Epiloog

Transformaties

 


Kind stond voor een deur.

Enkele keren waren ze onderweg door de Galerij der Werelden andere reizigers tegengekomen. Op één keer na waren die ontmoetingen vredig verlopen, en die ene uitzondering was een bende rondtrekkende slavenhandelaren geweest, die hadden geprobeerd Kind en Belog te onderwerpen. Kind had hen allemaal gedood, en zij en Belog hadden zich te goed gedaan.

'We zijn er,' zei ze zachtjes, kijkend naar het symbool boven een deur.

'Ah,' zei Belog. 'Ik weet het weer.' Ineens keek hij droevig. 'Kalkin,' fluisterde hij.

'Ja,' beaamde Kind. 'Die smeerlap. Hij blijft zich er maar mee bemoeien.'

'Waar komt deze uit?'

'In LaReu, in een taveerne.'

'Ik ken het daar. Het is nogal ruig, maar zoals we er nu uitzien, schrikken ze toch van ons.'

'Dan veranderen we ons uiterlijk. We weten hoe het moet.'

Hij zweeg even peinzend. Toen zei hij: 'Ja, nu weet ik het weer.' Hij sloot zijn ogen en plotseling veranderde zijn gestalte. Waar de gedrongen, breedgeschouderde demon had gestaan, stond nu een mannetje met O-benen en een kalend hoofd met nog een randje pluizig wit haar erop. Hij droeg een ietwat gerafeld, verwassen oranje gewaad met een lange, verbleekte blauwe mantel erover. Hij grijnsde. 'Ik zal moeten leren eten zoals vroeger. Dat zou een interessante truc moeten zijn. Ik ben vergeten hoe het is om iets te eten wat niet even daarvoor nog leefde.'

Ze knikte. 'We hebben veel opnieuw te leren.'Toen slaakte ze een diepe zucht. 'Wat is het laatste wat jij je herinnert?'

Hij hoefde niet te vragen waar ze naar verwees. 'Iets wonderbaarlijks. Een god die terugkeerde en een verschrikking die werd verslagen. Als we iets gaan eten, zal ik je erover vertellen.'

Vlak voordat ze door de deur naar Midkemia stapte, begon Kinds gestalte te veranderen. Haar gezicht vloeide en vervormde, en haar lichaam kromp tot het nog maar een derde was van haar vorige postuur. Nu was ze een mensenvrouw met donker haar waar grijs in te zien was, levendige donkere ogen, hoge jukbeenderen en een slank figuur gehuld in een enkellange blauwe jurk. 'Daar heb ik honger van gekregen,' zei ze. 'Heb je sinaasappels bij je?'

In een reflex reikte hij naar een tas op zijn heup, die er niet hing. 'Nee, helaas,' zei hij droevig.

'Vroeger had je ze altijd bij je, ergerlijk mannetje.' Het klonk plagend, niet nors, en haar menselijke gelaatstrekken worstelden met de verwerking van herinneringen die - zo wist ze - niet de hare waren. Ze haalde diep adem alsof ze zich voorbereidde op iets heel moeilijks; toen draaide ze zich om en stapte de deur door.

Belog had die uitdrukking nooit eerder gezien, maar de man die hij nu was herinnerde zich die heel goed. De vrouw die hij kende als Miranda was zeer ongerust.

Het demonenlichaam waarin de herinneringen van Nakur de Isalani huisden, volgde haar door de poort.

 


Mannen schreeuwden en gilden. Aanvallers brulden. De hinderlaag was luidruchtig en onverwacht en zaaide verwarring in de karavaan van de smokkelaars. Geharde huurlingen draaiden zich in paniek om naar vijanden die van alle kanten naderden. Het woud was dicht, met een driedubbele laag takken die het meeste zonlicht tegenhielden en hen dreigend aan alle kanten omhulden. Het was het eind van de zomer in de zuidelijke helft van Midkemia, maar in dit deel van Novindus was het 's avonds al koud en overdag ook niet meer warm. Het was het perfecte moment geweest om het risico te nemen de dichte wouden ten westen van de Ratn'garibergen te betreden.

Braden van Shamata aarzelde niet, en tien jaar van in de strijd aangescherpte vaardigheden kwamen in het spel. Hij was niet overdreven voorzichtig of impulsief, maar hij vertrouwde erop dat zijn instincten hem in leven zouden houden. Daarin had hij meer vertrouwen dan in de bevelen van officiers die hun positie alleen hadden verworven dankzij een beurs vol goud of de gratie van een of andere regeringsambtenaar ergens ver weg. Hij keek naar rechts en zag zijn oude metgezel Chibota knikken terwijl hij zijn zwaard greep en zich klaarmaakte voor de aanval. Anderen draaiden zich om om te kijken waar het geschreeuw vandaan kwam, maar deze twee geoefende strijders wisten wel beter. De aanval zou uit de struiken vlakbij komen. Ze bogen hun knieën, hesen hun schilden hoger en draaiden een stukje naar de buitenzijde van de marcherende rij, zodat ze bijna rug aan rug liepen. Allebei vertrouwden ze erop dat de ander geen fout zou maken die hun het leven zou kosten.

De tijd leek te vertragen terwijl de aanval zich ontplooide. De achterhoede werd als eerste geraakt, waardoor de meeste mannen zich omdraaiden om te kijken wat er achter hen was en hun aandacht werd afgeleid van de dreiging dichterbij. Ze bevonden zich op een smal pad, met amper genoeg ruimte voor drie mannen naast elkaar. Er waren veel dichte struiken onder de bomen, waarin aanvallers zich konden verstoppen. De vijand was hier bekend; de huurlingen niet.

Zoals zowel Braden als Chibota had verwacht, kwam de aanval van rechts en daarna van links, maar het zien van de aanvallers schokte allebei de doorwinterde strijders en zorgde voor een aarzeling die hun bijna het leven kostte. De vijand was niet menselijk. Het waren schepsels die geen van beide mannen ooit eerder was tegengekomen.

Ze waren een afschrikwekkende mengeling van man en tijger, met onvoorstelbaar brede bovenlichamen en schouders. Hun gespierde armen eindigden in handen met lange klauwen, en dankzij hun reuzensprongen stonden ze onmiddellijk midden in het gewoel. Deze tijgermensen droegen zwarte tunieken met korte mouwen en oranje zomen, en korte broeken tot boven de knie, maar ze waren verder ongewapend. De hoektanden die ze ontblootten en de klauwen waarmee ze naar de huurlingen uithaalden, maakten duidelijk dat ze ook geen andere wapens nodig hadden.

Braden keek naar zijn oude metgezel, die één keer knikte en toen probeerde zich naar voren te vechten. De aanval van de tijgermensen had geen gratie: ze waren perfect geruisloos geweest tot net voor de hinderlaag, en zelfs de meest ervaren huurling in de compagnie had slechts een paar tellen de tijd gehad om zich voor te bereiden op de aanval. Maar de sluitende cirkel had openingen, en een van de aanvallers stond voor de twee strijders uit het noorden. Net als andere grote katachtigen konden deze schepsels heel voorzichtig hun prooi besluipen, maar zodra ze de aanval eenmaal inzetten, was het een herrie en razernij van jewelste. Ze vochten als tijgers. Anders dan leeuwen of coyotes waren tijgers solitaire jagers die het liefst vanuit een hinderlaag toesloegen, en nu was het een ongecoördineerde vechtpartij.

'Naar voren!' riep Braden. Chibota gromde een antwoord terwijl hij met zijn zwaard naar een schepsel hakte dat probeerde met zijn klauwen over zijn schild te harken. Het zwaard kwam diep in de schouder van het wezen terecht, net onder de nek. Terwijl de donker getinte strijder de kling losrukte, werd hij beloond met een katachtige schreeuw en een fontein van bloed. Hij draaide een halve pas en ramde de punt van zijn zwaard in de onverdedigde flank van het beest dat Braden aanviel, waardoor de tijgermens jankte van schrik. Braden maakte snel een eind aan zijn leven.

Ze draaiden zich allebei om en zagen dat zij de enigen waren die standhielden onder de aanval. Achter hen gingen hun kameraden neer onder een zwerm van die schepsels, en nog verder naar achteren zaten de beestmannen boven op de bagagewagens, waarvan ze de menners en begeleiders al hadden gedood.

'Rennen!' schreeuwde Braden, maar toen hij omkeek zag hij dat Chibota de situatie al had ingeschat en tot dezelfde conclusie was gekomen.

Rennend over het smalle pad kwamen ze op een kleine open plek uit het zicht van de gevechten aan, waar ze heel even bleven staan om hun zwaard weg te stoppen en hun schild op hun rug te zwaaien, en toen gingen ze weer verder, rennend zo snel hun benen hen konden dragen. Over harde grond en door dichte ondergroei liepen ze steeds harder, tot ze een gevaarlijk tempo hadden bereikt. Er was eigenlijk onvoldoende zicht in het woud om zo snel te rennen. Braden twijfelde er niet aan dat de tijgermensen hier feilloos de weg wisten en hen binnen enkele minuten op de hielen zouden zitten.

Terwijl ze zich krakend een weg tussen laaghangende takken door zochten, hoorden ze dat het geluid van hun voetstappen veranderde. Braden keek omlaag en zag stukken van tegels onder zijn voeten. 'Hé!' zei hij, hijgend van inspanning. Hij wees omlaag en Chibota knikte. Dit pad kruiste een oude weg of zo. Misschien leidde die naar een verdedigbare schuilplaats.

'Welke kant op?' vroeg Chibota terwijl de geluiden van achtervolgers hoorbaar werden.

Braden koos willekeurig de rechterkant van de weg. 'Daarheen!'

Lawaai achter hen kondigde aan dat de jacht was ingezet, en Braden zette weer vaart zonder zich iets aan te trekken van hakende doorntakken en kreupelhout. Hij wist dat hun enige kans erin lag een goede strategische plek te vinden, ergens waar ze zich misschien konden verdedigen totdat de tijgermensen moe werden en afdropen. In een rechtstreeks gevecht waren ze gedoemd.

Het oude stenen pad ging geleidelijk een heuvel op, werd toen vlak en kwam heel plotseling uit op een open plek. Voor hen verrees een stenen gebouw dat haast onzichtbaar was totdat ze er bijna tegenaan liepen. Het was bedekt met eeuwen van stof en puin, en planten klampten zich eraan vast alsof ze bang waren hun houvast te verliezen.

De twee mannen hadden weinig tijd om het gebouw te bekijken. Eventuele nieuwsgierigheid die ze anders zouden hebben gevoeld, werd nu verdrongen door de paniek toen ze beseften dat dit het einde was van het oude stenen pad en ze er niet omheen konden. Achter het stenen gebouw rees een heuvel op, dichtbegroeid met bomen en struiken, en als er al een weg naar boven was, dan was die niet duidelijk te zien. De uitgeputte vechters hadden bovendien geen tijd om te verkennen.

Als één man draaiden ze zich om en liepen achteruit naar de open deur van het oude gebouw, een gapend zwart gat dat alleen uitnodigend was vergeleken met de verschrikking die snel op hen af kwam. 'De deur door,' zei Braden. 'Hopelijk...'

Een grauw van woede vergezelde een oranje met zwart gestreepte gestalte die zich de open plek op lanceerde en met één sprong bij hen was. Chibota haalde uit met zijn zwaard, maar hij was een tel te laat. De kling raakte lucht in plaats van de aanvaller, en het schild hield de klauwen niet bij zijn keel weg.

Chibota blies gorgelend zijn laatste adem uit. Even spoot er nog een rode fontein de lucht in, en Braden had amper tijd om uit te halen met zijn zwaard terwijl de tijgerman zich met katachtige gratie omdraaide. De punt van zijn zwaard schraapte langs bot en harde spieren en veroorzaakte zoveel pijn dat het schepsel met een kwaad gejank achteruitdeinsde. Maar door de uithaal werd Braden uit zijn evenwicht getrokken en was hij heel even onverdedigd, met zijn schild een stukje bij zijn lichaam vandaan. Voordat hij zich kon herstellen, sloeg de tijgerman toe met klauwen die dwars door zijn borstpantser gingen. Het was een simpel vest: dikke voering met stof eromheen, dubbel gestikt voor de sterkte. Het was verbazingwekkend goed bestand tegen zwaardpunten en dolken, en iets beters kon Braden zich ook niet veroorloven van zijn magere verdiensten als karavaan-wachter. Zijn bereidheid om mee te gaan op deze smokkel-onderneming was dan ook ingegeven door zijn hoop om betere wapens en een beter pantser te kunnen kopen als ze op hun bestemming aankwamen. De pijn die door Bradens borst trok toen de klauwen door zijn spieren sneden, benam hem de adem. Hij bracht langzaam zijn schild omhoog om zich te verdedigen, maar de tijgerman sloeg nog eens toe. Braden liep een diepe snee in zijn schildarm op, net onder de schouder. Instinctief stapte hij achteruit, de deur door, toen zijn linkerarm helemaal gevoelloos werd. Hij wist dat hij binnen enkele ogenblikken door dit wezen zou worden uitgebeend als hij het niet op de een of andere manier van zich af kon houden, en zelfs al lukte dat, dan zou het niet lang duren voordat er nog meer tijgermensen kwamen. Braden haalde nog eens uit met zijn zwaard, en het schepsel deinsde achteruit.

Zijn linkerschouder deed verschrikkelijk veel pijn en hij kon zijn linkerarm helemaal niet meer bewegen. Hij voelde het bungelende gewicht van zijn schild, dat nutteloos langs zijn zij hing. Zijn zwaard kwam zwakjes omhoog om de volgende aanval van het wezen af te slaan.

Maar de tijgerman aarzelde en dook ineen, met zijn oren plat tegen zijn schedel terwijl zijn gezicht vertrok in een grauw. Hij blies als een kat, alsof zijn woede in angst was omgeslagen. Braden voelde bloed onder zijn pantser druppen en wist dat hij twee wonden zou moeten stelpen als hij het volgende uur wilde overleven. Hij dook ineen en ademde langzaam, zodat hij niet zou flauwvallen.

Maar het schepsel viel niet aan. Grauwend hield het zijn gele kattenogen op Braden gericht, maar het kwam niet over de drempel. Ineens kwamen er nog twee tijgermannen de open plek oprennen, maar net als de eerste bleven ze voor de drempel van het stenen gebouw staan en deden toen een stap achteruit.

Braden had geen idee waarom ze deze donkere hal niet in wilden komen, ma,ar hij zag het als een geschenk van de goden. Hij ging dieper de tunnel in waarvan hij voelde dat die afdaalde, het hart van de heuvel in.

De drie tijgermannen bleven grauwend en blazend voor de ingang ijsberen. Braden ging langzaam achteruit tot hij zeker wist dat ze niet achter hem aan kwamen, toen draaide hij zich om en liep de duisternis in. Het licht van de ingang vervaagde snel en hij moest op de tast verder. Hij stopte zijn zwaard weg, want zijn linkerarm was onbruikbaar en hij had zijn rechter nodig om zijn evenwicht te bewaren. Het was een foltering om het schild van zijn linkerarm te krijgen: bij het losmaken van de riemen trokken er pijnscheuten door zijn schouder. Hij had wel eens een arm uit de kom gehad tijdens de strijd, maar dit was iets anders. Braden wist dat hij snel een plek moest vinden om uit te rusten en zijn wonden te verbinden, anders zou hij binnen enkele uren in de zaal van de godin des doods zijn.

De stenen onder zijn hand voelden glad aan. Bij een volgende stap voelde hij iets breken onder zijn laars. Hij knielde in de schemering en zag een stapel oude fakkels liggen. Biddend dat de olie die erin zat nog zou branden, graaide hij in zijn riembuidel naar zijn vuursteen. Hij schoof een fakkel naar zijn voeten toe, legde de vuursteen neer, haalde zijn dolk achter zijn riem vandaan en zette die tussen zijn laarzen. Het was onhandig om op deze manier vuursteen en staal aan te slaan, maar hij had geen andere mogelijkheid. Er vlogen vonken in het rond, en één grote raakte de fakkel en die begon te smeulen. Braden negeerde de pijn in zijn schouder en borst, boog zich naar voren en blies op de fakkel. Die gloeide op en ontvlamde. Snel pakte Braden de fakkel op en draaide hem, om zo de vlammen over de hele kop te verspreiden, en toen keek hij om zich heen. De fakkels aan zijn voeten waren het enige wat hij zag binnen de kring van licht die zijn vlammetje verspreidde. Hij tilde de fakkel hoog op en zag dat hij vlak bij een muur stond die zich ver in de schemering uitstrekte. De tegenoverliggende muur was bijna niet te zien. De tunnel was hier breed en liep geleidelijk omlaag. Met slechts één functionele hand kon hij geen reservefakkels meenemen, dus bad hij in stilte tot Tith-Onanka, de oorlogsgod, dat dit licht lang genoeg bleef branden om hem te helpen overleven.

Hij liep de gang door.

 


Braden strompelde een grotere ruimte in. Hij voelde het gewicht van eeuwen over hem heen zakken, alsof er een stortvloed van historie over hem werd uitgegoten. Deze ruimte was zo immens groot dat de verlichting van zijn fakkel de hoeken niet bereikte. Wat hij zag, roerde hem bijna tot tranen.

Diep in het hart van deze heuvel, ver onder de aarde, had een oude heerser zijn schatten verborgen. Er lagen stapels prachtige en kostbare voorwerpen, bekers bezet met edelstenen, stoelen van verguld ebbenhout en stapels fijne zijde, nu uiteenvallend van ouderdom. Alleen al de handvol gouden munten vlak bij de ingang zou Braden rijker hebben gemaakt dan iedereen die hij kende. Droogjes concludeerde hij dat hij als een rijk man zou sterven.

Zijn arm was nog verdoofd en zijn schouder deed verschrikkelijk veel pijn. Hij wist dat hij duizelig was van het bloedverlies en dat dit net zo'n goede plaats was om uit te rusten als elke andere. Hij zocht een plekje om zijn inmiddels sputterende fakkel neer te zetten - in een vaas van kostbaar porselein met stukjes kwarts erdoor - en begon zijn wonden te verzorgen.

Zo goed als hij kon maakte hij met zijn goede rechterhand de eenvoudige houtje-touwtjebevestiging bij zijn schouder los, maar toen hij het gevoerde vest van zijn huid pelde, bleef het geronnen bloed plakken en trok aan zijn wonden. De pijnscheut bracht hem even bij zinnen en hij wurmde zijn gewonde arm uit de linkermouw.

Hij pakte een smalle rol zijde vast en trok eraan, waardoor de stof uitrolde in een lichtblauwe waterval. Het viel niet mee om de zijde met één hand te snijden. Braden moest zijn linkerknie op een houten kist zetten, de zijde straktrekken met zijn rechtervoet, en het dan snijden met zijn dolk. De repen die hij maakte waren rafelig en ongelijk, maar ze voldeden wel.

Hij verbond zijn wonden zo goed en zo kwaad als het ging en overwoog zijn volgende stap. Hij had geen idee hoe geduldig de tijgermensen zouden zijn, maar hij betwijfelde dat ze binnen afzienbare tijd hun bewaking van de ingang zouden opgeven. Maar aan de andere kant dacht hij ook niet dat ze zouden binnenkomen. De sputterende fakkel trok zijn aandacht weer, en hij pakte hem langzaam. Zelfs zoiets simpels als een fakkel uit een vaas pakken maakte hem duizelig.

Hoe moest hij hier overleven? Hij had water nodig, en iets te eten. Hij was een stadsjongen: hij wist niets over eten zoeken, zoals Chibota. Chibota was jager geweest in een ver, warm land, en hij wist welke planten je kon eten. Braden herinnerde zich dat Chibota had verteld dat sommige paddenstoelen even voedzaam waren als vlees. Maar hij had geen idee hoe die eruitzagen of hoe hij ze moest vinden.

Zijn gedachten dwaalden af. Er was hier geen water, en ook geen paddenstoelen. Deze tombe was droog.

Maar in het flakkerende licht zag hij een troon tegen de achterste muur staan, en bij die troon lag een pantser.

Hij strompelde ernaartoe, raakte het aan en voelde iets tintelen op zijn vingertoppen. Braden knipperde met zijn ogen en voelde zich een beetje helderder. Het pantser was van een betere kwaliteit dan hij ooit eerder had gezien. Hij had gedacht dat hij alle soorten pantsers ter wereld wel kende; en als je wat van dat oude Tsuranese spul meerekende dat nog bestond, dan ook van een andere wereld. Een tuniek, broek, tabberd en zelfs onderkleding lagen netjes opgevouwen op een stapeltje. Daarnaast lag een volledig stel bijpassende pantserdelen: borstplaat, schouderstukken, beenkappen, handschoenen, laarzen, riem, schild en zwaard. Toen Braden de brede zwarte riem aanraakte, voelde hij weer een sterke energiestoot door zijn vingertoppen komen.

Zonder erbij na te denken, zette hij de fakkel neer en trok zijn kleren uit; eerst zijn laarzen, toen zijn broek en de rest, totdat hij naakt in het sputterende fakkellicht stond.

Voorzichtig pakte hij een zwart kledingstuk op. Het voelde als linnen, maar dan fijner; zijde, misschien? Hij stapte erin, want het was overduidelijk onderkleding, en de aanraking ervan was als balsem op zijn huid. Hij zuchtte terwijl zijn dorst verdween. Even bleef hij gebiologeerd staan, tollend alsof hij in een van de rooksalons achter het bordeel van de Zusters der Goedertierenheid in Maharta was geweest. Het effect was bedwelmend, en hij voelde hoe zijn geest zich loskoppelde van de pijn. Er kwam een afstandelijkheid over hem, alsof hij naar een andere persoon keek in plaats van zichzelf. Zijn lichaam deed nog altijd gruwelijk pijn, maar die pijn was nu gedempt, los van hem, en vanuit zijn kruis, waar de zwarte stof zijn huid raakte, voelde hij kracht in zijn lichaam stromen.

Werktuiglijk trok hij alle kledingstukken en vervolgens de pantserdelen aan. Een zwarte borstplaat met een afbeelding van een ineengedoken tijger erop. Een riem en rok van zwarte stof. Een paar beenkappen, laarzen, armstukken en uiteindelijk een helm.

Hij wankelde en liet zich zwaar op de troon zakken.

Er begon een verandering, voelde hij. Zijn leven ebde weg, maar hij was niet bang. Braden voelde dat het pantser tegen hem sprak, als een zachte stem in zijn geest.

Hij zou hier rustig blijven zitten en zich door de magie in dit pantser laten genezen, want hij wist dat dat zou gebeuren. Terwijl de fakkel verder opbrandde, merkte hij dat zijn zicht vertroebelde, maar dat gaf niet. Hij wist dat hij hier nog wel een tijdje zou zijn, want er moest veel veranderen voordat hij de veiligheid van deze ruimte kon verlaten.

Hij moest voorbereid zijn, want er waren vijanden daarbuiten. Niet de tijgermensen, want hij wist meteen dat als hij weer verscheen, zij op hem zouden wachten en voor hem zouden knielen. Hij zou hen bevelen, en zij zouden nog maar de eerste van zijn dienaren zijn.

Ongevraagd kwamen er beelden bij hem boven, van oeroude strijd en vliegen door de lucht. Ergens buiten wachtte een reusachtige zwarte draak op zijn oproep. En in zijn geest kwam een naam op.

Dreeken-Korin.