' eiste hij.
Mara gaf hem het voorwerp. Ze zou niets anders hebben gekund, als ze het al gewild zou hebben, want de dwingende kracht van zijn stem en zijn hele uitstraling waren gewoon onweerstaanbaar. De magiër nam het voorwerp aan zonder haar huid ook maar even te raken. Mara haalde adem om een pleidooi te beginnen, maar ze kreeg geen schijn van kans: opeens was ze omhuld door een verstikkende cocon van verblindend licht. Het koepelzaaltje van het tribunaal verdween alsof het nooit had bestaan en Mara stond weer in de zeshoekige cel. Deze was nog steeds zonder vensters of deuren, maar op de vloer lagen nu kussens en twee typisch Tsuranese slaapmatten. Op een daarvan zat Lujan. Hij ondersteunde zijn hoofd met zijn handen en zag eruit alsof hij nergens meer in geloofde.
Bij de aankomst van zijn vrouwe sprong hij overeind en gaf haar een soldatensaluut. Zijn gedrag was dus tot op het laatste moment onberispelijk, maar zijn blik bleef dof van wanhoop.
'Hebt u gehoord wat ze met ons van plan zijn?' vroeg hij Mara. Er smeulde woede in zijn stem.
De vrouwe zuchtte, zelf ook terneergeslagen. Ze wilde nog steeds niet geloven dat ze deze hele reis had gemaakt, enkel om hier op zo onrechtvaardige manier veroordeeld te worden.
'Hebben ze ook om uw laatste wens gevraagd, voordat ze het vonnis zouden voorlezen?' vroeg Lujan haar.
Mara knikte, half verdoofd, maar ondanks haar wanhoop en verdriet zag ze opeens een lichtpuntje: het tribunaal van de cho-ja's van Chakaha had haar vonnis nog niet voorgelezen. De leessteen en het plotselinge verschijnen van die magiër hadden de formele procedure verstoord.
Ze wilde echter niet al te veel hoop ondenen aan die kleine juridische oneffenheid en besloot maar liever aan een gesprekje te beginnen. 'Wat heb jij gevraagd, als je laatste wens, Lujan?'
Hij antwoordde in eerste instantie met een ironische glimlach. Alsof er niets aan de hand was reikte hij Mara zijn hand en hielp hij haar op een kussen. 'Ik heb het niet gevraagd,' zei hij toen, 'maar geëist. Het is namelijk een recht van een krijger die wordt veroordeeld wegens de misdaden van zijn meester dat hij mag sneuvelen in een tweestrijd.'
Mara trok haar wenkbrauwen op. Ze was te somber gestemd om zich geamuseerd te voelen, maar was alert genoeg om het eigenaardige van Lujans mededeling te onderkennen. Het ging hier immers om een Tsuranéés recht! Waarom zouden deze cho-ja's zich daar iets van aantrekken? 'Heeft het tribunaal dat jou veroordeelde dat toegestaan?'
Lujans scheve grijns beantwoordde die vraag al voordat hij iets zei. 'Nu krijg ik tenminste éven de kans om in te hakken op zo'n benig buitenskelet!' Mara moest bijna glimlachen om zijn enthousiasme. 'Wie hebben de cho-ja's uitgekozen als hun kampioen?'
Lujan haalde zijn schouders op. 'Maakt het iets uit? Die krijgers lijken allemaal op elkaar en de korf heeft er waarschijnlijk voor gezorgd dat ze allemaal precies even sterk en bekwaam zijn. Het enige wat ik ermee bereik is dat ik tijdens de strijd in mootjes word gehakt, en niet door een beul onthoofd.' Hij lachte bitter. 'Ooit zag ik een dergelijke krijgers dood in uw dienst aan voor een eer en verlangde ik geen andere beloning dan lofliederen bij mijn aankomst in Turakamu's zalen.' Hij zweeg opeens, zonder zijn huidige mening uit te spreken.
Mara kon wel raden wat hij bedoelde. 'Tegenwoordig heb je een andere opvatting van eer,' zei ze. 'Nu kan de dood van een krijger in verhouding tot de kansen die het leven biedt even zinloos zijn als de dood van wie ook.'
Lujan keek zijn meesteres gekweld aan. 'Ik had het niet zo mooi kunnen zeggen, maar u hebt gelijk. Kevin van Zün heeft mij de ogen geopend voor principes en verlangens die in de Tsuranese manier van leven niet tot hun recht komen. Ik heb gezien hoe u de richting van onze hele cultuur ter discussie hebt durven stellen, wat geen mannelijke heerser zou hebben gewaagd, denk ik, uit angst belachelijk te worden gemaakt door zijn gelijken. We zijn veranderd, vrouwe, en ook het keizerrijk bevindt zich op de drempel van een verandering.' Hij keek om zich heen, alsof hij nog even wilde genieten van het leven dat hem restte. 'Mijn eigen leven kan me niets schelen. Wie zal om mij rouwen, behalve een paar mensen die zelf niet lang meer te leven hebben?' Hij schudde zijn hoofd. 'Het is het verlies van de kans om op een of andere manier... door te geven wat wij hebben geleerd. De angst dat onze nieuwe inzichten met ons zullen sterven.'
Mara reageerde meteen, vooral om haar eigen zwarte gedachten te verjagen. 'Hokanu zal over zijn, samen met onze kinderen, om na ons door te gaan. Ze zullen vast wel herontdekken waar we mee bezig zijn, en het opnieuw proberen, zonder in deze val te lopen.' Ze zuchtte diep en keek haar metgezel toen recht aan. 'Wat mij het ergste dwarszit, eerlijk gezegd, is iets wat mij als vrouwen echtgenote diep raakt. Het spijt me verschrikkelijk dat ik niet de kans zal krijgen vrede te sluiten met Hokanu. Hij was altijd een toonbeeld van invoelingsvermogen en redelijkheid. Iets belangrijks moet zijn houding tegenover Kasuma hebben beïnvloed. Ik heb hem waarschijnlijk unfair behandeld door hem te beschuldigen van een vooroordeel dat helemaal niet bij zijn karakter past. Nu is het te laat. Ik zal sterven zonder het antwoord te weten op de vraag wat er is gebeurd. Ik kon nog gemakkelijk een volgend kind baren, een jongetje. Waarom was Hokanu dan zo aangeslagen toen de eerste baby een meisje bleek te zijn?' Ze keek Lujan vragend aan. 'Lujan, jij bent een man die de verhouding tussen de seksen goed kent en begrijpt, als ik tenminste mijn dienstmeisjes mag geloven. Het schijnt dat de vrouwen in drommen achter je aan zitten. En als man ken je Hokanu heel goed.' Ze glimlachte wrang. 'Misschien weet jij een antwoord. Hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat een verstandige, aardige man als Hokanu niet dolblij is met een gezonde dochter?'
Lujans gezicht kreeg een medelijdende uitdrukking. 'Vrouwe, ik zie dat Hokanu het u nooit heeft verteld, zoals zijn voornemen was.'
'Wát verteld?' vroeg Mara op scherpe toon. 'Ik was kwaad op mijn echtgenoot en heb harde woorden tegen hem gesproken. Ik was er zo van overtuigd dat zijn gedrag fout was, dat ik hem van me heb verjaagd. Nu heb ik spijt van mijn harteloosheid. Misschien heb ik van Kamlio geleerd dat ik beter moet luisteren. Net als deze cho-ja's met ons doen, heb ik mijn man veroordeeld zonder hem aan te horen.'
Lujan keek haar peinzend aan en knielde toen voor haar neer. 'Mogen de goden het me vergeven,' zei hij, 'want het is niet mijn recht in het vertrouwen tussen een man en zijn vrouw te treden. Maar we zullen morgen sterven, vrouwe Mara, en ik wil u niet uit dit leven laten vertrekken zonder het inzicht dat u verlangt. Hokanu was geslagen door verdriet, maar hij zou daar nooit met u over gesproken hebben, al had u het hem ronduit gevraagd. Ik weet welk probleem hem kwelde, want ik was erbij toen de heler van Hantukama hem iets zei, waarvan Hokanu toen in zijn goedheid meteen heeft gezworen dat hij het u nooit zou vertellen. Nadat u die miskraam had gehad, toen u door de tong was vergiftigd, zou u nog maar één kind baren, zei de priester. Dus alleen Kasuma. Hokanu hield het geheim, want hij wilde u de hoop op een volgende zwangerschap niet ontnemen. Zijn dochter is een bron van vreugde voor hem, wees daarvan overtuigd, en ze zal de mantel van de Shinzawai dragen. Maar Hokanu weet, en dat verdriet hem, dat u hem nooit de zoon zult geven waar hij in zijn hart naar verlangt.'
Mara was verbluft. Haar stemmetje klonk klein. 'Ik ben onvruchtbaar? En dat wist hij?' De volle betekenis van Hokanu's moedige houding drong in een flits tot haar door. Zelf was hij opgegroeid zonder moeder. Zijn natuurlijke vader was opgenomen door de Assemblee. Hokanu's hele leven was er een geweest van kameraadschap tussen mannen onder elkaar - met zijn oom, die zijn pleegvader werd, en zijn neef, die zijn broer werd. Geen wonder dat hij graag een eigen zoontje zou hebben gehad.
Maar tegelijk was Hokanu iemand met een zeldzame gevoeligheid voor de omgang met intelligente, denkende mensen. Daarom had hij afgezien van zijn recht op concubines van welke soort dan ook. Liever was hij bij zijn echtgenote gebleven, met wie hij al zijn ideeën en dromen kon delen. Nu pas begreep Mara voor welke afschuwelijke keuze hij zich geplaatst had gezien: ofwel het gezelschap kiezen van vrouwen die voor hem alleen als potentiële draagsters van kinderen interessant waren, ofwel afzien van het vaderschap van een zoon.
'Goden!' Mara huilde bijna. 'Wat ben ik harteloos geweest!'
Lujan kwam meteen naast haar zitten en steunde haar met zijn sterke arm. Mara liet zich tegen hem aan zakken. 'Vrouwe,' sprak hij zacht in haar oor, 'als er iemand niet harteloos is, dan bent u dat. Hokanu begrijpt heel goed waarom u reageerde zoals u hebt gereageerd.'
Lujan hield haar vast zoals een broer dat zou hebben gedaan. Mara bedacht dat Hokanu zou kunnen hertrouwen, als zij hier de dood vond, en dan alsnog die felbegeerde zoon zou kunnen krijgen. Dat was de gedachte waaraan ze zich tenslotte vastklampte.
'En jij, Lujan,' vroeg ze tenslotte, toen ze weer tot zichzelf was gekomen, 'zijn er geen dingen waar jij spijt van hebt nu je moet sterven?'
Lujan kneep haar kameraadschappelijk in haar schouder. ´Ja, één.'
Mara draaide haar hoofd en zag dat hij schijnbaar verdiept was in een studie van de kussens om hen heen. Ze drong niet aan, maar na een poosje kwam hij kennelijk tot een besluit. Hij haalde zijn schouders op.
'Vrouwe, het is vreemd hoe het leven ons attent kan maken op onze dwaasheden. Ik heb altijd de gunsten van vele vrouwen genoten, maar nooit de behoefte gevoeld om te trouwen en me tevreden te stellen met één.' Lujan keek een beetje verlegen, maar het feit dat zijn leven de komende ochtend zou eindigen gaf hem de vrijheid om zich uit te spreken, zoals dat ook bij Mara het geval was geweest. Het vooruitzicht morgen al Turakamu's zalen te moeten betreden nodigde uit tot eerlijk zelfonderzoek. 'Steeds heb ik mezelf voorgehouden dat mijn dolende gedrag een rechtstreeks gevolg was van mijn bewondering voor u.' Hij wierp haar een snelle blik toe, waaruit waarachtige adoratie sprak. 'Vrouwe, u bezat alles waar een man grote waardering voor kan hebben, en bovendien nog een soort... kracht, die andere vrouwen... misschien niet helemáál misten, maar toch... ' Een geërgerd handgebaar gaf uiting aan zijn frustratie dat hij de goede woorden niet kon vinden. 'Vrouwe, deze reis naar Thuril heeft me helaas meer zelfkennis gegeven dan goed is voor mijn gemoedsrust, vrees ik.'
Mara trok haar wenkbrauwen op. 'Lujan, je bent altijd een voorbeeldige soldaat geweest. Keyoke heeft niet voor niets zijn aangeboren wantrouwen ten opzichte van voormalige grijze krijgers overwonnen en jou tot zijn opvolger als bevelhebber van de legers van de Acoma gekozen. Ik denk bovendien dat je de laatste jaren een even dierbare plaats in zijn hart hebt veroverd als Papewaio vroeger.'
'Dat is een bijzonder compliment!' Lujans gezicht klaarde even op, maar werd toen weer strak. 'Ik ben niet helemaal eerlijk tegenover mezelf geweest. Nu mijn dood nadert en mijn geest binnenkort rekenschap moet afleggen, constateer ik, vanavond voor het eerst openlijk, dat het me spijt dat ik nooit een vrouw heb gevonden om mijn hart en mijn huis mee te delen.'
Mara keek naar het gebogen hoofd van haar legerleider. Ze voelde aan dat hij zijn gemoed wilde luchten. Wat heeft je ervan weerhouden een gezin te stichten en kinderen op de wereld te zetten?'
'Ik heb mijn meester van de Tuscai overleefd,' zei Lujan. Het klonk gesmoord. 'De ellende waarin een grijze krijger verkeert is onbeschrijfelijk, want hij leeft geheel buiten de samenleving. Ik was een jonge man, en bekwaam in de omgang met wapens. Toch zijn er momenten geweest waarop ik me slechts met moeite en geluk in leven heb kunnen houden. Wat zou er dan niet met een vrouw of een kind gebeuren, wanneer hun huis ten onder zou gaan? Ik had de vrouwen en kinderen van collega-soldaten zien wegvoeren als slaven, gedwongen om voortaan alleen nog maar grijs te dragen en te gehoorzamen aan de grillen van een meester die zich niet om hun welzijn zou bekommeren.' Lujans stemvolume daalde tot een gefluister. 'Ik zie nu in dat ik altijd bang ben geweest dat het op een dag mijn kinderen zouden zijn, en dat mijn vrouw in handen zou vallen van iemand die met haar zou kunnen doen wat hij maar wilde.' Lujan zijn meesteres recht aan. Er was een onthutsende eerlijkheid in zijn blik en zijn stem toen hij besloot: 'Het was veel eenvoudiger om u vanuit de verte te bewonderen, vrouwe, en uw leven met dat van mezelf te beschermen, dan de verwerkelijking van een nachtmerrie te riskeren waar ik nu nog vaak door wakker schrik.'
Mara pakte zijn verkrampt samengeknepen handen vast en wachtte net zo lang tot ze zich onder haar zachte greep ontspanden. 'Noch jij, noch kinderen van jou zullen tijdens deze omwenteling van het Wiel meesterloos worden,' zei ze zacht, 'want ik betwijfel sterk of jij en ik hier levend zullen wegkomen.'
Hier moest Lujan om glimlachen. Er was een vredigheid in zijn houding gekomen die Mara nooit eerder bij hem had gezien. 'Het is altijd mijn trots geweest u te mogen dienen, vrouwe Mara,' zei hij. 'Maar áls we dit avontuur overleven, zou ik toch een gunst van u willen vragen: dat u me opdraagt een vrouw te zoeken en te trouwen! Zolang u de magiërs als vijanden hebt, is de kans groot dat we in dit soort situaties blijven belanden, maar als ik de volgende keer de dood onder ogen zie wil ik niet nóg eens spijt hebben dat ik geen vrouwen kinderen heb!'
Mara's glimlach drukte een diepe genegenheid uit. 'Lujan, ik ken je goed genoeg om te weten dat ik je niet hoef op te dragen wat je toch al van plan bent. Laten we eerst maar eens kijken of we nog een kansje hebben om te overleven.' Ze sloeg haar armen over elkaar alsof ze het opeens koud had. We moeten gaan slapen, dappere Lujan. Morgen is het weer vroeg dag.'