12

Ontsnapping

 


Jim Dasher rende.

Vier gewapende mannen zaten hem en zijn gids op de hielen, en hij wist dat als ze werden ingehaald, hij beslist dood zou zijn. Degene die hem achtervolgde was meedogenloos. Ze renden door de stegen en straten van Ranom, een deprimerend doorvoerhaventje aan de voet van de Trollenbergen in westelijk Kesh. Het plan was geweest om een schip te bereiken dat in de haven lag te wachten en dan naar Durbin te zeilen; dichter bij de grens kon een Keshisch vrachtschip niet komen. Jim zou vervolgens zelf moeten uitzoeken hoe hij van Durbin naar Nes kon komen, de dichtstbijzijnde Koninkrijkse stad. In stilte vervloekte Jim Kaseems agent aan boord van het schip waar hij gevangen was genomen; in plaats van de Tsuranese bol die Jim verstopt had eenvoudig te pikken, had die vent erin lopen porren met een mes omdat hij dacht dat het een of ander slotdoosje met hendeltjes was. Door zijn gepeuter was het ding stukgegaan. Nu kon alleen Jims eigen sluwheid hem terug krijgen achter de grenzen van het Koninkrijk.

Zijn gids gaf een ruk met zijn hoofd om aan te geven dat ze linksaf moesten, en ze schoten allebei een steeg in. De gids sprong plotseling naar een overhangend dak, en voordat Jim hem kon nadoen hing hij al aan de balken in de diepe schaduwen onder het dak, slechts een voet boven Jims hoofd. Jim wist precies wat er zonder woorden werd gezegd. Ze konden de moordenaars niet voorblijven, dus hadden ze geen andere keus dan te proberen achter hen te komen.

Even later kwamen de vier mannen de straat in, en niet voor het eerst was Jim bezorgd om hun geruisloze voortbewegen. Dit waren mannen die deden denken aan de legendarische Nachtraven, een sekte van demonen aanbiddende moordenaars. Jim had over hen gelezen in de memoires van zijn betovergrootvader Robert, de eerste Jameson, de legendarische Robbie de Hand van de Snaken.

Jim werd overvallen door een beklagenswaardig gevoel van noodlot toen hij aan de dakbalken hing te wachten tot de achtervolgers onder hem door renden.

Toen hij klein was had zijn vader James hem opgevoed als dienaar van de Kroon, zoals hijzelf Maar zijn oom Dasher, naar wie hij ook was vernoemd, en zijn oudoom Dashel vertelden jonge Jim vaak verhalen over Robert. Als kind had Jim er een tijdje op gestaan dat men hem 'Jimmyhand' noemde, en die bijnaam was blijven hangen. Meer dan eens had hij die te gelde gemaakt in zijn rol als Jim Dasher, eenvoudige dief en zakkenroller van de Snaken. Maar meer dan eens had hij ook geconcludeerd dat hij onderwijl verstrikt was geraakt in zijn eigen mythe, en dat hij zonder het te beseffen bezig was te concurreren met de geest van een dode voorouder. Maar alle goden, konden dit echt Nachtraven zijn?

Als dit inderdaad een wederopleving was van die lang dood gewaande bende moordenaars, dan was de situatie nog ernstiger dan Jim al had gedacht. Men dacht dat de Nachtraven zo'n tien jaar geleden waren uitgeroeid door Erik von Zwartheides speciale eenheid, de Prinselijke Wacht, in het reeds lang verlaten Kasteel Cavell. In stilte zagJim hen als kakkerlakken: je dacht dat je ze allemaal gedood had, maar ze bleven maar opduiken.

Diezelfde gedachte was door zijn hoofd geschoten bij het zien van de Pantathische Slangenpriester in de sloep. Volgens alle verslagen die hij had gelezen, waren ze jaren geleden uitgeroeid en was de geboortecrèche in hun ondergrondse hol in Novindus vernietigd. Alweer een nest kakkerlakken, blijkbaar.

De achtervolgers renden geruisloos onder hem door. Jim hield zijn adem in en hoopte maar dat ze niet in de gaten hadden dat ze slechts enkele duimen onder hun doelwit door liepen, anders zouden ze hem en zijn metgezel gemakkelijk kunnen doorboren; net zoals wanneer je met een puntige stok onder een fruitboom ging staan. Jim merkte dat zijn metgezel zich volkomen geruisloos op de grond liet zakken. Hij volgde, met brandende schouders en heupen van de inspanning van het stilhangen. Ik word te oud voor deze onzin, dacht hij. Zijn vader en grootvader begonnen allebei druk op hem te leggen om te trouwen en een rustiger leven te gaan leiden in dienst van de koning, en Jim begon er steeds meer van overtuigd te raken dat dat eigenlijk een uitstekend idee was. Niet voor het eerst overwoog hij Franciezka te vragen haar functie bij de Kroon van Roldem neer te leggen en samen op een eilandje te gaan wonen, waar ze konden eten, slapen en de liefde bedrijven.

De gids wenkte en Jim volgde, stilletjes door de duistere straten van de stad rennend. Via een doolhof van steegjes kwamen ze bij een onopvallende deur aan, die de gids opende.

Jim liep zonder aarzelen achter hem aan naar binnen en sloot de deur achter zich. 'Hier zijn we veilig,' zei zijn gids.

'Niet lang.'

'Jawel, ze komen terug, maar als ze geen magie hebben om ons op te sporen, dan zullen ze honderd deuren moeten uitproberen.'Toen hij op adem was gekomen, voegde hij eraan toe: 'De zon komt over een uur op. We kunnen proberen naar de haven te komen in de drukte als iedereen straks naar het werk gaat. Rust nu uit. Ik ga op zoek naar hulp om je de haven uit te krijgen. Als ik bij zonsopgang niet terug ben, dan betekent dat dat ik gevangen ben genomen of dood ben. Ga dan naar de haven en zoek een schip op dat de Mialaba heet; dat is het vaderland van de vrouw van de kapitein. Hij heet Nefu. Hij is te vertrouwen. Zeg maar dat je overtocht naar Durbin nodig hebt, dan zal hij je er veilig heen brengen. Vergrendel de deur zodra ik weg ben.'

Jim wuifde vermoeid met zijn hand om aan te geven dat hij het begreep, en de gids glipte de deur uit. Jim schoof de grendel ervoor en liet zich op een grote stapel textiel zakken.

Toen hij om zich heen keek, zag hij dat hij in de achterkamer was van een of ander bedrijf, zo te zien een kleermakerij. De eigenaar was er niet, en Jim was ervan overtuigd dat deze winkel een van Kaseems onderduikadressen in het stadje moest zijn.

Hij maakte het zich gemakkelijk, vastbesloten na te denken over de vreemde dingen die hij had meegemaakt sinds hij in Ranom was ontwaakt. Tijdens een relaas van enkele uren had Kaseem abu Hazara-Khan hem op de hoogte gebracht van wat er in dit land was gebeurd, waardoor deze oorlog nu zo plotseling uitbrak.

Volgens de woestijnman was het begonnen toen een paar edelen, die goed bevriend waren met een Keshische prins die Harfum heette en een verre neef van de keizer was, onverwacht waren opgestegen in de Galerij der Heren en Meesters. Dit soort nepotisme en vriendjespolitiek was niets nieuws in het Keizerrijk, en zolang het niet te opvallend en verstorend werd, maalde niemand erom. Het enige waar de Keshische edelen om gaven, was het behoud van hun eigen rang en privileges. De functies die aan die mannen werden toegekend waren niets bijzonders: het overzien van de belastingen in een verre provincie, de garnizoenen langs de zuidelijke grens met de Confederatie, de bouw van schepen, het opleggen van tarieven op goederen die per karavaan werden vervoerd. Niets in die functies wees op het opbouwen van een machtsbasis of het oprichten van een splintergroepering binnen de Galerij der Heren en Meesters, dus protesteerde er niemand.

Toen kwamen er geruchten. Een karavaan met bepaalde goederen werd omgeleid op verzoek van de pas aangestelde minister van een district. Een verzoek voor de bouw van een schip leek afkomstig te zijn uit een of ander vaag kantoor gelieerd aan de Keizerlijke Marine, maar niemand wist precies wie er goedkeuring gaf voor de aankoop. Het leek erop dat prins Harfums vrienden altijd wel ergens in de buurt waren als er vreemde dingen gebeurden, maar Kaseem kon geen duidelijk patroon vaststellen of overtuigend bewijs vinden dat hij aan zijn meester de Keizerlijke Kanselier of aan de keizer zelf kon voorleggen.

Daarnaast verborg de corruptie die normaal was in de bureaucratie van Kesh veel van wat er gaande was, aangezien er smeergeld werd betaald voor valse ladingsbrieven en er karavaanvracht werd afgetekend zonder inspectie. Rollen stof bleken scherpe, harde randen te hebben; urnen zaten vol met kruiden met stalen pijlpunten erdoorheen, en aardewerk was gemaakt van staal met neus- en wangbeschermers. Bogen werden gesmokkeld als handelswaar, zwaarden, schilden en pantsers als onbewerkt hout. Ijzererts bedoeld voor de Keizerlijke Wapenkamer in de ene stad werd omgeleid naar de smidse van een gepensioneerde zwaardenmaker in een andere stad. Als er honderd paarden werden besteld voor een garnizoen, kwamen er tachtig aan en werd het verschil wegverklaard met een paraafje op een document. Muilezels, ossen, paarden, gedroogde levensmiddelen, kratten voor voedsel, watervaten en tonnen - alles wat je nodig had voor een marcherend leger - zochten zich langzaam een weg door het Keizerrijk, allemaal op weg naar het zuiden. En dat was al meer dan twee jaar aan de gang voordat de spionnenmeester van Kesh er lucht van kreeg.

Tegen de tijd dat Kaseem in de gaten kreeg dat er iets niet klopte, was het al te laat. Zijn agenten begonnen te verdwijnen of raadselachtige rapporten in te dienen die destijds erg onduidelijk leken, en toen Kaseem eindelijk besefte dat zijn netwerk van informanten was aangetast, was het al veel te laat.

Terwijl Kaseem zich voorbereidde om Kesh-Stad te verlaten en onderzoek te doen naar wat hij vreesde dat er gaande was - hoogverraad in diverse lagen van de regering - begonnen de aanslagen. De eerste poging was gedaan door een van zijn meest vertrouwde agenten, de man die hij de leiding had gegeven over het gehele netwerk in Kesh-Stad en de omringende regio van het Overnse Diep. Dat betekende dat hij in Kesh-Stad niemand meer kon vertrouwen. Drie keer hadden gewapende mannen Kaseem tijdens zijn ontsnapping bijna vermoord, maar hij werd niet voor niets gezien als de meest listige man in Groot Kesh.

Kaseem had een snel paard genomen en was westwaarts naar Caralian gereden in plaats van noordwaarts naar zijn huis in de Jal-Pur. Elke weg vanuit Kesh-Stad die rechtstreeks naar de Jal-Pur leidde, zou in de gaten worden gehouden door huurmoordenaars, dus was het zijn voornemen geweest om eromheen te zeilen over de Bitterzee en dan door naar de haven van Ranom. Van daaraf zou hij naar het kamp van zijn vader rijden, in een van de vele woestijnoases, waar hij wist dat hij veilig zou zijn.

Alleen dankzij een heel merkwaardig toeval had een van de agenten die voor Kaseem uitkeek naar Koninkrijkse spionnenJim opgemerkt. Hij had het voor elkaar gekregen zich aan te sluiten bij dezelfde scheepsbemanning, als matroos, om een oogje op Jim te houden. Die 'matroos' was nu Jims gids hier in Ranom; hij heette Destan en was een man die Jim graag zelf in dienst zou hebben. Jim was er heel goed in om onopgemerkt te blijven, dus het feit dat Destan iets aan hem had gezien wat hem in zijn ogen verdacht maakte, moest hem een heel waardevolle aanwinst voor Kaseem maken.

Destan was in Hansulé gestationeerd om een oogje te houden op de waanzinnige mobilisatie die het Keizerrijk in de greep had, om te bepalen waar alle wapens en middelen naartoe gingen, dus voor hem was het een gelukkig toeval dat Jim aanmonsterde als matroos in dezelfde vloot. Toen hij Jim een bobbel in zijn hangmat zag controleren, had hij daar de kleine Tsuranese bol uit weten te peuteren. Vervolgens had hij er echter in gewrikt met een dolk in een poging het ding open te krijgen en had het alleen maar stukgemaakt. Maar dat was van ondergeschikt belang; op dat moment wist hij al dat Jim iemand was die zijn meester zeer beslist zou willen spreken.

Toen Jim had geprobeerd weg te komen, had Destan hem neergeslagen; een effectief middel om hem rustig te houden en het dek op te dragen terwijl alle andere mannen druk aan het werk waren. Aangezien hij Jim in zeildoek had gewikkeld, leek Destan gewoon een matroos die een last van de ene plek naar de andere verplaatste. Hij had Jim in een zeilkist gedumpt en was een halfuur later teruggekeerd om hem een verdovend middel toe te dienen.

Jim was wakker geworden hier in Ranom. Hij wist niet hoe hij daar vanuit Caralian zo snel was gekomen, maar concludeerde dat Kaseem zijn eigen voorraad van die Tsuranese toestellen moest hebben. Of mogelijk had hij een magisch equivalent, misschien een magiër die voor hem werkte en die anderen kon vervoeren zoals Magnus dat kon. Toen Jim dat onderwerp had aangesneden, had Kaseem vaag gedaan: als hij zo'n toestel bezat, dan bood hij het niet aan Jim Dasher aan om ermee terug te komen naar het Koninkrijk.

Kaseem had zijn eigen problemen, dat was duidelijk, en Jim was geroerd door zijn bereidheid om een van zijn gevaarlijkste tegenstanders te helpen. Heel even vond hij het ironisch: Franciezka en Kaseem waren de twee mensen die hem het meest waarschijnlijk uiteindelijk zouden vermoorden, maar juist in hen herkende Jim verwante zielen. Niet voor het eerst vond hij dat hij een heel vreemd beroep had gekozen.

In de uren waarin Kaseem abu Hazara-Khan zijn hele verhaal had verteld, was er een patroon duidelijk geworden, maar Jim had niets gevraagd en zwijgend geluisterd. Kaseem had uitgebreid uitgelegd hoe zijn eigen netwerk van agenten van binnenuit was gecompromitteerd en tegelijkertijd door krachten van buitenaf effectief was tegengewerkt en afgestompt. Hij gaf toe dat hij zoveel tijd had besteed aan het in de gaten houden van het Koninkrijk der Eilanden, Roldem en de Zuidelijke Confederatie, dat hij de interne politiek van zijn eigen natie had genegeerd. Hij was ervan uitgegaan dat de traditionele bloedige sport die ze in Kesh 'regeren' noemden, zou doorgaan zoals al eeuwen het geval was.

Iemand had daar gebruik van gemaakt; en uit de schaal van het verraad leidde Kaseem af dat de usurpatie van zijn netwerk misschien al wel vijf jaar aan de gang was.

Jims eerste vraag was de overweging wie er zou profiteren van een grootscheepse oorlog tussen het Koninkrijk en Kesh. Logisch gezien was dat niemand. Hij was wel zo pragmatisch geworden om toe te geven dat enige criminele activiteit onvermijdelijk was, hoewel hij had geprobeerd zijn Snaken ervan te weerhouden te veel kelen af te snijden. Als ze het al deden, dan alleen bij lieden die het min of meer verdienden. Hij dacht dat er altijd wel enig militair avontuur was, maar dat het in de hand moest worden gehouden omdat het Koninkrijk andere vijanden had om mee af te rekenen. Maar Kesh had niet te maken met een Broederschap van het Onzalige Pad met gnoombondgenoten aan de noordgrens, of een snelgroeiende stad van merkwaardige, heel machtige elfen die niet al te vriendelijk leken te zijn.

De Oosterse Koninkrijken lagen dichter bij de Eilanden dan Kesh en grensconflicten waren er altijd geweest, aangezien de Eilanden ooit alleen maar een groepje kleine koninkrijken in de Koninkrijkszee waren. Dus het waren de Eilanden die een nukkige groep buren in het gareel hadden gehouden. Hoewel door de Roldeemse aanwezigheid in Olasko de situatie de laatste tijd was gestabiliseerd tot een punt dat verslagen van Jims agenten in Miskalon, Salmarter en Ver Lorin alledaags en bijna saai waren geworden.

Al met al vond Jim oorlog een verspilling van middelen, vooral menselijke vaardigheden en talent, en probeerde hij het Koninkrijk erbuiten te houden. Oorlog betekende dat inlichtingen-netwerken en diplomatie hadden gefaald en veroorzaakte veel meer problemen dan je ermee oploste.

Sommige oorlogen waren gerechtvaardigd; de Tsuranese invasie van meer dan een eeuw geleden, en de invasie van het leger van de Smaragden Koningin in de tijd van zijn grootvader waren invallen geweest waartegen ze zich tot de laatste bloeddruppel hadden moeten verweren.

Maar dit?

Voor zover Jim kon bepalen was dit een nodeloze start van de meest grootscheepse oorlog die Midkemia had gezien sinds de aanval van de Smaragden Koningin, en die oorlog had een heel continent verwoest en het halve Koninkrijk in puin gelegd. Het was de laatste keer geweest dat Kesh stappen had ondernomen tegen het Koninkrijk, toen het zwak en kwetsbaar leek na de vernietiging van Krondor.

Maar sinds de magiër Puc beide partijen tot vrede had gedwongen...

Puc? Jim zuchtte. Hij had een moeizame relatie met de magiër en zijn Conclaaf der Schaduwen, maar Puc was in ieder geval betrouwbaar. En doordat hij de pleegvader was van Jims betovergrootmoeder, was hij ook verre familie.

Zoiets groots als dit moest met Puc worden besproken. Maar het was enigszins problematisch om van de plek waar Jim momenteel zat naar Tovenaarseiland te komen. Hij was ver in het noordoosten, te midden van wat waarschijnlijk een oorlogsgebied zou worden van drie naties: Kesh, het Koninkrijk en Queg. Weer vervloekte hij Destan in stilte omdat hij de bol had stukgemaakt; een van de vooraf ingestelde bestemmingen in het toestel was Pucs eiland geweest. Nu was Jim niet alleen gedwongen zich te redden uit wat ieder moment een dodelijke val kon worden, hij moest een weg zoeken naar een lastig te bereiken bestemming.

Hij overwoog verschillende opties, inclusief het stelen van een paard om naar Durbin te rijden. De meerderheid van wapens en mannen zou wel over zee worden vervoerd, maar dat sloot niet uit dat er ook troepen over land op weg konden zijn om het garnizoen in Shamata te versterken, en een solitaire ruiter op een droge, stoffige woestijnweg zou beslist aandacht trekken.

Nee, de beste optie was om per schip te gaan. Als zijn gids niet snel terugkeerde, zou Jim op zoek gaan naar de Mialaba en de man genaamd Nefu.

De tijd verstreek traag, en Destan keerde niet terug. Uiteindelijk zag Jim licht onder de deur door komen en hoorde hij zoveel geluiden op straat dat hij moest concluderen dat de dag was aangebroken.

Hij opende voorzichtig de deur en gluurde naar buiten. Op de straat waar het steegje aan grensde, zag hij mannen en vrouwen die zich voorbij haastten aan het begin van de werkdag. Net als in Durbin begon alles in deze warme stad vroeg, werd het rustiger op het heetst van de dag en trok dan aan het eind van de middag tot laat op de avond weer aan. Dit zou Jims beste kans zijn om naar de haven te komen en Nefu te vinden.

Maar eerst moest hij iets aan zijn uiterlijk doen. Jim droeg nog altijd zijn zeemanskleding en wist dat hij zou worden herkend zodra een van de mannen die hem eerder hadden achtervolgd een glimp van hem opving. Hij trok zijn hoofd weer naar binnen en sloot de deur. De kleermaker en zijn hulpen zouden ongetwijfeld ook straks komen, dus kon hij maar beter heel snel een vermomming in elkaar knutselen.

Toen hij de andere deur in de kamer opende, zag hij daar een vertrek waarin waarschijnlijk klanten werden ontvangen en waar het knip- en naaiwerk werd gedaan. Er hingen een stuk of vijf kledingstukken, en een ervan ving Jims blik. Het was een mantel van het soort dat de woestijnstammen in de Jal-Pur droegen, open aan de voorzijde en dicht te binden met een brede sjerp, met een bijbehorende stoffen hoofdkap. Jim had voldoende tijd in de woestijn doorgebracht om te weten dat je in de ijskoude nachten en hevige zandstormen goed gemaakte kleding nodig had. Dit zag eruit als de mantel van een koopman, maar geen rijke koopman. Als dit kledingstuk was gemaakt voor een klant die vooruit had betaald, dan zou de verdwijning ervan binnen de kortste keren worden opgemerkt. Als het een voorraadartikel voor in de winkel was, om te verkopen aan een toevallige passant, dan misschien minder snel. Hij bekeek gauw de andere kledingstukken, deed ze af als ongeschikt en nam zijn besluit.

Hij trok zijn hemd uit, een eenvoudig wit linnen kledingstuk met een open kraag en korte mouwen, en koos een beter gemaakt rood hemd dat mooi zou passen bij het donkerblauw van de mantel. De grijze flanellen broek die hij droeg zou moeten volstaan.

Aan zijn riem hing de beurs die hij had teruggekregen van Kaseem. Jim haalde er een paar munten uit, schattend hoeveel hij na wat onderhandelen voor de kleding zou moeten betalen, en liet daarbovenop nog eens de helft achter, op een plek waar de winkeleigenaar het zou vinden. Hij hoopte dat de zilveren munten de man het idee zouden geven dat een van zijn hulpen de kleding had verkocht maar was vergeten het geld op te bergen; of hem in ieder geval minder reden zouden geven om de stadswacht te roepen. Aangezien de wachters hier net zo corrupt en onbetrouwbaar waren als in elke andere havenstad in het Keizerrijk, dacht Jim dat hij een goede kans maakte om de stad uit te zijn voordat er alarm werd geslagen.

Hij trok snel het hemd en de mantel aan, liep terug naar de achterkamer en gluurde naar buiten. Het tempo van de stad versnelde toen hij het steegje in glipte. Doelgericht liep hij naar de hoek en mengde zich in de drukte. Terwijl hij naar de haven liep, keek hij om zich heen en vond wat hij zocht: een schoenmaker. De winkel was net opengegaan, en de eigenaar begroette hem toen hij binnenstapte. 'Goedemorgen meneer, wat kunnen we voor u doen?' .

'Laarzen,' antwoordde Jim in de taal van de woestijnmannen.

De schoenmaker keek hem niet-begrijpend aan, en dus herhaalde Jim het woord in het Keshisch met een zwaar accent, zodat het leek alsof hij niet bijzonder vloeiend was in die taal.

'Ik maak de beste laarzen in het Keizerrijk,' beweerde de man, die langzaam en luid sprak, alsof Jim hem dan gemakkelijker zou begrijpen. Hij gebaarde dat Jim op een bankje moest plaatsnemen, zodat hij zijn voeten kon opmeten.

'Nee, nu laarzen,' zei Jim.

De man verontschuldigde zich. 'Ik heb geen laarzen klaarstaan, meneer. Elke voet heeft een andere maat, dus heb ik ongeveer een week nodig om het leer te meten, te snijden en te vormen, begrijpt u.?'

Jim wees naar zes paar laarzen op een schap achter de man, 'En die?'

'Dat zijn door klanten bestelde exemplaren,' zei de laarzenmaker, maar er schoot een berekenende uitdrukking over zijn gezicht. 'Maar misschien...'

Jim gooide zijn leren beurs op de toonbank. Het geluid van de munten was onmiskenbaar.

'Even naar de maat kijken...'

Tien minuten later verliet Jim de winkel met zwartleren laarzen die hem bijna perfect pasten; ze waren een pietsje te klein, maar het leer zou wel oprekken als hij ze een tijdje droeg.

Na een laatste tussenstop bij een wapenhandelaar beende hij over straat. Hij leek zoveel op een woestijnruiter uit de Jal-Pur als onder de omstandigheden mogelijk was. Hij sprak de taal vloeiend en accentloos en wist genoeg over die streek om de meeste mensen die hem niet kenden te bedotten. Hij droeg zijn hoofdkap zoals de mensen van de Jal-Pur, met de lap voor de neus en mond losjes opzij, zodat die binnen enkele tellen kon worden vastgemaakt als er een zandstorm opstak. Het was net voldoende om zijn gezicht wat te verhullen zonder dat het er opzettelijk uitzag.

Hij maakte zich zorgen. De vier moordenaars hadden hem niet alleen gekend, een van hen kende hem zelfs goed: Amed Dabu Asam was zijn meest vertrouwde agent in de streek geweest totdat hij had geprobeerd om Jim te vermoorden.

De vier waren opgedoken binnen enkele uren nadat Destan Jim naar Kaseems onderduikadres had geleid. Heel toevallig waren ze gewaarschuwd dat er iemand voor de deur stond: een zacht gekraak van hout toen iemand een voet verkeerd neerzette. Dat gekraak had het verschil betekend tussen leven en dood. Jim, Destan en Kaseem hadden zich met wapens in de aanslag teruggetrokken in een geheime kamer. Een paar tellen eerder en ze zouden zijn verrast.

De onthulling dat Amed niet langer te vertrouwen was, wierp een nog duisterder schaduw op de gebeurtenissen die zich ontvouwden. 'Als Amed een verrader is, dan is er niemand meer in mijn organisatie die ik volledig kan vertrouwen,' had Jim verzucht.

'Ik ken dat gevoel,' had Kaseem daarop geantwoord. 'Sommige mannen die mij probeerden te vermoorden, hadden nog voor mijn vader gewerkt.'

De twee leiders van de rivaliserende inlichtingendiensten hadden gezworen terug te keren naar hun eigen hoofdsteden om de verraders op te sporen. Ze hadden ook allebei gezworen dat alle activiteiten die ze tot dan toe tegen elkaar richtten, zouden worden opgeschort totdat het brein achter deze waanzinnige oorlog en al het verraad was ontmaskerd.

Kaseem moest naar het kamp van zijn volk en de schijn wekken dat hij zich ingroef voor een lang beleg. Hij had een neef die opmerkelijk veel op hem leek, en met een paar kleine veranderingen aan diens uiterlijk zouden eventuele spionnen of verraders die hem tegenkwamen denken dat ze de voortvluchtige prins uit de woestijn zagen. Terwijl zijn neef hun blik op de woestijn gericht hield, zou Kaseem in vermomming een schip naar Kesh-Stad nemen.

Jim moest naar Tovenaarseiland zien te komen om met Puc te overleggen.

Hij bereikte zonder problemen de haven en aarzelde daar even. Er lagen minstens tweehonderd boten en schepen aan de kades of voor anker in de haven; veel meer dan gebruikelijk op deze plek. Gezien de huidige omstandigheden op de Bitterzee nam Jim aan dat een aantal ervan hier lag omdat de eigenaren niet veel trek hadden om over water te zeilen waar drie vijandige vloten rondvoeren.

Aangezien er weinig lading aan land kwam of naar wachtende schepen werd gebracht, stond de kade vol met stuwadoors op zoek naar werk. Terwijl Jim langsliep, keek een enkeling hem hoopvol aan, denkend dat hij misschien een scheepseigenaar of agent was.

Hij keek om zich heen. Vlak bij een van de grote straten die kruiste met de kade hing een bende straatjongens rond bij een fruitkraam, ongetwijfeld in de hoop een sappige peer of pruim te kunnen bemachtigen als de verkoper even niet oplette. Daar was weinig kans op, want de man hield één oog op het stelletje ongeregeld terwijl hij passerend publiek toeriep hoe goed zijn fruit was.

Jim stak discreet een koperstuk omhoog, totdat een van de jongens het opmerkte. Hij keek opzij om te zien of zijn kameraden het ook hadden gezien, en toen dat niet het geval bleek, draafde hij naar Jim toe en bleef staan op een afstand waardoor hij buiten bereik zou kunnen springen als Jim probeerde hem kwaad te doen. Maar Jim vroeg alleen: 'Mialaba?'

De jongen wees zwijgend naar het uiteinde van de kade. Jim gooide hem het koperstuk toe en liep weg. Achter aan de haven lagen boten van verschillende afmetingen, maar geen vrachtschepen. Het leken allemaal vaartuigen voor de korte afstand. Sloepen en ondiepe roeiboten lagen klaar om lading en passagiers naar de voor anker liggende schepen te brengen, en een paar vissers van naburige dorpen losten hun vangst van de vorige dag.

Jim liep snel door, maar niet zo snel dat hij aandacht trok. Hij voelde zijn 'narigheidsknobbel' opspelen, een benaming voor een gevoel dat er gevaar dreigde, die hij had overgenomen van zijn voorvader Robbie de Hand. Dat irritante gevoel had hij al de hele tijd in deze stad.

Terwijl hij over de kade liep, kreeg hij eindelijk een kleine logger met twee masten in zicht. Een matroos was op de boeg bezig met touwen en Jim riep omhoog: 'Mialaba?'

'Ja,' zei de matroos, die nauwelijks de moeite nam om op te kijken.

'Nefu?'

De man stond op en liep naar de achtersteven. Even later keerde hij terug met een tweede man, die vroeg: 'Zoek je mij?'

'Als jij Nefu bent.'

'Ja.' Hij was een man van minstens vijftig zomers, met een tonronde borst en een kalend hoofd met een randje haar dat zo wit was, dat hij als jongeman blond of rossig moest zijn geweest. Zijn huid was verweerd en gegroefd en hij oogde alsof hij eigenlijk een stoel ergens in een hoekje van een bier huis in de haven zou moeten bezetten. Maar zijn ogen leken wel blauwe dolken toen ze naar Jim keken, en Jim twijfelde er niet aan dat die 'oude' armen en benen sterk waren van jarenlang hard werken. En als hij voor Kaseem werkte, dan ongetwijfeld ook jaren van vechten.

'We hebben een gezamenlijke vriend. Hij zei dat ik je moest opzoeken.'

'En wie mag dat wel zijn?' vroeg Nefu, terwijl zijn bemanningslid zijn best deed om de indruk te wekken dat hij niet aandachtig meeluisterde.

'Destan.'

'Zegt me niks.' Nefu's hand ging naar zijn riem, waarin ongetwijfeld minstens één dolk zat.

'Kaseem,' zei Jim op gedempte toon.

'Kom dan maar aan boord.' Nefu liet zijn hand zakken.

Zodra Jim aan boord was, leidde Nefu hem naar een kajuitstrap achterin, die omlaag leidde naar een tussendek. Jim was al eerder op dit soort loggers geweest en wist dat dit de ruimte voor de bemanning was. Op lange reizen sliep hier minstens twaalf man, of minder als ze langs de kust bleven en 's nachts in een haven aanlegden. Aan de achterzijde zouden de hutten van de kapitein en stuurman liggen. Er was geen kombuis op een boot van deze grootte; het koken werd op een brander aan dek gedaan, wat betekende dat als het slecht weer was, de bemanning niets warms te eten kreeg.

Jim volgde Nefu naar zijn vertrek, amper meer dan een bed met lades eronder en een klaptafel voor zeekaarten. Aan een ketting boven de tafel hing een lantaarn en in de hoek stond een kist voor alles wat de kapitein niet in de twee lades onder zijn bed kwijt kon.

Nefu ging op de enige zitplaats zitten, een driepotige kruk die net iets te laag was voor bij de tafel, en vroeg: 'Zo, en wat kan ik voor je doen?'

Jim dacht na over wat hij zou zeggen en besloot dat hij de waarheid moest vertellen, hoewel hij nog niet precies wist in hoeverre. Uiteindelijk zei hij: 'Kaseem heeft me hierheen gestuurd, met Destan als gids. We werden achtervolgd, en hij zei dat als hij bij zonsopgang niet terug was, ik hierheen moest gaan en naar jou moest vragen.'

Nefu zweeg een tijdje. 'Wie zaten er achter jullie aan?' vroeg hij uiteindelijk.

'Dat weet ik niet,' antwoordde Jim langzaam, terwijl hij de oude zeekapitein in de ogen keek.

Na nog een moment van stilte zei de kapitein: 'Maar je hebt wel een idee.'

'Ja,' bevestigde Jim. 'Misschien ben ik gek, maar ik denk dat ze deel uitmaakten van een groep die al jaren niet meer gezien is. De Nachtraven.'

De kapitein slaakte een diepe zucht. 'Waarheen?'

'Ik moet naar Tovenaarseiland.'

'Onmogelijk. De Queganen patrouilleren tussen hun ellendige eiland en Nes, en Keshische oorlogsschepen patrouilleren langs de kust van hier tot aan Nes. De Koninkrijkse Marine zit daar vast, maar af en toe sturen ze snelle schepen naar buiten om de agressie van Kesh af te straffen.'

'Is er nog nieuws?' vroeg Jim.

'Niet veel, maar de geruchten steken de kop op als bloemen in de woestijn na een regenbui.' De kapitein hees zich overeind. 'Als we die tocht naar Tovenaarseiland willen maken, moeten we nu meteen vertrekken.'

'Ik dacht dat je zei dat het onmogelijk was.'

Nefu glimlachte, en plotseling vielen de jaren van hem af. Er verscheen een glans in zijn ogen. 'Ik zei dat het onmogelijk was, niet dat ik het niet kon. Wacht hier.' Hij draaide zich om en vertrok.

Voor het eerst in weken moest Jim lachen. Als Kaseem deze smokkelaar niet al in dienst had genomen, dan zou hij hem rekruteren voor zijn eigen Snaken.

Aangenomen natuurlijk dat er nog een Dievengilde bestond tegen de tijd dat hij terugkeerde in Krondor.

Aangenomen dat er nog een Krondor bestond om naar terug te keren.