19 Gevangen

 

Mara viel.

De bergbewoner die haar in de rij had geduwd lachte toen ze op haar knieën landde. Hij pakte haar arm, trok haar ruw overeind en duwde haar weer naar voren. Ze botste tegen Saric, die haar ondersteunde. Zijn gezicht stond woedend.

'Mijn meesteres heeft tenminste het recht op de ezel te rijden!' protesteerde hij. Hij kende Mara's trots goed genoeg om te weten dat ze daar zélf niet om zou vragen.  

'Zwijg, Tsuranese hond! We hebben voor dat beest iets beters te doen.' Kennelijk was deze berglander de baas, want hij wenkte een ander om hem orders te geven.

Mara hield haar kin naar voren gestoken, maar ze vermeed het om naar Lujans bebloede gezicht te kijken. Haar bevelhebber had geweigerd zijn handen achter zijn rug te brengen om ze te laten binden. Hij had niet gevochten, maar ze hadden geweld moeten gebruiken om zijn polsen aan elkaar te binden. Zijn ogen fonkelden van woede toen hij zag wat ze met dat 'iets beters' voor de ezel bedoelden: kennelijk was het Kamlio die mocht rijden. Toen Saric het waagde nogmaals te protesteren werd hij in zijn gezicht geslagen. 'De donkerharige vrouw is dichter bij het einde van haar vruchtbare jaren,' werd hem in gebroken Tsuranees toegeschreeuwd. 'Ze heeft weinig waarde.'  

Mara verduurde deze bijkomende schande met brandende wangen, en toen ze zich opmaakten om te vertrekken was ze aan ernstige twijfels onderhevig. Ze had geen idee wat deze bergbewoners met haar en haar gezelschap van plan waren, maar naar wat ze wist uit verhalen zou dat wel eens weinig goeds kunnen zijn.  

Ze werden hoger het gebergte in gebracht. Mara gleed herhaaldelijk uit op het gladde gesteente. Soms moest ze tot haar knieën door ijskoude beekjes waden. Haar doornatte sandalen kwamen los te zitten en ze voelde blaren op haar voetzolen. Ze beet op haar lip om niet in tranen uit te barsten. Telkens wanneer ze wankelde werd ze door een bergbewoner met de hand of de platte kant van zijn zwaard terug in de linie gestoten. Haar rug zat al onder de blauwe plekken. Hadden Kevin en zijn landgenoten zich ook zo ellendig gevoeld toen ze als slaven werden voortgedreven naar de markt waar ze verkocht zouden worden? Mara had gemeend dat ze wist waarom ze tegen slavernij was, maar nu deed ze uit de eerste hand ervaring op met het leed en de vernederingen die slaven krachtens grillen van anderen volstrekt machteloos moesten ondergaan. Daar kwam nog bij dat zij een vrije vrouw was, en dat ook zou blijven, als ze dit gevaarlijke avontuur tenminste overleefde, terwijl zij wisten dat ze voortaan altijd slaven zouden zijn en nooit een kans zouden hebben om te ontsnappen. Ze begreep nu eindelijk écht waarom Kevin zich altijd zo mateloos had opgewonden over dit onderwerp.  

Kamlio zat op de ezel. Het gezicht van de voormalige courtisane was bleek, maar voor het overige stond het onbewogen, zoals het een echte Tsurana betaamde. Maar het meisje keek regelmatig haar kant op, en dan zag Mara de angst en de bezorgdheid achter dat masker. Er moest echt iets in het meisje veranderd zijn, als ze zich bezorgd toonde om het lot van de meesteres die over het smalle, donkere pad voortstrompelde.

Terwijl de dag vorderde en ze steeds hoger klommen, bracht Mara zichzelf het hogere doel in herinnering. Ze had zich niet zómaar overgegeven! Ze transpireerde, ze voelde zich bijna uitgeput, ze stierf van de dorst, maar ze mocht de moed niet opgeven. Ze moest proberen te ontdekken wat er achter het 'taboe' lag waarover zowel de cho-ja-koningin als de magiër van het lagere pad gesproken had. De oplossing van die puzzel lag misschien hier, in dit vijandige land, waar haar Tsuranese ervaring helaas weinig te betekenen had. Wat mocht ze eigenlijk verwachten, als ze hier het oor kon krijgen van iemand met autoriteit? Ze kende de Thurilse taal niet eens, laat staan dat ze wist welke vragen ze precies moest stellen. Was het niet erg arrogant van haar geweest zomaar aan boord van de Coalteca te stappen en naar deze vreemde kust te varen, in de veronderstelling dat ze hier wegens de kracht van haar persoonlijkheid wel netjes behandeld zou worden door de aartsvijanden van haar volk? Gewend als ze was, al haar hele leven, aan macht en privileges, besefte Mara opeens dat ze erg naïef was geweest. Haar ervaring met Kevin van Zoo had haar beter bewust moeten maken van de enorme verschillen die er tussen volken konden bestaan. Zouden de goden haar die stommiteit ooit vergeven?  

Het ontging haar dat Saric en Lujan haar vaak bezorgde blikken toewierpen. Ze kwam steeds uit op dezelfde conclusie: het was niet goed dat mensen, slaven of wie dan ook, volledig afhankelijk waren van de grillen van andere mensen. Er moest iets veranderen in Tsuranuanni. Het hing in eerste instantie van haar af, maar ze zou niets kunnen ondernemen voordat de almacht van de Assemblee verbroken zou zijn.  

Bittere gedachten kwamen bij haar op. Misschien zou Kasuma haar laatste kind blijven, misschien zou ze Hokanu nooit van haar leven meer terugzien, zonder dat ze hun meningsverschil over hun dochter hadden kunnen uitpraten en bijleggen. Had ze niet van haar omgang met Kevin geleerd dat twee mensen elkaar konden liefhebben, en tóch ruzie konden maken over het een of ander?  

Wegens haar gepieker merkte Mara niet meteen dat de stoet langzamer was gaan lopen. Het was laat in de middag en kennelijk was het de bedoeling hier een kamp op te slaan, in een dal tussen twee bergen. Over de helling kwam een groepje jongere Thurils aangelopen. Ook zij droegen wapperende mantels. Ze zwaaiden met wapens en lachten opgetogen. Kamlio trok veel bekijks en oogstte luide kreten van bijval. Verder betastten ze de stof van Mara's japon en praatten luid met elkaar, tot Mara er genoeg van kreeg zo aangestaard te worden.

'Wat zeggen ze?' vroeg ze op scherpe toon aan Iayapa, die met gebogen hoofd bij haar in de buurt stond en die nog verder ineenkromp na haar barse vraag.

'Vrouwe,' zei de gids toen, 'het is een ruw volk.'

Er werd smakelijk gejoeld om zijn onderdanige gedrag. Iemand zei in gebroken Tsuranees: 'Zullen we hem dan maar Geeft-Vrouwen-Antwoord noemen?'

Dat vond iedereen erg geestig, en het bulderende gelach overstemde Mara's woedende vragen en Iayapa's wanhopige smeekbede bijna. 'Vrouwe, vraag me niet het te vertalen! Het zou u beledigen, grote vrouwe.'

Achter haar greep een van de jongelui naar zijn kruis en rolde met zijn ogen, alsof hij enorm stond te genieten. Hij maakte er grappige opmerkingen bij, althans volgens zijn makkers om hem heen.  

'Vertel op!' beval Mara, terwijl Saric en Lujan onopvallend naderbij kwamen en aan weerszijden naast haar plaatsnamen om haar te beschermen. 'Vrouwe, neem me niet kwalijk!' Waren zijn handen vrij geweest, dan zou Iayapa zich zeker op de grond hebben geworpen. 'U beveelt het mij. De eerste, die met de groene jas, vroeg onze gids of hij u al gepakt had.'  

Mara beperkte zich tot een knikje.

Iayapa zweette, ondanks de koele berglucht. 'De man die onze gids is zegt dat hij wacht tot in het dorp, omdat u mager bent en hij daarom veel bont en kussens nodig zal hebben.' De rest van zijn woorden ratelde hij blozend af: 'De derde, die naar zijn kruis greep, zegt dat een man naar u luisterde. Dat kan betekenen dat u een heks bent. Dus die gids moet oppassen dat u zijn... mannelijkheid niet van hem afpakt en in zijn mond stopt. De anderen vonden dat ontzettend komisch.'  

Mara rukte geërgerd aan de veter die haar polsen boeide. Hoe kon ze waardig op zulke schunnigheden reageren, vastgebonden als een beest? Ze dacht even na, keek toen naar Lujan en Saric. Beiden hadden moord in gedachten, maar ze waren even machteloos als zij. Toch behoorde ze tenminste symbolisch in verzet te komen. Verbaal dan maar. Deze primitieve barbaren konden misschien geen Tsuranees verstaan, maar, bij Turakamu, ze kon ervoor zorgen dat de begrepen wat ze bedoelde!  

'Jij daar!' snauwde ze met haar penetrantste stem naar de leider die hen hierheen had gebracht terwijl ze hem met de punt van haar kin aanwees. 'Hoe heet je?'

De stompneuzige man aan het hoofd van de stoet verstijfde en draaide toen onwillekeurig zijn hoofd naar haar toe. De man naast hem liet zijn kruis los en keek zijn oudere kameraad verbaasd aan. Hij zei iets tegen hem, waarna de leider een gebaar maakte van begrijp-ik-niet, en hij zich in zijn eigen taal tot Iayapa richtte, wat weer tot vrolijkheid leidde.

Mara wachtte de vertaling niet af. 'Die snoevende idioot met minder hersens dan het beest dat mijn dienstmeisje draagt doet nu alsof hij me niet verstaat.' Haar stem droop van venijn. 'En onderweg hierheen heeft hij Tsuranees met me gesproken.'

Verschillende bergbewoners draaiden hun hoofd om na deze woorden. Sommigen toonden zich verrast. Aha, dacht Mara, die verstaan onze taal dus óók, al is het misschien maar slecht. Dit moest ze proberen uit te buiten. Ze deed alsof ze niet merkte dat ze de leider in verlegenheid had gebracht en wendde zich nu op haar beurt tot Iayapa: 'Vertel die imbeciel, die woorden even snel vergeet als zijn moeder de naam van zijn vader vergeten was, precies wat ik nu ga zeggen.' Mara zweeg even en vervolgde toen in de gechoqueerde stilte: 'Zeg hem dat hij een onopgevoed knulletje is. Als we in zijn dorp arriveren zal ik zijn opperhoofd vragen hem een pak op zijn broek te geven wegens onvergeeflijk lompe manieren tegenover een gast. Zeg hem verder het volgende. Mocht ik gezelschap zoeken voor in mijn bed, dan zou het een man zijn, niet een snotaap die nog naar de uitgelebberde borst van zijn moeder snakt. Als hij me aanraakt zal ik hem uitlachen, omdat hij dat piemeltje van hem van zijn leven niet omhoog kan krijgen. Hij is zo ignorant als een nidra, en stinkt nog erger. Hij is lelijker dan mijn onaanzienlijkste hond, en stukken minder waard - want mijn hond kan jagen en heeft veel minder luizen. Zeg die zielige sukkel verder nog dat alleen al het feit dat hij bestáát schande brengt over zijn toch al eerloze voorvaderen.'

Iayapa leek opeens buitengewoon veel lol te hebben in zijn vertaalwerk. Nog voordat hij klaar was met de eerste zin was de blik van alle Thurilse krijgers op de Vrouwe van de Acoma gefixeerd. En toen Mara's gids de hele tirade had vertaald volgde er een beangstigende stilte. Mara vreesde dat ze te ver was gegaan. Een Tsuranese heer die door een gevangene aldus was toegesproken zou de man of vrouw nu al aan een strik hebben laten bungelen. Maar anderzijds: wat had ze te verliezen? Dat ze géén slavin zou worden? Dus ze zette haar hooghartigste gezicht op en wachtte af.  

Maar toen brak de spanning. Iedereen, behalve het slachtoffer van Mara's beledigingen, barstte uit in lachen en sloeg zich op zijn knieën van plezier. 'De feeks heeft een scherp tongetje, heb je dat gehoord?' riep iemand de beledigde partij in verbasterd Tsuranees toe. Dit bewees dat hij de taal voldoende beheerste om al vóór Iayapa's vertaling begrepen te hebben wat er werd gezegd. Sommige van zijn makkers moesten zo hard lachen dat ze op de grond waren gaan zitten. De krijger die door Mara zo in zijn hemd was gezet kreeg weer wat kleur op zijn wangen. Hij keek haar aandachtig aan en knikte toen, een enkele keer.  

Lujan ging nog iets dichter naast Mara staan toen een andere krijger iets schreeuwde en daarna in een soort eerbetoon aan Mara met zijn boog zwaaide. Aan zijn brede grijns zag Mara dat het in elk geval niet de bedoeling was dat ze ter plekke geëxecuteerd zou worden.  

'Wat riep hij?' vroeg ze.

Iayapa haalde zijn schouders op. 'Dat u kunt schelden en beledigen als een man. Dat geldt namelijk als een soort kunst onder de Thurils, meesteres. Ik heb het al op mijn moeders knieën geleerd, maar in dit opzicht kan het een zeer irritant volk zijn.'

De jongere bergbewoners vertrokken weer om zich aan hun plichten te wijden, nog nagrinnikend, en het oorspronkelijke groepje, onder leiding van Mara's nog steeds lichtrood aangelopen slachtoffer, voerde de gevangenen via een bocht in het pad naar een weide. Achter die open vlakte lag een dorp met hoge spitse daken, omringd door een stevige houten wal. Er walmden rookpluimen op uit stenen schoorstenen. Op de wal werd wacht gelopen; Mara zag mannen met speren. Vanuit het dorp leidde een tweede pad de. bergen in.

De inboorlingen versnelden hun pas, gretig om met hun gevangenen te pronken.

'Vreemd,' mompelde Saric, die ondanks de gevaren die hij liep en de vermoeidheid die hem teisterde nu eenmaal door en door nieuwsgierig van aard was. Anders dan Tsurani leek het deze Thurils niets te kunnen schelen of hun gevangenen met elkaar praatten. 'Dit is uitstekend gras voor vee, maar toch is het niet kortgevreten, alleen hier en daar gemaaid om paden te maken voor de kudden en hun herders.'

Bij deze woorden draaide de leider van de Thurils zijn hoofd om. Zijn lippen waren minachtend gekruld. De man vond het kennelijk niet meer nodig om te pretenderen dat hij geen Tsuranees verstond. 'Wees maar blij dat jullie een escorte hebben door deze weide, Tsuranese hond. Zonder ons om jullie de weg te wijzen, zouden jullie verloren zijn, want de hele weide zit nog vol valkuilen uit de tijd dat jullie soort hier voor het laatst op bezoek kwam.'

Lujan antwoordde op een peinzende toon: 'Houden jullie dan nog steeds de verdedigingslinies uit de laatste oorlog intact?'

'Er wordt al meer dan tien jaar niet meer gevochten,' voegde Saric hieraan toe.

'Goeie geheugens,' fluisterde Lujan naar zijn neef. Onder de luchtige toon ging bezorgdheid schuil. Als deze dorpsbewoners hun huizen nu nog beschermden met dodelijke vallen, na al die jaren, wees dat op een wrok en een achterdocht die in gesprekken niet zo gemakkelijk weg te nemen zouden zijn. Als soldaat had Lujan de verhalen gehoord van veteranen die aan de laatste, domme poging tot verovering van de Thurilse Hooglanden hadden meegedaan. Je kon beter dood zijn dan levend te worden overgelaten aan de wraakzucht van Thurilse vrouwen. Maar hij hield zijn bezorgdheid voor Mara verborgen.

Ze werden over de dodelijke weide geleid en vervolgens het dorp in, via een houten brug over een snelstromend riviertje dat als verdedigingsgracht dienst deed. Lujan zag dat het water te wild was om het zwemmend over te steken.

De leider van de bergbewoners volgde zijn blik. 'Daarin zijn heel wat Tsuranese krijgers verdronken, zwaardkapitein! En nog meer hebben hier hun nek gebroken op de rotsen toen ze probeerden een hangbrug van touwen te maken.' Hij haalde zijn schouders op, en begon toen te grijnzen. Jullie commandanten waren niet stom, en erg volhardend. Het was ze bijna gelukt, met die touwbrug.'

Mara had zich ondanks haar vermoeidheid ingespannen om het gesprek te volgen. Je moet toen nog een kleine jongen zijn geweest. En toch weet je het nog?'

De man ging zo op in zijn herinneringen dat hij even vergat dat het een vrouw was die het hem had gevraagd. 'Ik bracht water naar mijn vader en mijn ooms. En ik hielp bij het wegdragen van de doden en gewonden.' Zijn stem kreeg een bittere klank. 'Ik weet het nog verdomd goed.'

Hij duwde Lujan met een ruwe por naar voren, nadat de poort door ongeziene wachters van binnenuit geopend was. Lujan bekeek de houten omwalling, die aan de binnenkant een stevige, maar tevens slordige, onafgewerkte indruk bleek te maken, alsof de bouw haastwerk was geweest. 'Het moet een zware belegering zijn geweest.'  

De leider lachte. 'Zó zwaar nou ook weer niet, Tsuranu. Toen de derde aanval op de omwalling kwam hadden wij ons al teruggetrokken in de bergen. Onze leiders zijn namelijk óók niet stom. Als jullie het dorp zo graag wilden hebben, nou, vooruit dan maar! Veroveren is één ding, behouden iets heel anders.' Zijn stem kreeg een trotse klank. 'Maar die heuvels zouden we nooit hebben laten veroveren! Daar is ons ware thuis. In deze dalen bouwen we vergaderzalen en huizen om in te feesten of handel te drijven, maar ons eigenlijke leven speelt zich af in de bergen. En daar zijn jullie soldaten omgekomen - de patrouilles, de foeriers. Honderden! Tot jullie soort genoeg kreeg van onze Hooglanden, en weer naar huis ging.'  

Ze liepen inmiddels door een soort winkelstraat, waar ze veel bekijks trokken. Vrouwen rond een openbare waspiaats waren opgehouden met hun werk en staarden hen aan, net als de kleine kinderen die zich half achter hun rokken verscholen hielden. Grotere straatkinderen liepen met de stoet mee. Lujan gebaarde zijn krijgers dat ze zo dicht mogelijk om Mara heen moesten gaan lopen, maar er was geen sprake van vijandigheden, afgezien van de boze blikken van een paar oudere vrouwen, die destijds waarschijnlijk zonen of echtgenoten hadden verloren in de strijd met het keizerlijke leger. Het was vooral de ezel die de aandacht van de kinderen trok. 'Hij heeft maar vier poten!' riepen ze. 'Waarom valt hij niet om?'

De bergbewoner die het dier leidde gaf de kinderen bizarre antwoorden, waar ze allemaal hard om lachten.

Mara zag het een poosje aan. 'Als deze luidruchtige barbaren van plan waren ons te doden,' zei ze toen zacht tegen Lujan, 'Zouden de moeders hun kinderen allang naar huis hebben gestuurd.'

'Hopelijk hebt u gelijk, meesteres,' antwoordde hij.

Ze werden naar een plein in het centrum van het dorp gebracht. In feite bleek de hele nederzetting weinig meer te zijn dan een kring van huizen tegen de binnenzijde van de omheining aan, met in het midden een plein, enkele open stallen en een paar tenten. Mara's gezelschap werd een van de omheinde ruimten in gedreven, hetgeen tot gejoel en spottende uitroepen leidde. Iayapa weigerde te vertalen wat er werd gezegd en Mara was te moe om er zich nog druk om te maken. Ze benijdde Kamlio haar zetel op de ezel - hoewel Ze besefte dat het meisje inmiddels wel zadelpijn moest hebben - want ze zou graag zijn gaan zitten. Helaas was de grond bezaaid met uitwerpselen van vorige gasten.  

Mara liep naar de ingang, waar de meeste bergbewoners bij elkaar stonden. 'Wat zijn jullie van plan met mijn mensen?' vroeg ze op hoge toon. Ze trilde van woede - en misschien ook een beetje van angst - en wierp haar hoofd achterover. 'Mijn krijgers hebben voedsel en water nodig, en een fatsoenlijke plaats om uit te rusten! Is dit de gastvrijheid die jullie verlenen aan vreemdelingen die in vrede hierheen komen? Slavenboeien en stallen? Wat een schande, smerige várkens dat jullie zijn!'  

Hier leende Mara een Midkemisch woord. Het bedoelde dier was berucht om zijn onhygiënische gewoonten, en dat wisten de Thurils kennelijk ook. Ze keken geschokt en de leider kwam kwaad Lujans kant op. Rood van woede, of misschien van verlegenheid, riep hij hem toe: 'Leg die vrouw het zwijgen op, als je wilt dat ze blijft leven!'  

De legerbevelhebber van de Acoma keek de bergbewoner onverschrokken aan. 'Zij is mijn meesteres,' bulderde hij met zijn slagveldstem. 'Ik luister naar haar bevelen. En als jij oud genoeg bent om 's nachts je beddengoed niet meer te bevuilen, wat ik betwijfel, kun je dat maar beter ook doen, melkmuil!'  

De leider van de bergbewoners vloekte luid om deze belediging. Misschien zou hij zijn zwaard hebben getrokken en zich op Lujan hebben gestort, als een van zijn makkers hem niet had tegengehouden. Er werden woorden gewisseld in het Thurils. Lujan kon niets anders doen dan zwijgend afwachten, al werd het al gauw duidelijk dat de man zich liet kalmeren.  

Toen klonk er opeens een waarschuwende kreet.

'Dat zal hun opperhoofd zijn,' mompelde Saric. Hij was ongemerkt tot vlak naast Mara's schouder komen schuifelen. De leden van hun escorte keken nu allemaal naar een man die van het houten bordes van het grootste huis aan het plein afdaalde. De kinderen maakten snel ruim baan voor hem en de vrouwen sloegen eerbiedig hun ogen neer.

De nieuwkomer droeg een manteL Hij was oud en liep een beetje krom, maar nog steeds veerkrachtig genoeg om op bergpaden uit de voeten te kunnen. Mara schatte hem op een jaar of zestig. Hij had Tsuranese amuletjes van corcara aan zijn haarvlechten hangen, ongetwijfeld krijgstrofeeën, en toen hij dichterbij was gekomen zag Mara huiverend dat de knopen van zijn mantel gepolijste menselijke botjes waren. Het was dus waar: deze Thurils geloofden dat lichaamsdelen van een verslagen vijand hun extra kracht gaven! Zouden haar eigen vingerkootjes straks de vlechten van een krijger sieren?  

Het opperhoofd bleef staan om een paar woorden te wisselen met de leider van het groepje dat de gevangenen hierheen had gebracht. Hij wees naar het mooie blonde meisje op de ezel, zei weer iets, glimlachte. De leider salueerde en begon weg te lopen. Kennelijk mocht hij nu gaan. Aan zijn zelfgenoegzame blik te oordelen zou hij wel naar huis gaan om op te scheppen tegenover zijn vrouw.  

Mara zag er moe en terneergeslagen uit. Uit medelijden met haar riep Saric de man na: 'Zou je ons niet eerst even voorstellen?'

De bergbewoner bleef abrupt staan. Zijn metgezellen en zijn opperhoofd keken belangstellend zijn kant op. Hij moest kennelijk even nadenken of hij op de roep van een gevangene zou reageren. Toen draaide hij zich langzaam om. 'Doe dat zelf maar, Tsurani,' riep hij toen. 'Die vrouw van jullie kan heus haar mondje wel roeren!'  

Een van zijn metgezellen voegde er boosaardig aan toe: 'Onze kapitein heet Antaha. Ik geef jullie zijn naam, zodat jullie ons opperhoofd kunnen uitleggen wie er moet worden afgeranseld.'

De opmerking werd begroet met luid gelach, ook door het opperhoofd, en zelfs door de straatkinderen en de vrouwen bij de wasplaats. Tot het uiterste getergd door deze rare, irritante lieden, besloot Mara opnieuw tot optreden. Ze richtte zich tot het opperhoofd, die zich nog op zijn knieën stond te slaan van plezier, en verklaarde op gebiedende toon: 'Ik ben Mara, Regerende Vrouwe van de Acoma, en ik ben in een vredesmissie naar de Unie van Thuril gekomen.'

Het opperhoofd was op slag niet vrolijk meer. Hij keek gechoqueerd en kwaad tegelijk. 'Een vrouw die in de mest van querdidra's staat beweert iemand van hoge rang en een gezant van de vrede te zijn?'

Mara zag wit van woede. Beseffend dat ze op het punt van instorten stond, en dat het hun positie niet ten goede zou komen als ze het opperhoofd publiekelijk beledigde, wendde Lujan zich tot Saric. 'We moeten iets doen,' siste hij hem wanhopig toe, 'al is het maar om haar af te leiden!'  

De jonge Eerste Adviseur stapte echter al naar voren, zonder iets te horen. Toen Mara haar mond opende om iets te zeggen verbrak hij het protocol door brutaal zélf het woord te nemen. 'Opperhoofd van deze Thurils,' riep hij, 'u bent een dwaas dat u onze Vrouwe van de Acoma geen betere gastvrijheid biedt dan een omheinde ruimte voor vee! U staat tegenover Mara, Dienares van het Keizerrijk, en lid van Ichindars keizerlijke familie!'  

Het opperhoofd stak zijn vierkante kin naar voren. 'Zij?' Er klonk verachting en ongeloof in door, maar Sarics verklaring was kennelijk toch niet geheel zonder effect gebleven. Het oude opperhoofd onthield zich van verdere neerbuigende opmerkingen en wenkte Antaha dat hij terug moest komen. Het opperhoofd gaf hem op gezaghebbende toon een reeks bevelen. Op aandringen van Saric vertaalde Iayapa wat hij zei.  

'Hij zegt dat Antaha, ook als hij dieren naar het dorp brengt, ervoor moet zorgen dat ze voedsel, water en een slaapplaats hebben. Niet te luxueus, want stro is schaars, en de goden houden niet van verspilling. Het meisje op de ezel moet worden ondergebracht in een hut. Ze bezit een grote schoonheid en moet zuinig worden bewaard voor de man die het recht zal verwerven haar tot zijn vrouw te maken.' Na deze woorden keek Iayapa zeer ongelukkig, want Mara leek hem met haar ijzige blik te willen doorboren. Het was echter niet persoonlijk bedoeld. 'Ga verder,' zei ze.  

Iayapa knikte bedeesd en likte zijn lippen. 'Het hoofd van dit dorp zei verder dat hij inderdaad heeft gehoord van de Dienares van het Keizerrijk, die familie is van de Tsuranese keizer, en dat het bekend is dat Ichindar zich laat leiden door vrouwen. Hij, als geboren bergbewoner, wil zich echter niet verwaardigen in het openbaar met een vrouw te praten, ook al beweert ze tot de keizerlijke familie te behoren. Wegens het bestaande verdrag tussen Tsuranuanni en de Unie heeft hij echter evenmin de vrijheid Mara als buit aan zijn mannen over te laten.'

Er klonken kreten van teleurstelling. Enkele mannen maakten obscene gebaren.

Toen richtte het opperhoofd zich tot de gevangenen. Hij sprak Mara's bevelhebber aan in vrijwel accendoos Tsuranees, dat hij in de verschillende oorlogen geleerd moest hebben. 'Als jullie een behoefte hebben waaraan niet wordt voldaan, dan wordt Antaha daarvoor verantwoordelijk gehouden. Morgen zal hij een escorte van twintig krijgers verzamelen om jullie en de twee vrouwen naar ons grote opperhoofd in Darabaldi te brengen. Indien er iets te oordelen valt, dan zal dat gebeuren door de raad daar.'

Sarics gezicht stond op onweer, maar hij luisterde naar Iayapa toen deze hem dringend bij zijn arm greep. 'Eerste Adviseur, provoceer deze mannen en hun opperhoofd niet verder! Het is niet een volkje dat veel op heeft met discussies over etiquette. Ze zijn vlot met doden en hebben daar nooit spijt van. Voor hetzelfde geld hadden we hier morgenvroeg allemaal met doorgesneden kelen kunnen liggen. Het is al een grote concessie dat we niet aan de mannen zijn overgeleverd die ons gevangen hebben genomen, en in plaats daarvan naar Darabaldi worden gestuurd.'  

Saric keek eerst naar de mest onder zijn sandalen en toen, vol walging, naar Lujan, die bijna naakt leek zonder zijn zwaard. 'Als dit een grote concessie is, neef,' zei hij toen op hatelijke toon, 'is het misschien maar goed dat we niet weten wat een kleine concessie geweest zou zijn!'  

Lujan grinnikte. 'Kerel, jij zou op je brandstapel nog grapjes staan te maken!'

Toen wendden ze zich beiden tot hun meesteres. In hun ervaren ogen zag ze er klein en ontmoedigd en eenzaam uit, al hield ze haar rug recht en keek ze even ongenaakbaar als altijd.

Ze stond naar de inboorlingen te kijken die Kamlio en de ezel onder hun hoede namen. 'Zullen ze haar kwaad doen?' vroeg ze Iayapa. Er klonk bezorgdheid in haar stem.

De voormalige herder schudde zijn hoofd. 'Er is in dit harde land altijd een tekort aan vruchtbare vrouwen, en als ze zo mooi zijn als Kamlio, zijn ze dubbel waardevol. Maar het hoofd van deze stam moet toestemming geven voordat een van de mannen haar kan opeisen als zijn vrouw. Tot dan mag ze bewonderd worden, maar niet aangeraakt. Alle ongetrouwde krijgers hier weten dat ze hun kansen om haar als vrouw te vragen zouden verspelen door haar nu lastig te vallen. En omdat in dit land veel mannen sterven zonder ooit een vrouw te hebben gehad, willen ze zelfs een kánsje om een vrouw te claimen niet in gevaar brengen.'

Mara slikte. 'Hebben ze hier dan geen courtisanes?'

Iayapa keek gekwetst. 'Slechts een paar, in Darabaldi. Weinig vrouwen kiezen daarvoor, want het brengt hun stam geen eer. De ongetrouwde mannen gaan er een of twee keer per jaar naar toe, maar dat brengt weinig troost tijdens de lange winternachten.'  

Lujan en Saric wisselden boven het hoofd van hun kleine gids een betekenisvolle blik uit. 'Raar volkje,' mompelde Lujan terwijl hij naar de opgedroogde mest op de grond keek. Kennelijk zouden ze hier de hele nacht moeten doorbrengen. Die lui hier vonden het heel gewoon een meisje of een vrouw te roven! 'Zeg maar gerust barbaars!' vervolgde Lujan. Toen huiverde hij, want opeens waaide er vanuit de bergen een koude wind naar beneden. Hij keek naar zijn nietige vrouwe en bewonderde haar pit, haar vermogen om ondanks alles haar waardigheid te bewaren. Dat ze door wildvreemden zo behandeld werd, en gebonden was als een slaaf, maakte hem zo woest dat hij graag een paar mensen vermoord zou hebben!  

Het was alsof ze zijn gedachten had gelezen. Ze keek hem aan en schonk hem toen de zoete glimlach die hem steeds opnieuw tot trots en onvoorwaardelijke trouw inspireerde. 'Ik red het wel, Saric. Zorg er alleen voor dat die neef van je zijn krijgersgeduld niet verliest voor iets dat niet echt belangrijk is. Want dit' - ze stak haar gebonden polsen omhoog - 'en dit' - ze schuifelde met een voet over de harde, bevuilde grond - 'zijn bijkomstigheden. De Assemblee der Magiërs weet wel ergere kwellingen! Als ik in Darabaldi met het grote opperhoofd van alle Thurils kan praten, is dát hetgeen we belangrijk moeten vinden.' 

 

Verwarmd door Saric en Lujan, aan weerszijden van haar, en beschermd tegen de kou en de viezigheid op de grond door de mantel die haar bevelhebber per se aan haar had willen lenen, werd Mara wakker doordat iemand haar schouder aanraakte. Heel langzaam ontwaakte ze uit haar slaap. Ze knipperde met haar ogen en keek om zich heen. Er waren nog enkele vensters in de gevels rond het plein waarachter zwak kaarslicht flakkerde.  

'Wat is er?' Haar lichaam voelde stijf aan en ze had overal spierpijn van de helse voettocht.

'Er komt iemand aan,' fluisterde Saric, en toen zag ook zij het naderende toortslicht op het plein.

Het bleek te worden gedragen door een vrouw in een ruime mantel. Ze boog haar hoofd, maar zei niets tegen de bewaker die bij de ingang stond. Wel was in het toortslicht te zien dat een schelpmunt van eigenaar verwisselde. De wachter lachte gemoedelijk en liet de vrouw door. Ze stapte de omheinde ruimte binnen, de toorts boven haar hoofd opgeheven, en zocht de rijen af. Mara's krijgers waren wakker geworden en hadden zich half opgericht.  

'Vrouwe van de Acoma?' Het was een diepe, hese stem, niet die van een jong meisje, maar van een vrouw die vele jaren van lief en leed achter zich had. 'Mijn heer heeft zich laten overhalen. Hij zegt dat u de nacht mag doorbrengen bij uw dienares, in de hut voor de ongetrouwde vrouwen.'

'Durft u haar te vertrouwen?' fluisterde Saric in haar oor. 'Dit kan een truc zijn om u van ons te scheiden.'

'Dat begrijp ik heel goed,' fluisterde Mara terug. Toen vervolgde ze, nu luid genoeg om door iedereen verstaan te worden: 'Als uw bedoelingen eerlijk zijn, snij dan mijn boeien door.'

De Thurilse vrouw lichtte zichzelf bij en kwam tussen de krijgers door naar Mara toe. 'Maar natuurlijk, vrouwe Mara.' Ze stak haar vrije hand onder haar mantel en haalde hem weer te voorschijn met een dolk erin.

Mara voelde hoe Lujan verstrakte bij het zien van dat blikkerende lemmet. Zijn handen waren geboeid, dus hij kon niets doen om haar te verdedigen. Misselijk van bezorgdheid moest hij aanzien dat de bergbewoonster zich bukte en de leren veter waarmee Mara geboeid was behendig doorsneed.  

Mara wreef haar polsen om de bloedcirculatie te herstellen en deed haar best om niets te laten merken van de pijn in haar verkrampte vingers. 'Snijd nu mijn mannen ook los,' beval ze op hooghartige toon.

De vrouw deed een stap achteruit en stopte de dolk weer weg onder haar mantel. 'Dat mag ik niet, vrouwe Mara.'

'Dan blijf ik hier,' antwoordde de Vrouwe van de Acoma ijzig.

De vrouw haalde haar schouders op. 'Blijf dan maar hier buiten liggen. Maar uw dienstmeisje heeft u nodig. Ze blijft maar beven.'

Mara voelde een opkomende drift. 'Heeft iemand Kamlio kwaad gedaan?'  

De bergbewoonster zweeg gekwetst.

Van buiten de lichtkring van de toorts meldde Iayapa zich nu. 'Goede Dienares, dat is onbedoeld beledigend. Dit is de vrouw van het opperhoofd. Ze komt u betere gastvrijheid aanbieden, maar de suggestie dat iemand uw dienstmeisje kwaad heeft gedaan is beledigend voor de hele stam. Haar bedoelingen zijn vriendelijk en ik adviseer u daarom haar aanbod aan te nemen.'

Mara haalde diep adem. Fijn dat deze barbaren ook eergevoel hadden, maar het háre dan? Moest ze haar mannen hier zomaar in de stront laten liggen?

Saric voelde haar onzekerheid aan. 'Vrouwe,' zei hij zachtjes, 'ik denk dat u haar moet vertrouwen. We hebben de optie van vechten al opgegeven, vrijwillig. Als gevangenen moeten we de consequenties van die eerdere beslissing maar op goed geluk voor lief nemen.'  

In haar hart wist Mara dat haar Eerste Adviseur gelijk had, maar haar puur Tsuranese inborst kwam in opstand en weigerde zich zo gemakkelijk gewonnen te geven.

Nu gaf Lujan haar een zachte por. 'Mijn vrouwe, maakt u zich geen zorgen om uw krijgers. Ze vinden het een eer om bij u te zijn, waar ze ook moeten slapen. Als iemand het waagt zich te beklagen laat ik hem met de zweep geven, want dat heeft hij dan verdiend! Ik heb mijn beste soldaten gekozen voor deze garde, ze hebben vreselijk hun best moeten doen om geselecteerd te worden en ik weet dat ze allemaal zonder een kik te geven voor u zullen sterven, mocht dat nodig zijn.' Droogjes besloot hij: 'En een hoopje uitgedroogde querdidradrolletjes is minder pijnlijk dan een enkele reis naar de zalen van Turakamu.'

'Dat is waar,' zei Mara, te moe en gedeprimeerd om op zijn poging tot humor te reageren. 'Ik ga mee,' zei ze tegen de vrouw met de toorts. Ze ging moeizaam rechtop staan. De blaren onder haar voeten deden zoveel pijn dat ze wankelde. De vrouw van het dorpshoofd stak haar snel een helpende band toe.

Zo strompelde Mara door de poort in de omheining naar buiten. Een van de twee wachters zei iets, wat hem op een bits commentaar van de vrouw van het opperhoofd kwam te staan. 'Mannen!' zei ze vervolgens tegen Mara, deze keer in vloeiend Tsuranees. 'Behalve dat ene hebben ze alleen maar zaagsel in hun kop.'

Tot haar eigen verbazing moest Mara daarom glimlachen. Toen gaf ze toe aan haar nieuwsgierigheid: 'Is het waar dat mannen hier hun vrouwen verwerven door ze te ontvoeren uit hun familie?'

De vrouw draaide haar hoofd naar haar toe. Mara zag dat het gezicht getekend was door zwaar werk, maar ook door humor. 'Zeker,' antwoordde de vrouw van het dorpshoofd, op een toon waarin geamuseerdheid en verachting samengingen. 'Zou u naar bed gaan met een man die niet had bewezen een kundige krijger te zijn, iemand die zijn vijanden bang maakt en een goede kostwinner kan zijn?'

Mara trok haar wenkbrauwen op. Dit waren inderdaad de kwaliteiten die ook een Tsuranese vrouw van haar man verwachtte, al vond de hofmakerij in haar land op een wat andere wijze plaats. Ze had de barbaarse gewoonten nooit in dit licht bezien, maar nu ze er eens over nadacht waren ze zo onzinnig nog niet.

'Noem me Ukata,' zei de vrouw. 'Het spijt me dat ik mijn man zo lang aan zijn kop heb moeten zeuren voor ik u uit de kou mocht gaan weghalen.' 'Ik heb nog veel te leren over de Thurilse zeden en gewoonten,' bekende Mara. 'Afgaand op de woorden van uw krijgers en uw echtgenoot had ik gedacht dat vrouwen hier weinig in te brengen hebben.'

Ukata bromde iets terwijl ze Mara het lage bordes op hielp van het middelste gebouw aan die kant van het plein, een lage, langwerpige hut met een rieten dak. Er kwam geurige rook uit de schoorsteen. De deurposten waren rijkelijk voorzien van allerlei vruchtbaarheidssymbolen. 'Wat mannen beweren en wat ze zijn is niet identiek, dat moet u op uw leeftijd toch weten.'

Mara zweeg. Zelf had ze het geluk gehad dat haar echtgenoot haar als een gelijke behandelde, en dat haar barbaarse minnaar haar had geleerd wat het betekende een vrouw te zijn, maar ze wist heel goed dat veel vrouwen door hun mannen onderdrukt werden. Het ergste waren meisjes als Kamlio eraan toe. Zij hadden helemaal niets te vertellen over hun lot. In het beste geval kon een vrouw een formidabele macht achter de schermen worden, zoals vrouwe Isashani van de Xacatecas.

Ukata schoof de houten grendel omhoog en duwde de deur open. De scharnieren piepten. Er viel gouden licht naar buiten, samen met de zoete geur van het hout dat in de haard brandde. Mara volgde de vrouw van het dorpshoofd naar binnen.

'Kom,' zei een vriendelijke vrouwenstem, 'laten we eerst die smerige sandalen losbinden.'

Mara werd in een houten stoel geholpen. Gewend als ze was aan kussens, zat ze onwennig en stijf achterover geleund terwijl een meisje met roodbruine vlechten haar sandalen losbond. Daarna zette Mara haar koude blote voeten op het zachte vloertapijt. Ze was zo uitgeput dat ze ter plekke in slaap had kunnen vallen, maar ze vocht om wakker te blijven. Als deze vrouwen bereid waren om te praten kon ze hier veel leren over het Thurilse volk. Toen ze om zich heen keek en de verlegen gezichten zag van de ongehuwde jonge meisjes met wie ze de hut deelde, besefte ze echter dat ze lang niet zo vaardig was als bijvoorbeeld Isashani in het bespelen van een groep vrouwen. Zij voelde zich beter thuis in een vergadering van de clan of als Regerende Vrouwe op haar troon. Ze wreef over haar pijnlijke enkel en zocht ondertussen naar inspiratie.  

Om te beginnen had ze een vertaalster nodig. De meisjes in de hut waren geen van allen ouder dan een jaar of zestien, dus veel te jong om tijdens de laatste oorlog iets van de Tsuranese taal te hebben opgestoken. Mara keek om 'zich heen tot ze het grijze hoofd van de vrouw van het dorpshoofd zag. Zoals ze al had verwacht, maakte deze ,zich op om te vertrekken.

'Wacht, vrouwe Ukata,' riep Mara haar na. 'Ik heb u nog niet naar behoren bedankt voor uw interventie, en ook heb ik uw mensen nog niet kunnen zeggen waarom ik hierheen ben gekomen.'  

'Dank is niet nodig, vrouwe Mara,' antwoordde Ukata terwijl ze naar Mara terugkeerde. Een van de jongste meisjes maakte ruimte voor haar. 'Onze mensen zijn niet de barbaren waarvoor de Tsurani ons aanzien. Als vrouw die zelf kinderen heeft gebaard die op het slagveld zijn omgekomen begrijp ik best waarom onze mannen uw soort nog steeds haten. En waarom u hier bent, dat kunt u aan ons opperhoofd in Darabaldi vertellen.'

'Als ik daarvoor de kans krijg,' merkte Mara bitter op. 'Uw mannen zijn kort van memorie, vrees ik.'

Ukata lachte. 'Dat komt wel goed.' Ze gaf Mara met haar eeltige hand een vriendelijk klopje op haar arm. 'Ik ken de vrouw van het opperhoofd. Ze heet Mirana en we zijn opgegroeid in hetzelfde dorp, tot zij bij een rooftocht werd weggehaald om zijn vrouw te worden. Ze is zo hard als rotsgesteente en kletst iedereen de oren van het hoofd, zelfs die zultkop van een man van haar. Ze zal ervoor zorgen dat er naar u wordt geluisterd, of hem voor het front van zijn krijgers zo diep beledigen dat zijn mannelijkheid ervan verschrompelt.'

Mara hoorde het verrast aan. 'U praat nogal makkelijk over de rooftochten die u uit uw dorp en familie wegrukken,' zei ze verwonderd. 'En krijgt u geen klappen van uw mannen als u zulke oncomplimenteuze dingen over hen zegt?'  

De meisjes wilden weten wat ze gevraagd had, en toen Ukata het op hun aandringen had vertaald veroorzaakte dat een rondje gegiechel. 'Strooptochten om een vrouw te halen,' legde Ukata uit, 'zijn een... traditie in dit land, vrouwe Mara. Uit oude tijden, toen vrouwen hier nog veel schaarser waren dan nu. Een echtgenoot moest zijn status veroveren door een vrouw te stelen. Tegenwoordig gebeuren die ontvoeringen zonder bloedvergieten. Er wordt veel geschreeuwd en gevloekt en bloedige wraak gezworen, maar dat is allemaal voor de show. Vroeger niet - toen vielen er vaak doden bij zulke rooftochten. Tegenwoordig verdient een echtgenoot zijn prestige door zijn vrouw heel ver van huis te gaan halen, liefst in een dorp waar de meisjes goed verdedigd worden. U hebt gezien dat dit huis in het hartje van onze verdediging ligt, maar ook dat alleen bepaalde meisjes hier wonen - de huwbare.'  

Mara keek om zich heen en zag de jonge gezichten, nog geen van alle getekend door het leven. 'U bedoelt dat ze willen worden meegenomen door wildvreemden?'  

De meisjes keken Mara niet-begrijpend aan. Ukata antwoordde in hun plaats. 'Deze meiden houden de knullen in het oog die in het dorp op bezoek komen, en die knullen spioneren natuurlijk naar deze meiden.' De vrouw van het dorpshoofd glimlachte. 'Als een knaap écht niet naar hun zin is, krijsen en gillen de meiden natuurlijk met overtuiging, niet alleen voor de schijn, en in zulke gevallen wordt de vrijer weggejaagd door de vaders en de broers van de meisjes. Anderzijds worden de meisjes niet graag overgeslagen als er een groepje blote krijgers op rooftocht komt, want dan worden ze achteraf als lelijk of mismaakt beschouwd. In dat geval kunnen ze, bij een volgende rooftocht, alleen nog aan de man komen wanneer twee kandidaten om hetzelfde meisje vechten. Ze moet zich dan vastklampen aan de verliezer van zo'n tweegevecht om een ander meisje, en maar hopen dat hij haar niet van zich afstoot.'

Mara schudde haar hoofd, zo merkwaardig vond ze die procedure. Ze moest nog heel wat leren over de zeden en gewoonten in deze samenleving, wilde ze in onderhandelingen hulp kunnen verwerven van deze vreemdelingen.  

'Het is laat,' vervolgde Ukata, 'en u zult morgen al vroeg op pad gaan. Ik stel voor dat u zich een slaaprnat laat aanwijzen en dat u gaat rusten.'

'Ik dank u, vrouwe Ukata.' Mara boog haar hoofd en liet zich naar een met gordijnen afgeschermd gedeelte brengen. Er lagen daar zachte vachten op de vloer, met daarop, in het licht van de olielamp, Kamlio's glanzende gouden haren. Het meisje lag opgerold, roerloos op haar zij. Tot haar opluchting zag Mara dat Arakasi's mooie courtisane niets mankeerde, zo te zien zelfs geen blauwe plek. Ze gebaarde het Thurilse meisje dat bij het gordijn stond te treuzelen dat ze verder niets nodig had. Toen liet ze opgelucht haar vuile jurk van zich af glijden. Slechts gekleed in haar dunne zijden onderjurk kroop ze onder een warme vacht.  

'Vrouwe?' Kamlio's ogen waren wijd open. Ze had niet geslapen, maar slechts gedaan alsof. Vrouwe Mara, wat zal er met ons gebeuren?'

Mara besloot de lamp te laten branden. Ze trok de vacht op tot aan haar kin. Toen keek ze naar het meisje, dat haar met ogen als glinsterende juwelen lag op te nemen. Geen wonder dat Arakasi voor haar was gevallen! Kamlio was met haar roomblanke huid en gouden haren aantrekkelijk genoeg om élke man te betoveren. De Vrouwe van de Acoma zou haar graag hebben gerustgesteld, maar ze wilde er niet om liegen. Als haar rationele, onverstoorbare spionnenmeester al aan het smelten was gebracht door de uitstraling van dit prachtige schepseltje, wat kon ze dan niet allemaal oproepen bij primitieve Thurils, die gewend waren hun vrouwen min of meer met geweld te veroveren? 'Ik weet het niet, Kamlio.' Er klonk onzekerheid door in haar stem.  

De ex-courtisane drukte haar delicate vingertjes krampachtig in de vacht die haar bedekte. 'Ik wil niet bij deze mensen blijven.' Gewoonlijk wendde ze haar blik bij het aanroeren van zulke persoonlijke onderwerpen verlegen af, maar deze keer niet.

'Wat zou je dan willen doen?' Mara maakte gebruik van de kwetsbaarheid waarin Kamlio door haar gevangenschap was geraakt. Je bent te intelligent om als kamermeisje in mijn dienst te blijven, Kamlio, maar te onontwikkeld om een positie met meer verantwoordelijkheid te bekleden. Wat zou je graag willen?'  

Kamlio's groene ogen fonkelden. 'Ik kan léren! Er zijn anderen in uw dienst die hoge rangen hebben bereikt zonder ervoor geboren te zijn.' Ze beet op haar volle onderlip, maar toen leek iets van haar gespannenheid uit haar weg te vloeien, alsof een innerlijke barrière was verdwenen nu ze haar ambitie had uitgesproken. 'Arakasi...' vervolgde ze op onzekere toon. 'Waarom wilde hij u per se vragen om mijn vrijheid te kopen? Waarom hebt u aan dat verzoek voldaan, als het niet was om mij aan hem te geven?'  

Mara deed even haar ogen dicht. Ze was hier nu veel te moe voor! Eén verkeerd woord, één onbevredigend antwoord, en het verhoopte geluk van haar spionnenmeester zou definitief in diggelen kunnen liggen. Eerlijkheid was de beste strategie, maar hoe kon ze de waarheid het beste inkleden? Ze had hoofdpijn, al haar spieren leken binnenstebuiten gekeerd, ze barstte van de slaap - en weer moest de Vrouwe van de Acoma vaststellen dat ze gewoon niet zo tactvol was als bijvoorbeeld Isashani. Wel, dan moest ze het maar doen met de botheid die ze van Kevin van Zün had geleerd!

'Je herinnert hem aan zijn eigen familie. Die had ook een leven dat hun niet beviel, die had ook nooit geleerd lief te hebben.'

Kamlio keek haar met grote ogen aan. 'Familie? Hij heeft me gezegd dat u zijn enige familie en zijn enige bron van eer bent.'

Mara aanvaardde de last van die constatering. 'Dat ben ik misschien voor hem gewárden. Maar Arakasi is meesterloos geboren, als kind van een vrouw van het Rieten Leven. Hij wist niet wie zijn vader was en zijn zus is gedood door een wellustige klant.'

Het meisje liet dit nieuws zwijgend tot zich doordringen. Voorzichtig, bang dat ze misschien àl te veel had gezegd, maar niet in staat halverwege te stoppen, vervolgde Mara: 'Hij wil dat jij je kunt bevrijden van je verleden, Kamlio. Ik ken hem goed genoeg om je plechtig te bezweren: hij zou je nooit méér vragen dan je hem uit vrije wil zou geven.'

'U houdt op die manier van uw man,' zei Kamlio, met iets beschuldigends in haar stem, alsof ze de mogelijkheid van een dergelijke relatie tussen een man en een vrouw eigenlijk niet kon geloven.

'Dat is zo.' Mara wachtte. Het liefst zou ze haar ogen sluiten en dit probleem, plus alle andere, laten wegzakken in de vergetelheid van de slaap.

Kamlio was echter nog niet van haar zorgen af. Ze plukte nerveus aan de vacht en veranderde toen opeens van onderwerp. 'Vrouwe, laat me niet alleen achter bij deze Thurils, smeek ik u! Als ik gedwongen werd de vrouw van zo'n vreemdeling te worden, zou ik nooit ontdekken wie ik ben of welk soort leven me zou bevallen. Dan zou ik nooit de betekenis te weten komen, denk ik, van de vrijheid die u me hebt gegeven.'

'Heb geen angst, Kamlio,' zei Mara, die het gevecht tegen haar uitputting nu echt begon te verliezen. 'Mocht het mij lukken dit land te verlaten, dan zal ik ál mijn mensen mee terug nemen.'

Alsof die verzekering een waterdichte garantie bood, draaide Kamlio de olielamp uit. Het was te hopen dat ze daarna geen vertrouwelijke mededelingen meer fluisterde, want de Vrouwe van de Acoma was onmiddellijk weggezakt in een diepe, droomloze slaap.  

Toen de ochtend was aangebroken werden zowel de vrouwe als haar dienstmeisje getrakteerd op een warm bad, gevolgd door een ontbijt met vers brood en querdidrakaas. Kamlio zag er bleek, maar rustig uit. Mara meende in haar houding iets te bespeuren dat meer op bezorgdheid dan op verbittering wees. Van buiten op het plein drongen via de half doorzichtige, geoliede vensterhuiden luid rumoer en gelach door, maar Mara wist niet wat dat te betekenen had. De meisjes die ze het vroeg keken haar niet-begrijpend aan. Zonder Ukata's beschikbaarheid om te vertalen moest ze dus maar geduld hebben.

Na het ontbijt verschenen er twee krijgers bij de deur van het meisjeshuis die de twee Tsuranese vrouwen kwamen ophalen. Kamlio verbleekte. Mara klopte haar kalmerend op haar hand, stak toen haar kin naar voren en stapte trots naar buiten.

Naast het lage bordes stond een boerenkar te wachten. Hij had hoge zijkanten van een of andere witte zeildoekse stof en werd getrokken door twee querdidra's en de weerspannige ezel, van wie de grijze huid was gespikkeld door speekselfluimen van de zesvoeters. Daar had hij zich met zijn trappen kennelijk niet tegen kunnen verdedigen. De querdidra's knipperden met hun absurd lange wimpers en plooiden hun lippen alsof ze smalend lachten.  

Mara's krijgers waren aan de kar vastgebonden. Ze stonken niet naar de mest van hun nachtelijke kampplaats, maar zagen er schoon, zij het doorweekt uit. Lujan zag er tevreden uit toen hij zijn vrouwe het bordes af zag komen, en Saric moest zelfs een glimlach onderdrukken. Mara was verrast door het schone voorkomen van haar garde. Ze keek om zich heen en zag dat de bergbewoners die in de buurt ronddrentelden haar escorte met een zeker respect schenen te bekijken. .  

Dat was iets nieuws! Had het misschien iets te maken met het rumoer dat ze daarstraks buiten had gehoord? Ze kon het nu nog aan niemand vragen. De Thurilse krijgers sloten haar in en tilden haar en Kamlio over de opstaande achterplank de bak in. Deze was voorzien van een laagje stro. De witte zijwanden aan weerskanten waren te ondoorzichtig om er doorheen te kijken. De krijgers regen het zeildoek aan de achterkant stevig dicht. Daarna sprong een voerman met een zweep op de bok en kwam de kar met veel gepiep en gekraak van de wielen in beweging.  

De ezel en de querdidra's werkten slecht samen. De kar slingerde en bonkte over de kuilen en spleten in de primitieve weg. Het stro rook naar een stal - daar kwam het waarschijnlijk regelrecht vandaan. Kamlio zag er zo angstig uit dat Mara haar dringend verzocht op het stro te gaan liggen. Ze leende het meisje haar mantel als bescherming tegen de kille windvlagen die vanuit het hooggebergte naar beneden waaiden. 'Ik zal je niet in de steek laten, Kamlio,' verzekerde ze haar. Je bent niet hierheen gekomen om de vrouw van een of andere Thurilse boer te worden.'

Daarna leunde Mara tegen het zeildoek aan de kant waarvan ze wist dat Lujan er liep. Ze vroeg hem hoe hij en zijn mannen zo nat waren geworden.

Ook nu kon het de Thurilse bewakers niets schelen of hun gevangenen met elkaar praatten. Lujan mocht iets dichter naast de kleurig beschilderde spaken van het wiel gaan lopen om zijn meesteres uitvoerig antwoord te geven. We klaagden dat we niet naar mest wilden stinken wanneer we hun hoofdstad binnenmarcheerden,' legde de bevelhebber uit, zo te horen nog nagenietend. 'Dus toen stonden ze ons een bewaakt bad in het riviertje toe.' Hij grinnikte. 'Onze wapenrusting en kleren waren natuurlijk ook smerig, dus die trokken we uit. Dat veroorzaakte grote opwinding onder de bergbewoners, volgens Iayapa omdat zij zich alleen naakt uitkleden wanneer ze ten strijde trekken. Er werd veel naar ons gewezen en gescholden. Toen riep iemand in slecht Tsuranees dat het geen lol was om ons uit te schelden, omdat we nu eenmaal dat ongearticuleerde gebrabbel dat zij hun taal noemen niet konden verstaan.' Hier liet Lujan een stilte vallen.  

Mara legde haar wang tegen het witte zeildoek. 'Ga verder.'

Lujan schraapte zijn keel. Kennelijk had hij nog steeds napret. 'Saric nam die uitdaging aan. Hij riep naar Iayapa dat deze alle woorden moest vertalen, hoe obsceen of beledigend ze ook waren.' De kar schokte over een bijzonder slecht gedeelte van het pad en Lujan had even alle aandacht nodig om over de kuilen te springen. 'Wel,' vervolgde hij toen, 'daarna werden de scheldpartijen erg persoonlijk. Deze Thurils vertelden ons hoe wij aan al onze littekens waren gekomen. Niet door gevechten, beweerden ze, maar doordat zelfs de vrouwen van het Rieten Leven walgen van onze soldaten en ze van zich af proberen te houden met hun lange nagels. En dat onze zusters het doen met honden en jigavogels, en dat wij en onze kameraden onszelf hebben verwond in ons gedrang om de beste plaats te veroveren om daarnaar te gluren.'  

Mara kneep haar handen samen tot haar vingerknokkels wit zagen. De beledigingen die haar legerleider had genoemd eisten wraak, en de vrouwe vermoedde dat Lujan de ergste wel voor haar verzwegen zou hebben. Hees van kwaadheid dat ze haar soldaten in een zo onwaardige situatie had gebracht zei ze: 'Het moet verschrikkelijk zijn geweest om dat te verduren!'  

'Valt wel mee.' Er was iets in Lujans stem gekomen dat harder was dan het staal van de barbarenwereld. 'Ik en de anderen hebben een voorbeeld genomen aan Papewaio, vrouwe.'

Mara sloot haar ogen en dacht terug aan de dappere Pape, die haar zo vaak het leven had gered, en die op het laatst ter wille van haar de zwarte hoofddoek had moeten dragen die aangaf dat hij ter dood was veroordeeld, maar die zichzelf niet had mogen doden met zijn eigen zwaard, al had hij die eervolle dood dubbel en dwars verdiend, maar gedwongen werd voort te leven - geen straf, maar juist een onderscheiding, al hadden slechts Mara en enkele intimi dat geweten en begrepen. Niet veel later was hij gedood bij het afweren van een door de Minwanabi op haar af gestuurde sluipmoordenaar. Mara beet op haar lip. Ze hoopte dat de krijgers die ze nu bij zich had, de beste van haar hele garde, niet hetzelfde lot beschoren zou zijn. Sneuvelen op vreemde bodem was heus niet het mooiste dat een krijger kon overkomen, al waren er sommigen die dat beweerden!  

'Ga verder,' zei ze tegen Lujan. Ze probeerde haar verdriet niet te laten doorklinken in haar stem.

Ze hóórde als het ware dat hij zijn schouders ophaalde. 'Er is verder niets te vertellen, vrouwe. Uw krijgers hebben simpelweg besloten geen aanstoot te nemen aan de lege scheldwoorden van deze Thurils. En dat leek de bergbewoners te verassen. Na een poos vroegen ze waarom we niet de moeite namen onze eer te verdedigen. Vanamani riep meteen terug dat u onze eer bent, vrouwe. En dat we alleen woorden verstaan die door u zijn uitgesproken, of door onze vijanden. En op dat punt voegde Saric eraan toe dat de Thurils voor ons geen vijanden zijn, maar vreemdelingen, en dat de woorden van vreemdelingen nu eenmaal even leeg zijn als het gehuil van de wind over rotsen.' Lujan grinnikte even. 'En daarna hielden de bergbewoners op met schelden, moet u weten. Het maakte indruk, denk ik, dat we zo trouw bleven aan een commandant, die niet alleen zélf een gevangene was, en buiten ons zicht, maar nog een vrouw bovendien. Iayapa heeft ons verteld dat in de oude oorlogen veel Tsurani zich door dit soort scheldpartijen hebben laten verleiden tot domme aanvallen, die ze met hun leven hebben moeten bekopen.'  

'Lujan,' zei Mara, met een stem die trilde van dankbaarheid, al deed ze haar best om dat te voorkomen, 'al je mannen zijn te prijzen om hun voorbeeldige dapperheid. Zeg hun dat ik dat heb gezegd, zodra je kunt.'  

Al haar mannen waren opgegroeid in de Tsuranese cultuur, waarin iemands eer hoger werd aangeslagen dan het leven zelf. En allemaal waren ze ter wille van haar verder gegaan dan de plicht eiste, namelijk door hun persoonlijke eer geheel in haar handen te leggen.  

Mara keek naar haar handpalmen, die vlekkerig rood waren, zo krampachtig had ze haar vuisten gebald gehouden. Ze bad tot haar goden om haar te helpen zich dat vertrouwen waard te tonen, en te voorkomen dat haar gardisten als slaven verkocht zouden worden - want dát zou het summum van schande zijn.