8 Ondervraging

 

Hokanu rende.

De straten waren een kolkende chaos van lawaai en vluchtende burgers. Arakasi schoot er als een schaduw doorheen, vaak alleen te herkennen aan zijn wapperende priesterpij. Hokanu was niet gewend blootsvoets te lopen. Nadat hij diverse keren zijn tenen had gestoten aan straatkeien, en was uitgegleden over glibberige smurrie in de goot, en een keer zelfs in een paar scherven aardewerk was gestapt, zou hij graag sandalen hebben gehad, hoe slecht ze ook pasten en wat hem dat ook aan blaren zou kosten. Maar als Arakasi zich van zijn probleem bewust was, dan liet hij het in elk geval niet merken. Hokanu zou trouwens liever sterven dan klagen. Mara's leven stond op het spel en elke minuut aarzeling zou haar fataal kunnen zijn, want op een gegeven moment zou dat gemene, sluipende vergif haar onherstelbare schade hebben toegebracht.  

'Niet piekeren!' vermaande hij zichzelf hijgend. 'Alleen rennen!'

Ze kwamen langs een pottenwinkel. De eigenaar stond in nachthemd voor zijn etalage en probeerde met zwaaiende vuisten iedereen uit de buurt te houden. Arakasi duwde Hokanu naar rechts.

'Een patrouille,' mompelde hij, zo te horen nauwelijks buiten adem. 'Als we rechtdoor lopen botsen we er frontaal tegenaan.'

'Keizerlijken?' Hokanu was gehoorzaam een andere richting ingeslagen, al had hij een lelijk gezicht getrokken toen zijn rechtervoet uitgleed over iets dat naar rotte uien stonk.

'Weet ik niet,' antwoordde Arakasi. 'Het licht is niet best en ik zie alleen maar helmpluimen.' Hij haalde diep adem. 'Maar we wachten het niet af.'

Hij dook linksaf een steegje in dat nog nauwer en smeriger was dan het vorige. De geluiden van de rellen stierven weg. Hier was het geritsel van wegschietende ratten te horen, en de slepende tred van een manke lantaarnopsteker, die op weg was naar huis, en het kraken van de kar van een straatventer, moeizaam voortgetrokken door een nidra die vel over been was.  

Arakasi trok zijn hoofdkap omhoog en dook een portiek in. 'We zijn er. Let op het boogje. De poortopening is erg laag.'

Hokanu moest bukken om eronderdoor te kunnen. Ze kwamen terecht op een krappe binnenplaats, met veel onkruid, maar ook iets dat leek op een kruidentuin, zoals apothekers die hadden. In het midden bevond zich een vijvertje, dat half schuilging achter struiken en onkruid. Hokanu stal een momentje om zijn voeten af te spoelen. Het water voelde lauwwarm en vies aan. Hij vroeg zich walgend af of mensen en honden het vijvertje misschien als urinoir gebruikten.  

'Het was oorspronkelijk een regenbak,' fluisterde Arakasi, alsof hij Hokanu's gedachten had gelezen. 'Zo te ruiken dumpt Korbargh er tegenwoordig zijn waswater in:'  

Hokanu trok demonstratief zijn neus op. 'Wat voor soort naam is dat, Korbargh?'

'Thurils,' antwoordde de spionnenmeester. 'Maar de man is geen geboren hooglander. Naar mijn gevoel heeft hij meer het bloed van een woestijnman. Laat u niet misleiden. Hij is slim en spreekt evenveel talen als ik.'

'Hoeveel zijn er dat?' fluisterde Hokanu terug.

Maar Arakasi had al geklopt op de slordige constructie van massieve planken die Korbarghs voordeur bleek te zijn.

Deze werd zo abrupt opengerukt, dat Hokanu ervan schrok. 'Wie daar?' snauwde een schorre stem.

Arakasi was niet uit het veld geslagen. Hij zei iets in het gutterale taalt je van het woestijnvolk. De man aan de andere kant probeerde de deur dicht te slaan, maar Arakasi hield de spleet open door er zijn wierookbrander in te steken. 'Haal je meester, luie dwerg, of ik ruk je tong uit je keel,' dreigde Arakasi, deze keer in een plat Tsuranees dialect dat alleen door dieven, bedelaars en ander tuig werd gesproken. Hokanu had hem nooit zo horen praten, en de rillingen liepen hem over de rug.

De dwerg antwoordde iets dat ongetwijfeld een grove obsceniteit was.

'Toe maar,' zei Arakasi, en met een hoofdknikje nodigde hij zijn popelende boeteling uit om hem te helpen bij het openrammen van de deur. Hokanu had geen verdere aansporing nodig. Hij wierp zijn schouder zo woest tegen het hout aan dat de deur uit zijn leren hengsels brak en met dwerg en al naar binnen klapte. Arakasi en Hokanu stapten een betegelde hal in, met decoratieve friezen uit de tijd, lang geleden, toen dit nog een nette buurt was geweest. De dwerg jammerde in een mengelmoes van talen dat zijn vingers aanvoelden of ze gebroken waren en dat hij een lelijke hoofdwond had opgelopen door een klap van de grendelbalk, die verbrijzeld op de grond lag.

'Verrot,' zei Hokanu minachtend terwijl hij een paar splinters van zijn schouder veegde. 'Niet eens sterk genoeg om een paar ratten tegen te houden.'  

Een aanraking door Arakasi maande hem tot zwijgen. Hokanu gehoorzaamde liever dan te protesteren tegen de brutaliteit. Toen een kolossale, imposant gespierde vreemdeling de hal binnenkwam, gekleed in een romantisch gewaad, waarop li-vogels geborduurd waren, kon de erfzoon van de Shinzawai zijn verbazing niet verbergen. 'Van het woestijnvolk, dacht je?' fluisterde hij zachtjes.  

Arakasi negeerde de vraag en zei in plaats daarvan iets in de woestijnvolktaal tegen de dwerg, die ophield met janken, zich theatraal oprichtte, alsof hij Arakasi opeens had herkend, een paar zinnen sprak in een taal die Hokanu niet verstond, en toen wegglipte door een zijdeur.  

'Grote goden,' bulderde de reus, 'je bent geen priester!'

'Blij dat je het ziet,' zei de spionnenmeester. 'Dat spaart ons tijd.' Hij maakte een beweging alsof hij zijn hoofdkap naar achteren wilde duwen, maar toen zijn mouwen over zijn opgestoken armen naar beneden schoven onthulden ze twee riemen die om zijn armen gebonden waren. De daaraan bevestigde schedes waren echter leeg, want Arakasi had de glinsterende werpmessen al in zijn handen toen hij ze half liet zakken. Hokanu's zucht van verbazing dat Mara's spionnenmeester over kostbare messen van metaal bleek te beschikken werd ruimschoots overstemd door een doffe brul van Korbargh: 'Aha, dus jij bent degene die mijn leerling heeft gedood!'  

Arakasi likte over zijn tanden. 'Fijn dat je geheugen zo goed is. Dat komt mooi uit.' Hij leek wel een granieten standbeeld, zo onbewogen stond hij daar met zijn messen in de aanslag. 'Dan weet je dus ook nog wel dat ik je hart kan doorboren voordat je met je ogen kunt knipperen, laat staan kunt vluchten.' Tegen Hokanu vervolgde hij: 'Maak mijn riem los en bind hem vast, aan polsen en enkels.'

De reus maakte aanstalten om te protesteren, maar een lichte beweging van Arakasi's pols was voldoende om hem op andere gedachten te brengen. Hokanu lette goed op dat hij geen moment tussen de twee kwam toen hij Arakasi's priesterceintuur losmaakte, waaronder de spionnenmeester nog meer messen bleek te dragen. De riem bleek van gevlochten nidraleer te zijn, sterker dan welk touw ook. Hokanu was niet zachtzinnig bij het leggen van de knopen. Zijn angst om Mara maakte hem ongevoelig voor het ongemak van lieden zoals deze.

Het plafond bezat een massieve dwarsbalk, met benen haken voor de zware hangende olielampen waar rijke mensen de voorkeur aan gaven. Nu hingen er alleen spinnenwebben, maar anders dan de hengsels van de voordeur waren deze haken noch verrot, noch verzwakt.  

Hokanu had Arakasi's blik gevolgd en grijnsde boosaardig. je wilt hem met zijn armen omhoog met zijn polsen aan die haken vastgebonden zien?'

Toen Arakasi knikte brulde de reus iets in een taal die Hokanu niet verstond. De spionnenmeester antwoordde met een serie keelklanken, maar veranderde toen van taal, uit beleefdheid tegenover zijn meester. 'Er is geen hulp voor je, Korbargh. Je vrouwen die waardeloze lijfwacht die je met haar mee hebt gestuurd zitten vast. Er zijn rellen aan de gang. De Keizerlijke Witten zijn in volle sterkte uitgerukt en hebben de straten waar zij aan het winkelen was afgezet. Als ze verstandig is zal ze de nacht in een herberg doorbrengen en pas morgenvroeg terugkeren. Je loslippige bediende Mekeh verstopt zich momenteel achter een bierton in je schuurtje. Hij heeft gezien hoe je vorige leerling is gestorven, en zo lang ik hier ben zal hij zijn gezicht niet meer durven te vertonen, noch hulp durven halen. Dus ik vraag je, en jij zult antwoord geven, welk tegengif had behoren te zitten in het flesje dat mijn metgezel je zal laten zien.'

Hokanu trok de boeien nog wat strakker aan en haalde toen het groene flesje te voorschijn dat ze op het lijk van de koopman in het pakhuis hadden aangetroffen.

Korbargh, toch al verbleekt door de ongemakkelijke manier waarop zijn samengebonden armen in de hoogte staken, trok nu helemaal wit weg. 'Ik weet hier niets van. Niets.'

Arakasi trok zijn wenkbrauwen op. 'Niets?' Het klonk spijtig en meelevend. 'Ach, Korbargh, je stelt me teleur.' Toen kreeg zijn gezicht opeens een harde trek en kwam zijn hand vliegensvlug in beweging. Een metalen mes schoot als een glinsterende bliksemschicht door de kamer, scheerde langs Korbarghs wang, sneed een lok van zijn vettige haar en bleef toen trillend steken in de draagbalk.  

Op heel andere toon vervolgde Arakasi: 'Er staan drie cijfers in dat flesje gegrift, in het schrift van het woestijnvolk. Het is je eigen handschrift. Spreek nu!' Toen de gevangene zijn kin naar voren stak en opnieuw wilde ontkennen, was de spionnenmeester hem voor. 'Mijn metgezel is een krijger. Zijn vrouw is stervende door jouw gemene brouwsel. Moet hij misschien beschrijven welke dwingende methoden hij kent om vijandelijke spionnen informatie te ontlokken?'  

'Doe maar,' hijgde Korbargh, bang, maar nog steeds koppig. 'Ik zeg niets.'

Arakasi richtte zijn donkere ogen op Hokanu en zijn glimlachje was ijskoud. 'Ter wille van uw vrouwe - zeg deze man hoe u gevangenen tot spreken brengt.'

Hokanu begreep wat de bedoeling was. Hij leunde niet zijn schouder tegen de muur en begon kalm en gedetailleerd, alsof hij alle tijd van de wereld had, uiteen te zetten welke foltermethoden hij allemaal kende - van horen zeggen, uit oude kronieken die in het huis van de Minwanabi waren aangetroffen toen Mara daarin opruiming hield, uit de praktijk om rekruten bang te maken, en een paar die hij ter plekke verzon. Aangezien Korbargh niet bepaald een man met fantasie leek, dikte Arakasi de gruwelijke details nog wat aan. En na een poosje begon Korbargh dan toch te zweten. Zijn vingers plukten aan zijn boeien, niet in de hoop dat hij ze los zou kunnen krijgen, maar puur van de zenuwen. Het leek Hokanu een geschikt moment voor een subtiliteit. Hij wendde zich tot Arakasi. Wat lijkt jou het beste om mee te beginnen? De verhitte naalden of de koevoet en de touwen?'

Arakasi wreef over zijn kin en deed alsof hij nadacht. Hij liet zijn blik over het huiverende lichaam van de gifmenger glijden. 'Tja,' begon hij toen aarzelend, maar met ijs in zijn stem, 'weet u wat mij het beste lijkt?'  

Korbargh rukte aan zijn boeien. 'Nee,' riep hij schor, 'nee! Ik zal vertellen wat jullie willen weten.'

We wachten,' zei Hokanu koel. 'Ik denk dat die gordijnroe daar heel goed als koevoet kan dienen. En ik weet waar we snel van die vleesetende maden kunnen vinden...'

'Nee, wacht!' riep Korbargh.

'Vertel ons dan het recept van het tegengif dat in dit flesje had behoren te zitten.'

Korbargh knikte hevig van ja. 'Blaadjes van de sessali, twee uur geweekt in zout water. Dan dat mengsel flink zoeten met een royale hoeveelheid honing van rode bijen, om te voorkomen dat uw vrouwe de zoute kruiden uitspuwt. Een klein slokje. Wacht een minuut. Dan weer een slokje. Opnieuw wachten. Dan zo veel ze kan hebben. Hoe meer ze slikt, hoe sneller ze geneest. Als haar ogen weer helder staan en de koorts haar verlaten heeft, moet ze nog drie dagen elke twaalf uur een kopje van het mengsel drinken. Dat is het tegengif.'  

Arakasi draaide zich om naar Hokanu. 'Ga,' zei hij kortaf. 'Neem de paarden mee en haast u naar huis. Elke heler heeft sessalikruid in voorraad. Tijd is voor Mara van levensbelang!' Hij draaide zich weer om naar de aan zijn polsen bungelende reuzengestalte van de gifmenger, die nu snikte van opluchting. 'Laat de rest hier maar aan mij over,' zei hij, maar hij praatte tegen lucht, want Hokanu was al naar buiten.

Er waaide koele avondlucht naar binnen. Verderop in het straatje liepen twee dronken kameraden lallend huiswaarts. Iemand gooide een kom waswater leeg door het venster en trof een straathond, die verontwaardigd begon te janken. Arakasi bleef nog even roerloos staan luisteren.  

Verontrust door zijn zwijgen rukte Korbargh opnieuw aan zijn boeien. 'Laat je me nu g-gaan?' stotterde hij. En op flinkere toon: 'Ik heb je het tegengif gegeven.'

Arakasi draaide zich om - een schaduw tegen een donkere achtergrond. Zijn ogen glinsterden in het duister als die van een roofdier. 'Maar je hebt niet verteld wie het gif heeft gekocht dat als tegengif vermomd was.'

Korbargh rukte weer aan zijn boeien. 'Het wordt mijn dood als ik dat verraad!'

Stil en soepel als een kat sloop Arakasi naar zijn gevangene toe. Hij wrong de punt van zijn werpmes uit het hout en liet het lemmet dreigend opflitsen. Arakasi betastte de snede alsof hij wilde voelen of deze wel scherp genoeg was. 'Je dood is geen punt van onderhandeling meer,' zei hij. 'Alleen de manier waaróp staat nog open.'

'Nee!' jammerde Korbargh. 'Nee, ik kan niet meer zeggen! Zelfs als je me zou ophangen en de goden me van het Wiel van het Leven zouden verwijderen wegens die schande!'  

'Ik zal je inderdaad ophangen,' zei Arakasi vlug, 'tenzij je praat, dat staat vast. Maar voordat het zover is, kan een mes aardig wat schade aanrichten. De vraag is niet schande of geen schande, Korbargh, maar een genadig einde of een langgerekte doodsstrijd. Jij kent de kruiden die een zachte dood kunnen brengen.' Hij trok met de punt van het mes een streepje over de vlezige bovenarm van zijn gevangene. 'En je weet ook welke vergiften je een lange kwelling bezorgen, een aanhoudende, steeds ergere pijn, zonder dat je daardoor je bewustzijn verliest.'

Korbargh rukte aan zijn boeien. Zijn ogen stonden groot van angst.

Arakasi gaf hem een tikje met de punt van het mes. 'Ik heb alle tijd, maar die wil ik niet besteden aan het luisteren naar stilte.'

'Mijn vrouw...' begon de wanhopige gifmenger.

De spionnenmeester onderbrak hem. 'Als je vrouw thuiskomt voordat jij me hebt verteld wat ik wil weten, zal ze je lot delen. Je armzalige lijfwacht zal sterven nog voordat hij over de drempel is en jij mag toekijken hoe ik mijn methoden op haar uitprobeer. Ik zal haar een pepdrankje laten slikken om haar bij bewustzijn te houden, en dan reepje voor reepje villen.'

De dikke man begon te huilen van ellende.

'Zal je dwerg je huis plunderen,' vroeg Arakasi, nog steeds op een ijskoude toon, 'of zal hij voor een nette begrafenis zorgen? Ik denk dat hij alles zal stelen wat los en vast zit, en dan de benen nemen. En gezien je woonplaats en je klantenkring zal er wel niemand zijn die je dood snel gaat melden bij de stadswacht. Best mogelijk dat jij en je vrouw het voor altijd zonder het gebed van een priester zullen moeten stellen.'  

Korbargh snauwde iets onverstaanbaars en Arakasi stopte met dreigen. Hij stapte op de gevangene af, pakte hem bij zijn dure gewaad en sneed er een strook af. Het was wel geen zijde, maar toch een mooie stof, met fraai borduursel erop. Arakasi verfrommelde de afgesneden strook vakkundig tot een prop, maar voordat hij deze bij de man in de mond kon duwen protesteerde de gifmenger: 'Ben je gek geworden? Als je me de mond snoert voor je me begint te martelen, hoe kan ik je dan vertellen wat je wilt weten?'  

Arakasi liet zich niet weerhouden en stopte hem de prop meedogenloos in de mond. 'Ik ben heus niet gek,' zei hij ondertussen met zijn fluwelige stem, die zelfs medeklinkers welluidend wist te maken.

Arakasi liet de geknevelde man alleen en liep de trap op naar boven. Hij keerde terug met een aantal flesjes, die hij Korbargh een voor een voor zijn neus hield. Wortel van de tai-gi, om het pijnbesef te versterken,' begon hij. 'Poeder van gemalen jinabbast, dat een man een week lang wakker kan houden. Sinquoiblaadjes, om het besef van het tijdsverloop te vertragen. Je zult ontdekken dat ik zulke dingen even goed weet als welke heler ook. En een echte vakman heeft me geleerd met messen om te gaan. Je krijgt niet de kans om te gillen, als de pijn begint, en als je jezelf die pijn had willen besparen, heb je die kans voorbij laten gaan.' Met een zachtzinnigheid die zijn gevangene rillingen bezorgde maakte Arakasi vervolgens Korbarghs gewaad open, waardoor een deel van diens bolle bierbuik aan de koele avondlucht werd blootgesteld. De spionnenmeester verdween even in een aangrenzende kamer.

Korbargh rukte aan zijn boeien, maar tevergeefs, en toen hij zichzelf had uitgeput liet hij zich slap aan zijn polsen hangen. Zo trof Arakasi hem aan toen hij terugkwam met een lamp en een mandje met naaigerei. Mara's spionnenmeester zette deze hulpmiddelen op een tafeltje, dat hij vervolgens links van zich plaatste. Toen haalde hij een mes uit een schede aan de riem die hij onder zijn priestersjerp had gedragen, en keek of de snee scherp genoeg was. Aangezien het een metalen mes was, leek er aan de scherpte niets te mankeren. De gifmenger kreunde zachtjes.

'Ik zal beginnen zonder poeders of drankjes,' kondigde Arakasi aan. 'Dat geeft je een idee hoe het daarná gaat aanvoelen.' Hij deed een stap naar voren en schilde keurig een dun reepje opperhuid rond de navel van zijn slachtoffer weg. Er druppelde bloed op de tegelvloer en Korbargh slaakte een gesmoorde kreet en begon te draaien en te duwen.  

'Sta stil,' waarschuwde Arakasi. 'Ik houd niet van knoeiwerk.'

Dat was natuurlijk niet iets waar zijn slachtoffer zich om bekommerde, maar dat kon de spionnenmeester niets schelen. De vaardigheid van zijn hand compenseerde het gekronkel van de dikke man. Na een snelle snee van zijn mes verwijderde Arakasi opnieuw een lapje huid, deze keer driehoekig van vorm, dat hij achteloos op de grond liet vallen. Daarna schraapte hij het vetlaagje eronder weg, rustig en zelfverzekerd, alsof hij les gaf aan aanstaande chirurgen, en legde de onderliggende spier bloot.  

'Wil je al praten?' vroeg hij op conversatietoon.

Korbargh schudde van nee. Hij droop van het zweet, zijn haren en baard waren nat, en hij verloor bloed, maar de blik in zijn ogen was nog strijdlustig.

Arakasi zuchtte. 'Mij best. Maar ik waarschuw je: de pijn is amper begonnen.' Toen bewoog hij de punt van het vlijmscherpe mes in een pijlsnelle, trefzekere beweging, en sneed de blootgelegde maagspier door.  

Korbarghs pijnkreet werd door zijn mondprop gedempt. De spionnenmeester schonk er geen aandacht aan. Hij bond een paar doorgesneden aders dicht met naaigaren. Toen begon hij met zijn mes de blootgelegde ingewanden te bewerken. Bloed en wondvocht vloeiden nu in stromen. De vloer werd glibberig, deluchtwee en klef als in een slachthuis. Korbargh kon zijn blaas niet meer beheersen, en dat zorgde voor bijkomende stank.  

'Wel?' vroeg Arakasi terwijl hij zich oprichtte en de gifmenger aankeek. 'Heb je iets opbouwends te melden? Nee? Dan moeten we nu aan de zenuwen beginnen, vrees ik.'  

En hij voegde meteen de daad bij het woord door een zenuw bloot te leggen en daar vervolgens met de zijkant van zijn mes zachtjes overheen te schrapen.

Korbargh kokhalsde. Zijn ogen draaiden in hun kassen en zijn tanden boorden zich diep in de natte, zurige prop in zijn mond. Toen viel hij flauw van de pijn.

Even later trok hij zijn hoofd met een ruk terug wegens een bijtend aroma dat zijn neusgaten vulde. Terwijl hij zich met knipperende ogen probeerde te oriënteren, goten sterke vingers een stinkend drankje tussen zijn lippen terwijl andere vingers zijn neusgaten dichtknepen, waardoor hij gedwongen werd te slikken. De pijn in zijn lichaam werd meteen dubbel zo hevig, en tegelijkertijd werd zijn geest akelig helder.  

'Nu zul je spreken,' stelde Arakasi voor. 'Anders zal ik hiermee de hele nacht doorgaan.' Hij veegde het mes schoon en stak het zorgvuldig terug in de schede aan zijn riem. Toen trok hij Korbargh ongehaast de prop uit de mond. 'En daarna, wanneer je vrouw is thuisgekomen, zal ik met haar beginnen. Zou zij iets weten?' 

'Duivel!' hijgde de gemartelde man. 'Duivel! Dat je geest en je lichaam mogen rotten en dat je in je volgende leven mag terugkeren als stinkzwam!' Arakasi keek onbewogen, maar porde met zijn wijsvinger venijnig in het

zenuwcentrum van de wond.

Korbargh krijste oorverdovend.

'De naam,' drong de spionnenmeester aan, ongenadig.

De woorden die vervolgens uit de mond van de gifmenger tuimelden gaven Arakasi de informatie die hij zocht.

'Ilakuli,' herhaalde hij voor alle zekerheid. 'Een nieuwtjesverkoper die te vinden is in de straat van de Trieste Dromen.'

De dikke man knikte. Hij huilde nu en zag er ellendig uit. Zijn gezicht had een kleur als van gelig vet gekregen. 'Ik denk dat hij van de tong Hamoi was.'

'Dénk je dat?' vroeg Arakasi op meewarige toon. 'Ik weet het wel zeker!'

'Wat gebeurt er met mijn vrouw?'

'Misschien gaat de tong achter haar aan. Dat is een risico dat je kende toen je aan deze zaak begon. Zelf zal ik al uren weg zijn als ze thuiskomt. Wat dat betreft is ze dus veilig.' En na die woorden trok Arakasi zijn mes en sneed hij met een snelle beweging Korbarghs keel door. Hij sprong achteruit om het spuitende bloed te ontwijken. Daarna doofde hij meteen de lont van de olielamp. Er viel een genadige duisternis, die het bloedbad in de betegelde hal verborg.

Arakasi werkte in het donker. Zijn handen trilden. Hij trok Korbarghs gewaad op de tast om het lichaam van de dode man heen en knoopte de ceintuur dicht. Hij wilde de vrouw van het slachtoffer bij haar thuiskomst de schok van een al te gruwelijke eerste aanblik besparen. Hij sneed de polsboeien los en liet het lichaam in een natuurlijke houding op de vloer zakken. Aan het bloed kon hij niets doen. Tijdens zijn speurtocht naar een lamp en naaigerei had hij nergens een kom met water gezien. Hij veegde zijn handen zo goed mogelijk schoon aan een gordijn - een gebedsmatje was het enige alternatief - en liep naar de aangrenzende slaapkamer, waar hij een halfvolle pispot had gezien. Daar gaf hij zijn geforceerde zenuwen de vrije loop: hij knielde neer en begon heftig over te geven. Hij bleef nog lang kokhalzen, nadat zijn maag al leeg was, en daarna klom hij door het venster naar buiten, omdat hij voor geen prijs meer door die hal wilde.  

De straten waren praktisch leeg. De relletjes waren allang weer onderdrukt. Hier en daar haastten zich enkele nachtbrakers naar huis, elders hingen duisterder figuren rond in donkere steegjes. Een rillende priester in een verfomfaaide pij bezat echter niets van waarde, dus Arakasi werd met rust gelaten. De koele nachtelijke wind in zijn gezicht hielp hem zich te herstellen. Tijdens een korte stop bij een sierlijke fontein voor de ingang van wat waarschijnlijk een bordeel was had hij de kans gegrepen om grondig zijn handen te wassen. Ongetwijfeld zou er zelfs nu nog bloed onder zijn nagels zitten, maar hij was er nog niet aan toe om dat met een mespunt weg te schrapen. Hij haastte zich verder, en om zijn geest af te leiden van de bloedige nachtmerrie in Korbarghs hal concentreerde hij zich op de informatie die hij daar op zo walgelijke manier had verworven.  

Hij had gehoord van Ilakuli, en er was een man in de stad die zou weten waar hij te vinden was. Dáár haastte hij zich naar toe.

 

Hokanu rende en voerde de twee uitgeputte paarden aan hun teugels met zich mee. Ze hadden natte flanken en schuim om hun lippen en hun opengesperde, vuurrode neusgaten. Ook Hokanu zelf was aan het einde van zijn krachten. Elke spier en pees in zijn lichaam deed pijn en alleen zijn angst om Mara's leven hield hem op de been. Hij droeg nog steeds de schamele lendendoek van een boeteling. Weliswaar had hij in de herberg zijn eigen kleren opgehaald, maar hij had zich alleen de tijd gegund om zijn sandalen aan te binden. De rest had hij in de zadeltassen van de gevlekte ruin gestopt. Het kon hem nu niets schelen of hij er als een halfnaakte, bezwete bedelaar uitzag. Het ging hem uitsluitend om het recept van het tegengif, dat voor zijn vrouw de laatste hoop was.

Er hing mist in het dal, waardoor de bomen en andere delen van het landschap er een beetje spookachtig uitzagen. De hoge gebedspoort voor Chochocan rees uit de bleke nevel op als iets uit het schimmenrijk van Turakamu, de god van de Dood. Hokanu rende onder de boog door zonder acht te slaan op de heilige beelden in hun nissen of de grote votieflamp, die door een reizende priester was ontstoken. Hij strompelde verder. Voor hem telde alleen het feit dat de poort het einde van zijn reis aankondigde. De grens van het landgoed lag meteen achter de volgende heuvelrij, achter een pas die door zijn eigen troepen werd bewaakt. Daar zou ook een koerier beschikbaar zijn, en een vertrouwde officier, en waarschijnlijk ook een van zijn militaire helers. Met wat geluk zou deze het benodigde kruid bij zich hebben. En honing van rode bijen was in elke keuken in voorraad.

Omdat elke stap hem pijn deed en hij al moeite genoeg had om adem te krijgen, hoopte Hokanu dat de Goede God hem zou vergeven dat hij deze keer het schietgebedje achterwege liet dat de poort aan passanten wilde ontlokken. Als hij nu bleef staan, vreesde hij, zou hij daarna geen stap meer kunnen verzetten, zo verkrampt en vermoeid voelde hij zich. Daarom liep hij onder de boog door, de mist binnen, zonder snelheid te minderen.

De paarden voelden de hinderlaag eerder dan hij.

De grote ruin kwam snuivend tot stilstand en de merrie steigerde. Via de leidsels werd ook Hokanu zo tot een abrupte stop gedwongen, en hij vloekte van ergernis, tot hij de pijl zag langszoeven die vanuit de bosjes naast de weg was afgeschoten en hem nu rakelings had gemist. Meteen gaf hij de briesende ruin een harde por met zijn elleboog, waardoor deze tot een razendsnelle pirouette werd gedwongen. Het deed de geschrokken merrie opnieuw steigeren, maar Hokanu kon nu zijn zwaard uit het zadelfoedraal van de ruin trekken en had dekking van de dieren toen hij met een paar snelle sprongen terugkeerde tot onder de boog van Chochocans gebedspoort.  

Hokanu durfde er niet van uit te gaan dat er slechts een enkele aanvaller was. Hij bad tot de Goede God dat de vijanden, wie ze ook waren, niet veel verstand hadden van paarden van de barbarenwereld, want de dieren waren zijn enige kans om dit te overleven.

De hoofden van de paarden waren nog steeds door een leidsel met elkaar verbonden. Ze stonden nu allebei zenuwachtig te hinniken en te steigeren voor de poort, de ruin in een alerte, defensieve houding, de merrie in een meer onbeheerste vorm van gealarmeerdheid. Hokanu durfde te wedden dat geen op Kelewan geboren moordenaar het zou wagen die stampende hoeven, dampende lijven en blikkerende tanden te trotseren om langs die paarden heen te glippen om bij hem te komen. De andere optie van de aanvaller was een benadering via de andere kant van de toegangspoort. Deze was echter opgericht, Chochocan zij gedankt, door een wel zeer royale heer uit het geslacht Minwanabi: het was een massief, uit stenen en balken opgetrokken bouwsel dat zo hoog oprees dat er zelfs steunberen tegenaan waren gezet. Het was rijk aan mooie friezen, ingewikkeld beeldhouwwerk en kostbare vergulde spitsen, maar tevens aan alle denkbare soorten nissen en holten voor beelden, schuilende passanten of vrome kluizenaars. Er konden zich daarin wel zes boogschutters verschansen en het verkeer desgewenst ernstig belemmeren - ongetwijfeld de ware reden achter de opwelling van onbekrompen devotie van die oude heerser.  

Hokanu kon nu alleen maar dankbaar zijn voor dat gebrek aan ware vroomheid. Hij verliet de beschutting van de bange paarden en begon aan de binnenkant tegen de wand van de poort naar boven te klauteren, gebruik makend van de vele richels en nissen, tot hij hoog boven de grond één spits toelopende nis deelde met het kleurig beschilderde reuzengezicht van een heilige. Zo geluidloos mogelijk nahijgend van de inspanning, drukte Hokanu zich diep weg in de schaduw. Aldus in zijn rug beschermd, staarde hij met niets-ziende ogen voor zich uit en was hij gedwongen te wachten tot hij een beetje op adem zou zijn gekomen. Het waren maar enkele momenten, al leken ze een eeuwigheid te duren. Toen zijn duizeligheid eindelijk was weggetrokken zag de erf zoon van de Shinzawai, dat het gezicht naast hem hol was, in feite geconstrueerd als een soort schietgat: door in de ogen uitgeboorde gaten kon een man die achter het gezicht stond onopgemerkt gadeslaan wie er door de poort kwamen en gingen.  

Was Hokanu niet buiten adem geweest, en bedreigd door een gevaarlijke moordenaar, dan zou hij waarschijnlijk hardop hebben gelachen. Binnen het keizerrijk was kennelijk zelfs de religie niet gevrijwaard van de listen en lagen van het Grote Spel. Een van de vroegere Heren van de Minwanabi had hier ooit wachters geposteerd om zich tijdig te laten informeren - misschien door seinvlaggen - over de komst van gasten, of om het komende en gaande handelsverkeer over de weg te bespioneren. Welk nut deze sluwheid in het verleden ook gehad mocht hebben, Hokanu greep de onverwachte kans met beide handen aan. Hij steunde op een dwarsbalk die het masker in de nis geklemd hield, trok zich op en ging achter het uitgeholde gezicht staan. Door het gat in een van de ogen keek hij naar beneden.

De merrie en de ruin stonden nog steeds onrustig te trappelen, inmiddels hopeloos verstrikt in hun gezamenlijke leidsels. Een van de twee had hard tegen een houten staander in de vorm van een kariatide getrapt, want daarin was op heup hoogte een verse hoefafdruk te zien. Opeens draaiden de dieren precies tegelijk hun hoofd om en tuurden ze met naar voren gestoken oren de mistige schemering in. Hokanu volgde hun blik en zag bewegingen in de schaduw achter de gebedspoort.

Het waren vijf in het zwart geklede figuren die daar in formatie kwamen aansluipen. De voorste drie hadden bogen in hun handen, de andere twee gaven rugdekking. Tot opluchting van de man op wie ze jaagden keken ze alle vijf alle kanten op, behalve naar boven.

De merrie had de mannen eerder opgemerkt dan de ruin. Ze steigerde zo onstuimig dat haar teugel knapte. Ze vluchtte hinnikend de weg op, in volle galop, instinctief de goede kant op - naar de veiligheid van haar stal. De overvallers in het zwart sprongen snel opzij, maar herstelden meteen daarna hun formatie. De ruin, veel flegmatieker, wachtte nog even af, al had hij zijn staart al half opgeheven en staken zijn oren nog alert naar voren. Opeens schudde hij zijn manen, schurkte zijn nek tegen de arm van de licht ingedeukte kariatide, en liep toen op een drafje naar de kant van de weg, waar hij begon te grazen.

En toen was het in de schemerige holle ruimte onder de gebedspoort opeens akelig stil. Hokanu voelde een steek van teleurstelling. Zijn gemartelde longen snakten nog steeds naar lucht en als hij zou proberen zijn adem in te houden zou hij meteen gevaarlijk duizelig worden. Hij moest dus uit twee kwaden kiezen, maar liever dan flauw te vallen en een bewusteloze prooi van zijn vijanden te worden koos hij ervoor ontdekt te worden en te vechten.  

Zijn vijf belagers hoorden hem meteen. Ze verstijfden als jachthonden die een prooi roken en keken toen omhoog naar de schuilplaats van hun slachtoffer. Twee van hen hingen hun boog over hun schouder en begonnen te klimmen, terwijl de andere drie een verdedigende positie kozen.

Hokanu draaide zijn zwaard om en wierp het als een speer naar beneden. De punt van het wapen doorboorde de keel van de dikste van de twee klimmers en schoot door tot in zijn hart. Nog voordat de man een kik had kunnen geven, viel zijn lichaam met een doffe plof op de grond. Hokanu zag vanuit zijn ooghoek dat de ruin nerveus opkeek en weer aarzelend de kant van de kariatide op kwam lopen, maar toen moest hij snel dekking zoeken, want er zoefden drie pijlen zijn richting uit. Een ervan boorde zich met een doffe klap in de dwarsbalk en de twee andere rukten splinters los van het oor van de heilige en werden van richting veranderd. Ze kwamen in het hout van de achterwand terecht. Hokanu greep naar het mes dat hij discreet onder zijn lendendoek had gedragen en kroop zo ver mogelijk naar achter, waarna hij zijn linkerhand omhoog stak om een van de pijlen uit het hout los te wrikken. Toen verscheen het silhouet van een in het zwart geklede belager boven de dwarsbalk. In een reflex wierp Hokanu zijn mes naar hem toe. Het trof zijn aanvaller in de keel. De man maakte een gorgelend geluid en stortte naar beneden. Er was een derde man achter hem aan geklommen, maar deze was niet zo dom dat hij meteen naar boven kwam. Hokanu zag de punt van zijn boog boven de balk uitsteken en bereidde zich voor op een snel schot, dat hem gemakkelijk zou kunnen doorboren. Hij had geen ander wapen meer dan de pijl, die hij met de punt naar voren in de aanslag hield.

Toen klonk er een grove stem van beneden. 'Haast je maar niet. Houd hem daar vastgepind. Oridzu klimt aan de andere kant naar boven en kan dan van gelijke hoogte op hem schieten.'

Meteen besefte Hokanu tot zijn wanhoop dat zijn positie inderdaad alleen bescherming bood tegen een aanval van beneden. Links en rechts van hem bevonden zich nissen met godenbeelden zoals datgene waarachter hij beschutting vond - maar de bescherming die het enorme masker bood tegen frontale aanvallen kon het niet bieden tegen schutters die van opzij konden aanleggen. Maar dat was niet het ergste. Veel triester en wreder was het dat de kennis van het tegengif dat Mara zou kunnen redden mét hem zou sterven. Arakasi zou geen reden hebben om te betwijfelen dat hij de thuisreis veilig had volbracht. Hokanu vervloekte nu de haast die hem ervan had weerhouden om in Kentosani een paar minuten uit te trekken om een escorte samen te stellen - zo niet uit Mara's garnizoen in de stad, dan toch tenminste uit huurlingen. Dat zou deze aanvallers misschien voldoende hebben ontmoedigd! Maar hij had afgezien van een gewapend escorte omdat hij in zijn eentje met de twee paarden veel sneller vooruit zou komen. De dieren konden harder rennen dan de snelste koerier en Hokanu vond het leven van zijn vrouwe veel belangrijker dan dat van hemzelf.  

Nu zou Mara boeten voor zijn stommiteit. Zij zou sterven, de laatste van het huis Acoma, zonder te weten dat de man die van haar hield vlakbij was geweest met het tegengif.

Vloekend luisterde Hokanu naar de geluiden. Niet een, maar twee van de moordenaars waren bezig naar boven te klimmen. Ze zouden hem van beide kanten bestoken en hij sloot niet uit, het geslacht Minwanabi kennende, dat er zich links en rechts tussen de beelden en in de nissen nog allerlei geheime openingen bevonden. Ze zouden hem misschien al neerschieten nog voordat hij zijn aanvallers had zien kómen.  

Wanhopig, in de hoek gedreven, en trillend van uitputting en woede, omklemde Hokanu de pijl, die nu zijn enige wapen was. Hij bereidde zich voor om de ene man die hem hier vastgepind hield aan te vallen. Dat zou hem het leven kosten, maar op die manier nam hij tenminste nóg een van zijn vijanden mee naar de zalen van Turakamu.

Maar toen hij zich schrap zette om zich van de muur af te duwen, zoefde er een pijl op hem af. Hij liet zich plat vallen, maar te laat: de punt drong met een doffe klap zijn heup binnen en werd daar door het bot gestuit. Hokanu krulde zijn lippen in een geluidloze kreet. De witgloeiende pijn in combinatie met zijn ziedende woede bezorgde hem een moment van bijna bovennatuurlijke helderheid van geest. Hij greep de pijlschacht beet en brak hem af. Dat leidde tot een nieuwe pijnkramp - waardoor een tweede pijl slechts hout raakte, waar zich zojuist zijn bovenlichaam nog had bevonden. Op een knie gezakt, met tranen van de pijn in zijn ogen, graaide hij met zijn bebloede vingers naar iets dat hem houvast kon geven. De shock had zijn ene been onbruikbaar gemaakt, terwijl het andere geheel verkrampt leek.  

Dankzij een wondertje vond zijn hand een stuk hout dat glad en rond was geschaafd in de vorm van een handgreep. Hokanu trok een grimas van de pijn, maar gebruikte toen zijn laatste kracht om zijn kreupele lichaam rechtop te hijsen. Hij gilde van schrik toen de hendel bleek mee te geven en naar beneden kwam. Hij raakte in paniek en merkte niet eens dat een volgende pijl vlak langs zijn oor zoefde, omdat hij opeens door een luikopening zakte en over een soort houten glijbaan naar beneden schoof. Natuurlijk! De combinatie van adrenaline en opluchting deed hem bijna hardop lachen. Die naamloze oude Minwanabi-heer had voor zijn uitkijkposten natuurlijk een ontsnappingsluik laten inbouwen.  

Hokanu gleed een eindje door een donkere schacht naar beneden, tot zijn voeten een luik openduwden, waardoor licht naar binnen viel en hij naar beneden kon kijken. Daarvandaan tot op de grond was minder dan twee manshoogten, een sprong van niks voor een gezonde man. Hokanu bleef hulpeloos met zijn ene hand aan de hendel hangen. Als hij zich liet vallen, met die pijlpunt in zijn heup, zou de schok hem misschien doden en zeker het bewustzijn doen verliezen. Hij gooide de nutteloos geworden pijl weg die hij nog in zijn andere hand had en graaide vergeefs om zich heen naar een tweede houvast. Zijn wond deed vreselijk pijn en zijn ogen traanden nog steeds onstuitbaar.

Hokanu boog zich naar voren, hijgend van de pijn, en duwde het luik wat verder open. Hij keek naar buiten en zag een eindje verderop naast de weg nog een groepje vijanden. Ze naderden behoedzaam de grote ruin die daar met losse teugels stond te grazen. Het paard was ongevaarlijk, maar de moordenaars hadden zojuist opgewonden en bange paarden gezien, en namen het zekere voor het onzekere en naderden het dier slechts langzaam en voorzichtig. Het paard liep van hen weg - tot het zich op een gegeven moment pal onder Hokanu bevond!  

'Dat Chochocan je moge zegenen!' wist Hokanu half snikkend uit te brengen, en hij liet zich vallen.

Zijn maag keerde zich om van de vlijmende pijn die vanuit zijn heup door zijn hele lichaam schoot toen hij met een harde bonk op het zadel landde, en het scheelde weinig of hij was flauw gevallen. Die belediging van zijn mannelijkheid was bijna nog erger dan de pijn in zijn heup. Het paard, dat half door zijn voorpoten was gezakt, keek verwonderd om.

'Rénnen, stuk slagersverdriet dat je bent!' gilde Hokanu, niet alleen om het paard aan te sporen, maar ook om zijn eigen helse pijn te overschreeuwen. Hij boog zich naar voren en greep zich met beide vuisten aan de manen van de ruin vast. Hij zat een beetje schuin op het zadel, en zijn ene been hing slap naar beneden, maar met zijn gezonde hiel porde hij het dier om het tot opstaan te dwingen. Op dat moment werden er een paar pijlen afgeschoten. Ze raakten het paard in zijn nek en zijn schouder, en een derde schampte net langs zijn kruis, maar het dier kwam niettemin onmiddellijk overeind. Hokanu bleef boffen, want door deze beweging schoof hij recht in het zadel en kon hij de voet van zijn goede been in de stijgbeugel wurmen. De ruin explodeerde in een snelle galop naar huis.  

Hokanu had moeite om op dat voort jakkerende paard in het zadel te blijven, maar hij klampte zich met de moed der wanhoop vast, duizelig, misselijk en halfblind van de pijn. Zijn handen bleven zich met witte knokkels aan de manen vastgrijpen en druppeltjes van zijn bloed en dat van zijn rijdier verwaaiden in de wind. Wegens zijn verlamde heup kon hij niet recht in het zadel blijven zitten, maar met zijn laatste krachten wist hij te voorkomen dat hij te snel weg gleed en meteen al werd afgeworpen.  

Het was echter onvermijdelijk dat hij langzaam maar zeker steeds verder naar opzij wegzakte. Tenslotte haakte alleen zijn gezonde been zich nog om het zadel en sleepte de voet van het andere been over de grond. De manen van de ruin glipten langzaam door zijn vingers, hij verloor zijn laatste houvast, hij viel... en werd opgevangen, ruw maar effectief, door twee handen in vechthandschoenen.  

'Verdomme!' vloekte Hokanu toen hij met een schok de grond raakte en er weer een helse pijnscheut door zijn lichaam sneed. Hij slaakte een kreet, en toen werd het zwart voor zijn ogen, en even later verblindend wit. Hij hoorde schreeuwende stemmen om zich heen. Een ervan was van Lujan.

'Moordenaars,' hijgde Hokanu. 'Vlak achter me aan.'

'Zijn al dood, mijn heer,' verklaarde Mara's legerbevelhebber beknopt. 'Blijf stilliggen, u bloedt.'

Hokanu dwong zich zijn ogen te openen. De hemel boven zijn hoofd leek uit woelig water te bestaan, in een rare groene kleur, nu zonder mistflarden. Zonlicht wierp een gouden gloed op de gezichten om hem heen.  

'We zagen de merrie ruiterloos terugkeren,' zei iemand. 'Dat wees op moeilijkheden. Was Arakasi bij u?'

'Nee,' hijgde Hokanu. 'In Kentosani. Luister.' Hij gaf het recept voor het tegengif.

Met de doeltreffendheid van een ervaren commandant gaf Lujan zijn snelste soldaat opdracht zijn wapenrusting uit te trekken en naar de heler te rennen met de instructies die Hokanu zojuist had gegeven. Ook toen de man al weg was, en anderen opdracht hadden gekregen een draagbaar voor de gewonde gemaal van de vrouwe te maken, deed Hokanu zijn best om bij bewustzijn te blijven, al was alles wat hij om zich heen zag zwemmerig en vaag. Hij hoorde stof scheuren en voelde koele lucht op zijn brandende huid toen Lujan de wond ontblootte.

'Mijn heer,' zei de bevelhebber, 'deze pijlpunt moet snel verwijderd worden, anders zal er zeker een infectie ontstaan.'  

Hokanu wist wat adem naar binnen te zuigen. 'Blijf áf van die pijl,' fluisterde hij schor, 'tot ik aan de zijde van mijn vrouwe ben en met eigen ogen heb gezien dat het tegengif werkt.'

'Uw wens, mijn heer.' Lujan stond meteen op en wenkte een slagleider. 'Is die draagbaar klaar? Kies vier mannen en laat heer Hokanu zo snel mogelijk naar zijn vrouwe brengen!'