1
Jacht
De paarden steigerden.
Dankzij lange uren van oefening hielden de twee jonge ruiters hun rijdier tijdens de onverhoedse aanval toch in bedwang. In de struiken achter hen klonk het geschreeuw van wapenlieden en het geblaf van honden, wat aangaf dat er over enkele minuten versterking zou komen. Tot die tijd waren de jeugdige jagers op zichzelf aangewezen. De twee ruiters waren door hooglandse doornen en hei gekomen, over een vlakte met zanderige aarde doordat het terrein in voorbije tijden van bomen was ontdaan.
Op zoek naar everzwijnen en herten waren de broers uit Schreiborg gestuit op iets wat zowel onverwacht als angstaanjagend was: een slapende basilisk.
Als neef van een draak was het beest met de groene schubben ver van zijn gebruikelijke bergachtige jachtterrein vandaan, en hij had liggen slapen in een diepe greppel die door hoge varens en struiken aan het zicht onttrokken werd.
Verstoord uit zijn rust rees het kwade beest nu op en sloeg zijn vleugels uit met de bedoeling ervandoor te gaan.
'Laat hem niet wegkomen!' schreeuwde Martin naar zijn jongere broer.
'Waarom niet? Je kunt die beesten niet etenl' reageerde Brendan.
'Nee, maar het is een mooie trofee voor aan de muur!'
Met een gelaten grom liet de jongere broer zijn everspeer zakken, zwaaide zijn been over de hals van zijn paard en gleed uit het zadel. Onderwijl haalde hij soepel zijn boog van zijn schouder. Zijn paard, doorgaans een goed getrainde merrie, wilde maar al te graag zo snel mogelijk wegkomen bij het grote roofdier. Brendan haalde een pijl met een brede punt uit zijn koker, zette hem aan en vuurde, allemaal binnen enkele tellen.
De pijl vloog kaarsrecht en raakte het smaragdgroene wezen in het gewricht tussen schouder en vleugel, waardoor het wankelde. Langzaam ging de vleugel slap omlaag hangen.
Martin sprong van zijn paard en greep zijn everspeer stevig vast, en zijn paard ging achter dat van Brendan aan. De gewonde basilisk grauwde, richtte zich op en inhaleerde diep, met een vreemd, klokkend geluid.
'O, verdomme!' riep Brendan.
'Bukken!' schreeuwde zijn broer, die naar rechts dook.
Brendan sprong naar links toen er een verzengend hete vlam door de lucht sneed, precies op de plek waar hij net nog had gestaan. Hij rook dat het haar op zijn hoofd schroeide toen de vlammen hem op een paar duim afstand misten. Hij rolde verder zonder dat hij de basilisk kon zien, hoewel hij het beest hoorde brullen en de stank van zure rook en geblakerde aarde opving terwijl het woest aanviel.
Met de speer tegen zijn borst, parallel aan zijn lichaam zodat hij snel kon opstaan, sprong Martin op. De basilisk leek even verward doordat zijn twee tegenstanders in verschillende richtingen gingen. Toen richtte hij zijn blik op Brendan en zoog lucht naar binnen. Voor zover Martin op de hoogte was van het gedrag van basilisken, stond zijn broer op het punt weer bestookt te worden met een volgende vlaag vuur. Hij gooide wanhopig zijn speer, maar de afstand was te groot; de speer landde akelig dichtbij, maar raakte het schepsel niet.
Plotseling, op wonderbaarlijke wijze, gleed er een pijl tussen de twee broers door, die de basilisk in zijn keel raakte. Het schepsel kokhalsde, stikte, struikelde achteruit en begon te rillen en te stuiptrekken. Opgelucht renden de broers naar voren. Martin raapte zijn speer op en doorboorde het schepsel ermee, terwijl Brendan zorgvuldig mikte en een pijl in het gewricht tussen de nek en het bovenlichaam van de basilisk schoot, recht op zijn hart af. Het beest schokte nog een paar keer, maar toen bleef het dood liggen.
Toen ze omkeken wie hen met dat schot had gered, zagen de broers een stukje verderop een jonge vrouw in een leren broek en tuniek staan. Ze droeg kniehoge rijlaarzen en een korte ruitercape, die ze over haar linkerschouder naar achteren had gegooid om toegang te krijgen tot de pijlenkoker op haar rug. Haar boog was dubbel gebogen, compact en gemakkelijk te gebruiken vanuit het zadel of te voet. Het ontwerp stamde van een oeroud Tsuranees model, maar dit was geen wapen voor beginnelingen. Alleen de traditionele lange boog van de jagers had meer kracht en bereik.
Brendans gezicht klaarde op toen hij haar zag. 'Vrouwe Bethany, een genoegen, zoals altijd.' Hij hing zijn boog over zijn schouder en veegde transpiratie van zijn voorhoofd. Hij grijnsde toen hij naar zijn broer keek en zag hoe Martin probeerde zijn ergernis in te tomen en zijn gezicht uitgestreken te houden.
De twee jongens verschilden een jaar, maar ze hadden evengoed een tweeling kunnen zijn. Anders dan hun oudere broer Hal, die met zijn brede schouders en borstkas, zijn donkere haar en zijn een meter negentig lengte meer op hun vader leek, hadden deze twee broers het uiterlijk van hun moeder. Hun haar was lichtbruin, hun ogen blauw in plaats van donkerbruin en ze waren slank en tien centimeter kleiner dan zowel hun vader als Hal. Ze hadden een lenige, pezige energie en souplesse in plaats van brute spierkracht.
Bethany's donkerrode haar kwam tot op haar schouders en haar gezicht was fraai en fijn gevormd. Haar glimlach had iets neerbuigends toen ze met afgemeten passen naar voren kwam en haar paard naar het dode beest leidde. 'Het leek erop dat jullie wel wat hulp konden gebruiken,' zei ze met amper verhuld vermaak. Net als de broers was ook zij bijna volwassen, maar ze had een jeugdige schoonheid die ze zelf niet scheen op te merken. Ze zou op het volgende Midzomerfestival negentien worden, net als Martin. Bethany en de twee jongens waren al sinds hun peutertijd bevriend. Haar vader was Robert, graaf van Cars en vazal van de vader van de jongens, heer Henry, hertog van Schreiborg. Ze was met haar een meter tachtig de langste vrouw in Cars en Schreiborg.
Martin fronste zijn voorhoofd. 'Ik dacht dat jij jagen zo saai vond?'
'Ik vind de meeste dingen saai,' zei ze lachend. 'Maar ik bedacht me vandaag over dat jagen en besloot jullie te komen opzoeken, stelletje pummels.'
Het lawaai achter haar wees erop dat de rest van de jachtgroep van de hertog naderde. Even later drongen er drie paarden door het kreupelhout en hielden de ruiters in toen ze de drie jonge jagers en de dode basilisk zagen.
De ruiter in het midden was hertog Henry, die de bijnaam Harry had gekregen omdat zijn vader ook al Henry heette. Hij grijnsde toen hij de twee jongens, en de dochter van zijn vriend, ongedeerd bij het gesneuvelde monster zag staan. Zijn gezicht was zonverbrand en verweerd, waardoor hij er ouder uitzag dan de negenenveertig zomers die hij telde, en in zijn donkere baard was wat grijs te zien. 'Wat zeg je daarvan, Robert?' vroeg hij aan de ruiter rechts van hem.
Robert, graaf van Cars, hield in. Zijn blonde haar was al op jonge leeftijd grijs geworden en leek in de middagzon bijna wit. Net als bij zijn metgezel was ook zijn gezicht zongebruind en tanig. Dat zijn dochter een even goede boogschutter was als elke man in het westen, verheugde hem. 'Ik geloof dat de pijl van mijn dochter de dodelijke was,' antwoordde hij. Toen betrok zijn gezicht. 'Maar in je eentje bij het kasteel wegrijden was het toppunt van domheid!'
De bossen rondom Schreiborg waren al generaties lang vredig, maar toch waren ze niet geheel ongevaarlijk. Hij zuchtte gelaten; Bethany was zijn enige kind, en ze was ontzettend verwend, waardoor ze tot zijn grote wanhoop soms ook koppig en onbezonnen was.
Bethany glimlachte om de ergernis van haar vader; ze was sinds het overlijden van haar moeder even vaak een doorn in zijn vlees als een zegen geweest. Omdat ze was opgegroeid in een huis vol mannen had ze een strijdlustige aard ontwikkeld. 'Ik verveelde me bij het geklets van de dames van Schreiborg.' Ze glimlachte en knikte naar de hertog. 'Niet beledigend bedoeld, heer, maar ik heb niet zoveel belangstelling voor borduren en koken, al heeft mijn moeder dat altijd betreurd. Ik had er genoeg van, dus besloot ik een beetje te gaan sporten.' Ze keek naar het dode schepsel. 'Hoewel deze sport wel vrij abrupt eindigde.'
'Ha!' zei de hertog lachend. 'En maar goed ook, vrouwe Bethany. Een gewonde basilisk is gevaarlijk. De meeste mensen zouden met een wijde boog om zo'n beest heen lopen.'
De spoorzoekers, drijvers en honden waren gearriveerd, en jachtmeester Rodney gebaarde dat ze het beest moesten oppakken.
'We hebben allemaal een aandeel gehad in het doden van de basilisk, vader,' zei Brendan, 'maar ik sta de eer af aan Bethany. Haar pijl heeft me gered van een verschroeide huid, durf ik wel te zeggen.'
Martin knikte instemmend, alsof het hem niet uitmaakte wie de prooi opeiste.
'Wat wil je ermee doen?' vroeg Robert. 'Opeten kan niet.'
De broers keken elkaar aan bij die oude, vaak herhaalde grap. De adel in het oosten joeg dan misschien voor de sport op de grote roofdieren, langs de Verre Kust waren ze alleen maar een ergernis, een gevaar voor kuddes en boerderijen. Doordat er al jaren paal en perk werd gesteld aan de populatie van grote katten, roedels honden en wolven en verwanten van draken zoals de basilisken, was indringing in de laaglanden nu zeldzaam geworden. De hertog joeg meestal op grote everzwijnen - zoals vandaag - en elanden in de uitlopers van de bergen, en op herten en reuzenberen in het bos.
'Zijn kop zou een schitterende trofee zijn voor aan de muur van mijn kamer, vader,' opperde Bethany, die haar boog over haar schouder hing.
Heer Robert keek naar zijn gastheer. Die schudde zijn hoofd en kon zijn lachen amper inhouden. 'Houdt ze niet van opsmuk?' vroeg de hertog.
'Zijde en geurolie, japonnen en schoenen zijn verspild aan mijn Bethany.' Robert wendde zich weer tot zijn enige kind. 'Hij komt in de trofeeënzaal van de veste te hangen, niet op jouw kamer.'
Martin maakte de kop van zijn everspeer schoon aan het lange gras en gaf het wapen toen aan een van de wapenlieden.
Brendan grijnsde. 'Als je bedenkt wat ze tijdens het laatste Midzomerfestival van Banapis droeg, geloof ik niet dat opsmuk helemáál niets voor haar is.'
Zelfs de meestal zo ernstige Martin moest hierom lachen. 'Kennelijk is je dat dus opgevallen.'
Nu was het Bethany's beurt om enigszins geërgerd te kijken, en ze kreeg een kleur op haar bleke wangen. Het was een slecht bewaard geheim dat iedereen verwachtte dat zij de volgende hertogin van Schreiborg zou worden als Henry's oudste zoon Hal eenmaal hertog werd. Officieel moesten al dergelijke verbintenissen in het Koninkrijk worden goedgekeurd door de koning, maar aangezien de hertog en zijn familie verre verwanten van het koninklijke huis van conDoin waren, hield het de zaken eenvoudiger als er geen sterke banden werden gesmeed tussen de edelen aan de Verre Kust en de machtige adellijke huizen in het verre Oosterse Rijk.
'Hoe gaat het met de jonge Hal?' vroeg Robert aan zijn gastheer.
Harry's gezicht verraadde zijn trots op zijn oudste zoon. 'Heel goed, volgens zijn laatste brief.' De jongere Henry studeerde aan de universiteit in het eilandkoninkrijk Roldem. 'Zijn leermeesters geven hem goede beoordelingen, zijn aanwezigheid aan het koninklijk hof is een eer voor ons huis, en hij verliest nooit veel als hij gokt. Hij schrijft dat hij van plan is mee te doen aan het Kampioenstoernooi.'
'Moedig,' zei Robert, die toekeek terwijl de drie jongelui hun paarden ophaalden en opstegen. 'De beste zwaardvechters in het land strijden om de titel van Kampioen van het Meestershof.'
'Hij is best aardig met het zwaard,' zei Martin terwijl hij naar zijn vader toe reed. Martin drukte dingen vaak zacht uit, soms vanuit zijn droge gevoel voor humor, soms vanuit zijn sceptische kijk op de wereld. Hij was altijd behouden in zijn lofuitingen of veroordelingen, liet maar zelden blijdschap of ongenoegen zien, en bleef meestal op zichzelf.
Brendan kon zijn geestdrift amper intomen. 'Hij is de beste zwaardvechter in het westen. Alleen Martin hier kan het Hal moeilijk maken. Volgens de familielegenden is hij even goed als onze voorouder prins Arutha.'
Brendan was de jongste en leek alleen maar op de wereld te zijn met één doel: om zijn broers te plagen. Hij was een blije zuigeling en een onstuimig kind geweest, die constant probeerde zijn twee oudere broers bij te houden. Hij lachte bijna altijd, en het kwam maar zelden voor dat hij niet de humor kon inzien van deze of gene situatie.
'Een legendarische naam,' zei de graaf met een beleefd knikje.
'Als hij nu alleen nog maar dat boogschieten onder de knie kon krijgen...' voegde Brendan er met een valse grijns aan toe. Dat wapen had Martin nooit goed gelegen, en hij gaf de voorkeur aan het zwaard.
Robert zag de broers naar elkaar kijken. Hij kende alle drie de zoons van de hertog al sinds hun geboorte en was gewend aan hun voortdurende rivaliteit. Als deze discussie doorging, wist hij, kon het een ruzie worden waarbij Martin tot Brendans valse genoegen steeds gefrustreerder raakte.
Omdat hij aanvoelde dat zijn zoons op het punt stonden een van hun vele confrontaties aan te gaan, riep de hertog: 'Dragers, neem de kop van dat beest mee naar de veste. We maken er een trofee van voor vrouwe Bethany!'
De frons van haar vader bracht weer een grijns op het gezicht van het meisje.
De hertog vervolgde: 'En jullie twee...' hij wees eerst naar Martin en toen naar Brendan, 'gedraag je, anders laat ik jullie nachtpatrouilles lopen langs de oostgrens.'
Beide jongens wisten dat hun vader geen grappen maakte, want ze hadden allebei meer dan één nacht doorstaan bij de nachtpatrouilles van het garnizoen, sjokkend door verraderlijke bossen in de bitterkoude duisternis. 'Ja, vader,' zeiden ze bijna in koor.
De jachtmeester zette zijn dragers aan het werk, en de edelen begonnen aan de rit terug naar de veste van Schreiborg.
Terwijl ze tussen de bomen door reden, op zoek naar het wildspoor dat hen terug zou leiden naar de weg naar Schreiborg, zei Bethany met een honingzoete stem: 'Jammer dat jullie geen everzwijn hebben gevonden, jongens.'
De broers keken elkaar aan, en heel even keek Brendan net zo zuur als Martin.
De maaltijd was feestelijk, ondanks de felle storm die zich buiten
opbouwde. Er hing een goede stemming dankzij het knapperende vuur
in de grote zaal, meer dan genoeg wijn, en het gevoel veilig te
zijn voor de razende weersomstandigheden. De gesprekken rond de
tafel waren voorspelbaar; de twee families waren goed bevriend en
hadden al talloze keren samen gegeten.
Jaren geleden was de formele tafelindeling al overboord gegooid. De twee vrouwen, hertogin Caralin en gravin Marriann, waren al snel bijna als zusters geworden en hadden steeds langs hun mannen heen moeten praten, totdat de hertog besloot dat gemak belangrijker was dan protocol.
Dus zat graaf Robert op de plek die traditioneel was voorhehouden aan de vrouw van de gastheer, terwijl zij op die van hem zat. Dit maakte de gesprekken tussen de twee mannen en de twee vrouwen gemakkelijker, en het ging er harmonieus aan toe.
De zonen van de hertog zaten aan de rechterzijde van de graaf, terwijl vrouwe Bethany links van haar moeder zat. Toen ze hun maaltijd grotendeels achter de kiezen hadden, gaf Brendan zijn broer een por met zijn elleboog. 'Wat is er?'
'Wat zou er moeten zij n?' vroeg Martin, die zijn voorhoofd fronste alsof hij zich aan de vraag ergerde.
Martins zure gezicht maakte Brendans grijns nog breder, alsof hij een mogelijkheid bespeurde om zijn broer weer te plagen. 'Of je wilt dolgraag horen wat moeder met gravin Marriann bespreekt, of er zit iets op Bethany's neus.'
Martin had inderdaad zijn hoofd in die richting schuin gehouden terwijl Brendan sprak, maar zijn blik keerde met een ruk naar zijn broer terug. De blik in die ogen had Brendan nog maar zelden gezien: een waarschuwing aan zijn jongste broer dat hij deze keer de grens te ver had overschreden. Toen hij nog klein was, rende Brendan altijd heel snel naar de rokken van zijn moeder als zijn broer zo'n gezicht trok, en later naar zijn vader ofbroer Hal.
Maar in plaats van woedend te worden, wat meestal op zo'n duistere blik volgde, dempte Martin alleen zijn stem en zei: 'Je hebt niets gezien.'
Die uitspraak stond zo bol van ingehouden woede en dreiging, dat Brendan alleen maar kon knikken.
Omdat hij aanvoelde dat er iets tussen zijn zonen speelde, zei hertog Harry: 'Als die storm nog erger wordt, zullen we de komende paar dagen veel werk hebben in het dorp.' Hij keek Martin aan. 'Ik wil dat jij op patrouille gaat naar het noorden en noordoosten, om te kijken hoe het met de dorpelingen daar is.'Toen wendde hij zich tot Brendan. 'En jij bent ook oud genoeg om een patrouille aan te voeren. Jij gaat naar het zuiden en zuidoosten.'
'Ik zou die dorpen op weg naar huis ook even kunnen aandoen,' bood graaf Robert aan.
'Blijf nog een paar dagen,' zei Harry. Met een warme glimlach keek hij naar zijn vrouw, druk in gesprek met de gravin, en voegde eraan toe: 'Ze missen elkaar enorm.'
'Dat is waar,' zei de graaf. 'Het lijkt wel alsof we steeds minder tijd hebben voor bezoekjes.'
Harry boog zich opzij en vroeg: 'Jij hebt nauwere betrekkingen met verwanten in het oosten. Wat heb jij gehoord?'
De graaf wist precies waar de hertog naar verwees. 'Weinig. Het lijkt wel of de mensen ineens voorzichtig zijn geworden en niets meer willen zeggen.'
Al bijna meteen na de stichting van het Westelijke Rijk van het Koninkrijk was er rivaliteit ontstaan tussen het westen en het oosten. Alles ten oosten van de kleine stad Malachskruis werd door de meeste burgers en de regerende Raad der Heren gezien als 'het echte Koninkrijk der Eilanden'. Het westen werd vaak beschouwd als een aanslag op de landsmiddelen, aangezien een groot deel ervan verlaten en bergachtig was. Erger nog, het werd bewoond door andere rassen dan mensen: dwergen, elfen, trollen, gnomen en de Broederschap van het Onzalige Pad. De beheerkosten waren hoog in verhouding tot de winst die de streek de Kroon opleverde, en het had bijna geen politiek voordeel om er te dienen. Werkelijke militaire en politieke vooruitgang werd geboekt door te dienen in het Oostelijke Rijk. Jagen op plunderende bendes gnomen of trollen was geen weg naar de promotie; dat gold wel voor strijden tegen Keshische plunderaars of schermutselingen tegen de Oosterse Koninkrijken.
'Ik reken erop dat jij met betrouwbaarder nieuws kunt komen dan wat we uit Krondor horen,' zei de hertog. 'Jouw familie is nieuw aan de Verre Kust, terwijl mijn huis...' Hij maakte zijn zin niet af.
De geschiedenis van het huis conDoin in Schreiborg was algemeen bekend. Een broer van de koning had de Verre Kust veroverd, ooit de uiterste grens van Groot Kesh, en dat in het Koninkrijk geannexeerd, waardoor het land in nog geen vijf jaar bijna tweemaal zo groot was geworden. Omdat hij gehecht was geraakt aan het gebied waar hij na de strijd was beland, had hij zijn broer overgehaald hem de Verre Kust te schenken en daarna de veste gebouwd waar ze nu zaten te eten.
Cars, het thuis van de graaf, was eigenlijk het belangrijkste centrum voor handel en commercie, omdat het gezegend was met een veel betere haven en precies in het midden van de kustlijn lag. Alle grondstoffen van de boerenbedrijven, mijnen en bossen die voor de export bestemd waren, vonden uiteindelijk hun weg naar de haven van Cars.
Graaf Roberts vader was als graaf aangesteld door Henry's grootvader, met de zegen van de koning, toen de vorige graaf was overleden en geen erfgenaam had. Aangezien de edelen in het oosten geen belangstelling hadden voor de landgoederen aan de Verre Kust, had niemand die aanstelling aangevochten. Meer dan eens had heer Henry overpeinsd dat hij, graaf Robert en Morris, graaf van Tulan, bijna een autonoom koninkrijkje op zich vormden. De belastingen die ze aan de Kroon betaalden waren bescheiden, de helft van wat de prins in Krondor kreeg, maar de verdiensten waren ook mager, dus werd de Verre Kust goeddeels genegeerd.
'Ik hoor wel geruchten,' zei Robert, die zich opzij boog. 'De gezondheid van de koning is slecht, volgens een betrouwbare neef van me. Ze zeggen dat er regelmatig genezingspriesters worden geroepen voor kwalen, die je bij de meeste mannen van zijn leeftijd mild zou noemen.'
Henry zuchtte en ging achteroverzitten. Hij pakte zijn beker wijn en nam een slok. 'Patrick was de laatste echte conDoin-koning, als je het mij vraagt. Degenen die na hem zijn gekomen, zijn net als zijn vrouw: wraakzuchtig en manipulatief, altijd bezig met samenzweren. Echte oostelijke heersers.' Hij zette zijn wijn neer. 'Maar als de koning zonder erfgenamen overlijdt, worden wij misschien wel in een conflict gezogen.'
Roberts gezicht betrok. 'Burgeroorlog, Harry?'
Henry schudde zijn hoofd. 'Nee, maar een politieke strijd in de Raad zou de troon een hele tijd leeg houden. En als dat gebeurt...' Hij haalde zijn schouders op.
'Een regent. Wie denk je dat de Raad zou aanstellen?'
'Dat is het nu juist,' zei Henry. 'Misschien moet je dat aan je verwanten in het oosten vragen, want ik heb geen flauw idee.'
De hertog pakte zijn bijgevulde beker op en dronk er langzaam, peinzend uit. Wat hij had gezegd over de laatste 'echte' koning kon een gevaarlijke opmerking zijn, als hij werd opgevangen door anderen dan zijn vertrouwde vrienden zoals Robert van Cars.
De conDoins waren het oudste geslacht van regenten in de geschiedenis van het Koninkrijk der Eilanden. Er waren op het eiland Rillanon lagere koningen geweest voordat deze dynastie ontstond, maar het was een conDoin geweest die als eerste de vlag van de Eilanden op het vasteland had geplant en Bas-Tyra had veroverd. Het waren conDoin-koningen geweest die een land hadden opgebouwd dat kon rivaliseren met Groot Kesh in het zuiden, die de lastige Oosterse Koninkrijken in bedwang hadden gehouden en een hechte relatie hadden opgebouwd met het eilandkoninkrijk Roldem.
Robert zag de peinzende uitdrukking op het gezicht van zijn vriend. 'Wat is er?'
'Roldem.'
'Wat is er met Roldem?'
Henry boog zich naar hem toe, alsof hij zelfs hier in het hart van zijn eigen domein bang was te worden afgeluisterd. 'Zonder erkende erfgenaam zijn er vele kandidaten voor de troon.'
Robert wuifde die opmerking weg. 'Jouw familie heeft meer verre neven en nichten dan er bijen in een korf wonen, maar er zijn er slechts een paar met koninklijk bloed.'
'Er zijn drie prinsen...'
'Zeven,' verbeterde Robert hem. 'Jij en je drie zonen behoren daar ook toe.'
Henry trok een grimas. 'Dankzij onze voorouder hebben we geen enkele aanspraak meer, behalve op Schreiborg.'
'Martin Langboog misschien, om een burgeroorlog tegen zijn broers te vermijden, maar dat was toen. Dit is nu. Er zijn veel leden van de Raad die jou een waardig kandidaat voor de troon zouden vinden als die behoefte zich zou voordoen. Zij zouden zich bij jou scharen.'
'Dat zijn boude beweringen, Robert. Volgens sommigen zouden ze misschien zelfs rieken naar verraad, maar ik heb geen belangstelling. Niet voor mezelf, en niet voor mijn zonen. Maar terug naar de feiten van nu. Er zijn drie neven die zouden kunnen wedijveren om de troon: Oliver, het neefje van de koning, is eigenlijk de eerste in de rij, maar hij is een telg van de zus van de koning en prins Michael van Simrick, en dat maakt hem in vele ogen een buitenlander. Montgomery, graaf van Rillanon, en hertog Chadwick van Ran zijn allebei verre neven van de koning.'
Robert leunde achterover en slaakte een diepe zucht. 'Het is jammer dat koning Gregory niet zo'n rokkenjager was als zijn vader. Patrick heeft een heel stel bastaarden voortgebracht voordat hij trouwde. Toch heeft hij wel één zoon.' De graaf zweeg even peinzend. 'Prins Oliver is een aardige jongen, en je hebt gelijk, hij heeft meer conDoin-bloed in zich dan wie dan ook. Bovendien is hij verloofd met Grace, een dochter van de hertog van Bas-Tyra. Sinds de oorlog met Tsurani, al meer dan honderd jaar, zijn de huizen van Bas-Tyra en conDoin twee handen op één buik.'
'Dat is een machtige groepering,' beaamde de hertog. 'Maar Gregory heeft Oliver nog niet tot zijn erfgenaam benoemd. Die jongen is al bijna twintig, en Gregory zal waarschijnlijk niet nog meer zonen krijgen, hoe hij en dat meisje met wie hij is getrouwd ook hun best doen.' Beide mannen grinnikten. Na de plotselinge dood van de koningin had de koning besloten met een meisje te trouwen dat amper een jaar ouder was dan zijn zoon. Ze was de dochter van een lagere hof edele, die door het voorspoedige huwelijk in rang was gestegen. De enige goede eigenschap van dat meisje was haar oogverblindende schoonheid, en men fluisterde dat ze de koning erg blij maakte, maar verder leek ze een nogal simpele ziel.
Het gonsde van de geruchten dat de gezondheid van de koning niet zo best was. Gezien zijn leeftijd, amper vijftig, en zijn korte bewind, slechts vijf jaar sinds het overlijden van zijn vader, was de kans op instabiliteit in het Koninkrijk nu groter dan in de afgelopen eeuw.
'Montgomery is geen factor,' vervolgde Robert. 'Hij is een rashoveling en zal alleen als kandidaat worden voorgedragen als uiterste redmiddel om een oorlog te voorkomen. Maar hij heeft geen status, geen groeperingen die hem steunen, helemaal niets. Hij is er alleen maar.'
'Alleen is hij wel de op één na oudste zoon van de zuster van de koning, en de meest naaste familie na Oliver.'
'Het is jammer dat zijn oudere broer niet meer leeft. Dat was nog eens een getalenteerde jongeman.'
Henry knikte zwijgend. De dood van Montgomery's oudere broer Alexander was altijd als verdacht gezien. Niemand sprak het hardop uit, maar zijn sneuvelen tijdens een aanval door Ceresische piraten had zowel zinloos als heel handig geleken. De piraten hadden een landgoed overvallen dat zwaar bewaakt werd, maar waar weinig van waarde te vinden was. Er waren wat snuisterijen gestolen, maar het enige opmerkelijke was de dood van de neef van de koning geweest, die op dat moment de belangrijkste kandidaat-troonopvolger was. Gelukkig was kort daarna Oliver geboren en leek het probleem van de erfopvolging opgelost.
'Denk je dat Edward een factor is?' vroeg Robert.
'Nee. Hij is alleen in naam een prins.'Henry lachte. 'En misschien zou hij wel een goede koning zijn, want hij wil de troon écht niet hebben. Hij regeert alleen in Krondor als gunst aan de overleden vader van de koning. Patrick en Edward waren net broers. Hij beschouwt Gregory als zijn neef en zal daar blijven totdat hij wordt vervangen. Ik weet zeker dat hij teruggaat naar zijn landgoederen in het oosten zodra Oliver naar het westen komt.'
'Dus als er geen erfgenaam wordt benoemd door de koning, en de koning overlijdt, wie zal de Raad dan steunen?' vroeg Henry. 'Dat is de vraag.'
Robert zuchtte diep, alsof hij zich ergerde. 'Alleen de goden weten het, denk ik. En heer William Alcorn.'
Henry grinnikte droogjes. 'Onze raadselachtige heer William.'
Beide mannen zwegen en dachten aan de genoemde man. Volgens alle geruchten een gewone soldaat uit de stad Rillanon, een geboren eilander die snel was opgeklommen naar de rang van Ridder-Kapitein en was aangesteld in de lijfwacht van de koning.
Maar toen de koning als jongeman naar de universiteit van Roldem was gestuurd, was Ridder-Kapitein William aangesteld als hoofd van het persoonlijke gevolg van toen nog prins Gregory. Twee jaar later keerde hij terug als heer William Alcorn, pas aangesteld persoonlijk adviseur van de troonopvolger. En nu, vijf jaar later, was hij de raadsman van de Koning der Eilanden.
'Hij schijnt geen voorkeur te hebben voor een bepaalde groepering.'
'Of hij speelt ze tegen elkaar uit om zijn eigen positie veilig te stellen.'
Robert zuchtte. 'Ze zeggen dat hij nu de machtigste man in het Koninkrijk is, ondanks zijn overdreven vertoon van bescheidenheid en nederigheid. De koning hangt aan zijn lippen, wat betekent dat een flink aantal heren in de Raad dat ook doet.'
'De perceptie van de waarheid bepaalt vaak wat de waarheid is,' merkte Henry op. 'Als hij wordt gevreesd om zijn macht, dan is het niet belangrijk hoeveel macht hij daadwerkelijk heeft, want de angst is reëel genoeg. En hoe vindt heer Jameson het dat zijn functie als Eerste Raadgever wordt overgenomen?'
Robert haalde zijn schouders op. 'Hij is nog altijd machtig, maar hij wordt ook een dagje ouder. Zijn zoon James de derde is vaardig, maar zijn kleinzoon, ook weer een James... dat is degene die we in de gaten moeten houden.'
De graaf knikte. Beide mannen hadden Jim Dasher ontmoet in zijn rol als heer Jameson, kleinzoon van de hertog van Rillanon.
'Wat is er bekend over Alcorn?'vroeg graaf Robert. 'Hij is door de rangen opgestegen, maar hij was amper de eerste gewone burger die dat is gelukt. Hertog James' grootvader was een gewone straatjongen, en volgens sommigen zelfs een dief. Maar deze heer William heeft geen specifieke titel; men zegt dat hij die allemaal weigert, hoewel hij zelfs hertog van Rillanon zou kunnen worden als heer James eenmaal aftreedt.'
Henry schudde somber zijn hoofd. 'De huidige hertog heeft misschien bezwaar; ik denk dat hij wil dat de rang overgaat op zijn zoon of kleinzoon. En heer James blijft een man die zich niet laat negeren. Eigenlijk houdt hij de Raad der Heren bij elkaar.'
'Nou,' zei graaf Robert, 'dat is allemaal voor ons hier aan de Verre Kust van weinig belang.'Toen glimlachte hij. 'Hoewel het wel interessant is.'
'Jij bent meer een politiek dier dan ik, Robert. Maar als je ervan uitgaat dat het van weinig belang is, dan neem je misschien aan dat alles zo zal blijven als in het verleden. En dat hoeft niet zo te zijn. Of de Kroon ons negeert of ons in de steek laat, dat zijn twee verschillende dingen. Als ik aan die mogelijke, sombere toekomst denk, ben ik blij dat ik hier in het westen vrienden heb zoals jij en Morris.'
'Ik blijf altijd je trouwe bondgenoot, mijn vriend.'
Op dat ogenblik haastte zich een doornatte soldaat naar binnen, naderde de tafel van de hertog en maakte een buiging. 'Heer, er komt een schip naar de haven.' Hij klonk buiten adem.
De hertog stond op. 'Met dit weer?'
'We hebben geprobeerd de kapitein te waarschuwen met rood flitspoeder in de vuurtoren, maar hij negeert ons en komt recht naar binnen!'
De hertog keek Robert aan. 'Reinman!' riepen ze allebei tegelijk.
'Alleen die waanzinnige vlucht voor een orkaan uit en denkt het te kunnen redden voordat zijn schip een halve mijl landinwaarts wordt gesmeten,' zei Henry. 'Kom, we gaan naar de toren.'Hij wenkte Robert mee, maar inmiddels waren de jongens en Bethany ook opgestaan.
'Vader,' protesteerde Martin, 'je ziet niets van zo hoog daarboven!'
'Als het Reinman is, en hij dat schip niet veilig kan afmeren in deze storm, dan valt er meer dan genoeg te zien,' antwoordde Henry. Hij liep de grote zaal uit naar de torentrap. Deze hoogste toren aan de voorzijde van de veste heette de Magiërstoren, want ooit had de voorvader van de hertog, heer Borric, die toegewezen aan een magiër en zijn leerling. Nu stond hij leeg, maar hij bood nog altijd het beste uitzicht naar het westen.
Bedienden kwamen aanhollen met oliemantels voor de hertog en zijn gevolg. Toen Henry en Robert boven aan de toren aankwamen, werden ze ingehaald door een hijgende page die hun elk een zware mantel overhandigde, gemaakt van canvas gedrenkt in zeehondenolie en met een stevige kap. Even later stonden de twee heersers van het land buiten, met hun gezicht in de striemende regen, in een poging iets te zien in de duisternis.
Terwijl de anderen zich achter hen verzamelden, moest graaf Robert schreeuwen om de wind te overstemmen: 'Zie je iets?'
Henry wees. 'Kijk!'
In het stadje Schreiborg waren de luiken gesloten tegen de storm, maar er was licht te zien rondom de randen van luiken, kieren langs deurposten, en van de lantaarns van mensen die zich naar de haven repten. Er werd alarm geslagen, wat vaag te horen was boven op de hoogste toren waar zij stonden .
In de verte was nog net de gloed te zien van de Langpuntvuurtoren, nog enigszins rood van het poeder dat op het baken was gegooid om het schip te waarschuwen dat het geen pogingen moest doen om de haven in te komen.
Bij zware storm voeren schepen door naar de landpunt, zeven mijl verderop langs de kust, en gingen daar voor anker in de beschutting van enkele hoge rotsen. In een storm als deze was het verstandiger om verder langs de kust te zeilen en om te keren als de wind afnam, of voor anker te gaan en de boeg in de wind te draaien.
Maar deze kapitein was geen gewone zeeman; eigenlijk was hij eerder, zoals heer Henry al had opgemerkt, een soort waanzinnige. Hij werd beschouwd als de beste kapitein in de Westelijke Vloot van de koning en was altijd de eerste die achter piraten aan of op gevaarlijke missies werd gestuurd.
'Het moet wel belangrijk zijn als Reinman de gok neemt om vanavond nog binnen te varen!' schreeuwde Martin, die achter zijn vader stond.
'Die stommeling!' antwoordde Robert. 'Hij slaat te pletter op de kade!'
In de regen en het donker stoof het schip langs de vuurtoren als een spookachtige schaduw, een skeletachtig ding in grijs en zwart dat werd verlicht door gele en witte weerspiegelingen van fakkels langs de golfbreker die naar de vuurtoren leidde. Terwijl het vaartuig de haven binnenvoer, werden ondanks de regen alle ramen en deuren van alle winkels langs de haven opengegooid. De burgers keken met open mond naar de gestoorde kapitein die met zijn schip op de verwoesting af koerste.
Plotseling verscheen er een bel van licht rondom het schip, die zich uitbreidde en bijna zo hel was als daglicht. Binnen die koepel van licht zagen ze ineens duidelijk de bemanning, woest met handbijlen inhakkend op het want, zodat de zeilen snel omlaag zouden komen.
'Verdomd!' zei de hertog zachtjes.