21 Beslissing

 

Mara werd wakker.

Het was donker. Ze ademde de geur van brandend beukenhout en de muffere lucht van querdidrawol in. Boven haar hoofd zag ze houten dakspanten, vaag afgetekend in de rossige gloed van het smeulende haardvuur. Er lagen dekens over haar heen. Ze drukten zwaar op haar ledematen toen ze zich omdraaide.  

Ze vroeg zich af waar ze was. Haar hoofd deed pijn. Langzaam keerden er herinneringen terug, vooral toen ze de mand met wol en kammen zag die Mirana uit de vergaderzaal had meegenomen. Opeens dacht Mara terug aan hun bezoek aan de bakkerij en vervolgens aan de Kaliane, die haar had meegenomen op een droomreis naar Dorales. Meteen vond ze de druk van de dekens verstikkend en schoot ze overeind.

'Vrouwe?' klonk een onzekere stem vanuit het donker.

Mara draaide haar hoofd en zag Kamlio's ovale gezicht, dat haar gespannen en bezorgd aankeek. 'Het is in orde, schone bloem,' mompelde Mara, onbewust Lujans koosnaampje voor de ex-courtisane gebruikend.  

Maar deze keer voelde Kamlio er zich niet door beledigd. Integendeel: ze schoof haar dekens van zich af, richtte zich op en wierp zich vervolgens in haar volle lengte op de geschuurde vloerplanken.

Mara voelde zich echter niet gevleid, maar onaangenaam getroffen, al hadden ontelbare bedienden en slaven dit gebaar van absolute onderworpenheid al haar leven lang voor haar gemaakt. Na haar ervaringen in de gouden cirkel had Mara haar buik meer dan vol van deze traditie. 'Sta op, Kamlio. Alsjeblieft.'  

Het meisje bewoog zich niet, maar haar schouders leken krampachtig te schokken onder de golven van haar goudgele haren. 'Vrouwe,' vroeg Kamlio op meelijwekkende toon, 'waarom hebt u mij hoger gewaardeerd dan uw eigen gezin? Waarom? Ik ben toch niet zó veel waard dat u mij niet aan deze Thurils kunt overleveren in ruil voor de veiligheid van uw eigen kinderen?'

Mara zuchtte. Ze strekte haar vermoeide rug en pakte Kamlio bij haar naar voren gestoken polsen. Ze trok, maar zonder resultaat, want ze was nog steeds verzwakt door de inspanningen tijdens haar magische waarheidsvertoning. 'Kamlio, alsjeblieft, sta op. Natuurlijk gaat de zorg voor mijn kinderen me boven alles, maar het leven van een ander vrij wezen is niet aan mij ter verhandeling aan derden, zelfs niet als het gaat om het leven van mijn geliefden. Jij hebt me geen trouw gezworen, jij hebt je eer niet aan de mijne verbonden, jij hebt geen verplichtingen tegenover het huis Acoma.'  

Kamlio liet zich nu onwillig overeind helpen. Ze was gehuld in een geleende nachtjapon, die veel te ruim voor haar was. Ze ging op de rand van haar bedrnat zitten. Haar ogen waren donkere putjes in de schemering. Mara zag aan een spinnewiel en andere spullen dat ze zich in Mirana's naaikamer moesten bevinden, maar voor de rest duizelde het haar nog steeds van haar ervaringen in de magische waarheidscirkel toen de courtisane tot haar sprak.  

'Arakasi,' zei Kamlio met een haperende stem, waarin echter een trieste zekerheid doorklonk. 'U hebt het voor hém gedaan.'

Vermoeid tot in haar botten, maar vol medeleven, schudde Mara haar hoofd. 'Ik heb helemaal niets voor Arakasi gedaan, hoewel hij voor mij en mijn gezin het ene offer na het andere heeft gebracht.'

Kamlio leek niet overtuigd. Mara sloeg een deken om haar schouders en ging op de rand van haar eigen bedmat zitten. Ze keek het meisje recht aan. je staat op geen enkele wijze in de schuld bij mijn spionnenmeester.' De Vrouwe van de Acoma onderstreepte die woorden met een resoluut gebaar. 'Ik zal dit zo nodig blijven herhalen tot je oud en doof bent, of tot je eindelijk bereid zult zijn me te geloven.'

Mara's poging tot humor werd gevolgd door stilte. De kolen in de haard sisten zachtjes als gevolg van de tocht in de schoorsteen. In de Thurilse hooglanden was het continu winderig, behalve vlak voor de dageraad. Het was niet duidelijk hoe laat het nu was, maar het feit dat de magiërs in Dorales nog steeds aan het overleggen waren werkte Mara op haar zenuwen. Ze concentreerde zich op Kamlio's problemen om die van haarzelf even van zich af te kunnen zetten.

'Arakasi,' vervolgde de ex-courtisane peinzend, met een diepe frons in haar voorhoofd. 'Wat ziet hij dan in mij? Hij is toch zeker slim genoeg om elke vrouw in zijn bed te krijgen die hij wil hebben?'  

Mara dacht zorgvuldig na. 'Ik kan alleen een gissing aanbieden,' zei ze tenslotte. 'Ik denk dat hij in zekere zin zijn eigen heil of redding zoekt. Een soort genezing, zou ik zeggen, voor de wonden die hij in zijn eigen leven heeft opgelopen. En ik vermoed dat hij jou alsnog wil geven wat hij zijn eigen moeder en zijn eigen zuster niet heeft kunnen schenken: geluk, veiligheid, en onbetaalde, eerlijke liefde.'

'U hebt een dergelijke liefde bij Hokanu gevonden,' merkte Kamlio op, met een beschuldigende ondertoon in haar stem.

Mara dwong zich haar ergernis te onderdrukken. 'Ten dele, ja. In Hokanu heb ik een bijna volmaakt begrip aangetroffen. Hij is mijn geestelijke kameraad. Maar het was in een andere man dat ik het soort liefde heb gevonden dat een meisje als jij, volgens mij, in een man als Arakasi zou kunnen ontdekken. Wat de eventuele andere vrouwen betreft die het bed van mijn spionnenmeester delen of hebben gedeeld kan ik niets zweren, want ik heb geen idee van zijn smaak en zijn passies, maar ik weet dat hij geen man is die zijn gevoelens gemakkelijk uit en zijn affectie gemakkelijk toont. Arakasi heeft je plechtig een band van vertrouwen aangeboden, en iemand die zo gereserveerd is als hij zou dat nooit hebben gedaan als hij niet tevoren had vastgesteld dat je het waard was.'  

'U klinkt alsof u hem bewondert,' zei Kamlio.

'Dat doe ik ook.' Mara dacht even na over deze waarheid. 'Voor een man van zijn formidabele intelligentie, die tot dan toe, heel cynisch, zijn hele leven als één groot strategisch spel had opgevat, moet het bijzonder grote moed hebben gevergd om opeens zoiets als het bestaan van medeleven of medelijden te erkennen. Vroeger wist hij altijd precies waar hij stond en kon hij meestal raden welke zetten hij van zijn tegenstanders mocht verwachten, maar tegenwoordig doet Arakasi meer denken aan een zeeman die op een vreemde oceaan op drift is geraakt. Hij moet zelf een kaart maken en zelf navigeren om een thuishaven te bereiken. Hij heeft zijn vaardigheden ingeruild voor zelfonderzoek. Voor iemand met zijn achtergrond moet dat minstens even beangstigend zijn als de gevaarlijkste avonturen die hij heeft meegemaakt. Ik heb hem echter nooit zien wijken voor welke uitdaging dan ook, zelfs niet wanneer deze door anderen voor onmogelijk werd gehouden.' Mara keek het meisje recht in haar ogen. 'Mooie woorden, allemaal, maar er gaat niets boven het kennen van de man zélf.'  

Kamlio liet de informatie tot zich doordringen. Haar handen plukten aan haar nachtjapon en wrongen de stof tot rimpels. 'Ik kan niet van hem houden,' bekende ze tenslotte gesmoord. Het klonk alsof iemand haar keel had mishandeld zoals zij dat met de stof van haar nachtjapon deed. 'Noch van enige andere man, denk ik. Zijn handen hebben me ooit genot gegeven, dat is waar, maar de fysieke liefde is voor mij niet meer dan een loze tijdspassering.' Ze kreeg een vage blik in haar ogen, alsof er oude herinneringen aan haar geestesoog voorbijtrokken. 'Ik ging het uur waarop het daglicht zich vertoonde tenslotte háten, want dat was het moment waarop mijn meester altijd naar me toe kwam.' Ze zweeg even, wendde haar blik af en voegde er toen bitter aan toe: 'Soms voelde ik me als een hond die kunstjes deed. Haal dat kussen! Zit op! Geef me je pootje!' Ze keek vrouwe Mara weer aan. 'Voor iemand zoals ik, vrouwe, heeft het kennen van een mannenlichaam niets met gevoel of liefde te maken.' Ze sloeg haar blik neer. 'Het ware plezier van het nemen van een jongere minnaar, moet ik bekennen, was het geváár. Arakasi bezorgde me genot, vrouwe, omdat hij zijn leven riskeerde om dat te doen.' Er verzamelde zich vocht in haar ogen. 'Goden, vrouwe, ziet u niet wat voor een misvormd wezen ik ben geworden? Er zijn maanden geweest dat ik alleen maar aan zelfmoord heb gedacht, maar dat ik me zelfs te laag, te eerloos en te vies voelde om een mes te bezoedelen met mijn bloed.'

Tsuranese trots, dacht Mara. Ze had haar hand willen uitsteken om het meisje gerust te stellen, maar ze wist dat Kamlio gevoelloos was geworden voor aanrakingen van welke soort ook. Hoewel woorden alleen haar te schraal leken, had Mara geen andere keuze. 'Arakasi begrijpt dat allemaal veel beter dan jij denkt.' Ze wachtte tot Kamlio die woorden had laten bezinken.

Het meisje knikte. 'Het is waar dat hij vanaf het moment dat hij me heeft vrijgekocht niet één keer heeft geprobeerd me aan te raken. Sinds u me hebt verteld dat zijn moeder tot het hoerengilde behoorde, begrijp ik die houding, maar op het moment zelf was ik te woedend over de dood van mijn zuster om het op te merken.'

Mara vond dit een bemoedigende opmerking. 'Als je niet van hem kunt houden, wees dan zijn vriend. Hij heeft een levendig verstand en is erg geestig.'

Kamlio keek haar aan. Haar ogen waren nat van de opwellende tranen. 'Zou hij met zó weinig van mij genoegen nemen?'

'Probeer het maar eens uit,' zei Mara glimlachend. 'Liefde eist niet, liefde aanváárdt. Het heeft mij een heel leven gekost om die les te leren.' Zachter voegde ze eraan toe: 'En het voorbeeld van twee uitzonderlijke mannen.' Op samenzweerderstoon vervolgde ze: 'Ik heb nooit iemand meegemaakt die in staat was Arakasi van zijn stuk te brengen. Vriendschap met jou zou hem misschien eindelijk eens wat nederigheid kunnen bijbrengen.'

Kamlio wierp haar weelderige haren naar achter. Ze had een ondeugende glinstering in haar ogen: 'Suggereert u dat ik hem zou kunnen plágen met zijn gevoelens voor mij?'

'Ik denk dat jullie van elkaar kunnen leren,' besloot Mara neutraal. Toen keek ze om zich heen. 'Maar dan moeten we toch eerst levend uit dit bergland zien terug te keren.'  

Kamlio's gezicht betrok meteen weer. 'Ze zouden u kunnen dwingen me af te staan.'

Mara sprak dat onmiddellijk heftig tegen. 'Nee! Ik ben een vrouwe en een Tsurana. Ik houd me aan mijn woord. Het is niet aan mij om jouw leven te verkwanselen. Ofwel ik krijg wat ik vraag op grond van mijn eigen verdiensten, ofwel ik zie het lot onder ogen dat de goden kennelijk voor mij hebben bedoeld. Wat de eventuele voortzetting van jouw gevangenschap betreft, Kamlio, zeg ik nu al met nadruk dat je mijn zegen hebt om al dan niet zelfmoord te plegen, wat je maar wilt, of om te vluchten, als je de kans krijgt. Je bent een vrije vrouw. Laat het volkomen duidelijk zijn dat jouw bloed en jouw verlangens geen greintje minder eerbaar en belangrijk zijn dan die van Lujan of Saric of welke krijger in mijn eregarde dan ook.' Opeens voelde Mara zich erg slaperig en moest ze een gaap afdekken met een punt van haar deken. 'Ik denk overigens niet dat het zover zal komen. Wat er gisteren later op de avond is gevolgd, doet me vermoeden dat Hotaba's aanbod alleen maar een test is geweest. Om mij op de proef te stellen. Misschien heb ik enige vooruitgang geboekt, maar dat horen we pas in de ochtend. Ga nu maar slapen, Kamlio. We kunnen niets anders doen dan geduldig op de uitkomst wachten.' 

 

Toen het dag werd, en de wind eindelijk was afgenomen, lagen de vrouwe en de courtisane beiden te slapen. Mara's zwarte haren hingen in verwarde slierten om haar hoofd en ze had haar dekens tijdens het rusteloze woelen strak om zich heen getrokken. Ze schrok wakker doordat Mirana's hand haar zachtjes aanraakte.

'Vrouwe, sta op en kleed u snel aan,' zei de vrouw van het opperhoofd zacht. 'De Kaliane is teruggekeerd om te vertellen welk besluit in Dorales is genomen.'

Mara wierp de dekens van zich af en huiverde in de kille ochtendlucht. De haard was bijna uit. Terwijl zij zich aankleedde porde Mirana de smeulende kolen op, zodat Kamlio straks bij het ontwaken wat warmte zou hebben. Door de spleet tussen de luiken was een grijzig licht te zien. Wolken of nevels hielden het zonlicht tegen. Mara voelde zich stijf in al haar gewrichten.  

Er zaten een paar grijze haren in haar kam toen ze klaar was met haar kapsel. Haar hart klopte veel te snel en haar gedachten keerden telkens weer terug naar huis - naar haar kinderen en Hokanu. Zou ze ooit de kans krijgen om haar huwelijk weer te lijmen? Goden, bad ze, laat me niet sterven op vreemde bodem! En laat Kamlio terugkeren voor Arakasi!

Wat het meisje betreft, zag Mara voor het eerst een glimpje hoop voor haar spionnenmeester. De Thurilse gevangenschap had de ex-courtisane bevrijd van haar bittere cynisme. Ze begon een nieuw idee van eigenwaarde op te bouwen en dacht na over de dingen die ze voortaan zelf voor het zeggen zou hebben.

'Vlug,' drong Mirana aan, zachtjes, om Kamlio niet te wekken. 'De Kaliane staat niet bekend om haar geduld.'  

Mara stak haar koude voeten in haar versleten sandalen en begon de koude veters dicht te binden. Wie in het hele keizerrijk zou in haar - zo zonder opmaak, in kleren als van een keukenmeisje - nu de Goede Dienares herkennen? Om desondanks op te staan en zonder enig symbool van haar rang en status naar de Kaliane te gaan vergde een beschamende hoeveelheid moed.

Mara deed een vergeefse poging er onbezorgd uit te zien. Haar handen trilden en waren klam van het zweet, en ze mocht blij zijn met het onbestemde grijze ochtendlicht, dat de overmatige vochtigheid van haar ogen verdoezelde.  

De herinneringen die in die gouden cirkel bij haar waren opgeroepen werkten heviger na dan ze zichzelf wilde bekennen. Kevin zou daar een sarcastische grap over hebben gemaakt, ondanks de situatie. Mara had heimwee naar zijn talent om voor zulke dingen het verkeerde moment te kiezen, hoe vaak ze ook had geprobeerd hem dat af te leren.  

Mara liet zich over het dorpsplein naar de bedompte zaal leiden waar niet alleen de voddenpop Hotaba op haar wachtte, maar ook een in vele lagen doeken en sjaals gewikkelde oude feeks, wier uitstraling vele malen vervaarlijker en ontzagwekkender was dan zelfs die van de keizer.  

Mara slikte haar trots in en maakte een diepe buiging. 'Ik zal horen wat de Kaliane heeft beslist,' mompelde ze.

Oude, klauwachtige handjes trokken haar overeind. 'Sta rechtop, vrouwe. Hier is onderdanigheid een belediging.' De Kaliane bekeek de Vrouwe van de Acoma zo indringend alsof ze een dubieus gildenzegel was - het soort dat Jican met een vergrootglas bestudeerde. 'Vrouwe Mara,' zei de magiër vervolgens met haar droge oude stem, 'ons besluit is genomen. We hebben besloten uw zaak op de volgende wijze te steunen: u krijgt toestemming om te reizen, samen met één persoon uit uw gevolg, door u aan te wijzen. U zal de weg gewezen worden, via de passen in het hooggebergte, naar de poorten van Chakaha. Dat is de stad van de cho-ja's waarin hun meesters van de magie wonen.'

Mara sperde haar ogen open. Het taboe! Als de cho-ja's ook magiërs konden fokken, maar het hun wegens het 'verdrag' met de Assemblee verboden was deze kunst binnen de grenzen van Tsuranuanni te beoefenen, was dat een uitstekende verklaring voor de terughoudendheid die Mara bij de koningin had bespeurd. Haar opwinding nam toe.  

De Kaliane scheen dat aan te voelen, want haar volgende woorden klonken streng. 'Vrouwe Mara, weet dat de zaak van het Tsuranese volk niet ónze zaak is. Thuril voerde altijd slechts dan oorlog wanneer ons land werd aangevallen. Wij achten het niet onze plicht ons te bemoeien met de politiek in vijandige naties. Maar misschien zien de cho-ja's hun rol in dit geval anders. Hun volk is binnen de grenzen van Tsuranuanni in gevangenschap geraakt.  

U krijgt daarom de kans uw zaak aan hen voor te leggen, en hun bondgenootschap te winnen, als u dat lukt. Maar wees gewaarschuwd: de cho-ja-korf zal u als een vijand zien. Onze mensen kunnen u veilig tot aan de grens van de korf brengen, maar niet verder. We kunnen niet optreden als uw zegslieden. Evenmin kunnen we interveniëren als de cho-ja's u vijandig bejegenen. U moet me goed begrijpen: ondanks uw goede bedoelingen zou het uw dood kunnen zijn.'  

Het was een dubieuze stap voorwaarts, schoot het door Mara heen, maar toch een stap! 'Ik heb geen andere keus,' zei ze met heldere stem. 'Ik moet gaan. Ik zal Lujan meenemen, mijn legerbevelhebber. In zijn afwezigheid zal Saric mijn eregarde leiden.'

In de ogen van de Kaliane glansde iets op dat misschien verhulde bewondering was, maar misschien ook wel medelijden. 'U hebt moed,' gaf ze toe, en toen zuchtte ze. 'Maar u weet niet wat u te wachten staat. Enfin, het zij zo. Wees ervan verzekerd dat uw bedienden en krijgers de behandeling van gasten zullen genieten tot uw lot bekend zal zijn. Als u terugkeert, zullen ze zich weer bij u voegen. Als u sterft, zullen ze uw stoffelijk overschot naar uw vaderland brengen. Zo bepaal ik, de Kaliane.'  

Mara boog haar hoofd ten teken dat deze afspraken haar tevreden stelden.  

'Wel,' snauwde Mirana toen vanuit haar hoek naar haar man, 'blijf je daar staan kniezen omdat je die goudharige schoonheid niet voor je zoon hebt kunnen inpikken, of ben je van plan bevelhebber Lujan te gaan wekken?'

'Kop dicht, oud wijf! De stilte van de dageraad is heilig en jouw gekakel is een belediging voor alles wat leeft!' Hij rechtte zijn schouders en keek woedend en stoer voor zich uit, tot de Kaliane hem een afkeurende blik toewierp, want toen dribbelde hij met een komisch aandoende haast weg om alsnog te doen wat zijn vrouw had gezegd.

Toen hij via de deuropening verdween trok de Kaliane haar kleren dichter om zich heen tegen de binnenwaaiende ochtendkilte. 'U zult vertrekken zodra we de proviand en andere spullen voor de reis bij elkaar hebben,' zei ze tegen Mara. 'U gaat te voet, want dat is in het hooggebergte de beste manier.' N a enig peinzen voegde ze eraan toe: 'Gittania, een van onze acolieten, zal in de bergen uw gids zijn. Mogen de goden welwillend neerzien op uw inspanningen, vrouwe Mara. Het is geen lichte taak die u zichzelf hebt opgelegd, want de cho-ja's zijn een trots ras, en ze hebben een geheugen dat niet gemakkelijk ruimte biedt voor vergevingsgezindheid.'  

Een uur later, na een warm ontbijt, waren Mara en haar eenpersoons gevolg klaar om te vertrekken. Er had zich een groepje kinderen en huisvrouwen verzameld om hen samen met Hotaba en zijn raadsleden uitgeleide te doen. Buiten voegde zich de acoliet Gittania bij hen. Dat bleek een tenger, muisharig meisje te zijn, dat bijna verdronk in de ruime plooien van de zware mantel van haar orde: een knielange wollen jas met een oogverblindend patroon van ingeweven witte en rode vlakken. Ze had blosjes op haar wangen, een spitse neus, en permanent een glimlach om haar lippen. Waar de sobere, gebroken tinten van de Thurilse kleren de neiging hadden op te gaan in die van het landschap, was Gittania's uitdossing er een die schreeuwde om aandacht.  

Lujan had daar wel een verklaring voor. 'Misschien,' mijmerde hij hardop, 'is dit zoiets als de opzichtige kleuren waarmee sommige vogels of bessen waarschuwen dat ze giftig zijn. De magiër laat op deze manier weten dat ze over bijzondere krachten beschikt om zich te verweren.'

Hoewel hij zacht had gesproken, had de acoliet hem verstaan. 'Toch niet, krijger. Wanneer we onze gelofte als leerling hebben afgelegd worden we duidelijk als zodanig aangegeven, omdat we gezien willen worden. Tijdens onze leerjaren zijn we verplicht alle mannen en vrouwen die dat wensen bij te staan. Deze mantels zijn signalen waardoor we gemakkelijk gevonden en aangesproken kunnen worden.'  

Mara trok haar kleren dicht tegen zich aan. 'Hoe lang moeten jullie leerling zijn?'  

Gittania grijnsde quasi zielig. 'Sommigen wel vijfentwintig jaar. Anderen worden nooit toegelaten tot het meesterschap en dragen dit rood-en-wit hun leven lang. De jongste meester in de geschiedenis was slechts zeventien jaar leerling. Hij was een wonderkind. Dat record staat nu al meer dan duizend jaar.'

'Dat zijn wel érg strenge eisen,' merkte Lujan op. Als man en krijger kon hij zich nauwelijks iets voorstellen bij het geduld dat nodig was om een half leven lang als leerling en student te moeten doorbrengen.

Gittania leek er echter geen wrokkige gevoelens over te hebben. 'Als meester heb je veel macht en daarom enorm veel verantwoordelijkheid. In onze jaren als acoliet leren we gematigd en geduldig te zijn, en vooral ook nederig. Zo krijgen we de tijd om verstandig te worden. Wanneer je vele jaren lang de zieke kinderen van zowat alle herdersmoeders in een regio hebt behandeld, zie je op de duur in dat zulke zogenaamd kleine dingen even belangrijk zijn, of misschien belangrijker, dan de gewichtige affaires van heersers en politici.' Hier pauzeerde het meisje even voor een scheve, ironische glimlach. 'Dat zeggen mijn leraren tenminste. Ik ben natuurlijk nog te jong om de huiduitslag van een baby op exacte en verantwoorde wijze af te zetten tegen de eeuwige kringloop van het universum als geheel.'  

Mara schoot in de lach, hoe moe ze ook was. Wat een verademing was deze openhartige humor na het gemelijke humeur en de mokkende bitterheid van Kamlio! Hoewel de vrouwe haar twijfels had over de uitkomst van haar aanstaande ontmoeting met de Thurilse cho-ja's, verheugde ze zich op de reis zelf. Ze zou rustig de kans krijgen om haar geteisterde zenuwen te kalmeren en om na te denken over de benadering van de koningin van deze buitenlandse cho-ja's, en ze wist nu al dat Gittania's opgewekte karakter haar tot steun en troost zou zijn.  

De Kaliane had de korte conversatie zwijgend gevolgd. Terwijl een querdidra werd beladen met waterzakken en tassen met proviand, gaf zij Mara op het laatste moment nog een paar adviezen mee. 'De cho-ja's zijn gesloten en achterdochtig,' zei ze. 'Ooit was dat niet zo. Hun meesters en de onze gingen vrijelijk met elkaar om en wisselden ideeën en kennis uit. In feite is een groot deel van onze basis training tot magiër gebaseerd op uitgangspunten die we hebben overgenomen van de cho-ja's. Maar tijdens de oorlog, eeuwen geleden, tussen de cho-ja's en Tsuranuanni hebben deze wezens geleerd dat mannen met macht verraders kunnen zijn. Sindsdien stellen de korven zich uiterst gereserveerd op en hebben we nauwelijks contacten meer.' Ze kwam vlak voor Mara staan. 'Ik weet niet waarmee u geconfronteerd zult worden, Goede Dienares. Maar ik waarschuw u nog een laatste keer: deze cho-ja's gruwen van alles wat Tsuranees is. Ze vergeten noch vergeven wat hun collega-korven aan de andere kant van de grens is overkomen en het is beslist niet uitgesloten dat ze u daarvoor verantwoordelijk houden, alsof u destijds persóónlijk dat verdrag hebt afgedwongen.'  

Mara keek verbaasd, dus de Kaliane vervolgde op strenge toon: 'Geloof me, vrouwe Mara, cho-ja's vergeten niets. In hun ogen kan goed nimmer samengaan met kwaad of onderdrukking. Fatsoenlijke mensen, zo redeneren ze, zouden allang een einde hebben gemaakt aan het zogenaamde verdrag dat de Tsuranese cho-ja's berooft van hun recht op magie. Elke dag die er voorbijgaat zonder die correctie houdt de wandaad vers. Voor hen lijkt het alsof een misdaad van eeuwen geleden pas gisteren heeft plaatsgevonden. Misschien vindt u in de Thurilse korven geen bondgenoot tegen de Assemblee, maar alleen een snelle dood.'  

Hoe ontnuchterend die woorden ook klonken, Mara liet zich niet afschrikken. 'Er niet heen gaan zou een nederlaag zijn.' Ze gebaarde naar Lujan en Gittania dat ze klaar was en liep in de richting van de stadspoort.  

Van een afstandje zag Kamlio het vertrek van haar meesteres met grote ogen aan. Mara had haar bewondering verworven. Als de vrouwe had omgekeken zou ze de voormalige courtisane een belofte hebben zien prevelen: mocht het gezelschap levend terugkeren naar de Acoma, dan zou Kamlio de vrouwe geven wat ze klaarblijkelijk zo graag wilde. Dan zou ze een poging doen om vriendschap te sluiten met Arakasi. Kamlio boog haar hoofd toen Mara uit het zicht verdween en Lujans pluimen werden opgeslokt door de mist. Ze herhaalde haar eed en bekende zichzelf nederig dat de angsten waar zij onder leed in het niet vielen bij de gevaren die Mara met opgeheven hoofd en zonder aarzeling onder ogen zag. 

 

De tocht door de hoge bergpas bleek een moeizame affaire. Na de eerste reisdag werd het pad steeds steiler. Links en rechts strekten zich ontoegankelijke, met doornstruiken begroeide hellingen uit, hier en daar met kale rotspieken erop waar zelfs geen mos op groeide. De zon hield zich voortdurend verborgen achter de wolken, en de dalen waarin de bergbeekjes samenvloeiden tot rivieren verstopten zich achter melkwitte nevelslierten. Mara kwam moeizaam vooruit over de steenharde ondergrond en moest zich bij moeilijke passages laten helpen door de sterke hand van Lujan. Haar sandalen hingen half in flarden en ze had geen adem over voor gesprekjes.  

Gittania leek daarentegen even weinig last te hebben van de hoogte en steilte als de querdidrabok die ze als lastdier bij zich hadden. Ze babbelde bijna continu. Uit haar commentaar bij de valleien en gehuchten die ze passeerden - enkele herdershutjes bij elkaar, meer was het gewoonlijk niet leerde Mara steeds meer over de Thurilse manier van leven. De bergbewoners waren een trots volk, dat onafhankelijkheid bovenaan in zijn vaandel had staan, maar, anders dan de meeste Tsurani dachten, niet oorlogszuchtig was.  

'Ja, onze jongemannen spelen graag oorlogje,' gaf Gittania toe. Ze stond tijdens een pauze op de herdersstaf geleund die ze tijdens het lopen als hulp gebruikte, maar die ze volgens Lujan ook heel goed als wapen zou kunnen hanteren - en misschien zelfs als toverstok. Die laatste veronderstelling viel echter nogal in duigen toen Gittania haar stok per ongeluk brak en ze zonder poespas een nieuwe kocht van een man die herdershonden fokte en trainde. Gittania moest alleen hier en daar nog wat reepjes bast van de stok snijden om hem minder ruw in de hand te maken. 'Vechten, rooftochten houden, dat soort dingen moeten ze kunnen om in staat te zijn een vrouw te stelen. Sommige overmoedigen wagen zich zelfs het keizerrijk in. Die keren zelden terug. Als ze worden gepakt, worden ze ervan beschuldigd het verdrag te hebben overtreden en daarom behandeld als buiten de wet geplaatsten.' Haar gezicht betrok toen ze de laatste woorden uitsprak.

Mara herinnerde zich dat zulke buiten de wet geplaatsten werden ingezet om in de arena vermaak te bieden aan Tsuranese edelen, en ze schaamde zich diep. Hadden de spelenmeesters die zoiets verzonnen wel beseft dat het niet ging om militaire spionnen, sluipmoordenaars of andere misdadigers, maar slechts om beschilderde blote jongens die in jeugdige overmoed op zoek waren geweest naar een vrouw? Hadden ze ooit de moeite genomen om vragen te stellen en iets over de achtergronden te leren? Mara vreesde van niet.

Gittania scheen de melancholie van de vrouwe niet op te merken. Ze wees met haar nieuwe staf naar het dal, waarin hier en daar kleine kudden querdidra's liepen, die gehouden werden wegens hun wol en vlees. 'We zijn vooral een natie van handelaren en herders. Onze bodem is in het algemeen te onvruchtbaar voor akkerbouw; Ons voornaamste product is geweven stoffen. De verven zijn natuurlijk erg duur, want die moeten grotendeels worden ingevoerd uit uw warmere laaglanden of uit Tsubar.'

Toen verontschuldigde Gittania zich voor haar drukke geklets, en drong ze er bij Mara en Lujan op aan verder te trekken. Zelf zette ze er meteen stevig de pas in. De dagen waren in het hooggebergte korter, omdat de hoge bergkammen al vroeg in de namiddag hun schaduw wierpen. De plek waar ze tenslotte hun kamp opsloegen was een holte tussen twee hoge rotsblokken in. Er ontsprong een bron, die het begin van een beekje vormde, en er stonden een paar dorre, kromgewaaide bomen die voor wat beschutting zorgden.  

'Sla uw dekens maar stevig om u heen,' waarschuwde Gittania terwijl zij en Mara hun eetgerei schoonwasten in het ijskoude water. 'Het wordt hier 's nachts erg koud. Zelfs in de zomer is er af en toe nachtvorst.'

De volgende ochtend zagen ze witte rijppatroontjes op de boomblaadjes en de grasstengels. Mara genoot van het schitterende spel van het zonlicht op de ijskristallen en ze constateerde dat dit land dan wel onvruchtbaar en bar mocht zijn, maar toch beslist een eigen schoonheid bezat.

De klim werd steiler. Lujan moest Mara steeds vaker ondersteunen. Lujans stevige, van noppen voorziene soldatensandalen hadden meer greep op het gesteente dan Mara's gladde leren zolen. De wolken hingen nu zo laag dat het leek alsof je ze kon aanraken en er waren bijna geen querdidra's meer te zien, want op deze hoogte groeide bijna geen voer meer. Het gezelschap was alleen met het ruisen van de beekjes en het blazen, striemen en kreunen van de wind.  

De bergpas zelf was een slingerende richel tussen twee steile rotswanden door. Hier en daar, waar water uit spleetjes naar buiten droop, was het gesteente zwart. Mara zoog de ijle lucht diep naar binnen en ze merkte op dat ze er een vreemd, scherp geurtje in bespeurde.

'Sneeuw,' legde Gittania uit. Haar wangen waren rood van de kou, maar haar glimlach leek daardoor dubbel zo warm. Ze trok haar rood-en-witte mouwen over haar handen heen voor de warmte en vervolgde: 'Waren er minder wolken, dan zou u het ijs op de bergpieken zien. Niet iets wat Tsurani gewend zijn, wed ik.'

Mara schudde haar hoofd. Ze had te weinig adem om te spreken. Lujan, die geharder was dan zij, antwoordde wel. We hebben gletsjers in de grote bergketen die wij de Hoge Muur noemen. Rijke heren in de noordelijke provincies laten er door hun bedienden ijs halen voor in hun drankjes, zegt men. Persoonlijk heb ik echter nog nooit bevroren water gezien.'

'Het is een wonder van de natuur,' merkte Gittania op. Ze zag dat Mara uitgeput was en laste een rustpauze in.

Toen hadden ze de pas achter zich en leidde het pad bergaf Aan deze zijde van de bergketen was het land minder dor. Er stonden meer bomen en struiken, en ze hadden meer bladeren en doorns. 'Omdat het hier vaker regent,' legde Gittania uit. 'Straks zal het wolkendek minder dicht worden en dan kunnen we in de verte de stad Chakaha van de cho-ja's zien liggen.'

Er graasden hier geen querdidra's, omdat de vegetatie te doornig was voor consumptie, maar er bleken in het dal enkele gezinnen te wonen die bepaalde plantenvezels vergaarden waar ze touwen van vlochten. 'Een hard bestaan,' meende Gittania. 'Die kabels horen tot de sterkste en duurzaamste die er bestaan, maar dit dal bevindt zich helaas ver van de marktplaatsen aan de kust. Er kunnen geen karren over de pas, dus alles moet worden vervoerd met pakdieren of op de rug van sterke mannen.'

Het kwam bij Mara op dat de cho-ja's, veel vaster van voet dan mensen, weinig moeite zouden hebben met het vervoeren van lasten over de pas, maar ze wist onvoldoende over de relatie tussen de korven en de Thurils om de suggestie uit te spreken. En even later dacht ze er niet meer aan, want opeens weken de wolken uiteen en bescheen een stralende zon vanuit een hoge, bleekgroene, bijna Tsuranese hemel de vallei die zich in de diepte als een tapijt uitstrekte.

'O!' riep Mara uit, enthousiast als een kind, want het schouwspel dat zich voor haar ogen en die van Lujan ontrolde was een nog overweldigender wonder dan de schoonheid van de stad Morales.

De onbegaanbare berghellingen met hun doornige, ruige begroeiing weken voor een weelderige, tropische vallei. Briesjes waaiden de geur van lianen, exotische bloemen en vruchtbare aarde aan. Rijen enorme varens waaierden uit tot hoog in de hemel, en achter die groene pracht verrezen de korven van de cho-ja's - honderd maal delicater van bouwen ontwerp dan de fraaiste gouden sieraden van 's keizers beste edelsmeden.  

'Chakaha,' zei Gittania. 'Dit is de kristallen stad van de cho-ja's.'

Als glazen vingers priemden ranke spiraalvormige torens naar de hemel vanuit pastelkleurige koepels in alle kleuren van de regenboog, die daar als edelstenen in de groene kroon van het tropische landschap waren gevat. De tussenruimten werden overbrugd door sierlijke colonnades en booggalerijen in stralende kleuren - roze, aquamarijn, violet. Glimmend zwarte cho-ja-werkers, die er van veraf als blinkende kraaltjes van lavaglas uitzagen, repten zich over deze smalle loopbruggen van de ene koepel naar de andere. Mara keek haar ogen uit op de kleurige, sprookjesachtige architectuur, en kreeg toen een volgende verrassing te verwerken: gevleugelde cho-ja's in de lucht! Deze waren niet gitzwart, de kleur waaraan ze gewend was, maar bronskleurig en blauw, met kastanjebruine accenten. Wat zijn ze mooi!' riep ze uit. 'In Tsuranuanni kweken onze koninginnen alleen zwarte exemplaren. De enige kleur die ik ooit heb gezien was de getinte huid van een onvolgroeide koningin, maar zij werd al snel even zwart als de anderen.'  

Gittania zuchtte. 'De magiërs onder de cho-ja's hebben altijd felle kleuren. U hebt er geen in het keizerrijk, omdat ze daar verboden zijn. Voor ons een verdriet, Goede Dienares, en voor u een eeuwig verlies. Ze zijn zeer wijs in hun macht.'  

Mara gaf niet meteen antwoord, betoverd als ze was door Chakaha.

Achter de glazen spiralen zag ze een blauwachtige bergketen, waarvan de topjes sprankelend wit contrasteerden met de hemel.

'Ijs!' veronderstelde Lujan. 'Er ligt ijs en sneeuw op die pieken. Ah, had Papewaio dit wonder maar eens kunnen zien! En Keyoke! De oude man zal nooit geloven dat we dit echt hebben gezien, wanneer we hem dat na onze terugkeer vertellen.'

'Zeg maar liever: áls we hem dat kunnen vertellen,' corrigeerde Gittania hem, zeer cynisch voor haar doen. Ze haalde verontschuldigend haar schouders op voor Mara. 'Ik mag niet verder dan hier, vrouwe. U moet het pad naar de vallei volgen en zelf de weg naar Chakaha vinden. Er zullen wachtposten zijn en die zullen u al ver voor de kristallen poorten van de stad tegenhouden. Mogen de goden met u zijn en mogen zij u een audiëntie bij de koningin toestaan.' De acoliet zweeg verlegen en haalde uit een binnenzak van haar ruime mantel een langwerpig voorwerp te voorschijn, zwaar en zwart als donker glas. 'Dit is een lees steen,' legde ze uit. 'Hij bevat een weergave van de herinneringen die de Kaliane en de raad bij u hebben opgeroepen toen u in de gouden cirkel van de waarheid stond. Er is in vastgelegd waarom we u doorgang hebben verleend door ons land en wat wij de korven van Chakaha adviseren. Hun magiërs kunnen dat alles tot zich nemen, als ze dat verkiezen.' Ze duwde Mara het voorwerp in de hand. Haar vingers waren koud van de zenuwen. 'Vrouwe, ik hoop dat de herinneringen die in deze steen zijn vastgelegd zullen helpen. De Kaliane zelf heeft een deel ervan ingesproken. Ze vormen een welsprekend pleidooi voor uw zaak. Het gevaar voor u zal vooral in de eerste fase liggen: het leggen van contact. Deze cho-ja's kunnen snel en gemakkelijk iemand doden.'  

'Dank je.' Mara nam de steen aan en stak hem in een zak van haar mantel. Ondertussen was ze blij dat haar bevelhebber zijn wapens had teruggekregen, want ze zou niet graag geheel weerloos het land van een potentiële vijand zijn binnengegaan. Ze nam afscheid van de jonge magiër. 'Gittania, wees zo vriendelijk ook je Kaliane mijn dank over te brengen. Als de goden het willen, en we geen pech hebben, zuilen we elkaar weerzien.'  

Daarna gaf ze Lujan een knikje en begon ze in de richting van het dal te lopen waar de stad Chakaha lag te wachten. Noch zij, noch haar knappe soldaat keek om, stelde Gittania vast. Dat stemde haar bedroefd, want tijdens hun tocht van drie dagen was ze gesteld geraakt op de Goede Dienares, wier nieuwsgierigheid zo veel medeleven met anderen inhield en wier ambitie en hoop het was de hele toekomst van Tsuranuanni te veranderen. 

 

Het pad voerde steil naar beneden, en er lagen veel losse stenen op, dus Lujan hield zijn vrouwe steeds vast bij haar elleboog. Hoewel ze vertrouwde op zijn zekere greep, voelde Mara zich bijzonder ontheemd en onrustig. Opgegroeid in de veiligheid van het landgoed van de Acoma, en later te allen tijde omringd, ook wanneer ze op reis was, ook in de Tsuranese steden, door bedienden en slaven en lijfwachten en krijgers en adviseurs, voelde ze zich nu eenzamer dan ooit eerder in haar leven. Tijdens haar eenzame meditaties in de tempel van Lashima was er slechts een dikke muur tussen haar en de anderen geweest en zelfs tijdens de stilste nachtelijke uren in haar werkkamer thuis had ze slechts een kik hoeven te geven om bedienden of soldaten te roepen.

Maar hier had ze alleen een steil pad vol steenslag achter zich en een onbekende tropische jungle voor zich. En er woonden daar inheemse cho-ja's, die wel eens heel anders zouden kunnen zijn dan de bedaarde, door een verdrag getemde, handeldrijvende insectachtigen die ze van thuis kende.  

Nooit eerder had ze zichzelf zo klein en de wereld om haar heen zo groot gevonden. Ze had heel haar wilskracht nodig om zich niet om te draaien en Gittania te vragen haar terug te brengen naar Thuril, een land dat in haar ogen opeens niet meer vreemd of bedreigend was, maar op een eenvoudige en begrijpelijke manier gewoon ménselijk. In dat Thurilse dorp wachtte echter de rest van haar eregarde op haar, en Kamlio, en zij waren allemaal afhankelijk van haar inspanningen, net als die duizenden anderen die op een of andere manier tot de Acoma en de Shinzawai behoorden. Ze mocht al die mensen niet in de steek laten, ze moest proberen, hoe dan ook, hun enige bescherming te verschaffen tegen de aanstaande wraak van de magiërs!  

Mara zette haar gepieker resoluut van zich af en begon in plaats daarvan een gesprek.

'Lujan, vertel me eens, toen jij alleen nog maar het leven van een grijze krijger kon leiden en geen hoop meer had op een eervol bestaan, hoe heb je daarmee kunnen omgaan?'

Lujans helm zakte een beetje scheef toen hij haar van opzij aankeek. Aan zijn ogen zag ze dat ook hij onder de indruk was van de ontzagwekkendheid en de leegte van het land om hen heen, en dat hij Tsuranees genoeg was om zich in deze verlatenheid niet op zijn gemak te voelen. Hoe goed zijn we elkaar gaan leren kennen, mijmerde ze, hoe speciaal is onze band geworden door de moeilijkheden die we samen hebben doorstaan!

'Vrouwe,' zei hij, 'wanneer een man alles kwijt is geraakt wat zijn makkers en zijn gelijken belangrijk vinden, en wanneer hij een leven leidt dat volgens de stelregels waarmee hij is opgevoed zinloos is, dan heeft hij alleen nog zijn dromen. Ik was erg koppig. Ik klampte me vast aan mijn dromen. En op een dag ontwaakte ik met de vaststelling dat mijn bestaan niet een en al ellende was. Ik besefte dat ik nog kon lachen. Dat ik nog kon voelen. Dat ik nog kon genieten van een lekker stuk wildbraad, om over een leuke meid in mijn bed nog maar te zwijgen. Misschien dat een eerloze man het zwaar te verduren zou krijgen in de toekomst, nadat Turakamu zijn ziel had genomen en het Wiel van het Leven zijn lot tot stof zou vermalen, maar in het hier en nu, de dag van vandáág? Eer is geen directe bijdrage tot vreugde.' De man die de legers van de Acoma bijna twee decennia had geleid haalde verlegen zijn schouders op. 'Vrouwe, ik was een leider van dieven, struikrovers en ongelukkigen. We hadden als bende misschien niet de eer en waardigheid die iemands huiskleuren een man kunnen geven, maar we leefden niet zonder normen.'  

Weer zag Mara dat haar legerleider zich verlegen voelde. Begrijpend dat dat moest komen doordat het voor hem iets zeer persoonlijks betrof, wist ze dat het meer dan gewone nieuwsgierigheid was waarom ze vriendelijk aandrong. 'Zeg het me. Je weet ondertussen misschien dat ik niet geheel en al vastgeroest zit aan tradities.'

Lujan lachte even. 'In dat opzicht lijken we meer op elkaar dan u weet, mijn vrouwe. Vooruit dan maar. Alle mannen die ik leidde sloten een convenant met mij. We mochten dan verworpenen zijn, en verstoten door de goden, toch waren we nog altijd niet minder dan ménsen. We vormden samen als het ware ons eigen huis, beloofden trouw aan elkaar, aan onszelf dus, en spraken af dat wat de ene won altijd gedeeld zou worden door alle anderen. En zo kwam het, Mara, dat toen u zich vertoonde en bereid was ons allen in uw eerbare dienst te nemen, wij dat slechts als collectief konden accepteren. Toen Pape die slimme truc bedacht om na te gaan of we misschien verre familieleden hadden die al in dienst van de Acoma waren, hadden we ons allemaal moeten afwenden als ook maar één van ons zou hebben geweigerd.'  

Mara keek haar legerbevelhebber verrast aan, en uit de schaapachtige blik in zijn ogen leidde ze zelf een volgende conclusie af. 'En dat convenant geldt nog steeds.' Ze vroeg het niet, maar stelde het vast.

Lujan schraapte zijn keel. 'Jawel. Maar toen we op de natami van de Acoma trouw zwoeren aan u, hebben we er een aanhangsel aan toegevoegd, namelijk dat onze eigen wensen, behoeften en eer altijd ná die van u komen. Maar binnen uw trouwe leger bestaat er nog altijd een speciaal groepje van mannen die een bijzondere verwantschap met elkaar voelen, een band die we niet kunnen delen met uw andere soldaten, hoe eerbaar die zelf ook zijn. Het is voor ons een soort ereteken, zoals die zwarte veroordeeldendoek dat was voor Papewaio.'

'Opmerkelijk.' Verder zei Mara er niets over. Ze hield haar ogen neergeslagen alsof de moeilijkheden van het pad op deze plek haar bijzondere aandacht vroegen, hoewel daar geen sprake van was. De weg bestond inmiddels meer uit platgetreden aarde dan uit kaal rotsgesteente en werd links en rechts omzoomd door varens en struiken die de jungle al aankondigden. Nu ze bijna in het dal waren, konden ze de glazen torens van Chakaha niet meer zien, want ze werden aan het zicht onttrokken door de majestueuze kruinen van hoge tropische bomen. Het was voor hen hier gevaarlijker dan het hoger op de berg was geweest, maar toch nam Mara de tijd om even na te denken over wat haar legerleider zojuist had onthuld: dat hij een geboren leider was, dat zijn trouw heel bijzonder en diepdoorvoeld was, maar ook dat hij zijn woord had gehouden tegenover de armzalige bende struikrovers die samen met hem soldaat waren geworden. De man naast haar had meer aangeboren eergevoel en verantwoordelijkheidsbesef dan menige Regerende Heer in de naties. En dat alles had Lujan gedaan zonder er ophef over te maken, zonder erkenning te verlangen, en, tot nu toe, zelfs zonder zijn vrouwe erin te kennen.  

Mara wierp hem een zijdelingse blik toe en zag dat zijn gezicht weer de onberispelijke onbewogenheid vertoonde die van een Tsuranese soldaat in functie verwacht mocht worden. Ze was blij dat hij haar nu in vertrouwen had genomen. Wanneer ze levend thuis zouden terugkeren, zo nam ze zich voor, verdiende hij een beloning die méér zou zijn dan alleen maar de gebruikelijke erkenning van zijn voorbeeldige plichtsbetrachting.  

Toen werd ze opgeschrikt door geritsel in het struikgewas. De eerste hoge bomen stonden vlak voor hen. Hun stammen waren zo dik dat wel vijf mannen de handen ineen zouden moeten slaan om ze te kunnen omvatten. Terwijl Mara en Lujan rilden wegens de koude schaduw waarin ze opeens terecht waren gekomen, verscheen er om hen heen, als uit het niets, en in doodse stilte, een kring van glanzend zwarte wachters, naakt op hun natuurlijke pantser van chitine na. De messcherpe zijkanten van hun onderarmen waren in een agressieve hoek hun kant op gericht.  

Lujan trok Mara aan een arm om haar te laten stoppen. Zijn tweede, eveneens instinctieve voornemen - zijn zwaard trekken en vóór haar gaan staan om haar met zijn wapen en zijn lichaam te beschermen - kwam niet tot uitvoering, want hij zag dat ze omsingeld waren. Anders dan hun collega's in de Acoma droegen deze cho-ja's geen enkel teken van rang of functie. Hun bewegingen waren griezelig geluidloos.

Even stonden de twee menselijke binnendringers en de insectachtige wachters roerloos en zwijgend tegenover elkaar.

Mara was de eerste van het tableau die weer tot leven kwam. Ze maakte de diepe buiging die een gezant zou maken om een buitenlandse delegatie van ontvangst te begroeten. 'We komen in vrede,' zei ze.

Haar woorden werden beantwoord door een eenparig klakken en klikken van gewrichten: de wachters namen een andere, maar nog steeds stramme en agressieve houding aan. Een van hen deed echter een halve stap naar voren. Zijn gezichtsvlakken hadden een ondoorgrondelijke uitdrukking. Deze cho-ja's namen niet de moeite om menselijke houdingen of gebaren te imiteren, en dat maakte Mara nog ongeruster dan ze al was. Ze zouden Lujan en haar ter plekke kunnen afmaken, en zelfs Lujans scherpe ogen zouden geen waarschuwend gebaar kunnen waarnemen.  

'We komen in vrede,' herhaalde ze. Deze keer kon ze niet verhinderen dat haar stem trilde.

Een akelig lange tijd gebeurde er helemaal niets. Mara meende boven het geluid van de insecten uit zwakjes het hoge gezoem te herkennen dat ze tijdens haar laatste bezoek in de kamer van de koningin had gehoord, maar het geluid was alweer verdwenen voordat ze het zeker wist.

Toen nam degene die naar voren was gestapt en dus vermoedelijk een soort slagleider was het woord: 'U komt uit het keizerrijk, mens. Vrede is voor uw soort slechts het voorspel tot verraad. U bent hier indringers. Keer om, vertrek en blijf in leven.'

Mara haalde huiverig adem. 'Lujan,' zei ze toen, naar ze hoopte op een overtuigende toon, 'leg je wapen neer. Laat zien dat we geen kwaad in de zin hebben door je zwaard af te staan aan hen die we onze vrienden willen noemen.'

Haar legerleider maakte meteen aanstalten om haar bevel op te volgen, al zag Mara aan zijn lichaamstaal dat hij zijn laatste minieme mogelijkheid om haar een beetje te beschermen ongaarne opgaf, maar voordat hij het gevest van zijn zwaard kon aanraken, klonk er weer het knakken en knikken van gewrichten en sloten de cho-ja's hen strakker in. 'Raak dat zwaard aan, mens,' zei hun zegsman, 'en jullie sterven beiden.'

Na die woorden stak Lujan verontwaardigd zijn kin naar voren. 'Dood ons dan!' blafte hij. 'Maar als jullie dat doen, terwijl het mijn bedoeling is me over te geven, zeg ik dat jullie allemaal lafaards zijn! Met mijn zwaard of zonder mijn zwaard, bij jullie eerste aanval zijn wij dood.' Hij keek Mara aan, een onuitgesproken verzoek om toestemming in zijn blik.

Zijn meesteres reageerde met een stijf knikje. 'Leg je wapen neer,' herhaalde ze. 'Toon dat we vrienden zijn. Als er dan een aanval volgt is onze missie toch verspilde moeite, want de Vrouwe van de Acoma en de Dienares van het Keizerrijk sluit geen verdragen met een ras van moordenaars.'  

In een trage, doelgerichte beweging bracht Lujan zijn hand naar zijn zwaard. Mara zag het aan. Het koude zweet was haar uitgebroken. Lujan raakte nu het gevest aan. De cho-ja bewoog zich nog steeds niet. Misschien werd er via dat hoge gezoem, boven dat van de insecten uit, opnieuw gecommuniceerd met de koningin. Mara had geen idee. Haar gehoor was verdoofd door haar zenuwen en het luide bonken van haar hart.  

'Ik zal het zwaard uit de schede trekken en op de grond leggen,' kondigde Lujan aan. Zijn stem klonk gespannen. Hij maakte geen abrupte bewegingen en oogde vrij zelfverzekerd, maar Mara zag zweetdruppeltjes vanonder zijn helm over zijn voorhoofd, wangen en hals druipen toen hij het zwaard langzaam naar boven trok, de scherpe kling met zijn blote linkerhand vastpakte - het beste bewijs dat hij geen aanval in de zin had - en het wapen met de punt naar hemzelf toe op de grond legde.  

Mara zag en hoorde dat alle cho-ja's hun bovenlijf verder naar voren bogen. Het was een beweging die ze kende! Binnen enkele tellen zouden ze haar en Lujan aanvallen, ondanks haar bezwering dat ze in vrede waren gekomen. Zonder erbij na te denken, zo luid ze kon, bootste ze toen de begroetingsgeluiden na die ze had geleerd tijdens haar bezoeken aan de korf van haar eigen koningin. Het was maar een armetierige menselijke imitatie van de klikjes en klakjes van de chitineuze keel van een cho-ja, maar alle cho-ja's bevroren terstond in hun positie, nog slechts één hartslag verwijderd van moord.

Ook ontspanden ze zich niet toen Lujan het zwaard losliet en hij zich langzaam oprichtte, nu weerloos.

Hun leider bewoog zich niet en sprak geen woord, maar in plaats daarvan wervelde er opeens een windvlaag op die Mara's haren in de war blies en Lujans ogen deed tranen. Vanuit de hoogte tussen de boomkruinen zweefde een cho-jagestalte naar beneden: een slanke, gestroomlijnde en in felle kleuren gestreepte insectachtige. Het wezen bezat een zo onaardse schoonheid dat een mens er alleen al dáárom bijna bang van werd. Boven de ranke, sierlijk ingetrokken ledematen en de ogenschijnlijk gewichtloze romp werd het wezen gedragen door fladderende, kristalachtige vleugels, die een wervelende wind veroorzaakten.  

Er was een magiër van de cho-ja's gearriveerd!

Mara opende haar mond om een spontane kreet van bewondering te slaken, maar haar keel wilde geen geluid voortbrengen. De lucht om haar heen begon opeens te trillen en troebel te worden, en de gestalten van de cho-ja's vervaagden tot amorfe vlekken. Toen verloren haar voeten het contact met de grond, en daarna zag ze Lujan niet meer, en ook geen bomen, jungle en hemel. Haar zintuigen namen in het geheel niets vertrouwds meer waar, behalve een chaotische kolking van allerlei tinten licht.  

Ze vond haar stem weer, maar de beoogde kreet van verrukking werd er een van angst. 'Wat doet u met ons?'

Er volgde een bulderend antwoord, dat nergens in het bijzonder vandaan leek te komen, maar haar hele geest vulde. 'Vijanden die zich overgeven worden gevangengenomen,' zei de stem. Het klonk berispend.

En toen werd alles zwart om Mara heen.