17 Advies

 

Mara zat stil.

Haar dochtertje rustte als een warm gewicht tegen haar schouder. Mollige babyhandjes woelden door haar haren, graaiend naar de kralen van de oorbellen die Mara droeg. Kasuma werd gefascineerd door alles wat rood was, en als ze even de kans kreeg stopte ze zulke dingen in haar mond. De Vrouwe van de Acoma redde haar sieraden door de kleine erfgename van de Shinzawai met een abrupte beweging op haar knie te laten zakken. Haar verrukte kreetje van plezier mengde zich met de geluiden die Justijn aan de andere kant van het scherm uitstootte. De jongen kreeg onderwijs in de vechtkunst en vocht momenteel onder Lujans strenge leiding met een oefenzwaard tegen een dummy. Even ongeduldig als zijn barbaarse vader, klaagde Justijn luidkeels tegen zijn leraar dat houten poppen stóm waren, en dat hij wilde slaan naar iets dat zich kon bewegen. Zoals de jigavogels, waar hij gisteren achteraan had gezeten, dacht Mara met een glimlachje. De jongen had er straf voor gekregen, want de koks hielden niet van zulke streken.  

De vrouwe genoot van het moment. Sedert haar onmin met Hokanu waren kleine intermezzo's zoals dit het enige geluk dat ze kende.

Kasuma trakteerde haar op een vochtig lachje. Mara streek de baby over haar neusje, en ze deed het met opzet zo langzaam dat Kasuma gemakkelijk haar rinkelende armband kon vastpakken, die ze vandaag speciaal om haar kind te plezieren had omgedaan. Ze had deze set kostbare koperen polsbanden destijds gekregen van Chipino van de Xacatecas. Het gekraai van Kasuma verwarmde Mara's hart. Heeft mijn moeder zich ook zo gevoeld, vroeg de Vrouwe van de Acoma zich af, toen ze mij in haar armen hield? Hoe anders zou haar leven zijn verlopen als haar moeder langer in leven was gebleven. Zou Mara ook dán op het laatste moment uit de tempel van Lashima zijn gehaald, of zou in dat geval vrouwe Oskiro de Regerende Vrouwe van de Acoma zijn geworden en zou ze met vrouwelijk vernuft, maar op de achtergrond, hebben geheerst, zoals Isashani? Of zou ook zij door wanhoop zijn gedreven tot gevaarlijke innovaties?  

Mara zuchtte. Dit soort speculaties was natuurlijk vruchteloos. Zij kende haar moeder uitsluitend van een schilderij dat heer Sezu van haar had laten maken voordat de vrouwe in het kraambed stierf.

Lujan riep op het voorplein iets verwijtends en meteen daarna klonk het ritme van Justijns klappen tegen de houten pop sneller en regelmatiger. Mara moest bij het horen en zien van dat houten oefenzwaard altijd meteen aan Ajiki denken. Hoewel Justijn helemaal niet leek op haar gestorven oudste, kon een blik, een jongensachtig lachje of een bepaalde hoofdbeweging van hem zijn broer acuut in Mara's herinnering terugroepen. Ajiki zou inmiddels een man zijn geweest, besefte ze opeens. Zo veel jaren waren er inmiddels voorbij. Hij zou een echte wapenrusting hebben bezeten, niet meer de speelse namaakversie waarmee jonge kinderen gelukkig werden gemaakt.  

Mara dwong zichzelf op te houden met mijmeren. Ze voelde Kasuma's vingertjes aan haar armband plukken, maar weigerde terug te denken aan haar andere kind van Hokanu - het kind dat al voor zijn geboorte door de tong Hamoi om het leven was gebracht.

Over twee uur zouden haar beide kinderen in het gezelschap van een groep vertrouwde begeleiders naar het keizerlijke huishouden afreizen. Daar zouden ze veiliger zijn tot Hokanu meer tijd had naast zijn verplichtingen tegenover de Shinzawai en in staat was terug te keren naar het huis aan het meer.

Mara sloot haar ogen. Morgen zou ze aan haar eigen reis beginnen, een reis die aanving in een vertrouwde omgeving, maar die haar uiteindelijk in de vreemdste contreien zou kunnen brengen. Alleen de goden wisten hoe lang ze van huis zou zijn. Achteraf deed het haar nog steeds pijn dat ze jaren van Ajiki's opvoeding had moeten missen omdat ze op campagne was in Dustari. Zou haar datzelfde nu weer overkomen met Justijn en Kasuma? Erger nog: zou Kasuma straks óók een moeder hebben die ze alleen kende van een geschilderd portret?

Een bloot voetje raakte al trappelend haar kin. Mara opende haar ogen, glimlachend. Ze zag dat het kindermeisje al was gekomen om Kasuma op te halen. De dag ging te snel voorbij! De grote vrouw maakte een buiging, met een strak gezicht. Ze wist dat Mara nu voor lange tijd afscheid moest nemen van haar kind. 'Het is goed,' stelde Mara haar gerust. 'Ik weet dat Kasuma nog snel even een dutje moet doen voordat ze met haar broer in de draagkoets gaat. Daar doet ze voorlopig geen oog meer dicht, want Justijn zal van achter de gordijntjes voortdurend met zijn oefenzwaard staan te zwaaien om de koets tegen rovers te beschermen.'  

Het kindermeisje glimlachte. 'Mijn vrouwe, er zal uw kinderen niets overkomen. Ze zullen blij en gelukkig zijn. U moet zich geen zorgen maken.'  

'En pas op dat de keizer ze niet verwent,' waarschuwde Mara terwijl ze Kasuma zo stevig omhelsde dat het kind uit protest begon te huilen. 'Hij is vreselijk met kinderen. Hij geeft ze te veel snoepjes, en soms kleine snuisterijen, die ze natuurlijk ook in hun mond stoppen. Op een dag zal een van die baby's nog eens stikken, tenzij een van zijn onnozele vrouwen de moed kan vinden om hem eens uit te leggen wat veilig is voor kleine kinderen.' 'Maakt u zich maar geen zorgen,' zei de vrouw nogmaals. Ze stak haar handen uit en nam het kind over, dat nog wat harder ging huilen en met haar mollige vingertjes naar een verdwenen armband graaide.  

'Stil maar, bloempje,' suste het kindermeidje. 'Lach eens lief naar je mama, dan heeft ze onderweg nog iets om aan terug te denken.'

Juist op dat moment, toen Mara tegen haar tranen moest vechten, klonk er het heldere geluid van een bel. Het gekletter van Justijns oefeningen hield abrupt op en aan de verontwaardigde kreet van de jongen te oordelen had Lujan het houten zwaard simpel halverwege een slag met zijn hand vastgepakt. Mara keek het kindermeisje aan. Ook haar blik stond gealarmeerd. 'Ga,' zei Mara gejaagd. 'Koop onderweg wat je nodig hebt, maar ga nu meteen naar de draagkoets. Lujan zal Justijn brengen en een lijfwacht samenstellen - als het nog niet te laat is.'  

De vrouw maakte een snelle, angstige buiging, en ze smoorde Kasuma's gehuil met haar schouder. Toen haastte ze zich naar de deur, want ze wist even goed als haar meesteres dat de bel de komst van een Grootheid had aangekondigd.

Mara schudde haar verlamming van zich af, en ook het pijnlijke besef dat ze geen afscheid zou kunnen nemen van haar zoon. Haar hart bonkte van spanning. Hoewel de logica leerde dat de jongen onderweg evenmin veilig zou zijn als thuis, indien de Grootheden inderdaad van plan waren haar iets aan te doen, volgde ze toch haar moederinstinct: er dreigde gevaar, dus wég met die kinderen, zo snel en zo ver mogelijk. Ze klapte in haar handen om haar loopjongen te roepen. 'Haal mijn adviseur. Snel!' Ze stond op het punt ook een kamermeisje te laten komen, met een andere jurk, en een kam om haar door Kasuma in de war gebrachte kapsel te fatsoeneren, maar bedacht zich toen. Ze droeg kostbaar metaal om haar pols, dat was voldoende om op gepast niveau indruk te maken. En ze was te nerveus om haar hoofd stil te houden voor een kapster, al was het maar een paar minuten.

Nauwelijks in staat haar zenuwen te bedwingen, haastte ze zich door schemerige gangen naar het gedeelte van het oude huis waar de vloeren van hout waren. Elk oud landhuis beschikte over een kamer met een bepaald, uniek patroon in de vloer, welk patroon de Grootheden gebruikten als adres voor hun esoterische manier van reizen. De kamers in de huizen konden aanmerkelijk verschillen van uiterlijk - sommige waren groot en rijk ingericht, andere klein en sober. Mara betrad de vijfhoekige kamer en ging vlak naast het groen-met-witte tegelmozaïek met haar familie-embleem van de shatravogel staan. Ze kon slechts een stijf knikje opbrengen voor Saric en Chubariz, die al stonden te wachten, zoals dat hoorde nadat een bel de komst van een Grootheid had aangekondigd. Chubariz was de hadonra die door Jican was aangewezen voor het oude landgoed van de Acoma. Even later arriveerde Lujan. Hij hijgde zwaar en hield zijn hand in de buurt van het gevest van zijn zwaard.

Toen klonk de bel voor de tweede keer, ten teken dat de aankomst nu meteen zou plaatsvinden. Er volgde een lichte luchtverplaatsing die Mara's haren en de pluimen van Lujans officiershelm even deed wuiven. Mara beet haar tanden op elkaar en deed haar best om onverschrokken voor zich uit te kijken.

Midden op het tegeltableau stond een gebaarde man in een bruine pij. Hij droeg geen versieringen. Zijn kleding was niet van zijde, maar van geweven wol. Om zijn middel droeg hij een leren riem met een koperen gesp, duidelijk afkomstig van de barbarenwereld. De man droeg laarzen, geen sandalen, en in de benauwde warmte van de vensterloze kamer had hij een lichte blos op zijn bleke huid.  

Saric en Lujan aarzelden halverwege hun buiging. Ze hadden een man in het zwart verwacht, een Grootheid van de Assemblee. Geen magiër waar zij ooit van hadden gehoord droeg een andere kleur dan gitzwart, en helemáál niemand tooide zich met een baard.

Mara maakte evenwel een diepe buiging. Ondertussen dacht ze koortsachtig na. De Stad der Magiërs lag weliswaar ten noorden van Ontoset, maar het klimaat was er niet zo bar dat het er nu vroor. De kleding van deze man kon dus maar één verklaring hebben: hij kwam van elders. Haar impulsieve briefje naar de andere kant van de Scheuring, een paar weken geleden, had effect gehad: dit moest de barbaarse magiër Milamber zijn, de man die ooit slaven had bevrijd en zijn verwoestende krachten had losgelaten op de arena in de Heilige Stad.  

Niet dat deze deductie Mara's angst deed verdwijnen. De opvattingen van deze Midkemiër waren haar onbekend. Ze had met eigen ogen gezien hoe gewelddadig zijn actie was geweest, en ze wist dat hij daarna was weggestuurd uit de Assemblee, welke hem in zijn jonge jaren had geschoold. Het kon best zijn dat hij zich in zijn hart nog steeds met de Assemblee verbonden voelde. Zijn snelle komst na haar vage briefje was daarom nogal verontrustend. Mara had hoogstens een beleefd briefje of zoiets van hem verwacht. Hoewel Milamber niet hier was namens de Assemblee, was het niet uitgesloten dat hij het belang van zijn Tsuranese collega's zou willen behartigen. Na zijn verbanning was er op verschillende manieren samengewerkt tussen de beide werelden. 'Grootheid,' begon Mara dus voorzichtig, nadat ze zich had opgericht uit haar buiging, 'u doet mijn huis eer aan.'  

In de donkere ogen die Mara aankeken leek iets van geamuseerdheid te glinsteren. 'Ik ben geen Grootheid, vrouwe Mara. Noem me gewoon Puc.'

Mara fronste haar voorhoofd. 'Heb ik mij vergist? Is uw naam dan niet Milamber?'

Puc stond op zijn gemak rond te kijken in de sobere, ongemeubileerde kamer, en antwoordde met een typisch Midkemische informaliteit. 'Dat was zo. Maar ik sta liever bekend onder de naam die ik in mijn vaderland had.'

'Zoals u wenst, Puc.' Mara stelde haar Eerste Adviseur en haar bevelhebber aan hem voor. Toen wist ze niet hoe het verder moest. In elk geval durfde zij niet het initiatief te nemen om gevaarlijke onderwerpen aan te snijden. 'Mag ik u verversingen aanbieden?' vroeg ze.  

Pucs aandacht keerde naar haar terug, op een akelig intense manier, maar de handen die hij destijds in de lucht had gestoken om dood en verderf af te roepen bleven nu rustig langs zijn zijden hangen. Hij beperkte zich tot een hoofdknikje.

Mara ging voor en leidde het gezelschap via een trap en een paar smalle gangen naar de grote zaal. Saric, Lujan en haar hadonra volgden op respectvolle afstand. In hun blikken was een mengeling van nieuwsgierigheid en ontzag te lezen. Iedereen kende het rampverhaal van die Keizerlijke Spelen. Lujan durfde in de nabijheid van deze magiër niet eens te dénken aan het gebruik van een wapen. Saric snoof geïnteresseerd de vage geur van rook en talk op die de vreemdeling omhulde. Puc was naar Tsuranese begrippen iemand van normale grootte, dus op zijn thuiswereld was hij aan de kleine kant. Hij zag er helemaal niet zo imposant uit, op zijn ogen na, die ondoorgrondelijke mysteries bevatten en tegelijk onbeperkte kracht uitstraalden.  

Toen ze de zaal betraden zei Puc: 'Jammer dat u niet in uw normale onderkomen verblijft, vrouwe Mara. Ik heb tijdens mijn verblijf in het keizerrijk veel over de grote zaal van de Minwanabi gehoord. De beschreven architectuur fascineerde mij.' Op een minzame, ontspannen toon vervolgde hij: 'U weet dat ik destijds mijn domicilie eveneens op het terrein van een gevallen huis heb gevestigd? Bij Ontoset, het voormalige landgoed van de Tuscai.'  

Mara keek haar gast aan. Er was niets minzaams in zijn blik, waarmee hij haar op zijn intense manier rechtstreeks aankeek. Maar als hij even had willen laten weten dat het hem bekend was dat haar bevelhebber, haar Eerste Adviseur én haar spionnenmeester allemaal voor de Tuscai hadden gewerkt, dan deed hij dat toch op een vriendelijke, onnadrukkelijke manier. Daarna keek Puc rustig rond in de zaal waarin Mara's voorouders hof hadden gehouden. Zoals de meeste grote Tsuranese zalen was ook deze naar twee kanten open - daar bevonden zich schaduwrijke zuilengangen - en bezat hij een houten tongewelf en een oude, veelvuldig geboende parketvloer.  

'Indrukwekkend,' zei hij, kennelijk doelend op de vele strijdbanieren die van de plafondbalken naar beneden hingen. 'Uw familie behoort tot de oudste van het keizerrijk, heb ik gehoord.' Hij glimlachte, waardoor hij opeens jaren jonger leek. 'Ik mag aannemen dat u in uw andere onderkomen het decor veranderd hebt? Het gebrek aan smaak van wijlen heer Tasaio was legendarisch, heb ik me laten vertellen.'  

Zijn schertsende toon stelde Mara op haar gemak. Hoewel dat waarschijnlijk juist zijn bedoeling was, en het haar ertoe kon verleiden minder op haar hoede te zijn, was ze dankbaar zich een beetje te kunnen ontspannen. 'Zeg dat wel. Wijlen mijn vijand hield van leren, met veren gevulde kussens en van zware, met been ingelegde tafels. Er hingen nog meer zwaarden en schilden aan de muren dan er in de wapenkamers van de Minwanabi te vinden waren, en de enige zijde die we in het hele complex hebben aangetroffen was die van een paar banieren en wimpels. De logeerkamers leken op officiers barakken. Hoe wist u dat?'  

Puc grinnikte zo ongekunsteld, dat het moeilijk was om achterdochtig te blijven. 'Hochopepa. Die oude roddelkont was de officiële waarnemer bij Tasaio's rituele zelfmoord. U zult nog wel weten dat hij nogal gezet is. In een brief aan mij klaagde hij dat alle stoelen in Tasaio's huis óf te hard, óf te smal waren, en meestal allebei tegelijk.'

Mara glimlachte. 'Kevin van Zün heeft me vaak gezegd dat zelfs onze ingetogenste kunst in uw land opzichtig zou worden gevonden. Men kan dus misschien stellen dat smaak vooral een kwestie is van perspectief.' De Vrouwe van de Acoma wees haar gast de kring van kussens die rond het podium van de Regerende Vrouwe waren neergelegd. 'Dat heb ik in de loop van de jaren geleerd, maar ik vergeet het soms.'  

Puc was zo beleefd te wachten tot Lujan Mara had geholpen bij het innemen van haar plaats. Als Grootheid had hij recht op de eer als eerste te mogen plaatsnemen, maar hij gedroeg zich zo bescheiden als een gewone burger. Mara kon zich nog maar nauwelijks voorstellen dat deze zelfde persoon in zijn dooie eentje een voormalige Krijgsheer had geruïneerd en een heel stadion had geterroriseerd. Haar adviseur en haar bevelhebber lieten zich echter niet door de schijn bedriegen: Saric en Lujan wachtten zorgvuldig en zonder enig teken van ongeduld tot de magiër gezeten was alvorens zelf een kussen op te zoeken. Mara's hadonra hield zich nog verder op de achtergrond en keek desondanks alsof hij terechtstond voor een halsmisdaad.  

Bedienden kwamen bladen met vlees, kaas en vers fruit brengen, en bladen met heet water en diverse dranken. Puc hielp zichzelf aan een bordje gesneden jomach en een kopje van wat hij moest hebben aangezien voor chocha. Na zijn eerste slokje keek hij echter verrast op. 'Thee!'

Mara reageerde bezorgd. 'Wilt u liever iets anders? Mijn kok kan binnen een paar minuten chocha voor u maken, als u dat liever hebt, Grootheid.'

Puc stak zijn hand omhoog. 'Nee, thee is best. Ik was alleen verrast het hier aan te treffen.' Hij kneep zijn ogen ietsje verder dicht. 'Maar na alles wat ik heb gehoord, had ik kunnen weten dat de Vrouwe van de Acoma altijd vol verrassingen zit.'

Het beviel Mara allerminst dat hij, nog wel afkomstig van de andere kant van de Scheuring, zo veel van haar scheen te weten. Ze haalde diep adem. 'Grootheid,' begon ze toen, op behoedzame toon.

Puc viel haar in de rede. 'Alstublieft! Ik heb die titel afgewezen toen hij me werd aangeboden en de Assemblee me weer als lid wilde installeren.' Toen hij zag dat Saric verwonderd zijn wenkbrauwen optrok knikte de Midkemische magiër. 'Ja. Ze hebben mijn verbanning ongedaan gemaakt, na afloop van het conflict met de Vijand, die ons beider werelden had bedreigd. Ik ben nu trouwens ook een prins, wegens mijn adoptie in de koninklijke familie. Maar ik prefereer Puc, magiër van Sterrenmeer, boven welke titel dan ook.' Hij schonk zich nog wat thee in en trok zijn boordje losser, om zich aan het warmere klimaat op Kelewan aan te passen. 'Hoe gaat het met Hokanu? Ik heb hem niet meer gezien sinds...' Hij fronste zijn voorhoofd. 'Sinds de slag bij Sethanon.'  

Mara zuchtte. Ze verborg haar vlaag van melancholie door een stukje fruit van een schaal te pakken. 'Het gaat hem goed, maar nu hij zijn vaders titel heeft geërfd moet hij een paar lastige neven tot de orde roepen.'

Er verscheen een bedroefde uitdrukking op Pucs gezicht. Hij zette zijn kopje neer, naast het schoteltje met de onaangeroerde plakjes jomach. Mara zag dat hij slanke vingers en keurig gemanicuurde nagels had. 'Kamatsu was een van de beste mensen die dit land ooit heeft gehad. Hij zal worden gemist. In menig opzicht heb ik veel aan hem te danken.' Toen verscheen er een brede grijns op zijn gezicht, alsof hij een paar onplezierige herinneringen resoluut van zich af zette. 'Is Hokanu ondertussen even stapelgek op paarden geworden als zijn broer?'  

Mara schudde haar hoofd. 'Hij is er dol op, maar lang niet zo fanatiek als Kasumi destijds.' Zachtjes, weemoedig, voegde ze eraan toe: 'Of Ajiki.'

Puc reageerde op deze verwijzing met het openlijke, typisch barbaarse medeleven waarmee ook Kevin haar zo vaak had onthutst. 'De dood van uw zoon was een tragedie, Mara. Ik heb een jongen die ongeveer van zijn leeftijd is. Hij bárst van hetleven, als het ware, ik ken dat...' Hij wreef verlegen over zijn mouwen. 'U bent erg dapper geweest, door dat verlies te dragen zonder gevoelloos of onverschillig te worden.'

Het was griezelig wat deze magiër allemaal wist over haar en haar hart. Mara wierp een blik op Saric, die op het punt leek te staan iets te zeggen. Ze gaf hem met een bijna onmerkbare hoofdbeweging te kennen dat zij eerst wilde spreken, voordat ze de moed volledig zou verliezen.

'Puc,' begon ze, een informele aanspreekvorm die haar maar moeilijk over de lippen kwam, 'ik heb u die boodschap gestuurd uit wanhoop.'

Puc schoof zijn handen onder de manchetten van zijn mouwen en keek haar aan, zonder zich te bewegen. 'Dan is het misschien verstandig om bij het begin te beginnen.'

Zijn ogen leken opeens oud, alsof hij vergezichten had gezien die een menselijke geest nooit zou kunnen bevatten, en verdriet had meegemaakt om veel verschrikkelijker dingen dan de dood van een kind. Even-kon Mara een glimp opvangen van wat er áchter de mysteries lag van deze man, die over onbegrensde krachten beschikte, al gedroeg hij zich nog zo gewoon en ontspannen. Hij had destijds helemaal in zijn eentje de arena verwoest, een kolossaal bouwsel, waaraan men decennia lang had gewerkt. Honderden mensen waren gestorven en duizenden gewond geraakt in een infernale uitbarsting van geweld, enkel en alleen omdat Milamber, deze magiër, zich kwaad had gemaakt over de brute, mensonwaardige vorm van de zogenaamd vermakelijke gevechten in het strijdperk. Hoe alledaags hij er ook uitzag, hoe gemoedelijk hij zich ook gedroeg, hij was een machtige magiër met onkenbare dimensies. Mara rilde, opeens bang als een klein meisje voor de samengebalde krachten die deze levensgevaarlijke man zo nonchalant wist te verbergen.  

Anderzijds moest worden erkend dat deze Puc zich openlijk had verzet tegen de traditie, en dat hij zich verbanning op de hals had gehaald wegens daden die de Assemblee niet kon toestaan. Als de Acoma ergens bescherming wilde vinden, dan had hij misschien de sleutel naar de nodige kennis.  

Daarom besloot Mara het risico te nemen geheel open kaart te spelen. Ze stuurde Lujan en haar adviseurs weg en sprak vrijuit met de barbaarse magiër. Ze begon met het jaar waarin ze door de dood van haar vader en haar broer was gedwongen de mantel van haar huis om te hangen, en vertelde hem over de reeks nederlagen en successen die waren gevolgd. Ze sprak ononderbroken, lange tijd, zonder acht te slaan op de thee of het fruit aan haar voeten, en eindigde met haar confrontatie met de Anasati, welke tot interventie door de Assemblee had geleid.  

Puc kwam toen met een vraag. Vanaf dat moment vroeg hij vaak om verheldering of toelichting bij een detail, of wilde hij het motief achter een actie vernemen. Mara was onder de indruk van de kwaliteit van zijn geheugen, want hij informeerde soms naar nadere uitleg bij iets dat al een half uur eerder aan de orde was geweest. Nadat ze melding had gemaakt van Arakasi's recente ontdekking van lacunes in oude documenten in de keizerlijke archieven, werden Pucs vragen steeds concreter.  

'Waarom wilde u mijn hulp in deze kwestie?' vroeg hij tenslotte, op een bedrieglijk milde toon.

Mara wist dat ze nu geen andere keuze had dan volledige eerlijkheid. 'Het is me duidelijk geworden dat de Assemblee me niet zozeer tegenwerkt om vrede te bewaren, als wel om veranderingen in het keizerrijk te blokkeren. Grootheden zijn al meer dan duizend jaren actief om groei van de naties tegen te houden, als ik en mijn spionnenmeester de zaken goed hebben beoordeeld.' Hoewel ze alleen al voor deze suggestie veroordeeld en ten dode opgeschreven kon worden, zette Mara haar twijfels van zich af. Wanneer ze geen gebruik maakte van deze kans om kennis te verwerven zou de Acoma sowieso tot de ondergang gedoemd zijn. Ze dwong zich in heldere woorden te formuleren wat sinds Ajiki's dood haar vurige drijfveer was geworden. 'Uw Midkemische manieren van doen hebben me geleerd dat juist de oudste Tsuranese tradities, die waar wij de meeste waarde aan hechten, destructief worden zodra ze tot stagnatie leiden. We zijn een wreed volk geworden, sedert de Gouden Brug. Iemands persoonlijke verdienste telt niet meer, maar is vervangen door ingewikkelde erecodes en een onwrikbaar kastensysteem. Ik wil dat veranderd zien. Ik wil niet dat overwegingen van persoonlijke eer nog langer tot genadeloze politiek leiden. Ik zou willen dat onze heren aansprakelijk en aanspreekbaar worden voor wat ze doen, en dat onze slaven de vrijheid krijgen. Maar ik vermoed dat de Assemblee zulke wijzigingen in het beleid zelfs zou verhinderen wanneer het Hemelse Licht zélf een poging zou doen om ze in te voeren.'  

Mara keek op en zag dat Puc naar zijn lege theekopje zat te staren. Laat zonlicht viel in schuine banen over de houten vloer. De stukken kaas op de dienbladen waren half gesmolten. Ongemerkt waren er uren voorbijgegaan. Mara moest zichzelf bekennen dat de vragen die de Midkemiër haar had gesteld niet alleen hadden veroorzaakt dat ze meer had losgelaten dan ze eigenlijk van plan was geweest, maar ook haar denken hadden verhelderd en haar gevoel voor problemen en prioriteiten hadden aangescherpt. Met nog meer ontzag voor de magiër dan tevoren - want ze had niets van die subtiele sturing van haar gedachten gemerkt - kneep Mara haar handen samen, en half verlamd van angst wachtte ze hetzij zijn vreselijke veroordeling, hetzij zijn milde begrip af. Een poosje gebeurde er niets anders in de grote zaal dan dat de krijgsbanieren zachtjes deinden in de tocht.

Tenslotte verbrak Puc zijn zwijgen. 'Veel van wat u hebt gezegd deed me terugdenken aan dingen die ik heb gevoeld... en heb gedaan.'

'Ik volg u niet,' zei Mara nerveus.

Puc glimlachte. 'Laat ik het vereenvoudigen door te zeggen dat de Assemblee is vervuld van onenigheid. Van buiten bezien lijkt de gemeenschap der magiërs misschien een eendrachtig machtsblok, een lichaam dat af en toe tussenbeide komt in zaken van het keizerrijk, maar zich meestal afzijdig houdt.' Hij maakte een breed gebaar, zoals de mensen uit zijn cultuur dat altijd graag deden. 'Maar zo is het bij lange na niet. Elke Grootheid mag handelen zoals het hem juist dunkt, bij elke gelegenheid, want zijn hele training is erop gericht dat hij het keizerrijk dient.'  

Mara knikte.

Pucs blik ving de hare, en de ironie in zijn donkere ogen had gemakkelijk voor geamuseerdheid kunnen doorgaan als het onderwerp niet zo ernstig was geweest. 'Er doen zich echter gevallen voor waarin twee magiërs radicaal met elkaar van mening verschillen over wat het keizerrijk wel of niet dient. Bij zeldzame gelegenheden kunnen zulke meningsverschillen aanleiding geven tot conflicten.'  

Mara waagde een veronderstelling. 'Dan zijn sommige Grootheden het misschien niet eens met het verhinderen van mijn oorlog tegen de Anasati?'

'Dat zou dan een minderheid zijn,' gaf Puc grif toe. Misschien moest hij terugdenken aan zijn eigen problemen met de Assemblee, want hij vervolgde: 'Maar ongetwijfeld zijn er anderzijds óók Grootheden geweest die hebben betoogd dat uw onmiddellijke dood de kwestie snel zou oplossen.' Steeds voorzichtig in zijn woordkeuze, ontkende noch bevestigde hij Mara's speculaties over de greep van de Assemblee op de ontwikkeling van het keizerrijk. In feite had hij nog weinig toegevoegd aan wat Mara al vermoedde na Fumita's voorzichtige hints tegenover Hokanu.  

Mara voelde zich zeer gefrustreerd toen Puc abrupt opstond, kennelijk met de bedoeling een einde te maken aan het gesprek, en flapte er wanhopig uit: 'Ik schreef u omdat u misschien weet hoe ik me tegen de Assemblee zou kunnen verdedigen, mocht die noodzaak zich voordoen.'

'Dat dacht ik al.' Opeens hard als het ijzer van zijn barbarenwereld, verstrengelde Puc zijn vingers in zijn wijde mouwen. Hij wachtte tot ook zij rechtop stond. 'Loop met me mee naar het patroon.'

Mara wuifde de bedienden die de zaal binnenkwamen weg, en even later ook de twee lijfwachten bij de deur, die haar wilden escorteren. Ze wist dat Puc vanaf elke gewenste plaats in haar huis zou kunnen vertrekken, dus ze dacht dat hij misschien alleen wat privacy zocht.

De magiër raakte onderweg zacht haar arm aan. 'Waarom bezorgd zijn om uw veiligheid, Mara van de Acoma?' Bijna fluisterend voegde hij eraan toe: 'Als u een braaf kind was, dat zijn ouders geen moeilijkheden meer bezorgt, zou u immers geen straf hoeven te vrezen?'

In betere tijden zou Mara hebben geglimlacht om die vergelijking. 'De laatste agent die namens mij in de keizerlijke archieven onderzoek deed naar financiële eigenaardigheden in sommige historische perioden werd op straat genadeloos verzengd door de Assemblee.'

Puc wist de weg naar de kamer met het patroon te vinden alsof hij zijn leven lang in dit huis had gewoond. 'Kennis kan een gevaarlijk iets zijn, Mara van de Acoma.'

Hij vroeg niet eens welke perioden haar agent had bestudeerd, noch om welke eigenaardigheden het ging, en dat stilzwijgen zei Mara genoeg. Naast de magiër stapte ze de kamer met het tegeltableau binnen. Puc draaide zich om en sloot de deur achter hen. Toen deed hij achter haar rug iets met zijn handen. Ze zag het niet, maar voelde zich opeens omsloten door een cocon van koude lucht. Puc richtte zich op. Zijn gezicht stond ernstig. 'Nu zal een paar minuten lang niemand u kunnen verstaan, zelfs de begaafdste van mijn voormalige broeders niet.'

Mara trok bleek weg. 'Konden Grootheden horen wat ik in de grote zaal heb verteld?'

Puc glimlachte snel om haar gerust te stellen. 'Het is hoogstwaarschijnlijk bij niemand van hen opgekomen om dat te proberen. Het wordt beschouwd als een inbreuk op beschaafd gedrag. Maar ik kan niet instaan voor Hochopepa, als de zaak gewichtig genoeg is. Hij steekt nogal graag overal zijn neus in.' Het laatste werd op vertederde toon gezegd, en Mara besefte dat de dikke magiër tot Pucs vrienden moest hebben behoord. Misschien dat deze Zwarte Mantel ook niet vijandig stond tegenover de Acoma?  

Pucs volgende vraag rukte haar ruw uit haar mijmering. 'Mara, beseft u dat de veranderingen die u nastreeft het keizerrijk door elkaar zullen schudden?'  

Dodelijk vermoeid wegens alle spanning, leunde Mara met haar rug tegen de met hout betimmerde wand. Ze keek naar de shatravogel in de tegelvloer. 'Moeten we dan doorgaan met wat we nu doen, en het regeren overlaten aan mannen die kinderen vermoorden, en goede mensen, met talenten en goede wil, laten verkommeren en verrekken in een bestaan van slaafse onderdanigheid? Jiro van de Anasati, en de partij die hij leidt, vinden hun onnozele en smerige machtsspelletjes belangrijker dan wát in de wereld ook. Het is misschien ketterij dat ik het zeg, maar ik kán niet meer geloven dat de goden een dergelijke verspilling van levens en talenten goedkeuren.'

Puc maakte een afkeurend gebaar. 'Waarom dan de Assemblee lastiggevallen? Laat Jiro uitschakelen door een huurmoordenaar. U hebt geld genoeg om zijn dood te kopen.'  

De harteloosheid van die reactie maakte haar kwaad. Opeens was Mara vergeten dat hij een magiër was en dat hij over angstaanjagende vermogens beschikte. 'Goden, praat me niet van huurmoordenaars! Ik heb die sinistere tong Hamoi juist laten vernietigen omdat hij een ál te gemakkelijke hulp was voor louche heren en hun egoïstische gekonkel. De Acoma heeft nóóit moordenaars ingezet! Ik zie mijn huis nog liever uitsterven dan dat ik daaraan begin! Zeven keer ben ik op de dodenlijst gezet. Drie keer zijn door de tong geliefden van mij in mijn plaats naar de zalen van Turakamu gestuurd. Twee zonen en de moeder van mijn hart ben ik door die bloedige bende kwijtgeraakt!' Toen besefte ze opeens weer tegen wie ze sprak. Op kalmere toon besloot ze: 'Het gaat trouwens om veel meer dan alleen mijn haat voor huurmoordenaars. Jiro's dood zou voor mij en de Acoma misschien de erekwestie regelen, maar verder niets beëindigen, niets oplossen. De Assemblee zou nog steeds blijven proberen mijn huis te ruïneren, want Ichindar, en Hokanu, en ikzelf, als Dienares van het Keizerrijk, proberen alle drie aan te vullen wat er in ons leven ontbreekt.'  

'Ontbreekt?' drong Puc aan terwijl hij zijn armen over elkaar sloeg.

'In ons binnenste. In ons keizerrijk.'

'Hoezo?'

Mara keek Puc diep in de ogen. 'Kent u Kevin van Zün?'

Puc knikte. 'Niet goed. Ik heb hem hier voor het eerst ontmoet...'

'Wanneer?' Mara kon zich niet inhouden. Ze had haar ogen wijd opengesperd, vol ongeloof. 'U bent nooit bij me geweest! Dat zou ik me zeker herinneren!'

Puc keek haar op een cynische manier aan. 'Ik had toen een wat lagere status... als een van de slaven van heer Hokanu. Kevin en ik hebben slechts een paar woorden met elkaar gewisseld. Maar sedert zijn terugkeer aan het hof van de prins in Krondor heb ik hem nog een keer gezien, tijdens een ontvangst voor de grens baronnen.'

Mara voelde haar hart bonken in haar keel. Half fluisterend, met gesmoorde stem, vroeg ze: 'Maakt hij het goed?' Haar ogen smeekten.  

Puc knikte. Hij was zich bewust van de diepere gevoelens die achter de simpele vraag lagen. In antwoord op vragen die haar trots haar nimmer zou toestaan aan hem te stellen vervolgde hij: 'Kevin heeft een goede naam opgebouwd in zijn dienst aan prins Arutha. Derde zonen van kleinere edelen moeten carrière zien te maken op basis van hun kundigheid. Naar wat ik heb gehoord en gezien schijnt hem dat uitstekend gelukt te zijn. Hij dient in het noorden van het koninkrijk, bij baron Hoogstein, en heeft al diverse keren promotie gemaakt, meen ik.'

Mara sloeg haar ogen neer en haar stem was bijna onverstaanbaar. 'Is hij getrouwd?'

'Ik weet het niet, moet ik helaas zeggen. Sterrenmeer ligt ver van het hof, en niet alle details van het nieuws dringen tot ons door.' Toen Mara weer opkeek merkte Puc op: 'Ik weet trouwens niet welk antwoord u het beste zou bevallen, ja of nee.'

Mara lachte verlegen. 'Ik ook niet.'

Er kroop gouden licht onder de deur door naar binnen toen bedienden op de gang lampen ontstaken. Er vielen paarse schaduwen over het tegeltableau in het midden van de kamer. Het leek Puc te herinneren aan het verstrijken van de tijd, want opeens zei hij: 'Ik moet gaan.' Hij voorkwam een tweede poging van Mara om hem op te houden door er meteen achteraan te zeggen: 'Ik heb geen gift voor u, vrouwe, noch van magie, noch van wijsheid. Ik behoor niet tot de Assemblee, maar de eden die ik bij het toetreden tot de broederschap heb gezworen binden nog, zo niet mijn hart, dan toch mijn geest. Zelfs voor iemand met mijn vermogens zijn sommige ingehamerde verboden moeilijk te overtreden. Ik kan u niet helpen in uw strijd. Maar ik kan u dit adviseren: u doet er verstandig aan steun te zoeken buiten het keizerrijk, want erbinnen zult u weinig bondgenoten vinden.'  

Mara's ogen vernauwden zich, want ze besefte dat hij op de hoogte was van haar geheime plannen om buiten het rijk op reis te gaan. Ze had geen idee hoe hij, ondanks al haar inspanningen, had ontdekt dat het niet om een gewone pelgrimstocht ging. In plaats daarvan zei ze echter iets heel anders. 'Dus het is waar dat de cho-ja's me niet kunnen helpen?'

Pucs gezicht spleet open in een brede grijns. Hij bewoog zich van haar zijde vandaan, maar zijn kennelijke plezier had iets kwajongensachtigs. 'U bent verder op weg in het ontwarren van het grote mysterie dan ik had gedacht.' Hij trok zijn gezicht weer in een neutrale plooi. 'Degenen binnen het keizerrijk die misschien uw bondgenoten hadden willen zijn,' besloot hij, 'zijn verhinderd. Nee, u moet buiten de naties op zoek gaan.'

'Waar?' drong Mara aan. 'Het Koninkrijk der Eilanden?' Maar ze begreep meteen dat ze een doodlopende weg had genoemd. Ze sprák immers al met de machtigste man aan die zijde van de Scheuring?

Puc stak zijn armen half omhoog, waardoor de mouwen van zijn bruine pij een flink eind opschoven. 'Wist u trouwens dat mijn vrouw een Thurilse was?' vroeg hij op terloopse toon. 'Interessant gebied, die Hooglanden. Zou u bij gelegenheid eens een kijkje moeten nemen. Doe uw echtgenoot mijn groeten.'

Zonder nog een woord te zeggen stak hij zijn handen tot boven zijn hoofd, en verdween. Hij had niet eens een zoemend apparaatje nodig. Er klonk alleen een zacht plofje van imploderende lucht, en toen was Mara alleen met het halfduister. Ze zuchtte en maakte de deur van de kamer open.

Ze knipperde tegen het plotselinge schijnsel van de lampen en zag dat Saric en Lujan op haar stonden te wachten. 'Er is niets veranderd,' zei ze tegen haar twee adviseurs. 'We beginnen morgen aan onze pelgrimstocht.'

Sarics ogen glinsterden van opwinding. Na een snelle blik om te kijken of de bedienden buiten gehoorsafstand waren, fluisterde hij: 'En gaan we verder dan Lepala?'

Mara moest een glimlach onderdrukken. Ze moest oppassen niet meer enthousiasme te vertonen dan van een vrome, serieuze pelgrim verwacht mocht worden, al was ze ook zelf nieuwsgierig en opgewonden bij het vooruitzicht verre, onbekende landen te bezoeken. 'Met het snelste schip dat we kunnen vinden. Maar voordat we oostwaarts gaan moeten we de tempels bezoeken. Als we iets wijzer willen worden van ons bezoek aan Thuril, moeten we er op een onopvallende manier naar toe gaan.'

Lujan en Saric verlieten hun meesteres om de laatste voorbereidingen voor de reis te treffen. Toen ze weg waren - aan de gelijkenis van hun bewegingen was goed te zien dat de twee neven van elkaar waren - zuchtte Mara diep. Het was stil in huis, zonder de kinderen. Jammer dat ze niet behoorlijk afscheid had kunnen nemen.

Ze liep naar haar werkkamer, waar de bedienden haar een maaltijd zouden brengen. Daarna zou de nacht haar niet kort genoeg kunnen duren, want nu ze een doel voor ogen had, wilde ze zo snel mogelijk vertrekken.  

Ze wist niet wat haar te wachten stond voorbij de grens met een land dat vele eeuwen in vijandschap en zelfs oorlog met het keizerrijk had geleefd. Het vredesverdrag dat thans gold was nogal broos van aard, want de bewoners van de Thurilse Hooglanden waren temperamentvol en snel op hun teentjes getrapt. Anderzijds had de machtigste magiër van twee werelden haar speurtocht in bedekte termen aangemoedigd. In elk geval had hij volledig begrepen wat er op het spel stond en wist hij heel goed welke vreselijke risico's ze liep.  

Terwijl ze langs buigende bedienden naar haar kamers liep, vroeg ze zich af hoe Puc haar kansen op succes had ingeschat. Achteraf was ze trouwens blij dat ze het hem niet had gevraagd, want áls de magiër antwoord zou hebben gegeven, was het waarschijnlijk een koude douche voor haar geweest. 

 

De priester riep iets, en echo's daarvan kaatsten terug van het massieve gewelf van de tempel, hoog boven de rijk gebeeldhouwde houten pilaren en steunberen. De kring van zijn in rode pijen geklede acolieten antwoordde op ceremoniële wijze, waarna het gerinkel van een kostbaar zilveren belletje het einde van de ochtenddienst verkondigde. Mara wachtte rustig in de schaduwen van haar nis, achter de bescherming van haar lijfwachten. Haar Eerste Adviseur zat naast haar. Saric leek verzonken in gedachten die weinig of niets met religie te maken hadden. Zijn vingers trommelden nerveus op de schelpenrozetten waarmee zijn leren riem was versierd. Zijn haar was in de war, alsof hij er ongedurig met zijn vingers doorheen had gewoeld. Hoewel geen van Mara's lijfwachten tekenen van ongenoegen vertoonde, bewees hun starre houding dat ze niet zo gemakkelijk in staat waren in dit heiligdom van de Rode God aan iets anders dan de dood te denken. Waarschijnlijk stonden ze de goden en godinnen van Geluk en Voorspoed stilletjes om een lang leven te smeken.

Deze tempel van Turakamu, bedacht Mara, was inderdaad geen troostrijke omgeving. Een oud altaar, vroeger gebruikt voor mensenoffers - nog steeds, volgens de geruchten - stond op een verhoging in het centrum van de tempel. De trappen eromheen waren afgesleten door de voetstappen van ontelbare pelgrims. Goten en gootjes leidden naar kleine bassins aan de voet van de talrijke beelden, allemaal vele eeuwen oud, die overal in de tempel stonden opgesteld en die glad waren door de aanraking door vele generaties van handen. De wanden van de nissen waarin ze stonden waren beschilderd met demonen, halfgoden met vreemde aantallen armen en benen, en met menselijke skeletten, allemaal in groteske of extatische houdingen. Ze deden Mara denken aan de afbeeldingen die de wanden van Lashima's Schrijn der Vruchtbaarheid hadden versierd - de plaats waar vrouwen kwamen bidden om zwanger te worden. Hoewel de afgebeelde, deels met elkaar verstrengelde figuren in Turakamu's tempel niet met seksuele activiteiten bezig waren, had hun gedrag iets feestelijks, iets blijs. Het waren in elk geval géén lijdende zielen.  

Terwijl Mara op haar audiëntie wachtte, bedacht ze dat de priesters van de Rode God weliswaar zélf angstaanjagend waren, maar dat ze de troostrijke boodschap verkondigden dat alle mensen uiteindelijk aan de voeten van Turakamu zouden knielen en dat de dood derhalve een lot was dat niet met vrees, maar met begrip tegemoet gezien moest worden.  

De acolieten vormden een dubbele rij die achter de priester aan liep. Deze bleef even staan om een smekeling aan te horen, die Turakamu's gunst voor een pas overleden familielid kwam vragen. Het verzoek ging gepaard met de overhandiging van een verzegelde rol perkament, waarop ongetwijfeld de belofte van een royale gift was vastgelegd. Zoals op verschillende fresco's in de tempel was te zien, was het immers de Rode God die besliste in welke vorm en hoedanigheid de overledene op het Wiel van het Leven zou terugkeren, na een afweging van diens eerbare en minder eerbare daden. Men geloofde dat de verdiensten van de overledene in Turakamu's ogen konden worden opgepoetst door gebed te zijnen behoeve. Arme mensen moesten zich behelpen met zélf bidden en het opsteken van goedkope kaarsjes, maar rijke mensen konden voor veel geld de hoogstpersoonlijke gebedsinspanning van de heren priesters en hun acolieten kopen.  

Mara vroeg zich af of Turakamu zich door dat soort dingen werkelijk liet beïnvloeden, of dat het meer ging om dure juwelen en kleren, lekker eten, alsmede comfortabele kloostercellen voor zijn wereldlijke priesters. De gouden kandelaars in deze tempel alleen al waren een vermogen waard. Hoewel de tempels van de Twintig Goden allemaal rijkversierd waren, vooral van binnen, spanden die van Turakamu, zelfs de kleinste, overal de kroon.  

Een stem haalde Mara uit haar mijmering. 'Goede Dienares, u doet ons eer aan.' De rij acolieten had de achterdeur bereikt, maar de hogepriester van dienst had zich van het gezelschap losgemaakt en was naar Mara's nis gekomen. Onder zijn met roodgeverfde veren afgezette hoofdkap was het een man van gemiddeld postuur, al tamelijk oud, maar helder van blik. Van dichtbij was te zien dat hij zich verbaasde. Zijn handen speelden nerveus met de stok met schedeltjes die hij tijdens de dienst had laten ratelen. 'Ik wist dat u op pelgrimage ging, vrouwe Mara, maar ik had aangenomen dat u naar ons grote heiligdom in de Heilige Stad zou reizen, niet deze nederige tempel in Sulan-Qu. En zeker heb ik niet gerekend op de eer van een persoonlijk bezoek.'  

Mara maakte een lichte buiging voor de hogepriester van Turakamu. 'Ik hecht niet aan ceremonieel. En mijn komst heeft niet alleen te maken met devotie, eerlijk gezegd. Ik heb behoefte aan uw advies.'

De hogepriester trok verwonderd zijn wenkbrauwen op. Ze verdwenen even onder het bot van het schedelmasker dat hij droeg en dat hij na de dienst naar achter had geschoven. Hij was niet naakt en zijn lichaam was niet met rode verf beschilderd, zoals bij een crematie, maar hij droeg wel botjes in zijn haren, zo te zien van vogels, en wat er allemaal aan zijn mantel hing, afgezien van de vuurrode veren, was al evenmin aanlokkelijk. Kennelijk begreep de priester opeens dat dit niet het juiste tenue was voor een gesprek met vrouwe Mara, want hij trok zijn mantel uit en gaf hem aan twee van de acolieten, die het gewaad eerbiedig aanpakten en zingend wegdroegen.

Nu hij alleen nog maar een lendendoek droeg, en wat rode strepen rond zijn ogen, leek de priester jonger. 'Kom,' nodigde hij Mara uit, 'laten we een comfortabeler omgeving opzoeken. Uw lijfwacht mag meekomen, of in onze binnentuin op uw terugkeer wachten. Er is daar schaduw, en een waterjongen zal voor verfrissingen zorgen.'

Mara hield Lujan en Saric bij zich, en gaf de rest van haar lijfwacht verlof zich terug te trekken. Geen van de krijgers kéék erg opgelucht, maar ze haastten zich meteen naar de tuin. Volgens het bijgeloof moest je als soldaat niet al te lang in Turakamu's tempels verblijven, want als je bij hem in de gunst kwam, liep je het risico dat hij je vervroegd bij zich riep.

De priester ging hen via een kleine deur voor, een schemerige gang in. 'Wanneer ik niet in ambtsgewaad loop, word ik vader Jadaha genoemd, Goede Dienares.'

De vrouwe glimlachte vaag om zijn formele houding. 'Mara is voldoende, vader.'

Ze werd naar een sober zaaltje geleid, waar alle muren en schermen onversierd waren. De bidmatten waren rood, ter ere vaiil de god, maar de stof van de overige matten en eenvoudige kussens was naturel. Mara vroeg in een schietgebedje om vergeving voor wat ze in de tempel had gedacht: in elk geval déze priesters hadden de aalmoezen van de gelovigen niet besteed aan luxe. Ze liet zich door Lujan op een kussen helpen. Ondertussen werden er verversingen gebracht: een blad met chocha en koekjes. Een eenogige, ook verder littekenrijke lijfknecht kwam de verf van het gezicht van de priester wassen en hielp hem vervolgens in een wit, met rode biezen afgezet gewaad.

'Wel Mara,' zei de priester tenslotte, 'welke dienst kan de tempel van Turakamu u verlenen?'

'Ik weet het niet precies, vader Jadaha.' Mara nam uit beleefdheid een van de vierkante zoete koekjes. Terwijl Saric haar een kopje chocha inschonk, vervolgde ze: 'Ik zoek kennis.'

De priester maakte een zegenend gebaar. 'Onze schamele bronnen staan tot uw beschikking.'

Mara verborg haar verrastheid niet, want een zo vlotte instemming had ze niet verwacht. 'Dat is erg genereus van u, vader. Maar in alle nederigheid, wilt u niet eerst horen wat ik nodig heb alvorens een zo royale belofte te doen?'  

De hogepriester glimlachte. Zijn eenogige bediende trok zich respectvol terug. Mara zag, nu de verf van zijn gezicht was verwijderd, dat haar gastheer een vriendelijke oudere man was, met mooie, slanke handen, als van een klerk, en ogen die glinsterden van intelligentie. 'Waarom zou ik bang zijn om u beloften te doen, vrouwe Mara? U hebt uw karakter bewezen door uw grote verdiensten voor het keizerrijk. Ik denk niet dat uw motieven nu opeens wél zelfzuchtig zijn - zeker niet na uw gedrag nadat u het huis Minwanabi had verslagen. Uw optreden was méér dan genereus, het was... zonder precedent. Niet alleen hebt u zich correct aan de regels gehouden door de gebed spoort te laten verwijderen die Desio alvast ter ere van uw dood had laten oprichten, bovendien hebt u er onzelfzuchtig voor gezorgd dat dit geschiedde zonder eerverlies voor de tempel, door ons te vragen de poort elders neer te zetten, na hem van uw land te hebben verwijderd. Bovendien staan wij, priesters, bij u in de schuld wegens uw aandeel in het beëindigen van de tirannie door de Hoge Raad. Sindsdien mag ons advies weer gelden als een geschikte leidraad voor het dagelijkse leven.' De priester maakte een berustend gebaar en hielp zichzelf aan een dikke plak cake. 'Veranderingen in een machtsstructuur vinden langzaam plaats. De Regerende Heren die zich tegen onze invloed verzetten hebben zich tot een hecht front aaneengesloten. Toch boeken we voortgang.'  

Mara herinnerde zich opeens de woorden van de hogepriester die de verplaatsing van Desio's gebedspoort had geleid. Op het moment zelf was ze overweldigd geweest door emoties en had ze zijn woorden voor vleierij gehouden, maar nu, jaren later, begreep ze opeens dat hij ze oprecht had gemeend. Deze onverwachte steun gaf haar nieuwe moed. 'Ik moet meer weten over de aard van magie.'

De hogepriester hield zijn opgaande hand met het chochakopje abrupt stil, schuin onder zijn kin, en knipperde een enkele keer met zijn ogen, alsof hij even werd afgeleid door een ideetje. Toen kwam zijn arm weer in beweging. De priester nam alsnog een slok, alsof de vrouwe iets heel alledaags had gezegd, en nam ruim de tijd om de chocha te proeven - misschien omdat hij even wilde nadenken, of misschien, zoals Sarics boosaardige geest waarschijnlijker zou achten, omdat hij zich niet wilde verslikken van de schrik. Wat zijn priesterlijke motieven ook waren, toen hij zijn kopje neerzette was hij weer de kalmte zelf. 'Wat weet u van magie?'  

Mara antwoordde, al wist ze dat het gevaarlijk was: 'Waarom worden zulke krachten het exclusieve domein van de Assemblee geacht? Ik heb priesters gezien die er eveneens over beschikten.'

De hogepriester bekeek de kleine, vastberaden vrouw, die geacht werd op het Hemelse Licht na de invloedrijkste persoon in het hele rijk te zijn. Zijn blik was donker en ondoorgrondelijk, maar bevatte ook iets kils, dat er een paar momenten geleden nog niet was geweest. 'De sancties die door de Assemblee zijn opgelegd naar aanleiding van uw dispuut met Jiro van de Anasati zijn algemeen bekend, Mara. Als u op zoek bent naar bewapening tegen de Zwarte Mantels, volgt u een rampzalige koers.' Hij gebruikte niet de formele benaming 'Grootheden', en dat was een nuance die Mara en haar adviseurs niet ontging. Het was als bij de cho-ja's: waren de hogere echelons in de tempelorden misschien óók niet zo gecharmeerd van de magiërs?

'Waarom neemt u aan dat ik iets tegen de Assemblee in de zin heb?' vroeg Mara met nogalondiplomatieke botheid.

Vader Jadaha leek niet van zijn stuk gebracht door haar directheid. 'Mijn vrouwe, in onze dienst aan Turakamu leren wij de duistere kanten van de menselijke aard kennen. Mannen die lang aan de macht zijn worden ongaarne op hun zwakke punten gewezen. Weinigen leggen wijsheid aan de dag wanneer ze worden geconfronteerd met veranderingen en zelfkennis. De meesten reageren helaas defensief en klampen zich vast aan posities die hun betekenis hebben verloren, enkel omdat ze hun eigen zekerheid, hun eigen veiligheid, niet ondermijnd wensen te zien, zelfs niet om groei mogelijk te maken, of een verbetering van hun eigen leven. Ze verzetten zich om geen andere reden tegen verandering dan omdat deze inbreuk maakt op het gemak waaraan ze gewend zijn. U vertegenwoordigt voor het volk van deze naties geluk en hoop en kansen op een betere toekomst. U bent hun kampioen geweest, bewust of onbewust, doordat u zich tegen tirannie en wreedheden hebt verzet, en het ambt van Krijgsheer hebt weten af te schaffen. U hebt daardoor met succes de al eeuwenlang onveranderde machtsstructuren van dit land ter discussie gesteld. Zoiets moet wel worden opgevat als een uitdaging, ongeacht of dat uw bedoeling was of niet. U bent tot grote hoogten gegroeid en degenen die u als hun rivaal zien hebben uw schaduw steeds groter en donkerder over zich heen zien vallen. Twee zulke grote machten als de Assemblee en de Dienares van het Keizerrijk kunnen niet conflictloos naast elkaar bestaan. Duizenden jaren geleden hebben de Zwarte Mantels hun plaats boven de wet misschien verdiend, maar nu interpreteren ze hun almacht als een door de goden gegeven recht, of als hun heilige plicht - naar u verkiest. U vertegenwoordigt verandering, zij zijn daarentegen het archetype van alles wat traditie is. Ze moeten u verslaan om hun dominantie te behouden. Zo zit de Tsuranese samenleving in elkaar.'  

Vader Jadaha keek door een vensterspleet naar buiten. Er drongen geluiden door: een zweepslag, ratelende wielen, de aanprijzingen van een visventer. De priester zuchtte, alsof deze wereldlijke geluiden hem vanuit hogere regionen hadden teruggehaald naar het alledaagse. 'Ooit hadden wij, die dienstbaarheid aan de goden hadden gezworen, grote macht en invloed, Mara van de Acoma. Ooit waren priesters in staat onze heersers aan te moedigen tot verbeteringen in het leven van allen, of tenminste tot het tegengaan van de ergste wreedheden en vormen van onderdrukking.' Hij zweeg even. De stand van zijn lippen leek op spijt, misschien zelfs verbittering te wijzen. 'Ik kan u niets aanbieden dat u helpt tegen de Assemblee,' besloot hij toen, 'maar ik heb een klein cadeautje voor uw reis.'  

Mara moest een schrikreactie onderdrukken. 'Reis?' Waren haar schijnbewegingen zo doorzichtig geweest dat zelfs deze hogepriester in Sulan-Qu nu al wist dat er geen sprake was van een pelgrimstocht? Saric raakte even haar arm aan, een waarschuwing dat ze zich niet moest laten verleiden tot loslippigheid, en Mara zweeg verder, maar haar gezicht stond strak.  

'Om te vinden wat u zoekt moet u ver reizen, Mara van de Acoma.' De priester was opgestaan en naar een kist gelopen, waarvan hij nu het deksel opende. 'Maar dat wist u al, geloof ik.' Hij begon met zijn ongewoon sierlijke handen in de kist te woelen. Mara ving een glimp op van rollen perkament, zegels, opwalmend stof. De priester niesde achter de mouw van zijn gewaad. 'Neem me niet kwalijk.' Hij zwaaide met een oud stuk perkament om de lucht te zuiveren en hernam toen zijn uiteenzetting. 'De geruchtenverkopers op straat zeggen dat u genoeg bagage meesleept om weer op weg te zijn naar de zandwoestijnen van het Verloren Land. Iedereen die een centi bij de hand heeft kan die informatie kopen.'

Mara glimlachte. Ze kon zich deze hogepriester van de vervaarlijkste god van Kelewan, daarstraks nog in vol ornaat dansend, zingend en ratelend in de tempel, moeilijk voorstellen als iemand die de straat op ging om geruchten te kopen. Spijtig zei ze: 'Ik had gehoopt de suggestie te wekken dat we rijke gaven bij ons hebben voor de Twintig Goden, maar inderdaad, u hebt gelijk. Mijn pelgrimage brengt me over de rivier helemaal naar Jamar.'  

De hogepriester richtte zich op. Hij had een stofveeg op zijn neus, maar zijn ogen twinkelden. Hij hield een oud, verkreukeld stuk perkament in zijn hand. 'Ik zou een slechte raadsheer voor mensen in nood zijn als ik zulke dingen niet doorzag,' zei hij, 'maar wij, priesters, zien zoiets niet met de ogen van een heerser. Onze taak is in de eerste plaats begrip.' Hij gaf het stuk perkament aan Mara. 'Lees dit. Het verschaft u misschien enig nader inzicht.'  

Mara hoorde iets definitiefs in zijn stem. Ze nam het perkament aan en gaf het aan Saric, die het opborg in zijn tas. Toen stond ze op. 'Dank u, vader.' De priester keek haar recht aan, terwijl ook Lujan en Saric nu opstonden. 'Zoekt u antwoorden in het Verloren Land, vrouwe Mara?'

Verstandig genoeg om te weten wanneer het beter was openhartig te zijn, antwoordde Mara: 'Nee. We zullen uit Jamar naar Lepala vertrekken.'

Alsof het hele gespreksonderwerp iets onbenulligs was, wuifde de priester een vliegje weg, dat op de rand van het bordje met cake was geland, en stak toen zijn handen in zijn wijde mouwen. 'Dat is goed, dochter van mijn god. De sjamanen van het woestijnvolk zijn... onbetrouwbaar. Velen van hen spannen samen met duistere krachten.' Saric kon zijn verrassing niet verbergen en de priester grinnikte. 'Uw Eerste Adviseur lijkt verbaasd?'  

Na een instemmend knikje van Mara bood Saric snel zijn verontschuldiging aan. 'Neem me niet kwalijk, vader, maar velen hebben de neiging ... uw eigen meester ... tot de duistere krachten te rekenen.'  

Het gezicht van de hogepriester vertoonde nu overallachrimpeltjes. 'Geloof me, dat is een misvatting die ons vaak wel van pas komt. De dood is echter niets anders dan de keerzijde van het Wiel van het Leven. Zonder een afloop in de zalen van Turakamu, waar al het spirituele hernieuwd wordt, zo ons hele bestaan een zinloze inspanning zijn, zonder ziel of betekenis.' De priester begeleidde Mara naar buiten, maar praatte ondertussen door. 'Onze magie, zoals u dat zou noemen, is geen onnatuurlijke kracht.' Hij wees met zijn vinger naar het vliegje, dat boven het bordje met cake rondvloog, en er flitste iets schaduwachtigs door de lucht. Het insect viel op de vloer. 'We gebruiken dit aspect van de natuur maar zelden, namelijk enkel en alleen om het lijden te bekorten van degenen die hun einde naderen, maar zich nog vastklampen aan hun vleselijke omhulsel. De geest van het leven is sterk, soms tegen beter weten in.'  

'Dat zou een machtig wapen kunnen zijn,' merkte Lujan op. Zijn stem klonk lager dan normaal. Mara besefte dat hij, al verborg hij het goed, even diep onder de indruk was van Turakamu's dienaar als al zijn krijgers.

De priester haalde zijn schouders op. 'Nooit,' zei hij, en zonder verdere omhaal wees hij met zijn vinger naar Lujans borst. De bevelhebber moest zich zichtbaar inspannen om niet achteruit te deinzen. Er verschenen zweetdruppels op zijn voorhoofd, onder de rand van zijn helm. Verder gebeurde er niets.  

Mara besefte dat ze haar adem had ingehouden toen de priester op kalme toon vervolgde: 'Het was niet uw tijd om de Rode God te ontmoeten, bevelhebber. Ik kan u niet op mijn eigen gezag naar zijn zalen sturen.' Saric, voor wie het hele leven één groot raadsel was dat opgelost diende te worden, was de eerste die zich herstelde. 'Maar die vlieg...'

'Zijn tijd was gekomen.' De stem van de priester klonk peinzend. 'Misschien om een voorbeeld te stellen?'  

Ontnuchterd, dankte Mara de priester voor zijn advies en zijn goede wensen. De eenogige bediende bracht haar en haar gezelschap naar buiten. Aan de voet van het marmeren bordes stond haar eregarde op haar te wachten. Mara stapte in haar draagkoets. Ze was diep in gedachten en gaf niet meteen het teken tot vertrek. Op dat moment kwam een straatschoffie uit een steegje gerend, dat in volle vaart tegen Lujan aan botste. De bevelhebber pakte de knaap bij een oor, trok zijn neus op bij het ruiken van zijn ongewassen lijf en kleren, maar kreeg toen opeens een neutrale uitdrukking op zijn gezicht. Mara onderdrukte haar geamuseerdheid. Terwijl een straatventer passeerde die luidkeels reclame maakte voor zijn waar - vooral goedkope sjaals, armbandjes en parfums om aan meisjes van het Rieten Leven cadeau te doen - fluisterde ze Saric toe: 'Een van Arakasi's loopjongens?'  

'Ongedierte!' riep Lujan de straatjongen na terwijl hij zogenaamd zijn handen afveegde aan zijn jasje, maar ondertussen het papiertje wegstopte dat hem was toegestopt. Zo zacht dat alleen Saric en vrouwe Mara het konden verstaan voegde hij eraan toe: 'Waar haalt die man toch altijd die vieze knulletjes vandaan?'

Mara vertelde maar niet dat Arakasi zelf ook zo'n schoffie was geweest en dat hij zulke jongens om twee redenen inzette: ten eerste omdat ze onbelangrijk waren en daardoor geen verdenking opriepen, ten tweede omdat ze niet konden lezen. Mara vermoedde dat er ook een soort medeleven in het spel was, in elk geval sedert Arakasi Kamlio had leren kennen, want de centi's die de jongens op deze manier verdienden hoefden ze tenminste niet te stelen. 'Heeft hij er een gevonden?' vroeg Mara op effen toon.  

Saric keek haar streng aan. Hij besefte dat ze doelde op een magiër van het lagere pad, want dat was wat Mara haar spionnenmeester had gevraagd. Saric schoof abrupt haar gordijntje dicht en fluisterde toen op zijn ergerlijkste betuttelende toontje: 'Hoe eerder we een herberg vinden waar u een dutje kunt doen, des te eerder zult u het weten.'  

'We gaan meteen na het invallen van de duisternis bij hem op bezoek,' verordonneerde Mara van achter het gordijn.

Saric en Lujan wisselden een blije blik met elkaar. Hun meesteres gedroeg zich zo opgewonden als een jong meisje. Kennelijk vond ze haar speurtocht naar het verbodene een spannende afwisseling na haar vele maanden van frustratie.

'Was ze ook zo toen jullie vertrokken voor die actie in de woestijn?' vroeg de Eerste Adviseur zijn neef, toen ze even later naast elkaar een eindje achter Mara's draagkoets aan liepen.

'Toen niet,' antwoordde Lujan glimlachend terwijl hij zijn helm een stukje naar achter schoof. 'Maar volgens Keyoke wél toen ze een keer dwars door een wildernis op weg waren naar een oude cho-ja-koningin, op het terrein van de Inrodaka, met wie Mara tot zaken wilde komen. Volgens Keyoke was ze toen nog erger dan nu.'

'Mogen de goden ons dan bijstaan!' verzuchtte Saric terwijl hij met zijn hand het bijbehorende teken maakte. Maar zijn ogen lachten en zijn tred was gretig en veerkrachtig, net als die van zijn neef.

'Jouw nieuwsgierigheid wordt op een dag nog eens ons aller dood,' mompelde Lujan. 'Ik ben verdomd blij voor mijn rekruten dat je niet in het leger bent gebleven en liever de mantel van adviseur hebt aangetrokken.'  

De stoet haastte zich naar de herberg waar Mara tijdens haar verblijf in Sulan-Qu zou logeren.