4 Tegenslag
Niemand bewoog.
Vanaf een stapel opgerolde stoffen, half verscholen achter een van de rollen, hoorde Arakasi heel even iets wat leek op het geluid van een schoenzool die uitgleed over de zanderige vloerplanken. Hij verstijfde, want de ontdekking dat hij niet alleen was in de duisternis van dit pakhuis beviel hem allerminst. In stilte bracht hij zijn ademhaling onder controle en dwong hij zijn spieren zich te ontspannen, want elke onbeheerste, verkrampte beweging zou zijn aanwezigheid kunnen verraden. Van een afstand bezien stak zijn kleding niet af tegen de gestapelde waren en leek zijn gestalte gewoon een losgeraakte lap stof die daar toevallig lag, maar van dichtbij zou die schijn niet lang voortbestaan. Zijn ruige kleren leken in het geheel niet op fijne zijde. Arakasi sloot niet uit dat hij zich in de nesten had gewerkt door zich uitgerekend in dit pakhuis te verschuilen om iemand die hem leek te schaduwen van zich af te schudden. Hij sloot zijn ogen, om zijn andere zintuigen op die manier aan te scherpen. Het rook muf en droog naar de zakken en kratten met graan en exotische kruiden die beneden in het pakhuis stonden opgeslagen. De geur van de hars waarmee de kieren tussen de dakspanen waterdicht waren gemaakt vermengde zich met die van het half verrotte leer van de deurhengsels. Dit pakhuis lag zo dicht bij de kade dat de vloer in de lente, wanneer de rivier buiten zijn oevers trad, altijd een tijdje onder water kwam te staan.
De tijd verstreek. Er drongen gedempte geluiden vanuit het havenkwartier tot binnen de muren door: een ruzie van een zeeman met een vrouw van het Rieten Leven, het blaffen van een straathond, en natuurlijk het ratelen van de wielen van zware, door nidra's getrokken karren, die voortdurend goederen van en naar de aangemeerde schepen brachten. De spionnenmeester van de Acoma spande zich in om al die verschillende geluiden in de verte van elkaar te onderscheiden en ze als het ware te sorteren. Hij hoorde een bende schreeuwende straatjongens voorbij rennen. Na een tijd nam de commerciële bedrijvigheid geleidelijk af en nog weer later hoorde hij in de stilte de geluiden van een lantaarnopsteker. Een gewoon iemand zou tegen die tijd allang hebben geconcludeerd dat hij zich dat eerdere geluid van een wegglijdende schoenzool verbeeld moest hebben, maar Arakasi bleef nog steeds roerloos liggen, zonder ook maar het geringste geluidje te maken.
Hij voelde nog steeds het waarschuwende gekriebel van zijn nekhaartjes, en hij was niet iemand die nodeloze risico's nam. En wanneer het om wedstrijden in slinksheid ging, was geduld altijd de doorslaggevende factor.
Zijn zelfbeheersing werd uiteindelijk beloond, toen een zacht schrapend geluid het wrijven van een broekspijp tegen een ruwe houten wand of dat van een mouw over een draagbalk verried. De twijfel maakte plaats voor een akelige zekerheid: er was nog iemand in het pakhuis.
Arakasi bad in stilte tot Chochocan, de Goede God, om hem levend uit deze confrontatie te laten komen. Degene die zich hier zo stiekem bewoog moest zwaarwegende redenen hebben om binnen te zijn. Het was beslist niet zomaar iemand die een plekje voor de nacht had gezocht of die was ontwaakt uit een tussentijds dutje. Arakasi had een aangeboren wantrouwen ten opzichte van zulke toevalligheden. Foute veronderstellingen konden je dood betekenen. Gegeven het uur van de dag en de extreme behoedzaamheid van de indringer kon Arakasi niets anders concluderen dan dat deze het op hem had voorzien.
Zwetend in de bedompte lucht, overdacht hij elke stap die hem in deze situatie had gebracht. Hij was in de namiddag op bezoek geweest bij een stoffenkoopman in de stad Ontoset, die tevens een zaakgelastigde van een niet al te belangrijk huis was, en in die hoedanigheid een van Arakasi's vele actieve spionnen. Arakasi maakte er een gewoonte van om bij zulke mensen op onvoorziene momenten in eigen persoon op bezoek te gaan, zowel om er zeker van te zijn dat ze trouw bleven aan hun meesteres van de Acoma als om te waken tegen infiltraties door vijanden. Het netwerk van spionnen dat hij als dienaar van de Tuscai had opgebouwd was sedert hij werkte voor vrouwe Mara nog aanzienlijk uitgebreid. Laksheid zijnerzijds kon voor zijn meesteres tot de grootste rampen leiden.
Hij had dat bezoek vandaag niet onvoorbereid afgelegd, maar zijn rol als koopman uit Yankora gestaafd met documenten en referenties. De openbare verklaring dat de Assemblee tussenbeide was gekomen in het conflict tussen de Acoma en de Anasati had deze zuidelijke stad pas een paar dagen later bereikt. Nu het waterpeil in de rivieren zakte en het meeste handelsverkeer niet meer per schip maar per karavaan plaatsvond, reisde nieuws langzaam. Beseffend dat vrouwe Mara zo snel mogelijk actuele berichten zou willen ontvangen om voorbereid te zijn op eventuele tegenacties door de Anasati of andere vijanden, die misschien moed hadden geput uit de maatregel van de Assemblee, had Arakasi zijn verblijf bekort tot een gehaaste uitwisseling van informatie.
Meteen na het verlaten van het huis had hij het vermoeden gekregen dat hij werd gevolgd.
Wie hem ook schaduwden, het waren vaklui geweest. Tot drie keer toe had hij geprobeerd hen in de drukte van de achterbuurten van zich af te schudden. Alleen zijn aan het obsessieve grenzende voorzichtigheid had hem daarna tóch nog glimpjes doen opmerken van een vaag herkend gezicht, een hand met een teervlek erop en twee keer een ceintuur in een bepaalde kleur - allemaal dingen die in de drukte van de namiddag té toevallig waren.
Naar zijn vakkundige inschatting waren ze met hun vieren. Het was een uitstekend op elkaar ingespeeld stel, dat ongetwijfeld behoorde tot een ander netwerk van spionnen. Zomaar wat verklede zeelieden of bedienden zouden niet zo voortreffelijk met elkaar kunnen samenwerken. Arakasi vloekte in stilte. Hij was precies in het soort val gelopen dat hij zelf vaak voor informanten had uitgezet.
Aan zijn reserveplan had het niet gelegen. Hij was meteen naar de drukke centrale markt gegaan, waar hij kleren had gekocht. Na een kort verblijf in een rumoerige herberg vol feestvierders, waar hij als koopman uit Yankora naar binnen was gegaan, was hij als huiskoerier naar buiten gekomen. Zijn talent om zijn houding, zijn manier van doen, zijn hele persóónlijkheid te veranderen wanneer hij van rol wisselde had in de loop van de jaren menige tegenstander om de tuin geleid.
Hij scheen niemand meer achter zich aan te hebben toen hij in een beroepsmatig drafje naar zijn contactpersoon terugkeerde, waar hij zichzelf binnenliet via een geheime deur. Daar had hij zich omgekleed in de grove plunje van een gewone arbeider en zich daarna verstopt in dit pakhuis aan de kade, achter de winkel. Hij was op deze balen stof gaan liggen en had de bedoeling gehad tot morgenvroeg te slapen.
Nu schold hij zichzelf uit voor stommeling. Nadat ze hem uit het zicht hadden verloren moest een van hen op het idee zijn gekomen dat hij misschien naar dit pakhuis zou terugkeren. Het was iets dat een minder verwaand type ongetwijfeld zou hebben voorzien, verweet Arakasi zichzelf, en de spionnenmeester van de Acoma mocht van geluk spreken dat hij zich hier al had verstopt vóór deze vijandelijke spion naar binnen glipte om hier geduldig op de loer te gaan liggen. Arakasi voelde zweetdruppels onder de kraag van zijn kiel door sijpelen. Deze vijand was gevaarlijk. Dat Arakasi hem had horen binnenkomen had hij meer aan zijn instinct dan aan zijn vernuft te danken.
Het was te donker om te zien waar de tegenstander zich bevond. Bijna onmerkbaar traag bewoog de spionnenmeester zijn hand in de richting van de dolk aan zijn riem. Hij was onhandig met een zwaard, maar in de omgang met messen was hij zeer bedreven. Als hij zijn doelwit duidelijk in het oog kreeg, zou dit zenuwslopende afwachten kunnen worden beëindigd. Als hij de goden een wens mocht doen zou hij echter niet om licht of wapens verzoeken, maar om de acute verplaatsing naar een veilige plek ver weg van hier, op weg naar vrouwe Mara. Arakasi had niet de illusie dat hij een krijger was. Hij had al eerder mensen gedood, maar gaf voor zijn verdediging verre de voorkeur aan zijn slimheid en superieure tactiek. Dit was de eerste keer dat hij echt in een hoek was gedreven.
Er klonk een zacht geschuifel aan het andere einde van het pakhuis. Arakasi hield zijn adem in en hoorde een tweede man een losse plank opzij duwen en naar binnen glippen.
De spionnenmeester blies langzaam zijn ingehouden adem uit. De hoop op een stille sluipmoord was hiermee in rook opgegaan. Hij moest nu met twee vijanden afrekenen. De nieuweling had een lantaarn bij zich, waarvan hij de schuif nu helemaal opentrok. Arakasi moest zijn ogen tot spleetjes knijpen, zo fel was dat plotselinge licht in de duisternis. Zijn toch al benarde situatie was opeens kritiek geworden. Hij was waarschijnlijk nog onzichtbaar voor de eerste insluiper, maar deze tweede tegenstander, die vanaf de achterkant kwam aanlopen, zou hem in dit felle licht beslist wél zien.
Uit de schaarse alternatieven koos Arakasi de spleet die behoorde te bestaan tussen de wand en de balen stof waarop hij lag. Stoffen hadden ruimte nodig om te ademen, anders kon er in deze muffe, donkere omgeving schimmel ontstaan. Deze koopman was echter nogal gierig geweest met het toestaan van die ruimte. Voortgedreven door het gevaar waarin hij verkeerde, stak de spionnenmeester niettemin zijn ene arm tot aan de schouder in die al te nauwe spleet en begon de baal een eindje verder van de wand te wrikken. Het risico bestond dat de baal zou kantelen en naar beneden zou vallen, maar als hij niets deed zou hij zéker ontdekt worden. Voorzichtig wurmde Arakasi zich stukje bij beetje in de vrijkomende ruimte. Splinters van de ruwe planken drongen door in zijn onbeschermde knieën, maar Arakasi durfde niet te pauzeren - zelfs niet voor een binnensmondse vloek - want het licht op de vloer kwam steeds dichterbij.
Hij hoorde de bijbehorende voetstappen en zag het spel van de schaduwen op de dakbalken. Hij was nog maar half verstopt in de spleet, maar zijn positie was zo hoog dat hij juist onder de hoek van het naar boven schijnende lIcht bleef. Had hij nog één hartslag langer gewacht, dan zou zijn beweging zeker zijn opgemerkt. Hij had geen enkele marge voor fouten en hij bofte dat de zachte voetstappen van zijn tegenstander zijn eigen geschuifel tussen de baal en de wand verdoezelden.
Er klonk van beneden een zacht gemompel. 'Moet je nou toch eens zien!' De man praatte alsof hij een inspectie hield. 'Dure rollen stof zo slordig gestapeld alsof het waardeloze balen stro zijn! Daar verdient iemand een pak slaag voor...'
Op dat moment liet de eerste insluiper zich horen. 'Hierheen,' fluisterde hij.
Arakasi durfde zich niet op te richten om een blik naar beneden te werpen.
De lantaarn werd door de ongeziene drager een eindje verder gebracht. 'Iets van hem gezien?'
'Nee.' De eerste insluiper klonk geprikkeld. 'Al dacht ik even geleden dat ik iets hoorde. Het zal wel ongedierte zijn geweest. Het barst hier van de graanpakhuizen.'
Voldoende gerustgesteld om zich verveeld te tonen, hief de nieuwkomer de lantaarn in de hoogte. 'Wel, hij moet ergens in de buurt zijn. De slaaf van de koopman beweerde bij hoog en bij laag dat hij is teruggeweest en zich ergens heeft verstopt. De anderen houden het huis in het oog. Ik hoop dat ze hem voor de ochtend te pakken hebben. Ik wil niet degene zijn die onze meester moet vertellen dat hij is ontkomen.'
'Heb je de verhalen gehoord? Dat deze knaap hier al eerder is waargenomen, maar in een andere vermomming? Hij moet een koerier zijn, op zijn minst. Of zelfs een opziener.' Opgewekt besloot de man: 'En hij komt ook niet uit deze provincie.'
'Je kletst te veel,' snauwde de lantaarndrager. 'En je onthoudt dingen die je beter kunt vergeten.'
Het verwijt werd met een zucht in ontvangst genomen. 'Hoe lang moeten we de wacht houden?'
'Tenzij we opdracht krijgen om hier weg te gaan, blijven we tot vlak voor zonsopgang. We willen hier niet door bewakers betrapt worden, en misschien gedood als ordinaire dieven.'
Een onverstaanbaar gemompel besloot het gesprek.
Arakasi bereidde zich voor op een langdurig, ongemakkelijk wachten. Zijn lichaam zou tegen de ochtend verkrampt zijn, en de splinters waren een bijkomende ergernis, maar hij moest er niet aan dénken dat ze hem te pakken zouden krijgen! De loslippigheid van zijn achtervolgers had zijn ergste vermoeden bevestigd: hij was ontdekt door een ander spionnennetwerk. Degene die de twee daar beneden commandeerde, en aan wie zij rapport uitbrachten, moest werken voor een zeer sluwe meester aan de top, iemand die een netwerk van spionnen had opgezet dat tot nu toe onopgemerkt was gebleven. Arakasi dacht na over dit gegeven, en het maakte hem bang. Door zijn geluk en intuïtie was hij tot nu toe beschermd, niet door zijn vakmanschap en voorzichtigheid!
In het benauwde donker, in zijn krappe ruimte, dacht hij zorgelijk na over die constatering. De twee die hem gevangen wilden nemen waren bekwaam, maar niet zo professioneel dat ze zich onthielden van overbodig gebabbel. Daaruit viel af te leiden dat ze door hun meester op iemand af waren gestuurd die volgens deze meester tot de lagere echelons van het te kraken netwerk moest behoren. Arakasi moest een huivering onderdrukken. Het was een blijk van het diepe wantrouwen dat hem was aangeboren dat hij bepaalde kleine taken graag persoonlijk opknapte, wanneer de gelegenheid zich voordeed. Zijn ongeziene vijand mocht nooit de kans krijgen om te achterhalen hoe hij heette of hoe hoog zijn positie was, laat staan voor welke vrouwe hij werkte. Misschien stond hij nu tegenover de gevaarlijkste tegenstander waarmee hij ooit was geconfronteerd. Misschien had zijn meesteres deze keer een vijand getroffen die veel subtieler te werk ging dan de vele opponenten die ze in het verleden had verslagen. Als hij niet levend uit Ontoset kon wegkomen, of tenminste een boodschap kon sturen, zou zijn meesteres misschien bij verrassing worden overvallen door de volgende aanval. De spionnenmeester ontdekte net op tijd dat zijn ademhaling hijgend dreigde te worden, en hij beheerste zich.
Zijn veiligheidsmaatregelen bleken lek te zijn en hij had er geen flauw idee van gehad. Dat betekende dat iemand heel zorgvuldig en listig aan het werk moest zijn geweest. De dubbelrol van deze koopman moest zijn ontdekt -het deed er niet toe hoe - en daarna was hij jarenlang scherp in het oog gehouden. Op die manier was het op de duur mogelijk geworden reguliere handelaren te onderscheiden van andere bezoekers. Dat zijn belagers twee van zijn eerdere rollen hadden doorzien - koerier en opziener - beloofde weinig goeds.
Arakasi zette de kosten op een rijtje. Hij zou deze spion moeten vervangen. Een bepaalde slaaf zou sterven - zo op het oog aan iets natuurlijks - en de handelspost moest worden gesloten. Jammer, want behalve onderdeel van zijn netwerk was deze nog winstgevend ook, en een bron van extra fondsen voor de financiering van zijn werk.
Er viel grijs licht naar binnen door een spleet in de wand. De dageraad was nabij, maar de mannen beneden maakten nog geen aanstalten om te vertrekken - niet omdat ze in slaap waren gevallen, maar omdat ze tegen alle kansen in bleven hopen dat de gezochte zich op het laatste moment toch nog zou vertonen.
De minuten kropen voorbij. Het werd buiten steeds lichter. De eerste karren ratelden al over de straten: groente en fruit dat voor de hitte van de dag verkocht en aan boord van de schepen moest zijn. In de verte klonk het eentonige gezang van roeiers, en hier en daar het geluid van een huiselijke ruzie. Maar opeens werden die normale geluiden van een ontwakende stad overstemd door een luid geschreeuw: Het klonk van dichtbij, en dringend. Voor Arakasi, ingeklemd achter zijn stapel balen, waren de woorden niet te verstaan, maar de twee andere mannen in het pakhuis kwamen meteen in beweging. Ze renden naar de achterkant van het gebouwen hun voetstappen kletterden over de houten vloer.
Waarschijnlijk wilden ze alleen maar goed wegkomen, gewaarschuwd door hun collega's buiten, maar als ze slim waren zou dit ook een truc kunnen zijn om hem uit zijn tent te lokken.
Arakasi bleef daarom nog stil liggen. Hij had vreselijk kramp in zijn benen, maar bleef twee, drie minuten gespannen luisteren, alert op de geringste geluidjes die gevaar konden betekenen.
Toen klonken er stemmen aan de buitenkant van de dubbele deur van het pakhuis en werd er aan het slot gemorreld. Er kon elk moment iemand binnenkomen.
Arakasi wilde zich oprichten, maar hoe hij zich ook draaide, zijn schouders zaten klem. Zijn armen zaten tegen de zijkant van zijn lichaam gedrukt en zijn benen waren te diep weggezakt en hadden geen houvast om zich ergens tegen af te duwen. Hij zat in de val.
Het bezorgde hem een moment van panische angst. Als hij hier betrapt werd, en gevangengenomen als een dief, zouden de mannen die achter hem aan zaten dat zeker vernemen. Een corrupte ambtenaar van de stad zou dan een passend geschenk ontvangen en Arakasi zou aan zijn vijand worden uitgeleverd. Zijn kans om Mara nog ooit terug te zien zou dan verkeken zijn.
Arakasi drukte zijn ellebogen zo hard hij kon tegen de baal aan, maar zonder enig nuttig effect. De spleet waarin hij klem zat werd weliswaar ietsje breder, maar daardoor zakte hij alleen maar dieper weg. Bovendien voelde hij nieuwe splinters in zijn polsen en onderarmen steken. Hij vloekte in stilte en deed een nieuwe poging, maar wederom zakte hij alleen maar verder naar beneden.
De deuren van het pakhuis werden opengegooid. De spionnenmeester kon nu niets anders meer doen dan bidden om een wondertje of een briljante inval. 'Die daar!' riep een opziener. 'Tegen die muur.'
Er stroomde zonlicht het pakhuis binnen, en een zwaar naar riviermodder geurende lucht. Een nidra loeide, leren tuig kraakte. Kennelijk stonden er buiten nidrakarren klaar om geladen te worden. De spionnenmeester wikte zijn keuzemogelijkheden. Wanneer hij nu de aandacht op zich vestigde, liep hij de kans dat enkele van zijn vijanden nog in de buurt waren en dat hoorden. Dat risico wilde hij niet nemen. Ze zouden hem opnieuw volgen en deze keer zou hij niet nóg eens zo boffen. Maar toen werd zijn gedelibereer zinloos, want er was een ploeg arbeiders aan het werk gegaan en de baal die hem klem zette werd een eindje van hem af getrokken.
'Hé!' riep iemand. 'Voorzichtig met dat losse eind daar!'
'Los eind?' snauwde de opzichter. 'Wie van jullie honden heeft die riem gebroken bij het stouwen van de balen, zonder dat te rapporteren?'
Het koor van op klinkende ontkenningen verdoezelde de geluiden die Arakasi maakte toen hij met pijnlijke spieren overeind krabbelde en zich geestelijk voorbereidde op zijn onvermijdelijke ontdekking.
Er gebeurde niets. De sjouwers waren nog allemaal druk bezig zich bij de opzichter te verontschuldigen en niemand keek naar boven. Toen hij zich helemaal had bevrijd stootte Arakasi de baal per ongeluk zo hard aan dat deze even op het randje van de stapel wankelde en toen naar beneden viel en met een doffe plof op de vloer belandde.
De opzichter riep woedend naar boven: 'Stommeling! Ze zijn zwaarder dan ze lijken! Probeer niet ze in je eentje te verplaatsen!'
Aha, dacht Arakasi. Kennelijk had de koopman-spion zich de penibele situatie waarin Arakasi verkeerde gerealiseerd en was dit een vluchtweg die hij snel had kunnen regelen. Hij mocht nu geen fouten maken, anders zou alles mislukken. Snel wierp hij zich languit voorover, en met zijn gezicht vlak boven een baal vroeg hij luidkeels en nederig om vergiffenis.
'Aan het werk!' riep de opzichter. 'Dat je zo stom bent is nog geen reden om te gaan liggen luieren! Zorg dat die karren geladen worden!'
Arakasi richtte zich op, knikte bevestigend en liet zich toen voorzichtig van de stapel naar beneden zakken. Hij moest vechten tegen duizeligheid en de verkramptheid van al zijn spieren, na al die uren van roerloos wachten, en hij zakte bijna in elkaar. Hij leunde tegen de gevallen baal aan en deed alsof hij zijn lichaam betastte op kneuzingen. Toen hij zich na een poosje oprichtte keek een van de sjouwers hem onvriendelijk aan. 'Gaat het weer een beetje?' vroeg hij.
Arakasi knikte zo hevig ja dat zijn haren over zijn voorhoofd vielen.
'Help dan eens,' zei de sjouwer. 'We zijn bijna klaar aan deze kant.'
Arakasi pakte een einde van de gevallen baal op en sjouwde hem met zijn nieuwe collega naar buiten. Tijdens het volgende geploeter gebruikte hij elke truc die hij kende om zijn uiterlijk zo veel mogelijk te veranderen. Hij hield zijn hoofd gebogen, wreef stof en aarde over zijn bezwete gezicht om het vuil te maken en de scherpe contouren van zijn jukbenen te verdoezelen, gebruikte zijn vingers om zijn haren in de war te brengen - inclusief de lok die altijd donker geverfd was, sinds een litteken zijn haren daar wit had gemaakt - en hield zijn wenkbrauwen licht gefronst en zijn ondertanden tegen zijn bovenlip gedrukt, waardoor hij er voor een buitenstaander uitzag als een gewone zwoegende arbeider, zij het, zo te zien aan dat gezicht, een wel érg domme.
Elke keer dat hij een stap buiten het pakhuis zette leek het alsof al zijn zenuwen bloot lagen. Tegen de tijd dat alle karren volgeladen waren, zag hij in het halfdonkere portiek van een winkel aan de overkant een zwerverachtig type staan - ogenschijnlijk een bedelaar met de typische lege blik van een tateesha-verslaafde in zijn ogen. Alleen keek déze verslaafde toch een beetje al te alert om zich heen. Arakasi onderdrukte een rilling. De vijand zat nog steeds achter hem aan.
De wagens stonden klaar om weg te rijden en de sjouwers klommen erop. Ook Mara's spionnenmeester hees zich naar boven, alsof dat vanzelf sprak, en porde de man die naast hem op de balen zat in zijn ribben. 'Heeft je nichtje dat jurkje dat ze wilde nou nog gekregen?' vroeg hij hem op luide toon. 'Dat met die bloemetjes, bedoel ik.'
Er werd met zwepen geklapt en een menner schreeuwde iets. De nidra's zetten zich schrap en trokken de zware, kreunende wagens langzaam in beweging. De sjouwer tot wie Arakasi zich had gericht keek hem oprecht verbaasd aan. 'Wat zeg je?'
Arakasi begon hard te lachen, alsof de grote man iets grappigs had gezegd. 'Je weet wel. Lubals kleine meid. Die in Simeto's kroeg eten serveert.'
De arbeider gromde iets. 'Simeto's kroeg ken ik, maar Lubal niet.'
Arakasi sloeg zich op het voorhoofd. 'Ben jij dan niet zijn vriend Jido?'
De andere man schraapte het stof uit zijn keel en spuwde op straat. 'Nooit van gehoord.'
De karren hadden de hoek van de straat bereikt en weken al uit naar links om de bocht naar rechts te nemen. Een paar hinderlijk in de weg lopende straatjongens werd uitgescholden en bijna met de zweep geraakt door de voorste wagenmenner. De kinderen scholden even hard terug en maakten obscene gebaren, maar renden toen toch gauw weg, met twee schurftige straathonden achter zich aan. Arakasi waagde een blik achterom naar het huis van de koopman. De lanterfantende tateesha-roker stond nog in het portiek, maar hij keek de karren niet na. Hij keek naar het pakhuis, waarvan de grote toegangsdeuren juist op dat moment door een bediende werden gesloten.
Misschien had de list gewerkt.
Arakasi mompelde verontschuldigende woorden tegen de man die hij had aangesproken en liet toen zijn hoofd op zijn over elkaar geslagen armen zakken. Terwijl de kar voorthobbelde over de gaten in het povere plaveisel en de natte viezigheid uit de overlopende afvoergoten in dit havenkwartier, onderdrukte hij een zucht van opluchting. Hij was nog niet buiten gevaar. Hij zou pas in veiligheid zijn wanneer hij vele mijlen van Ontoset verwijderd was. Zijn gedachten richtten zich op de toekomst. De man die deze val voor hem had opgezet zou vermoeden dat zijn netwerk nu was ontdekt. Verder zou hij aannemen dat zijn ontsnapte prooi begrepen moest hebben dat er een andere organisatie aan het werk was geweest. De logica schreef voor dat de onbekende vijand derhalve zou reageren met tegenmaatregelen om precies dát soort onderzoek te bemoeilijken waar Arakasi nu mee moest beginnen. Hij zou op alle punten van het spoor dat naar hem zou kunnen leiden zorgen voor verwarring, dwaalwegen en valse aanwijzingen. Ondertussen moest het Ontosetse deel van het Acoma-netwerk van spionnen worden afgeschreven. De verbindingslijnen moest worden uitgewist. Er mocht geen spoort je van overblijven. Los daarvan moest er op twee gewichtiger punten actie plaatsvinden, en wel meteen: ten eerste om scherp te zoeken naar eventuele lekken in de andere provincies, ten tweede om dit spoor naar deze nieuwe vijand te volgen nu het nog niet helemáál koud was.
De moeilijkheden waren bijna onoverkomelijk. Arakasi had weliswaar bijzondere aanleg voor het oplossen van ingewikkelde puzzels, maar hier ging het om iets ongeziens dat dodelijk zou kunnen zijn - zoals de vlijmscherpe kling van een zwaard onder een dun laagje zand op een onschuldig ogend strand. Hij bleef op de kar zitten piekeren tot ze de kade hadden bereikt. Daar hielp hij met het lossen van de karren tot alle balen in netten waren geladen en met behulp van hijskranen tot op het dek van de aangemeerde bark waren gehesen. De zon klom inmiddels hoger en het werd steeds warmer. Bij de eerste de beste goede gelegenheid sloop hij weg. Hij mompelde iets over dringend een slok water nodig hebben en verdween in de drukte van de armetierige wijk bij de haven.
Hij moest zonder hulp zijn weg tot buiten Ontoset zien te vinden. Als hij een andere schakel uit zijn netwerk zou benaderen, lokte hij het risico uit dat ze hem weer op het spoor kwamen, erger nog, dat hij hun bovendien nieuwe sporen aan de hand deed. Er waren mannen in deze stad die hem voor geld zouden helpen om te vluchten, maar Arakasi durfde zich niet tot hen te wenden. Misschien hadden ze contacten met de vijand. In dat geval zou een verbinding tussen zijn behoefte aan vluchten en de gebeurtenissen in het pakhuis gauw gelegd zijn. Hij snakte naar een bad en een kans om de splinters Uit zijn huid te weken, maar kon beide voorlopig wel vergeten. In de grijze kleren van een slaaf dan wel de vodden van een bedelaar moest hij eerst buiten de stadspoorten zien te komen. Daar moest hij een eind over het platteland reizen, tot hij een flinke voorsprong had opgebouwd. Daarna zou hij het beste de rol van een gehaaste koerier kunnen kiezen om een deel van de verloren tijd in te halen.
Hij zuchtte. Het vooruitzicht van een lange reis - met alle tijd van de wereld om zich suf te piekeren - sprak hem bepaald niet aan. Hij maakte zich ernstig zorgen over deze onbekende tegenstander, die hem in één zet al bijna van het bord had gevaagd, en niet minder over de meester van die tegenstander, een ongeziene en daardoor ongrijpbare bedreiging. Hoewel een openlijke danoorlog tussen de Acoma en de Anasati door de magiërs botweg was verboden, was zijn geliefde Vrouwe van de Acoma desalniettemin ernstig in gevaar. Opportunisten en vijanden spanden samen in allianties die tegen haar waren gericht en daarom had ze nu meer dan ooit de best mogelijke spionnenhulp nodig om zich tegen levensgevaarlijke medespelers van het Grote Spel te laten beschermen.
De kleermaker had de zijden zoom van het gewaad precies tot op de vloer laten vallen. Er stak een paar lange spelden met delicaat gesneden benen knopjes uit zijn mond toen hij zich oprichtte. Hij deed een stap achteruit om de pasvorm van de ceremoniële kleding die de Heer van de Anasati bij hem had besteld te bewonderen.
Heer Jiro verdroeg de onderzoekende blik van de ambachtsman met ingehouden verachting. Met een onbewogen uitdrukking op zijn gezicht stond hij rechtop. Hij hield zijn armen een eindje van zijn lichaam, om te voorkomen dat hij geprikt zou worden door de spelden waarmee de toekomstige manchetten waren vastgespeld. Hij stond zo roerloos, dat de ter versiering van de voorzijde van het gewaad opgenaaide sequijnen in de vorm van moordwieken niet eens glinsterden in het licht dat door het geopende scherm naar binnen viel.
'Mijn heer,' lispelde de kleermaker om de spelden tussen zijn tanden heen, 'u ziet er schitterend uit. Elke ongehuwde edele dame zal zwijmelend aan uw voeten vallen bij het zien van deze pracht.'
Jiro kneep zijn lippen samen. Hij hield niet van vleierij. Hij was erg zorgvuldig als het om kleren ging, en onnadenkende lieden zouden dat misschien voor ijdelheid kunnen houden. Ten onrechte. Jiro was zich alleen bijzonder goed bewust van de waarde van kleding als middel om een indruk te wekken. Door foute kleren kon een man stom, lichtzinnig of te dik lijken. Aangezien gezwaai met zwaarden en de overige fysieke eisen die het leven van een soldaat stelde niet naar Jiro's smaak waren, maakte hij een optimaal gebruik van andere middelen om zijn mannelijke uitstraling te versterken. Zo kon je een voordeel behalen, of een subtiele overwinning afdwingen, zonder je tot primitieve stoerheid te hoeven verlagen.
Trots op zijn bekwaamheid om tegenstanders zonder bloedvergieten te overmeesteren, moest Jiro zich inhouden om niet briesend te reageren op het ondoordachte compliment dat de kleermaker hem had gemaakt. De man was een handwerker, een huurling, iemand die zijn aandacht amper waard was, laat staan zijn woede. Zijn woorden hadden minder betekenis dan een vlaagje wind, maar puur bij toeval had hij er een herinnering mee opgerakeld die Jiro nog steeds op een wrokkige manier pijn deed. Ondanks al zijn nauwgezette aandacht voor zijn kleren en manieren had vrouwe Mara hem destijds een blauwtje laten lopen. En had ze de lompe Buntokapi boven hem verkozen. Telkens wanneer hij eraan terugdacht, al was het maar vluchtig, steeg het bloed hem weer naar het hoofd van woede. Al zijn inspanningen, jarenlang, hadden hem in het geheel niets opgeleverd, want zijn geestigheid, zijn charme, zijn beschaafdheid, dat alles was toen door de Acoma in één gebaar afgewezen. En zijn belachelijke - nee, lachwekkende - pummel van een broer had over hem getriomfeerd.
De zelfgenoegzame manier waarop Bunto toen naar hem had gegrijnsd was onvergeeflijk geweest. Jiro's bloed kookte alweer bij de herinnering aan dat vernederende moment. Hij balde zijn handen tot vuisten en had opeens geen zin meer om stil te staan. 'Dit gewaad bevalt me niet,' snauwde hij. 'Het is waardeloos. Laat het maar in repen scheuren en maak iets anders.'
De kleermaker verbleekte. Hij trok de spelden tussen zijn lippen uit en liet zich voorover op de parketvloer vallen, met zijn voorhoofd tegen het hout. 'Mijn heer! Zoals u wenst, natuurlijk! Ik vraag nederig om excuus voor mijn gebrek aan smaak en inzicht.'
Jiro zei niets. Hij gaf een bediende via een knikje opdracht hem het onvoltooide gewaad uit te trekken en vervolgens om het op een slordig hoopje naast hem op de vloer te laten liggen. 'Ik zal het blauw-en-rode zijden gewaad dragen. Haal het meteen.'
De opdracht werd met nerveuze gejaagdheid gehoorzaamd. De Heer van de Anasati strafte zijn slaven en bedienden zelden, maar vanaf de dag waarop hij de titel had geërfd had hij volkomen duidelijk gemaakt dat hij alleen volkomen en onmiddellijke gehoorzaamheid zou tolereren.
Toen hij arriveerde om rapport uit te brengen merkte Eerste Adviseur Chumaka de paniekerige kruiperigheid van het personeel meteen op. Hij vertrok geen spier van zijn gezicht, want als slimste van de hele huishouding kende hij zijn heer beter dan wie ook. De meester was niet gesteld op overmatige onderdanigheid - eerder het tegenovergestelde. Jiro was opgegroeid als tweede zoon en hij wilde dat dingen in alle rust en zonder bombarie gebeurden. Maar sinds hij de mantel van de heersersmacht had geërfd, zonder die positie verwacht te hebben en zonder ervoor te zijn opgevoed, was hij bijzonder gevoelig geworden voor de manier waarop de ondergeschikten zich tegenover hem gedroegen. Wanneer ze hem onvoldoende respect betuigden, dan merkte hij dat en dán reageerde hij onmiddellijk. Een bediende die te laat zijn titel uitsprak of een slaaf die zich niet onmiddellijk ter aarde wierp bij zijn verschijnen werd zulk een fout nooit meer vergeven. Zoals mooie kleren en vlotte manieren dat waren, was ook de striktheid van hun traditionele Tsuranese opstelling als hogere kaste een wezenlijk onderdeel van het pakket waarop Regerende Heren door hun gelijken beoordeeld werden. De barbaarse gewoonten van het krijgsbedrijf ,mijdend, had Jiro besloten zich te profileren als een strenge en strikte grootmeester van gepast en beschaafd gedrag.
Alsof er geen gewaad van de allerduurste zijde als een stapeltje lompen naast zijn sandalen lag, gaf hij een knikje, terwijl Chumaka zich oprichtte uit zijn buiging. 'Wat brengt je op dit uur hierheen, Eerste Adviseur? Ben je vergeten dat ik een middagje discussiëren met geleerde gasten uit Migran op het programma heb staan?'
Chumaka hield zijn hoofd half schuin, waardoor hij een beetje leek op een hongerig knaagdier dat een veelbelovend hapje bekeek. 'Ik stel voor, mijn heer, dat we de geleerde heren even laten wachten en dat wij samen een kleine wandeling maken.'
Heer Jiro was danig geërgerd, al liet hij dat uit niets blijken. Hij liet zijn bediende de ceintuur van zijn nieuwe gewaad dichtknopen alvorens te antwoorden. 'Is wat je te zeggen hebt dan zo belangrijk?' Zoals alle aanwezigen heel goed wisten, hield Jiro later die middag beraad met zijn pachters en agenten. Werd zijn bijeenkomst met de geleerden opgeschoven, dan ging dat ten koste van nóg weer iets laters: zijn leesuurtje.
De Eerste Adviseur glimlachte liefjes en loste het probleempje tactvol op. 'Het gaat over vrouwe Mara van de Acoma en het verband, waarover ik eerder met u sprak, met het verdwenen huis Tuscai.'
Jiro's gezicht klaarde meteen op. 'Die twee houden verband met elkaar?' vroeg hij nieuwsgierig. Chumaka's stilzwijgen in aanwezigheid van de bedienden was op zich al een antwoord. Opgewonden klapte Jiro in zijn handen om een bode te roepen. 'Ga naar mijn hadonra en zeg hem dat hij onze gasten vertier moet bezorgen. Laat hem zeggen dat ik opeens verhinderd ben, maar hen morgenvroeg zal ontvangen. Hij kan laten doorschemeren dat ik een financiële bijdrage aan hun instelling overweeg, als hun bekwaamheid in de kunst van het debat me tenminste voldoende imponeert.'
De bode maakte een buiging en repte zich weg. Chumaka likte van voorpret over zijn tanden toen zijn meester hem naar buiten volgde. Jiro koos een stenen bank naast een vijvertje met vissen. Hij trok met zijn vingers lome strepen in het water en richtte ondertussen zijn volle aandacht op zijn Eerste Adviseur. 'Is het goed of slecht nieuws?'
Chumaka's antwoord was dubbelzinnig, zoals steeds. 'Ik weet het niet zeker.' Voordat zijn meester lucht kon geven aan zijn ergernis haalde hij een stapeltje documenten uit een diepe binnenzak. 'Misschien allebei, mijn heer. Dankzij een discrete, langdurige observatie, waartoe ik opdracht had gegeven, hebben we een hooggeplaatst iemand in het spionnennetwerk van de Acoma kunnen identificeren.' Hij zweeg even, want zijn gedachten dwaalden af naar een paar uiterst vage associaties.
'Met welk resultaat?' drong Jiro aan. Hij was niet in de stemming voor slimmigheden die hij toch niet kon volgen.
Chumaka schraapte zijn keel. 'Hij wist ons te ontglippen.'
Jiro keek geïrriteerd. 'Hoe kun je dan spreken van goed nieuws?'
Chumaka haalde zijn schouders op. 'We weten nu dat hij wérkelijk iemand van hoge rang was, want de hele afdeling Ontoset is daarna opgeheven. De zaakgelastigde van het huis Habatuca is sindsdien iemand die alleen dát nog is: een handelsagent.' Als een soort nagekomen gedachte voegde hij daaraan toe: 'De zaken gaan nu slecht, dus we mogen aannemen dat de spullen die deze man verkocht niet alleen van de Habatuca, maar vooral ook van de Acoma afkomstig waren.' Hij keek naar een van de documenten en vouwde het toen weer op. 'We weten dat de Habatuca geen pion van de Acoma is, maar een degelijke bondgenoot van de Omechan. Het is een traditioneel ingesteld huis, dat ons op een zekere dag misschien van nut kan zijn. Ze vermoeden niet eens dat deze man niet geheel en al een loyale dienaar is, maar het is dan ook een nogal chaotisch huis.'
Jiro tikte met de wijsvinger van zijn voorbeeldig gemanicuurde hand op zijn kin. 'Is de uitschakeling van deze agent van betekenis?'
'Zeker, mijn heer,' antwoordde Chumaka. 'Door het wegvallen van deze man worden de operaties van de Acoma in het hele oosten gehinderd. Ik heb redenen om aan te nemen dat alle informatie uit die streken via het kanaal Ontoset werd geleid.'
Jiro glimlachte, maar zonder warmte. 'Wel, dan hebben we ze een slag toegebracht. Maar zij weten nu dat ze door onze spionnen in het oog worden gehouden.'
'Dat was onvermijdelijk, mijn heer,' zei Chumaka. 'Het verbaasde me dat ze ons niet al eerder in de gaten hadden gekregen. Hun netwerk is uitgebreid en ervaren. Het was bijna een wonder dat we zo lang onopgemerkt zijn gebleven.'
Jiro zag een glinstering in de ogen van zijn Eerste Adviseur. 'En verder?' vroeg hij vlug.
'Ik zei dat dit te maken had met de dood van de Heer van de Tuscai, lang geleden. Vlak voordat Jingu van de Minwanabi het huis Tuscai vernietigde had ik de identiteit ontdekt van een van de belangrijkste spionnen van dat huis - een graanhandelaar uit Jamar. Ik heb aangenomen dat hij zijn beroep gewoon heeft voortgezet, nadat de natami van de Tuscai was begraven, want als spion had hij geen openlijke band met het huis en was hij dus niet verplicht tot een bestaan als outcast.'
Jiro zweeg bij het vernemen van dit schandelijke gebrek aan eergevoel en trouw. De bedienden van een meester werden na diens nederlaag en dood geacht eveneens vervloekt te zijn door de goden. Zijn soldaten werden grijze krijgers of slaven - althans vroeger, voordat vrouwe Mara op verachtelijke wijze met die traditie had gebroken.
Chumaka negeerde het zichtbare ongenoegen van zijn meester, want hij was verdiept in herinneringen. 'Mijn aanname was onjuist, meen ik nu te mogen concluderen. Tot voor kort was dat echter niet significant. Onder degenen die in Ontoset kwamen en gingen waren er twee die vroeger voor die graankoopman in Jamar hadden gewerkt. Zo heb ik het verband kunnen leggen. Niemand anders dan vrouwe Mara heeft ooit grijze krijgers in dienst van haar huis genomen, dus we mogen veilig veronderstellen, naar analogie daarvan, dat ook de spionnenmeester van de Tuscai, en zijn mensen, destijds trouw hebben gezworen aan de Acoma.'
'Dan hebben we een verbinding,' stelde Jiro vast. 'Kunnen we infiltreren?'
'Het zou niet erg moeilijk zijn om die graanhandelaar te misleiden en een spion van ons naar binnen te krijgen.' Chumaka fronste zijn voorhoofd. 'Maar dat is natuurlijk precies wat de spionnenmeester van de Acoma zal verwachten. Hij is érg goed.'
Jiro sneed die mijmeringen af met een ongeduldig handgebaar. Chumaka keerde terug in de actualiteit en vervolgde: 'Op zijn minst hebben we de Acoma een gevoelige tegenslag bezorgd. Ze hebben een belangrijke tak van hun netwerk in het oosten moeten opgeven. En wat nog beter is: we wéten nu dat die man in Jamar nog steeds operationeel is. Vroeg of laat zal hij weer eens aan zijn meester moeten rapporteren, en dan kunnen we de jacht hervatten. Deze keer zal ik het niet overlaten aan blunderende idioten, zoals dat stel in Ontoset. Als we geduld hebben, zullen we te zijner tijd een duidelijk spoor naar de spionnenmeester van de Acoma zélf hebben!'
Jiro was aanzienlijk minder enthousiast. 'Misschien zijn al die inspanningen bij voorbaat nutteloos nu onze vijand kan vermoeden dat zijn spion is ontmaskerd.'
'Zeker, meester.' Chumaka likte over zijn tanden. 'Maar op de lange termijn gezien zijn wij in het voordeel. Wij weten dat de voormalige spionnenmeester van de Tuscai nu voor vrouwe Mara werkt. Ik had openingen in dat net weten te vinden, voordat het huis werd vernietigd. Ik kan mijn aandacht richten op spionnen waarvan ik destijds vermoedde dat ze voor de Tuscai werkten. Als die mannen nog dezelfde posities hebben als toen, is dat simpele feit op zich al bijna een bewijs dat ze nu voor de Acoma werken. Ik kan nu meer vallen uitzetten en ik zal dat laten doen door bekwame mensen, de beste die we hebben, die ik zelf zal instrueren. Tegen deze spionnenmeester moeten we niets aan het toeval overlaten.' De Eerste Adviseur begon iets op-de-borst-klopperigs te krijgen. 'Geluk heeft ons de eerste spion opgeleverd, waardoor we al bijna meteen een hooggeplaatst iemand in ons net kregen.' Chumaka zwaaide met de documenten om zijn verhitte wangen wat koelte te geven. We houden het huis nu in het oog. Natuurlijk worden onze spionnen op hun beurt ook in het oog gehouden, dus ik heb weer anderen die moeten proberen te ontdekken wie óns in het oog houdt...' Hij schudde zijn hoofd. 'Mijn opponent is buitengewoon sluw. Hij heeft...'
'Jouw opponent?' onderbrak Jiro hem.
Chumaka onderdrukte een schrikreactie en boog respectvol zijn hoofd. 'De dienaar van de vijand van mijn heer. Mijn tegenpool in dat huis, als u wilt. Sta een oude man deze kleine ijdelheid toe, mijn heer. Deze dienaar van de Acoma, die hetzelfde werk voor dat huis doet als ik voor u, is een achterdochtig en intelligent iemand.' Hij stak de documenten omhoog. We zullen die andere contactpersoon in Jamar isoleren. Dan zullen we...'
'Bespaar me de vervelende details,' zei Jiro. 'Ik dacht dat ik je had opgedragen om uit te vinden wie de Anasati in diskrediet heeft gebracht door een vals bewijs achter te laten bij de huurmoordenaar die mijn neef heeft gedood.'
'Aha,' zei Chumaka, 'maar die dingen houden verband met elkaar. Had ik dat nog niet gezegd?'
Jiro verplaatste zijn gewicht. Hij was niet gewend aan harde banken zonder kussens. 'Misschien wel, maar dan op een manier die alleen een verwrongen geest zoals de jouwe had kunnen begrijpen.'
De Eerste Adviseur besloot die opmerking uit te leggen als een compliment. 'Meester, uw geduld is voorbeeldig.' Hij wreef over het stapeltje documenten alsof ze van fluweel waren. 'Ik heb nu eindelijk bewijs. Die elf spionnen van de Acoma in de provincie Szetac, die allemaal in dezelfde maand op mysterieuze wijze gedood zijn, waren inderdaad verbonden met die andere - de vijf die in het huishouden van Tasaio van de Minwanabi vermoord zijn.'
Jiro's gezicht kreeg een strakke uitdrukking, een duidelijk teken van ingehouden ergernis, maar voordat hij iets kon zeggen haastte Chumaka zich al om het uit te leggen: 'Het waren ooit spionnen van de Tuscai, stuk voor stuk! Het blijkt nu dat ze zijn gedood om een opening in de veiligheidsketen van de Acoma te dichten. We hadden zelf ook een mannetje in Tasaio's huishouden. Hij is ontslagen toen Mara het goed van de Minwanabi overnam, maar hij is ons nog steeds trouw. Ik heb hier zijn getuigenis. De moorden op het landgoed van de Minwanabi zijn uitgevoerd door de tong Hamoi.'
Jiro was geïntrigeerd. 'Jij denkt dat Mara's man de tong op een oplichters-manier heeft overgehaald om een Acoma-puinhoop op te ruimen?'
Chumaka keek bijzonder zelfingenomen. 'Ja. Ik denk dat Mara's ál te slimme spionnenmeester de fout heeft gemaakt Tasaio's zegel na te maken. We weten dat de obajan van die tong met de Heer van de Minwanabi heeft gesproken. Beiden waren woedend, naar verluidt. Waren ze op elkáár zo kwaad geweest, dan zou Tasaio allang dood zijn geweest voordat Mara dat voor elkaar kreeg. Als het huis Acoma achter die moord op zijn eigen ontmaskerde spionnen zat, en de tong daarbij op slinkse wijze als onwetend instrument heeft misbruikt, zal de tong dat achteraf hebben opgevat als een zware belediging. En in dat geval zal de Broederschap van de Rode Bloem zélf beslist uit zijn op wraak.'
Jiro verwerkte dit met half dichtgeknepen ogen. Waarom de tong betrekken bij een dergelijke routineklus? Als Mara's man zo goed is als jij denkt, zal hij toch niet zoiets stoms doen?'
'Het moet een wanhoopsmanoeuvre zijn geweest,' gaf Chumaka toe. 'Tasaio's huishouden was erg moeilijk te infiltreren. Onze eigen spion was daar al binnen voordat Tasaio heer werd. Hij was toen nog ondercommandant van het leger van de Krijgsheer dat in Midkemia .. .' Weer toonde Jiro tekenen van ongeduld, en Chumaka zuchtte, zonder zijn zin af te maken. Kon zijn meester maar eens leren wat beter op de lange termijn te denken en te handelen! Enfin, daar was hij te rusteloos voor, als kind al. De Eerste Adviseur beperkte zich tot een beknopte uitleg: 'Mara had binnen het huishouden van de Minwanabi geen onontdekte spionnen meer. De ontmaskerden moesten daarom door iemand van buitenaf worden gedood. Aangezien de tong toch al zaken deed met Tasaio, was dat een bruikbare methode.'
'Dat raad je allemaal,' zei Jiro.
Chumaka haalde zijn schouders op. 'Het is wat ik in zijn positie zou hebben gedaan. De spionnenmeester van de Acoma is een uitblinker in innovaties. We hadden het netwerk in Ontoset wel tien jaar nauwlettend in het oog kunnen houden zonder ooit het verband te leggen tussen die agenten in het noorden, de andere in Jamar, en het voormalige verbindingsnetwerk in Szetac. Dat we nu zo snel zo ver zijn gekomen, hebben we meer aan geluk te danken dan aan mijn talent, meester.'
Jiro leek weinig onder de indruk van de zegeningen die zijn Eerste Adviseur zo in vervoering brachten. Hij begon in plaats daarvan over het punt dat de eer van de Anasati het nauwste raakte. je hebt bewijzen dat de tong op eigen initiatief heeft gehandeld,' snauwde hij. 'Door bij die moord een vals spoor uit te zetten in de richting van ons huis heeft de Hamoi de eer van mijn voorouders bezoedeld! Daar moeten ze mee ophouden! En meteen!'
Chumaka, ruw uit zijn gemijmer gerukt, knipperde met zijn ogen. Hij likte over zijn lippen en zei snel: 'Nee, nee, geëerde meester! Sta me de vrijheid toe u nederig het tegenovergestelde te adviseren!'
'Waarom zouden we de tong Hamoi moeten toestaan de eer van het huis Anasati aan te tasten?' Jiro keek zijn adviseur kwaad aan. 'Daar kun je dan maar beter een heel goede reden voor hebben!'
'Zeker,' gaf Chumaka toe. 'Om vrouwe Mara te doden, natuurlijk. Meester, is het geen briljant idee? Kan de Acoma een gevaarlijker vijand hebben dan een hele tong van huurmoordenaars? Ze zullen haar rust grondig verstoren en telkens opnieuw proberen haar te doden. Uiteindelijk zullen ze daarin slagen. Ze moet sterven. De eer van hun gilde eist het. De tong Hamoi doet het werk voor ons en in de tussentijd kunnen wij onze aandacht wijden aan het consolideren van alle traditionalistische krachten.' Schoolmeesterachtig stak Chumaka een vinger op. 'Nu de magiërs beide partijen hebben verboden oorlog te voeren, zal vrouwe Mara u op een andere manier willen ruïneren. Als Dienares van het Keizerrijk is ze populair en machtig, en heeft ze het oor van de keizer. Ze mag niet worden onderschat. Want behalve de voordelen die ik al noemde heeft ze ook nog een ongewoon talent als heerser.'
Jiro reageerde onmiddellijk gepikeerd. je zingt haar lof in mijn aanwezigheid?' Zijn toon klonk gematigd, maar Chumaka wist wel beter: zijn meester was op zijn tenen getrapt.
Hij antwoordde op een fluistertoon die geen tuinman of patrouillerende lijfwacht zou kunnen verstaan. 'Ik was nooit erg dol op uw broer Bunto, dus zijn dood heeft me persoonlijk weinig gedaan.' Jiro's gezicht stond nu op onweer, maar Chumaka vervolgde op kille, verwijtende toon: 'En zelf was u ook niet zo gek op hem, mijn heer Jiro.' De elegante heerser moest dit met een stijf knikje toegeven. 'U ziet het evidente over het hoofd,' vervolgde Chumaka. 'Dat Mara met Bunto is getrouwd, in plaats van met u, heeft uw leven gered ... meester.' Allerminst op vleiende toon besloot de Eerste Adviseur: 'Als u per se haat wilt koesteren voor deze Dienares van het Keizerrijk, zal ik van ganser harte naar haar vernietiging streven. Maar ik zal kalm en met beleid te werk gaan, want door woede je oordeel te laten vertroebelen is niet alleen dwaas - in het geval van Mara is het zelfmoord. Vraag een schaduwlezer in de tempel van Turakamu maar eens om contact op te nemen met Jingu, Desio en Tasaio van de Minwanabi. Hun geesten zullen het bevestigen.'
Jiro staarde naar de rimpels in het water boven de oranje vissen in de vijver. Na een hele poos zuchtte hij. 'Je hebt gelijk. Ik heb nooit van Bunto gehouden. Toen we klein waren zat hij me steeds op mijn kop.' Zijn hand balde zich tot een vuist, waarmee hij in het water sloeg en de vissen uiteen deed stuiven. 'Mijn woede mag ongegrond zijn, maar is tóch een brand in mijn binnenste!' Hij keek Chumaka weer aan, nu met half dichtgeknepen ogen. 'Bovendien ben ik Heer van de Anasati. Ik hoef me niet te verantwoorden. Er is mijn huis onrecht aangedaan en dat zál gewroken worden.'
Chumaka boog, onmiskenbaar respectvol. 'Ik streef naar de dood van Mara van de Acoma, meester. Niet omdat ik haar haat, maar omdat het uw wil is. Steeds ben ik uw trouwe dienaar. Nu we weten wie Mara's spionnenmeester is...'
'Je ként die man?' riep Jiro verbaasd uit. 'Je hebt niet gezegd dat je de identiteit van de spionnenmeester van de Tuscai had achterhaald!'
Chumaka maakte een afwerend gebaar. 'Niet van naam, noch van gezicht, maar het is een verdomd briljante tegenstander. Ik heb hem nooit ontmoet, bij mijn weten, maar ik herken zijn handwerk - zoals iemand het handschrift van een klerk kan herkennen.'
'Hetgeen allerminst een waterdicht bewijs is,' merkte Jiro snel op.
'Doorslaggevend bewijs zal moeilijk te vinden zijn, als ik hierin inderdaad de hand van deze man heb ontdekt, maar als het werkelijk zo is dat de spionnenmeester van de Tuscai nu in Mara's dienst is, hebben de goden het misschien goed met ons voor. Hij mag een meester in zijn vak zijn, maar ik ken zijn streken. Door mijn kennis van zaken kan ik misschien vanuit Jamar infiltreren in zijn netwerk. Na een paar jaar krijgen we dan hopelijk toegang tot de man zelf, en vanaf dan kunnen we de informatie die Mara's netwerk verzamelt zelf manipuleren. Ondertussen moeten onze afleidingsmanoeuvres gericht zijn op het ontregelen van de handel en de bondgenootschappen van de Acoma. Tegelijkertijd zal de tong bezig zijn met pogingen om haar te vermoorden.'
'Misschien kunnen we de inspanningen van de Broederschap een beetje stimuleren?' opperde heer Jiro op hoopvolle toon.
Chumaka's adem stokte even, alleen al wegens de suggéstie. Hij maakte een buiging voordat hij begon te spreken, en dat deed hij alleen wanneer hij gealarmeerd was. 'Meester, dat mogen we niet proberen. Die tongs zijn extreem hechte wereldjes op zichzelf en veel te gevaarlijk om er mee geassocieerd te raken. We kunnen er als Anasati maar beter zo ver mogelijk uit de buurt blijven.'
Jiro moest toegeven, zij het met spijt, dat het een verstandig advies was, waarna zijn Eerste Adviseur optimistisch vervolgde: 'De tong Hamoi is er niet een die overijld te werk gaat, zeker niet! Wat ze voor zichzelf doen gebeurt altijd in alle rust en koelbloedigheid. Er is verkeer geweest tussen de Hamoi en Midkemia, waarvan ik toen de strekking niet begreep. Nu vermoed ik dat het onderdeel was van een strategie om de Acoma schade te berokkenen. De vrouwe heeft een welbekende voorkeur voor sommige barbaarse ideeën.'
'Dat is waar,' gaf Jiro toe. Zijn drift had plaats gemaakt voor bedachtzaamheid. Hij keek naar het spel van de vissen. Geen adviseur van welk huis ook was bekwamer dan Chumaka in het aan elkaar knopen van schijnbaar losse eindjes. Heel het rijk had de geruchten gehoord over Mara's gerommel met een Midkemische slaaf. Dat was een kwetsbaar punt dat zeker nader onderzoek verdiende.
Toen hij zag dat zijn meester in een welwillender humeur was gekomen achtte Chumaka het juiste moment aangebroken. 'De Anasati kan zich de kleine aantasting van zijn naam door dat gefabriceerde bewijs heus wel veroorloven. Gekken en kinderen geloven dat soort informatie misschien, maar de verstandige Regerende Heren weten allemaal dat de tongs hun geheimen met de uiterste zorg bewaken. De machtigen in het rijk zullen zich door zulke doorzichtige trucs niet laten misleiden om uw naam in verband te brengen met huurmoordenaars. De naam Anasati is oud, en beladen met eer. Toon slechts verachting voor dit soort onwaardige vuilspuiterij, meester. Ze zijn de aandacht van een grote heer niet waardig. Laat een van de heersers het maar eens wagen het tegendeel te beweren, dan kunt u hem krachtig corrigeren!' Chumaka besloot zijn betoog met een citaat uit een van Jiro's favoriete toneelstukken: 'Kleine daden zijn er voor kleine huizen en kleine geesten.'
De Heer van de Anasati knikte. Je hebt gelijk. Soms word ik een beetje verblind door mijn woede.'
Chumaka boog als dank voor het compliment. 'Meester, ik vraag nu verlof om te vertrekken. Ik ben al begonnen met nadenken over strikken die ik voor Mara's spionnenmeester kan spannen. We kunnen nu veel drukte maken over wat we toevallig in Ontoset op het spoor zijn gekomen, en zo de aandacht van het waakzame oog weglokken van Jamar, waar we in stilte een dolk naar de keel van de vrouwe brengen.'
Jiro glimlachte. 'Voortreffelijk, Chumaka.' Hij klapte in zijn handen, bij wijze van toestemming, en terwijl de Eerste Adviseur zich mompelend weg repte, bleef zijn meester naast het vijvertje met de vissen zitten. Hij dacht na over Chumaka's advies en voelde een warme gloed van tevredenheid. Toen de Assemblee der Magiërs een oorlog tussen zijn huis en dat van Mara had verboden, was hij heimelijk opgetogen geweest. Nu de vrouwe geen gebruik mocht maken van haar leger, dat omvangrijker was dan het zijne, waren ze veel gelijkwaardiger partijen geworden.
'Vernuft,' prevelde de Heer van de Anasati terwijl zijn bewegende hand de vissen weer in rep en roer bracht. 'Door list, niet door het zwaard, zal de Goede Dienares te gronde worden gericht. En dan zal ze beseffen hoe fout het was dat ze toen mijn broer boven mij heeft verkozen. Ik ben van ons tweeën de betere man, en wanneer ik Buntokapi na mijn dood in de zalen van de Rode God weerzie, zal hij weten dat ik hem gewroken heb, maar ook zijn geliefde huis Acoma met de grond gelijk heb gemaakt!'
Arakasi bleef maar weg. Zijn lange uitblijven had alle adviseurs van de Acoma langzamerhand doodzenuwachtig gemaakt. Bevelhebber Lujan durfde al bijna niet meer naar de stafvergadering in de avonduren te gaan. Hij haastte zich naar zijn kamers om zijn gepluimde helm te halen. Zijn tred was soepel en krachtig, en zo uitgebalanceerd als van een uitstekende zwaardvechter verwacht kon worden, maar met zijn gedachten was hij elders. Zijn knikjes naar de wachters die voor hem salueerden waren automatisch.
Het huis van de Acoma had tegenwoordig evenveel soldaten als bedienden onder zijn dak. Van privacy was sedert Ajiki's dood bijna geen sprake meer, vooral 's nachts niet, wanneer er lijfwachten in het scriptorium en de diverse vleugels met logeerkamers sliepen. Justijns kinderkamer leek wel een zwaarbewaakt legerkamp. De jongen had nauwelijks ruimte om met zijn houten soldaatjes te spelen, zo veel échte klosten er op hun vechtsandalen bij hem over de vloer. Als enige bezitter van Acoma-bloed, afgezien van Mara zelf, moest hij tot elke prijs beschermd worden.
Omdat Arakasi's informatie ontbrak, wisten de wachters eigenlijk niet goed waar ze op moesten letten. Ze liepen nerveus hun rondjes en trokken bij het minste of geringste gerucht hun zwaard, ook als het slechts om een vrijend paartje ergens in de schemering bleek te gaan.
Lujan schrok daarom niet echt toen hij hoorde dat vlak om de hoek van de gang waarin hij liep een zwaard uit een schede werd getrokken. Jij daar!' riep een wachter. 'Halt!'
Toen Lujan de hoek om was zag hij dat de soldaat met getrokken zwaard voor een donkere nis stond. Achter zich hoorde hij aan de snel opeenvolgende tikken van krukken dat ook Keyoke, Mara's Adviseur voor Oorlogszaken, haastig deze kant op kwam. Als ex-bevelhebber wilde hij kennelijk wel eens zien wie het waagde illegaal tot in het binnenste deel van het landhuis door te dringen.
Toch niet wéér een moordenaar, hoopte Lujan terwijl hij naar de nis rende. Waarom had niemand die verdomde lamp daar aangestoken? Dat was geen goed teken, vond hij. Alle zakelijke problemen en wisselende allianties waar de Acoma mee te maken had nu de machtsverhoudingen aan het verschuiven waren - en waar ze zonder Arakasi's kennis soms niets van snapten - leken opeens relatief onbelangrijk. Stel je voor dat opnieuw een tongmoordenaar had weten binnen te dringen, dát zou pas een ramp zijn! Justijn had na al die maanden nog steeds nachtmerries over de val van die zwarte ruin ...
'Wie is daar?' snauwde hij toen hij naast de wachter met het getrokken zwaard was aangekomen. Keyoke verscheen aan diens rechterzijde en vroeg hetzelfde.
De wachter hield zijn blik strak op een punt tussen twee houten palen onder een zware plafondbalk gericht, maar bij wijze van antwoord wees hij die kant op met de punt van zijn zwaard. Er was daar lang geleden een rottend deel van het houtwerk vervangen. Het huis dat Mara en Hokanu van de Minwanabi hadden overgenomen was stokoud, en dit deel behoorde tot de oudste kern. De witte stenen vloer in deze gang was bijna drieduizend jaar oud en in het midden uitgesleten door eindeloze generaties voetstappen. Er waren hier ook veel te veel hoeken en gaten waar een insluiper zich schuil kon houden, stelde Lujan ontevreden vast terwijl hij de aangewezen kant op keek. Daar stond een man in het halfdonker. Zijn omhooggestoken handen maakten het gebaar van overgave, maar zijn gezicht was verdacht zwart - alsof hij roet had gebruikt om zichzelf onherkenbaar te maken of om minder op te vallen in het donker.
Lujan trok zijn zwaard. Keyoke deed hetzelfde. Het zijne was een kleintje - eigenlijk meer een degen - dat op ingenieuze manier verstopt was in het bovenstuk van een van zijn krukken. Voor iemand die nog maar één been had kon hij er uitstekend mee overweg.
'Kom naar voren,' riep Lujan naar de indringer, die nu drie zwaarden tegenover zich zag. 'Maar houd je handen omhoog, als je niet aan het spit geregen wilt worden.'
'Ik ben niet teruggekomen om me te laten slachten,' antwoordde een schraperige, allerminst roestvrije stem.
'Arakasi!' zei Keyoke, en hij stak zijn zwaard omhoog ter begroeting. Zijn haviksgezicht spleet zich in een zeldzame glimlach.
'Goden!' vloekte Lujan. Hij liet zijn zwaard zakken en raakte met zijn andere hand de wachter aan, die zich toen eveneens ontspande. De legerbevelhebber van de Acoma dacht even aan het risico dat de spionnenmeester zomaar door een wachter zou zijn gedood, maar begon toen opgelucht te lachen. 'Eindelijk! Hoeveel jaren proberen Keyoke en ik al niet om ondoorgrondelijke wachtschema's op te stellen? Kan het zijn, mijn beste, dat je er voor het eerst eens niet doorheen hebt kunnen glippen?'
'Het was een moeilijke thuisreis,' gaf Arakasi toe. 'En bovendien loopt er hier meer soldatenvolk dan personeel rond. Je kunt geen stap zetten zonder over iemand in een wapenrusting te struikelen.'
Keyoke stak zijn zwaard terug in de geheime holte en zette de kruk weer onder zijn schouder. Hij wreef met zijn vingers door zijn witte haren - wat hij als actief soldaat, wegens zijn eeuwige helm, nooit had kunnen doen, hetgeen hij nu te pas en te onpas inhaalde - en zei: 'Vrouwe Mara's raad staat op het punt van bijeenkomen. Ze heeft behoefte aan je nieuws.'
Arakasi zei niets, maar stapte tussen de palen uit naar voren. Hij was gekleed als een bedelaar, zijn ongeknipte haar was smerig van het straatvuil en zijn huid was ingesmeerd met roet. Hij stonk indringend naar rook.
'Je ziet eruit als viezigheid die door een schoorsteenveger is verwijderd,' merkte Lujan op terwijl hij naar de wachter gebaarde dat deze zijn patrouille kon voortzetten. 'En of je een week lang elke nacht in bomen hebt geslapen.'
'Je zit er niet ver naast,' mompelde Arakasi terwijl hij een geïrriteerde blik opzij wierp. Keyoke hield er niet van op iemand te moeten wachten. Aangezien hij zich tegenwoordig vrij voelde om zijn ongeduld te laten blijken - als militaire commandant had hij het steeds moeten beheersen - was hij al op weg gegaan naar de vergaderzaal. Het leek alsof Arakasi wel blij was met het vertrek van de oude man, want hij bukte zich, trok de zoom van zijn vodden op en begon aan een zwerend wondje onder zijn knie te krabben.
Lujan wreef over zijn kin. je zou eerst even naar mijn kamers kunnen komen,' zei hij tactvoL 'Mijn lijfknecht is gewend om snel een bad klaar te zetten.'
Er volgde een korte stilte.
Tenslotte zuchtte Arakasi. 'Splinters,' bekende hij.
Dat ene moeizaam geuite woord was kennelijk de enige uideg waartoe Arakasi op dat moment bereid was, maar Lujan kon de rest wel raden. 'Ze zijn ontstoken. Dus niet van recente datum. En je had het te druk met vluchten om ze eruit te trekken.'
De stilte die volgde bevestigde Lujans vermoedens. Hij en Arakasi kenden elkaar al vóór het huis Tuscai was gevallen, en ze waren een paar jaar samen grijze krijgers geweest. 'Kom mee,' drong de bevelhebber aan. 'Als je in deze toestand meegaat naar de vrouwe, moeten de bedienden achteraf je kussens verbranden. Je stinkt als een khardengo die zijn wagen is kwijtgeraakt.'
Arakasi keek zuur bij het horen van deze vergelijking met iemand van het zwervende volkje dat van stad naar stad reisde om goedkoop amusement en dubieuze klusjes aan te bieden. 'Kun je me aan een metalen naald helpen?' vroeg hij, bij wijze van onderhandeling.
Lujan lachte. 'Toevallig wél, denk ik. Een van de naaisters heeft een oogje op me. Maar dan sta je bij me in het krijt. Als ze me zoiets kostbaars leent, zal ze zeker haar eisen stellen.'
Arakasi wist best dat de meeste jonge vrouwen in het huishouden hun volgende positie op het Wiel van het Leven zouden riskeren in ruil voor Lujans attenties, dus hij toonde zich niet onder de indruk. 'Ik kan ook gewoon een van mijn dolken gebruiken.'
Die schijnbare onverschilligheid wekte opeens Lujans argwaan. je hebt slecht nieuws te melden?'
Arakasi keek de bevelhebber nu recht aan. Het licht van een lantaarn bescheen de met roet besmeerde grauwheid van zijn ingevallen wangen en de wallen onder zijn ogen. 'Ik denk dat ik je aanbod van een bad accepteer,' zei hij ontwijkend.
Lujan wist dat hij maar beter niet tegen zijn vriend kon zeggen dat het wel leek alsof deze een week niet gegeten en geslapen had, want ditmaal kon die plagerij wel eens dicht bij de waarheid zijn. 'Ik bezorg je die naald,' beloofde hij, waarna hij Arakasi's gekwetste trots probeerde op te poetsen. 'Al heb je die niet echt nodig, als je je messen nog bij je hebt. Ik denk dat die soldaat daarnet niet besefte dat jij hem had kunnen doden en villen voordat hij iets in de gaten had.'
'Ik ben goed,' beaamde Arakasi, 'maar vandaag, vrees ik, toch niet zó goed.' Hij kwam wat verder naar voren. Nu pas was duidelijk hoe onvast hij op zijn benen stond. Hij beantwoordde Lujans schrik en bezorgdheid met een kwade blik en zei: 'Beloof me nou maar op je erewoord dat je me niet in slaap laat vallen in je tobbe.'
'In slaap vallen of verdrinken?' vroeg Lujan quasi voor de grap terwijl hij snel een hand uitstak om de wankelende spionnenmeester te steunen. 'Man, wat heb jij allemaal doorgemaakt?'
Maar hoe hij ook aandrong, Lujan kreeg geen nadere uitleg voordat de spionnenmeester een bad had genomen en samen met Lujan - nu mét zijn helm - ter vergadering verscheen.
Deze was al een poos bezig. Keyoke zat in het gele licht van een kring lampen, met zijn leerachtige handen op de krukken die hij dwars over zijn knieën had liggen. De keuken was verwittigd van Arakasi's terugkeer en er waren dienbladen met hapjes en drankjes voor hem gebracht. Hokanu zat aan Mara's rechterhand, de plaats die normaliter door haar Eerste Adviseur werd ingenomen, terwijl Saric en Incomo tegenover hen fluisterend zaten te
overleggen. Jican zat met zijn armen om zijn knieën achter een imposahte stapel leien en documenten. links en rechts van hem stonden manden met rollen perkament, waardoor het leek alsof hij een vesting om zich heen had gebouwd. Zijn gezicht zag er ook enigszins belegerd uit.
Arakasi liet zijn blik snel over de aanwezigen gaan en constateerde droogjes: 'De handel is niet best gegaan in mijn afwezigheid, zo te zien.'
Jican sputterde tegen - waardoor het niemand meteen opviel hoe slecht de spionnenmeester eraan toe was. 'We hebben niets onverantwoords gedaan,' verdedigde hij zich, 'maar er zijn op de markten een aantal dingen misgegaan. Mara is een paar bondgenoten kwijtgeraakt onder de kooplieden die ook zaken doen met de Anasati.' Zichtbaar opgelucht besloot hij: 'Maar de veilingen van de zijde hebben er niet onder geleden.'
'Toch,' vulde Incomo ongevraagd aan, 'blijven de traditionalisten aan invloed winnen. En Ichindars Keizerlijke Witten hebben al een paar keer bloed moeten vergieten bij het onderdrukken van rellen in Kentosani.'
'Op de voedselmarkten bij de haven,' vatte Arakasi bevestigend samen. 'Dat heb ik gehoord. Onze keizer zou de tweedracht effectiever bestrijden wanneer het hem lukte een erfgenaam te verwekken die geen meisje is.' Daarna richtte ieder staflid zijn blik op de Vrouwe van de Acoma, in afwachting van wat zij van hen zou vragen.
Ze was iets magerder dan ten tijde van Ajiki's crematie, maar voor het overige zag ze er voortreffelijk en beheerst uit. Haar gezicht was onopgemaakt. Haar ogen stonden helder en alert en haar handen lagen rustig op haar schoot toen ze sprak. 'Arakasi heeft onthuld dat we met een nieuwe dreiging worden geconfronteerd.' Alleen haar stem verried dat achter al dat Tsuranese vertoon van uiterste zelfbeheersing nog steeds enorme spanningen schuil gingen. Arakasi had haar tenminste nog nooit eerder met een zo scherpe ondertoon van haat horen spreken. 'Ik vraag jullie allemaal hem zonder discussie al datgene te geven wat hij vraagt.'
Lujan wierp Arakasi een verwijtende blik toe. 'Je hád haar kussens al bevuild, begrijp ik nu,' mompelde hij op licht gekwetste toon. Keyoke keek nogal ontsteld: hij besefte achteraf dat de bewaking Arakasi pas had betrapt nadát deze al bij vrouwe Mara was geweest, zonder door iemand te zijn opgemerkt. De twee andere adviseurs zagen heel goed wat er door hun collega's heen ging, maar waren protocollair verplicht daar niet op te reageren. Ze knikten alleen om hun instemming met Mara's verzoek aan te geven. Alleen Jican leek even te willen tegenstribbelen, want hij zag aankomen dat dit een nieuwe ramp voor de schatkist van de Acoma zou worden. Arakasi's operaties kostten altijd bakken vol geld en de kleine hadonra maakte zich al bij voorbaat zorgen.
Er waaide een briesje naar binnen door de open vensters, hoog in de wanden van deze grote zaal, die ten dele was uitgegraven in de helling van de heuvel waarop het grote huis was gebouwd. Hoewel de lampen hier in het midden een helder licht verspreidden, was het in de verre hoeken van de zaal schemerig. De op staanders geplaatste lichtbollen van de cho-ja's brandden nu niet. Alleen het lage podium waarop Mara en haar adviseurs zaten was verlicht. De aanwezige bedienden wachtten op een discrete afstand. Ze konden geroepen worden, als dat nodig was, maar stonden te ver weg om de gesprekken te kunnen volgen. 'Waar we het nu over gaan hebben moet binnen deze kring blijven,' hernam Mara. 'Hoeveel tijd heb je nodig om je aan deze nieuwe dreiging te wijden?' vroeg ze Arakasi.
Arakasi haalde zijn schouders op en draaide zijn open handpalmen naar boven, waardoor een blauwe plek op een van zijn polsen onthuld werd. 'Dat kan ik alleen maar raden, meesteres. Mijn instinct zegt me dat de organisatie waar ik op gestuit ben ergens ten oosten van ons is te localiseren, misschien in Ontoset. We hebben zekere banden tussen die plaats en Jamar en de Stad op de Vlakte, want onze spion werkte onder de dekmantel van een handelsagentschap. Een vijand die ons netwerk in westelijke richting ontdekte, dus van Ontoset naar Jamar en Stad op de Vlakte, zal niet gemakkelijk een link met ons, nóg verder westelijk, leggen. Maar ik weet niet hoe de schade is ontstaan. Misschien begint het spoor heel ergens anders.'
Mara beet op haar lip. 'Leg uit,' zei ze toen.
'Ik heb een provisorisch onderzoekje kunnen doen voordat ik naar Sulan-Qu terugkeerde.' Op nog koelere toon dan Keyoke placht te gebruiken voor de aanvang van een veldslag verklaarde de spionnenmeester zich nader. 'Oppervlakkig bezien liggen onze handelsbelangen van oudsher vooral in het westen en noorden. De recente uitbreiding, die ik nu helaas weer heb moeten kortwieken, exploreerde de zuidelijke en oostelijke richting. Onze onbekende tegenstander kan puur toevallig tegen iets aan zijn gelopen wat wij net hadden opgezet, maar misschien ook niet. Ik kan het niet zeggen. Wat er daarna is gebeurd is echter helder. Hij heeft een schakel in ons systeem van koeriers ontdekt en daaruit voldoende over onze werkwijze kunnen concluderen om een netwerk van observatoren in te richten. Zulke mensen houden langdurig en systematisch huizen en spionnen in het oog, zoals in dit geval onze agent in Ontoset. Ze hopen op zekere dag iemand daarvandaan te kunnen volgen naar een hoger echelon in de keten. Ook deze vijand heeft zoiets gedaan.'
Hokanu legde een arm om Mara's middel, hoewel haar houding niet uitdrukte dat ze daaraan behoefte had. 'Hoe kun je dat zeker weten?'
'Omdat ik hetzelfde zou hebben gedaan,' verklaarde Arakasi onomwonden. Hij streek zijn gewaad glad om zijn schenen en de splinterwondjes daarop te bedekken. 'Ze hadden me bijna te pakken, en dat is knap werk.' Hij zei het zonder een spoor van verwaandheid. 'Ik maak me zorgen, want er moet ergens iets fout zijn gegaan,' vervolgde hij, nadat hij een vinger had opgestoken. Er volgde een tweede vinger. 'Verder ben ik opgelucht dat ik heelhuids heb kunnen ontsnappen. Als de lui die me op de hielen zaten ook maar hadden vermoed met wie ze te maken hadden, dan zouden ze veel beter hun best hebben gedaan en desnoods ontmaskering hebben geriskeerd om mij maar te pakken te krijgen. Derhalve moeten ze hebben gedacht met een koerier of misschien een opziener van doen te hebben. Mijn identiteit als de spionnenmeester van de Acoma is dus hoogstwaarschijnlijk onontdekt gebleven.'
Mara rechtte haar rug, opeens besluitvaardig. 'Dan lijkt het me verstandig dat probleem van je af te zetten.'
Arakasi was zo verrast dat hij bijna achteruit deinsde. 'Mijn vrouwe?'
Mara hield zijn reactie ten onrechte voor gekrenkte trots wegens twijfel aan zijn competentie, en ze probeerde haar woorden te verzachten. 'Ik bedoel dat je te hard nodig bent voor een ander probleem dat aandacht verdient.' Ze gebaarde naar Jican dat hij kon vertrekken. 'Ik denk dat handelskwesties wel even kunnen wachten.' Terwijl de kleine hadonra opstond, ten afscheid boog en zijn spullen bij elkaar raapte, geholpen door een paar per vingerknip ontboden assistenten, stuurde Mara ook alle andere bedienden de zaal uit. Toen de grote deuren zich achter het gezelschap hadden gesloten, en zij alleen was met haar echtgenoot en haar naaste adviseurs, zei ze tegen haar spionnenmeester: 'Ik heb een andere taak voor je.'
Arakasi nam geen blad voor de mond. 'Vrouwe, er is een groot gevaar. Ik vrees dat de meester van dit vijandige spionnennetwerk misschien de gevaarlijkste man van de wereld is.'
Mara liet niets blijken van haar gedachten, maar moedigde hem met een knikje aan om verder te spreken.
'Tot deze confrontatie bezat ik de ijdelheid om mezelf een meester in mijn vak te achten.' Voor het eerst die avond moest de spionnenmeester even nadenken over de juiste woorden. 'Dit lek in ons veiligheidssysteem was beslist geen gevolg van slordigheid onzerzijds. Mijn mannen in Ontoset zijn even discreet en voorzichtig geweest als altijd. Daarom vrees ik dat deze vijand misschien beter is dan ik.'
'Dan ben ik des te beslister,' verklaarde Mara. 'Geef dat probleem in handen van iemand anders - iemand die je vertrouwt. Mocht, onverhoopt, deze onbekende vijand je lof inderdaad waard blijken, dan zullen we het verlies betreuren van een man die minder onmisbaar voor ons is.'
Arakasi boog, maar het was duidelijk te zien hoe ongelukkig hij zich voelde. 'Meesteres ... '
'Ik heb een andere taak voor je,' herhaalde Mara op scherpe toon.
Arakasi zweeg onmiddellijk. Het was Tsuranese dienaren simpelweg verboden hun gezworen heerser tegen te spreken en bovendien had zijn meesteres haar gedachten al bepaald. Sedert de dood van haar oudste kind was haar hardheid zo toegenomen, dat er momenten waren waarop ze niet meer voor rede vatbaar was. Het was duidelijk dat ook Hokanu dit inzag, want zelfs hij deed geen poging om zijn vrouwe van mening te doen veranderen. De onplezierige waarheid bleef zodoende onuitgesproken: niemand in Arakasi's uitgebreide netwerk was bekwaam, voorzichtig en ervaren genoeg om een dreiging van deze allure te pareren. De spionnenmeester zou zijn meesteres echter niet ongehoorzaam zijn, hoewel hij doodsangst uitstond om haar veiligheid. Hij zou zich in bochten moeten wringen om enerzijds haar bevel naar de letter uit te voeren en anderzijds de zaken zelf zo goed mogelijk in de hand te houden, om erger te voorkomen. Om te beginnen moest hij ervoor zorgen dat de man die nominaal met het onderzoek naar dat netwerk belast zou worden hem regelmatig rapport zou kunnen uitbrengen. Hoe ontsteld hij ook was door het gemak waarmee vrouwe Mara deze gevaarlijke dreiging had weggewuifd, hij respecteerde haar bijzonder en wilde daarom zijn eindoordeel tenminste opschorten tot hij haar motieven kende. 'Welke andere taak is dat, mijn vrouwe?'
Zijn aandachtige houding stemde Mara milder. 'Ik wil dat je zo veel mogelijk gegevens verzamelt over de Assemblee der Magiërs.'
Voor het eerst sinds hij bij haar in dienst was leek Arakasi verbijsterd door haar stoutmoedigheid. Hij zette grote ogen op en zwakte zijn stemgeluid af tot een gefluister. 'De Grootheden?'
Mara knikte naar Saric, want hij was degene die een studie had gemaakt van dit onderwerp.
Hij sprak vanaf zijn plek in de cirkel. 'Een aantal gebeurtenissen in de afgelopen jaren heeft bij mij de vraag doen rijzen door welke motieven de Zwarte Mantels worden gedreven. Volgens traditie nemen we blindelings aan dat ze handelen ten nutte van het rijk, zoals dat zo mooi heet. Maar zouden allerlei zaken niet in een heel ander, minder altruïstisch licht verschijnen als dat niet zo was?' Sarics ironie maakte echter meteen weer plaats voor een brandende intensiteit toen hij vervolgde: 'Om precies te zijn: als de wijze daden van de Assemblee eerst en vooral gericht zouden zijn op hun eigenbelang? Hun voorwendsel is steeds de stabiliteit in onze naties. Waarom zouden ze dan moeten vrezen dat de Acoma de Anasati verplettert in een gerechtvaardigd verlangen naar wraak?' De Eerste Adviseur van de Acoma boog zich naar voren en steunde met zijn ellebogen op zijn gekruiste knieën. 'De magiërs zijn heus niet stom. Ik kan me niet voorstellen dat zij niet zouden begrijpen dat ze het rijk in extreme problemen storten wanneer ze toestaan dat een heer die heeft gemoord, en nog wel op verraderlijke wijze, ongestraft blijft. Een ongewroken moord is in tegenspraak met alles wat ons eerbegrip inhoudt. Zonder het politieke toneel van de Hoge Raad, en het geven en nemen van de partijen in die raad, dat per saldo voor een dempend effect zorgde, zijn alle huizen in feite op drift geraakt en aan hun lot overgelaten. Ze zijn afhankelijk van de goodwill en de beloften van andere huizen om te overleven.'
Mara zelf legde het haar spionnenmeester nader uit. 'Binnen een jaar zal een dozijn of nog meer huizen ophouden te bestaan, omdat mij verboden is in het strijdperk te treden tegen degenen die willen terugkeren naar de heerschappij van een Krijgsheer. Ik ben in de politieke arena tot machteloosheid gereduceerd. Mijn clan kan het zwaard niet opheffen tegen de traditionalisten die nu Jiro als hun boegbeeld hebben gekozen. Maar als ik niet tegen hem mag vechten, dan kan ik me niet meer houden aan mijn belofte dat ik de huizen bescherm die afhankelijk zijn van de Acoma.' Ze deed even haar ogen dicht, alsof ze tot zichzelf moest komen.
Arakasi's ontzag voor zijn vrouwe bereikte nieuwe hoogten nu hij opeens iets begreep: ze was in zoverre hersteld van haar rouwperiode dat ze weer helder dácht. Ze wist in haar hart natuurlijk dat het bewijs tegen Jiro te opzichtig was om serieus genomen te worden, maar de prijs voor haar verlies van zelfbeheersing na de crematie moest op onbekrompen wijze worden betaald. Zij had de naam van haar familie te schande gemaakt, en of Jiro al dan niet schuldig was maakte nu niets meer uit. Nu toegeven dat hij onschuldig was zou neerkomen op een publieke erkenning van haar fout. Indien ze dat in alle eer deed, zou er echter meteen een nog ergere vraag rijzen: geloofde ze werkelijk in de schone handen van haar vijand of deinsde ze alleen maar terug voor het wreken van de moord op Ajiki? Het afzien van wraak na een moord was namelijk een ultieme, onherstelbare vorm van eerverlies.
Misschien betreurde ze wat ze in de hitte van haar woede had gezegd en gedacht, maar nu kon Mara de situatie niet anders meer aanpakken dan alsof ze werkelijk geloofde in de schuld van de Anasati. Een andere houding zou on-Tsuranees zijn, en een vertoon van zwakte dat door haar vijanden onmiddellijk zou worden uitgebuit om haar ondergang te bewerkstelligen.
Het leek alsof ze onaangename herinneringen van zich af wilde schudden toen Mara vervolgde: 'Binnen twee jaar zullen velen die we nu bondgenoten achten dood of onteerd zijn, en nog meer die nu neutraal zijn zullen dan door politieke druk in het kamp van de traditionalisten zijn gedreven of getrokken. De uitgedunde Keizerlijke Partij zal zich daartegen verzetten, maar zonder ons zal de uitkomst waarschijnlijk zijn dat er een Krijgsheer wordt gekozen, en dat deze de Hoge Raad weer instelt. En wie zal op die droeve dag de wit-en-gouden mantel van Krijgsheer aantrekken? Jiro van de Anasati!'
Arakasi wreef met een vingerknokkel over een wang en dacht koortsachtig na. 'U vermoedt dus dat de Assemblee zich om redenen van eigenbelang met onze politiek bemoeit. Het is waar dat de Zwarte Mantels altijd buitengewoon zuinig zijn geweest op hun privacy. Ik ken niemand die een bezoek aan hun stad heeft kunnen navertellen. Om in dat bolwerk te spioneren, vrouwe Mara, zal gevaarlijk zijn, en erg lastig, zo niet onmogelijk. Ze kennen waarheids-bezweringen waarmee ze infiltranten heel simpel kunnen ontmaskeren. Ik heb verhalen gehoord... Misschien dat ik niet de eerste spionnenmeester zou zijn die een infiltratie probeert, maar niemand die met opzet een Grootheid heeft proberen te bedriegen hoeft te rekenen op een natuurlijke dood.'
Mara kneep haar handen tot vuisten. 'We moeten een manier vinden om hun motieven te leren kennen. Verder moeten we een manier bedenken om hun inmenging te stoppen, of tenminste om een duidelijker definitie te krijgen van de grenzen die ze ons stellen. We moeten weten hoe ver we kunnen gaan zonder hun wraak te riskeren. Na verloop van tijd ontstaat er misschien een situatie waarover we met hen kunnen onderhandelen.'
Arakasi boog berustend zijn hoofd, maar dacht al na op de schaal die voor de aanpak van dit probleem vereist was. Hij had nooit verwacht in zijn beroep oud te worden. Puzzels, ook gevaarlijke, waren zijn lust en zijn leven, al had zijn vrouwe nu iets bedacht waarmee hij waarschijnlijk zou vrágen om een snelle dood. 'Uw wens, meesteres. Ik zal meteen onze spionnen in het noordwesten hergroeperen.' Dat onderhandelen was een futiele hoop. Die mogelijkheid verwierp Arakasi al bij voorbaat. Om daaraan te beginnen moest je ofwel de kracht hebben om iets af te dwingen, ofwel een aanlokkelijke beloning om iets te kopen. Mara bezat macht en was populair, maar hij had met eigen ogen gezien, toen Milamber de Keizerlijke Spelen verstoorde, waartoe één enkele magiër in staat was. De duizenden soldaten van vrouwe Mara plus die van al haar vrienden en bondgenoten stelden helemaal niets voor in vergelijking met de esoterische krachten waarover de Assemblee beschikte. En wie kon er iets verzinnen wat een Grootheid zou begeren zonder dat hij het meteen ook maar pákte?
Rillend bedacht Arakasi opeens dat er nog een derde manier was om een resultaat binnen te halen: chantage. Als de Assemblee iets deed wat ze per se geheim wilde houden, iets waar ze concessies voor zou willen doen, mits
Mara beloofde dat ze haar mond zou houden... Het idee was natuurlijk te gek voor woorden. De Grootheden stonden boven alle wetten. Zelfs al zou hij het onbeschrijflijke geluk hebben een dergelijk geheim op het spoor te komen, wat dan nog? De Zwarte Mantels zouden Mara's permanente stilzwijgen simpelweg regelen door haar op een gruwelijke manier te doden.
Saric, Lujan en Keyoke begrepen dit, voelde hij aan, want ze bekeken hem op een vreemde, intense manier toen hij opstond en zijn afscheidsbuiging maakte. Deze keer waagde Mara te veel, en allemaal waren ze bang voor de gevolgen. Verkild tot in zijn botten draaide Arakasi zich om. Niets in zijn manier van doen verried dat hij een wreed lot vervloekte. Hij mocht zich niet bemoeien met wat hij instinctief de ernstigste bedreiging achtte waarmee vrouwe Mara ooit was geconfronteerd, maar verzwakte bovendien haar verdediging, want grote delen van zijn omvangrijke netwerk moesten tijdelijk in slapende toestand blijven tot hij een raadsel had opgelost waar nog geen sterveling zich ooit aan had gewaagd. Dat raadsel wachtte op hem achter de oevers van een naamloze massa water, die alleen bekend stond als 'het meer rond het eiland van de Stad der Magiërs'.