21
Verraad
Er werd op de deur gebonsd.
Het was midden in de nacht, maar Hal en Ty stonden allebei al met getrokken zwaard naast hun bed voordat ze helemaal wakker waren.
Ty opende de deur en zag er een dienaar met een lantaarn staan. 'Haast u. Mijn meesteres verzoekt u zich aan te kleden en onmiddellijk te komen,' zei de man.
Beide jongemannen deden snel wat hun gevraagd werd. Binnen enkele ogenblikken waren ze aangekleed, hadden ze hun wapens omgegespt en liepen ze door de gang achter de dienaar aan.
Vrouwe Franciezka droeg een leren broek, een dik wollen hemd, een mantel en een paar stevige leren laarzen. 'Kom,' zei ze, en ze leidde hen de trap af.
Toen ze de voorzijde bereikten van het grote landhuis waarin ze nu al een week te gast waren, hoorden de jongens gebons op de voordeur en een mannenstem die riep: 'Doe open in naam van de koning!'
Ze haastten zich naar de achterkant van het huis, en vrouwe Franciezka ging hen voor naar een trap naar de kelder. Het gebons op de voordeur werd dringender toen ze beneden aankwamen. Ze wees naar een schap. 'Dat is een valse plank. Schuif hem naar rechts, dan komt de kast naar voren. Erachter zit een schuilkamer. Wacht daar tot ik terugkom.'
'En als u niet terugkomt?' vroeg Ty.
'Dan staat het er een stuk slechter voor dan ik dacht. Als ik morgen niet terug ben, probeer dan naar je vaders restaurant te komen. Hij weet wel wat hij moet doen.'
Ze haastte zich de trap weer op, en de jongens hoorden boze mannenstemmen.
'Op wiens gezag...' De stem van vrouwe Franciezka vervaagde toen ze wegliep.
Ty en Hal verschoven de plank met gemak en vonden de verborgen kamer erachter. Ze gingen naar binnen, staken een kaars aan en sloten de kast achter zich. Binnen stonden alleen een bed, een kruk en een tafel. Hal ging op de kruk zitten, en Ty op het bed.
Ze bleven zwijgend zitten. Na een paar minuten hoorden ze het gedempte klossen van laarzen op de keldertrap en een paar onverstaanbare stemmen van de andere kant van de muur.
De doorzoeking van de kelder duurde ongeveer tien minuten, toen hoorden ze weer voetstappen op de houten trap en uiteindelijk stilte.
Hal stak zijn hand op en zei geluidloos: 'Wachten.'
Er verstreek een minuut van stilte, toen hoorden ze ineens heel zachte geluiden van beweging en een nog zachter gekraak van traptreden.
'Eén man achterlaten om te kijken of er niemand verstopt zat, dat zou ik ook hebben gedaan,' fluisterde Hal.
Ty glimlachte. 'Sluwe rotzak.'
'Wat denk je dat er aan de hand is?' vroeg Hal.
Ty haalde zijn schouders op. 'Zeg jij het maar.'
De avond verstreek langzaam en ze speelden 'even en oneven' om te bepalen wie het bed kreeg. Ty won, dus Hal moest genoegen nemen met de stoel. Hij legde zijn voeten op het tafeltje en werd beloond met een nacht van dommelen en proberen niet van de stoel te vallen.
Ze waren allebei wakker toen de valse muur ineens open zwaaide en vrouwe Franciezka daar stond, met een dienaar naast haar die een lantaarn vasthield. 'Jullie kunnen nu wel naar buiten komen.'
'Vrouwe, wat was dat?' vroeg Ty.
'Ik moest opdraven in het kasteel.' Ze leidde hen naar boven en terug naar de keuken aan de achterzijde van het huis. 'Jullie zullen wel honger hebben.'
'Altijd,' zei Hal lachend. 'Vader zegt dat ik zo vet wordt als een varken als ik niet in beweging blijf.'
'Ja, dank u,' zei Ty.
Er werd eten en een pot hete Keshische koffie opgediend. 'Geniet ervan,' zei ze, wijzend naar de dampende zwarte vloeistof terwijl ze zichzelf een kom inschonk. 'Zoals het nu gaat, kan koffie over een paar weken wel eens lastig te krijgen zijn.'
'Wat is er voor nieuws?'
'Ik ben ontboden door heer Worthington.'
'Worthington?' zei Hal. 'Klinkt als een naam van de Eilanden.'
'Onze naties hebben nauwe banden. Zijn voorouders kwamen van de Eilanden, maar hij is lagere adel uit Roldem. Heel laag.' Ze slaakte een geërgerde zucht. 'Hij is een omhooggevallen maar heel ambitieuze kerel die in de verte verwant is aan een paar belangrijke edelen. Al geldt dat laatste eigenlijk voor zo ongeveer iedereen met een titel op dit eilandje dat we ons thuis noemen.
Maar in de afgelopen vijf jaar is hij snel opgestegen en heeft hij heel veel invloed gekregen. Ze zeggen dat hij vele stemmen in zijn zak heeft in de belangrijkste maatschappelijke kringen, en dat hij bovendien vrienden heeft in het Huis der Edelen. Ze zeggen ook dat hij er erg op gebrand is dat prinses Stephané met zijn zoon trouwt.'
'Ambitie is op zich geen slechte eigenschap,' zei Ty, 'maar waar haalt hij desondanks het lef vandaan om u te ontbieden? Ik bedoel, voor zover ik weet staat u zelf ook erg dicht bij de koning.'
Ze keek Ty met samengeknepen ogen aan. 'Er zijn niet veel mensen die dat weten, en ik raad je aan het zo te laten. Officieel ben ik een lagere hofdame, soms hofdame van de prinses, en ik leef van de erfenis van mijn rijke vader. Ik weet dat ik als begerenswaardig word gezien,' ze stak haar hand op, 'en nu geen kinderachtige vleierij alsjeblieft. Ik ben niet in de stemming, ik heb er geen tijd voor en jij bent er niet goed in, Ty. Je vader, ja, die kon de vrouwen inpalmen, heb ik gehoord, al is dat meer een verhaal voor een andere keer.
Maar goed, heer Worthington heeft geen idee wie ik echt ben, en dat wil ik zo houden. Ik heb veel ambitieuze heren zien komen en gaan, vooral toen de prinses in de "als ik drink hou ik van iedereen"- fase van haar jonge leven was. De lijst van vrijers voor de prinses is onvoorstelbaar lang, dus normaal gesproken zou ik verwachten dat heer Worthington een paar dagen, of misschien een paar maanden, zou doorbrengen in het licht van de koning om vervolgens weer in de schemer op te gaan, maar dit zijn geen normale tijden.' Ze haalde diep adem. 'Voor de duur van de noodsituatie is heer Worthington op bevel van de koning aangesteld als Kanselier van Roldem, met buitengewone macht.'
'En de oude Kanselier dan?' vroeg Ty.
'Ineens met pensioen gegaan, kennelijk, en hij heeft nooit de macht gehad die Worthington nu heeft.'
'Verdenkt u hem van...'
'Ik verdenk nu iedereen, behalve jullie twee, en alleen omdat,' ze wees naar Hal, 'er voor jou iemand instaat die ik volkomen vertrouw en,' ze wees naar Ty, 'omdat ik jouw vader al bijna mijn hele leven ken. Ieder ander is nu verdacht.'
Ty hoorde iets in haar stem. 'Wat is er aan de hand?'
'Worthington heeft een staat van beleg afgekondigd.'
De twee jongemannen keken elkaar even aan. 'Met de Keshische vloot die voor anker ligt bij de haveningang is dat niet geheel onredelijk,' zei Hal.
'Wel nu Kesh liefdesgedichten stuurt aan Roldem en zegt dat ze zich alleen maar met de Eilanden bezighouden. Het zorgt voor frictie en zaait angst en paniek waar dat niet nodig is. Bovendien heeft Worthington het paleis afgesloten. Niemand komt erin of eruit zonder toestemming van de Kanselier.'
'Betekent dat dat de koning en zijn familie...' begon Ty.
'In essentie gevangen zitten in hun eigen vertrekken in het hart van het paleis. Niemand kan bij hen komen zonder toestemming van de Kanselier.'
'En keurt de koning dit goed?'
Vrouwe Franciezka's blauwe ogen fonkelden. 'Hoe moet ik dat weten? Niemand kan bij hem komen om het hem te vragen, behalve met het zegel van Worthington op een pasje.'
'En Constantijn en Albér?'
'Die zitten op hun schepen, voor anker in de haven, onder "bescherming" van de eigen marine van de koning.'
'Grandy?' vroeg Ty.
'De jonge generaal wordt vermist,' zei ze glimlachend.
'U weet waar hij is!'Ty keek verheugd.
'Nee, maar ik denk van wel, en ik zal over een paar dagen weten of ik gelijk heb.'
'En de prinses?' vroeg Hal. Ty wierp hem een blik toe.
'Bij haar vader en moeder,' antwoordde vrouwe Franciezka. 'Laat mij me maar zorgen over haar maken. Ik heb wel gezien hoe jullie paradeerden als pauwen toen jullie aan de koninklijke familie werden voorgesteld. Zij is de meest gewilde jonge hen in Roldem, rond de hele Koninkrijkszee, en ik ben niet van plan jullie romantische idioten dichter bij haar te laten komen dan Worthingtons zoon. Zij gaat trouwen met de volgende koning der Eilanden, of anders met de hoogste hertogszoon die ik kan vinden.
Deze oorlog toont aan dat Kesh zijn spierballen weer oefent. Als de Eilanden het willen overleven, moeten ze weer één geheel worden, en snel ook. Kesh zonder Eilanden betekent uiteindelijk het einde van Roldem. Zo simpel is het.'
Ze stond op. 'Eet nog zoveel je wilt, en ga dan rusten. Ty, ik wil dat jij na het ontbijt naar je vader gaat. Kijk of alles goed is en vraag wat hij van Jommy, Servan, of wie er verder misschien ook is nieuws over prins Grandy heeft gehoord, maar wees discreet. Zorg dat niemand je hoort, en ik bedoel echt niemand; geen vrienden en ook geen vertrouwde personeelsleden, hoe lang ze ook al voor jullie werken. Hal, jij blijft nog één nacht hier. Dat zou wel veilig moeten zijn.'
'En dan?'
'Dan verplaatsen we je. Iemand wil je dood of gevangen hebben, dat staat vast, en mijn mannen hebben geen idee wie het is. Die kerels die je aanvielen, kennen wij niet; het zijn geen agenten van Kesh, de Eilanden, of enige andere plek dat wij weten. Het zijn ook geen plaatselijke schurken die zich verhuren. We hebben het iedereen gevraagd die we konden bedenken en ontdekt dat ze de stad in zijn gekomen per schip, net voordat de oorlog uitbrak.'
Hal wist niet wat hij moest zeggen, dus ging hij maar achteroverzitten. 'Goed dan.' Even later vroeg hij: 'Hebt u hier iets te lezen voor me? Het is saai om alleen in een kamer te zitten.'
'Ik heb boeken.' Ze keek hem aan. 'Wellicht moet ik mijn mening over jou herzien, jonge heer uit de wilde grensgebieden. Er zit misschien toch meer aan jou vast.'
Toen zij opstond, stonden de jongemannen ook op en maakten een buiging. Daarna gingen ze weer zitten om hun maaltijd voort te zetten.
'Zij is me wat,' zei Hal uiteindelijk.
'Mijn vader zei een keer dat ze gevaarlijk was. Ik denk dat hij wist waar hij het over had.'
Hal krabde aan zijn wang. 'Hebben we ons echt aangesteld als pauwen?'
Ty grijnsde vals. 'Jij wel. Ik was een perfecte heer.'
Hal pakte een linnen servet en smeet het naar hem toe.
Sandrina reed met drie andere ridders over de handelsweg van Durbin
naar Nes. Zoals verwacht waren ze sinds hun vertrek uit Durbin drie
keer staande gehouden door Keshische troepen op weg naar het
Koninkrijk. Haar positie als ridder-adamant van de tempel gaf haar
een bepaalde carte blanche als het aankwam op reizen door
dergelijke conflicten. Geen enkele natie wilde de vijandschap van
een tempel over zich afroepen, vooral niet een tempel met zo'n
machtige en invloedrijke krijgsorde als de Tempel van Dala. Als het
nodig was, als hij vond dat één van beide partijen domineerde, kon
grootmeester Creegan meer dan vierhonderd ervaren ridders oproepen,
een leger dat vele veldslagen zou kunnen beslissen. En op het
ogenblik leek het er beslist op dat de Keshiërs de overhand
hadden.
Het enige wat Sandrina deed, was eventuele Keshische officiers die haar reizen wilden bemoeilijken laten weten dat de hogepriester van Dala in Kesh persoonlijk een goed woordje deed bij de keizer om de vijandelijkheden te staken en de tempel een rol te laten spelen bij het oplossen van verdere conflicten.
Deze keer stond ze voor een ander soort hindernis: een heel legioen Keshische soldaten, niet de traditionele hondsoldaten van de noordelijke compagnie, maar een keizerlijk legioen. Ze bestonden uit een kamelen- en paardencavalerie, belegeringsmachines, een bagage-karavaan die zich uitstrekte over twee dagmarsen, kampvolgers en kooplieden in bijna even grote aantallen als strijders. Allemaal liepen ze kriskras over het pad van de karavaan, en de bevelvoerder wilde liever niemand, om wat voor reden dan ook, de grens over laten.
Met een geërgerde blik om de verstoring was de bevelvoerder uit zijn tent gekomen en keek hij naar de vier ridders-adamant die te paard zaten. Hij was het ideale voorbeeld van een Keshische legioen-commandant. Zijn pantser was glimmend zwartgelakt en op zijn helm stond een pluim van roodgeverfd paardenhaar. Hij droeg een zwart kuras met zwartleren schouderstukken, een zwarte rok en glanzende kniehoge laarzen. Op zijn borst was in reliëf een afbeelding van een grauwende leeuwenkop aangebracht. Dat gaf aan dat dit een van de Binnen-legioenen was, die je maar zelden buiten de onmiddellijke omgeving van het Overnse Diep zag. Met amper verhulde ergernis zei hij: 'Ik heb niets dan respect voor uw orde...'
Sandrina duwde haar gelaatsbeschermer omhoog. Ze droegen alle vier volledige helmen, wat niet haar persoonlijke voorkeur had, maar wat nodig was voor deze reis.
'...zuster,' voltooide hij.
'Sergeant, commandant,' zei Sandrina. 'Ik ben sergeant-adamant.'
'Sergeant, dan,' corrigeerde hij met een gefrustreerde blik. 'Zoals u ziet heb ik een oorlog te voeren. En ik stond op het punt te zeggen: ik heb niets dan respect voor uw orde, maar ik kan niet toestaan dat potentiële strijders voor de tegenpartij zomaar het slagveld oversteken. Ik ben voldoende van uw praktijken op de hoogte om aan te nemen dat we u dan straks op de barricades bij Nes aantreffen.'
'Commandant, normaal gesproken zou dat het geval zijn, maar nu heb ik het bevel om met de allergrootste haast in te schepen naar een andere bestemming. Ik zal niet in Nes blijven om uw aanval op een zwakke re positie tegen te werken, hoezeer dat ook tegen mijn aard indruist. U hebt mijn belofte, bij de godin, dat ik niet langer in Nes zal blijven dan nodig om een maaltijd te gebruiken en vervoer te regelen.'
Hij rekende snel. Als ze een boot vanuit Nes wilde nemen, moest haar bestemming ergens langs de kust tussen Vykorhaven en Ylith liggen. In dat geval maakte het voor zijn inspanningen niet uit. 'Als u zweert dat u geen informatie verstrekt over onze rangschikking of adviezen geeft aan de vijand, dan mag u doorrijden.'
'Commandant, het enige advies dat ik een eventuele Koninkrijkse officier zou geven, zou zijn om zijn positie te verlaten en snel naar Vykorhaven te gaan om zich daar achter de marine van de koning te verstoppen. Want ondanks al mijn reizen heb ik nooit een leger gezien als dat wat u hier onder uw bevel hebt.'
Hij knikte. Kennelijk wist hij niet helemaal zeker of het een compliment moest voorstellen of niet. Hij wenkte een van zijn wachters en zei: 'Begeleid hen door de rij en laat hen oversteken naar de Koninkrijkse kant.'
Ze voerden hun paarden aan de hand mee achter de wachter aan, die hen door het kamp leidde. Er was echt een onvoorstelbaar aantal Keshische soldaten, en Sandrina wist dat alleen het leger van de prins in Krondor weerstand zou kunnen bieden aan de belegering die deze commandant op touw kon zetten. Alles tussen hier en Krondor zou uiteindelijk worden overrompeld. En als het Koninkrijk de indringers wilde verdrijven, zou er een ander leger moeten aankomen vanuit het oosten om steun te bieden aan Krondor. De laatste keer dat er legers uit het oosten in het Westelijke Rijk waren verschenen, was meer dan een eeuw geleden, ten tijde van de Tsuranese invasie. En voordat die oorlog voorbij was, stierf er een koning.
Sandrina en haar metgezellen kwamen aan bij de barricades: niet meer dan een stapel strobalen waarop enkele tientallen paalwapens en speren waren klaargelegd. Ze vatte dit op als teken dat de Keshiërs geen tegenaanval verwachtten. Een plotseling verschijnen van zelfs een kleine compagnie boogschutters te paard met brandende pijlen, en de frontlinie van dit leger zou snel de aftocht blazen. Het zou niet helpen bij de oorlog, dacht Sandrina, maar het zou wel amusant zijn om naar te kijken.
Het niemandsland tussen het Keshische leger en de voorhoede van Nes was meer dan twee mijl breed, en vanuit Sandrina's oogpunt was dat een duidelijk teken dat de Keshiërs geen haast hadden om op te rukken. Als je een dorp wilt plunderen, wacht je niet. Elke student strijdtactiek weet dat. Als het een ommuurde stad of andere versterking is, omsingel je die. Je laat er geen versterkingen naartoe reizen, en je laat de mensen in het dorp niet zomaar ontsnappen.
Er was iets heel vreemds met deze oorlog, maar Sandrina kon er de vinger nog niet op leggen.
Op dit moment waren haar gedachten bij haar huidige toestand, en ze ergerde zich voortdurend omdat haar metgezellen de kleding van haar orde droegen. De drie mannen waren Zwarthoeden. Nazir, hun leider, had beloofd te onthullen wat hij wist over de aanwezigheid van demonen op Midkemia. Hij zei te weten waarom Dahun een grootscheepse oorlog in het demonenrijk had uitgelokt met als enig doel om in menselijke vermomming Midkemia binnen te sluipen, maar hij weigerde Sandrina iets te vertellen. Hij wilde alleen rechtstreeks met Puc en het Conclaaf praten.
Sandrina had er bijna een hele dag over nagedacht, maar hij was niet te vermurwen geweest. Zijn kleine, trouwe bende van Zwarthoeden, de laatste 'echte' Nachtraven, was prima in staat om te verdwijnen in de nacht en nooit meer boven water te komen als ze dat besloten. Ze kon beter gebruikmaken van zijn medewerking, voordat hij zich misschien bedacht, besloot ze.
Het was riskant om hem door de gelederen het Koninkrijk in te krijgen. Maar smokkelaars die dat per boot voor elkaar konden krijgen waren schaars, en na enige overpeinzing had dit toneelstukje de meest eenvoudige methode geleken.
Ze liepen met hun paarden door tot ze in zicht kwamen van de Koninkrijkse wachtposten. Hun commandant was al gewaarschuwd tegen de tijd dat Sandrina en haar metgezellen de voorpost bereikten. Een jonge militieluitenant vroeg: 'Uw doel?'
Sandrina duwde haar helm omhoog. 'Ik ben Sandrina, sergeant-adamant van de Orde van het Schild van de Zwakken. Ik heb het bevel om naar Nes te gaan en een schip naar het noorden te nemen.'
'Bevel van wie?'
Ze glimlachte meegaand. 'Van de grootmeester van het Schild.'
Hij wist overduidelijk niet wat hij moest doen. Na een korte aarzeling zei hij: 'Wacht hier.'
Hij rende weg en Sandrina keek om zich heen. Waar het kleine leger van Nes ook uithing, het was niet hier. De baronie van Nes was een van de armste en minst belangrijke in het Koninkrijk. Het enige interessante aan Nes was dat het het laatste vrij grote stadje was voordat je het Koninkrijk verliet en Kesh binnenging. Maar het maakte deel uit van het prinsdom Krondor en viel specifiek onder de hoede van heer Sutherland, de hertog van de Zuidelijke Marken, die zijn hoofdkwartier in Vykorhaven had. Zijn mandaat sloot uit dat hij dit dorp kon capituleren om zich terug te trekken naar een sterkere positie, wat de aangewezen handelwijze was. In plaats daarvan moest hij doen alsof hij het verdedigde, wat betekende dat een stelletje slecht getrainde plaatselijke jongens en oude mannen het moest opnemen tegen een doorgewinterd leger.
Een paar minuten later keerde de jonge officier terug. Toen hij vlakbij was, vroeg Sandrina: 'Wat zei je vader?'
'Mijn va...' begon de jongen, maar toen kneep hij zijn ogen samen. 'De baron zegt dat u naar het commandocentrum moet komen.'
'En waar is dat?' vroeg Sandrina.
'Het grote huis op de heuvel,' antwoordde hij zachtjes, duidelijk beschaamd.
'Dank je wel,' zei Sandrina.
Terwijl ze wegreden, hoorde ze Nazir vragen: 'De zoon van de baron?'
'Gokje,' zei Sandrina. 'Hij leek me een gretige jongen die zijn vader had overtuigd om hem de barricades te laten bemannen. Er dienen niet veel plaatselijke burgers met militaire ervaring in de milities. De echte soldaten zijn met Sutherland in Vykorhaven.'
'Die arme mensen houden de Keshiërs niet eens op,' bromde Nazir.
'Dit is hun thuis,' was het enige wat Sandrina daarop zei.
Het huis van de baron was gemakkelijk te vinden. Het was het enige grote huis dat over het dorp uitkeek vanaf een punt dat duidelijk zichtbaar was vanaf de weg. Terwijl ze naar het huis reden, merkte Sandrina de opvallende bouwwijze ervan op. Het leek wel een villa van twee verdiepingen. Er stond een lage stenen muur rondom het landgoed, maar die was bedoeld om schapen en koeien binnen te houden en niet om een vijandelijk leger buiten te houden.
Dit was een gemeenschap die betrekkelijk lang vrede had gekend, ondanks het feit dat hij aan de grens lag. En het was duidelijk een plek die niemand anders wilde hebben.
Er kwamen dienaren naar buiten, die er merkwaardig komisch uitzagen in slecht passende tabberds met het wapen van Nes erop: een gestileerd stenen fort op een rotspunt. Een witte toren, zwarte rotsen en een olijfgroene achtergrond.
'Wacht hier,' beval Sandrina. Als Nazir daar niet blij mee was, dan hield hij dat voor zich. Op deze reis was hij van haar afhankelijk, en dat wist hij.
Sandrina ging het huis in en was ontsteld te zien wat een schimmelige, sombere oude puinhoop het er was. Ze wist dat Nes een gat was, maar ze konden zich toch wel wat beters veroorloven?
De baron stond in zijn werkkamer bij de haard. Te oordelen naar het brullende vuur en de stapel perkament en papieren die hij daarin stond te gooien, was hij niet van plan nog lang te blijven. Hij keek op toen ze binnenkwam. 'U bent die vrouw die onbeschoft deed tegen mijn officier?'
'Ik ben de vrouw die uw zoon heeft gezegd dat hij om zijn manieren moest denken,' kaatste ze terug, en voegde daar bijna als bijgedachte aan toe: 'heer.'
'Bent u door de Keshische gelederen gekomen?'
'Ja, heer.'
Er was een gelijkenis te zien tussen de baron en zijn zoon: ze hadden allebei een rond gezicht. Maar terwijl de jongen er alleen maar onervaren uitzag, zag deze man eruit alsof hij ten onder ging aan overmatig eten en drinken. En de manier waarop hij naar Sandrina bleef staren, ondanks haar pantser, het vuil van het reizen en haar bepaald niet charmante gedrag, vertelde haar dat hij ook nog eens een geilaard was. Hoewel hij nog geen vijftig was, zag hij eruit als minstens zestig. Zijn pantser zou komisch zijn geweest als het niet zo meelijwekkend was.
Ze zette haar persoonlijke en onmiddellijke afkeer van de man opzij en zei: 'Ik heb op weg hierheen het hele Keshische leger tegen u opgesteld zien staan, heer.'
De baron gaf geen krimp; hij bleef documenten in het vuur gooien. 'Deze mogen ze niet in handen krijgen,' zei hij. 'Ze zijn essentieel voor de Koninkrijkse veiligheid.'
Waarschijnlijk eerder gegevens over betaalde en ontvangen steekpenningen, bewijzen van achterovergedrukt belastinggeld en andere misdadige activiteiten. 'Ze lijken geen haast te hebben. Ik denk dat u nog voldoende tijd hebt om al uw... gevoelige papieren te vernietigen,' zei Sandrina alleen.
'Denkt u dat echt?'
'Ze zitten ingegraven, heer.'
'Ach, bang om op te rukken,' zei hij, plotseling gegrepen door valse bravoure. Toen keerde hij weer terug naar het randje van de paniek. 'Wachten ze op versterking?'
'Ze lijken zich er tevreden mee te stellen op bevelen te wachten, misschien van de keizer zelf, om op te rukken,' antwoordde Sandrina. 'Maar ze hebben meer dan voldoende soldaten opgesteld staan en zouden zonder veel moeite kunnen doorstoten. Als ik het voorstellen mag dan is het misschien beter, zodra u gezorgd hebt dat deze essentiële inlichtingen niet in hun handen kunnen vallen, om met uw troepen naar Vykorhaven te gaan. De bevelvoerders van heer Sutherland kunnen de hulp beslist gebruiken.'
'Weet u dat zeker?'
'Heel zeker,' zei ze. Ze wist dat hij dit alleen al zou aangrijpen als smoes om zijn huis te verlaten en als een haas naar Vykorhaven te vluchten. Nu kon hij in ieder geval zijn zoon meenemen terwijl hij vluchtte in plaats van hem hier te zien sterven, aangenomen dat hem dat iets kon schelen. Ze kende ook vaders die geen vaderliefde in zich hadden.
Ze zag zijn berekenende blik. Als hij zich meldde bij wie er dan ook de leiding had in Vykorhaven, zou hij subiet beweren dat hij bevel had gekregen om zich terug te trekken. Hij zou zich gemakshalve haar naam niet meer herinneren, maar zeggen dat ze een soort ridder was geweest, met heraldische tekens. Ongetwijfeld was hij dan inmiddels vergeten dat het tempeltekens waren, die geen enkele rang of aanzien hadden in het leger van de koning in het westen.
'En dan nu over op de reden van uw aanwezigheid hier,' zei hij.
'Ik heb een schip nodig.'
'Nou, ik zal u niet in de weg staan. Ga naar de haven en kijk wat er ligt. Ik vermoed dat alles wat drijft al op weg is naar het noorden, maar als u er een kunt vinden dan staat het u vrij het te kopen of te huren.'
Er kwamen diverse reacties bij Sandrina op, geen ervan respectvol. Ze hield het op: 'Als uw havenmeester zijn werk serieus neemt, heer, dan zal hij goedkeuring van u nodig hebben voordat hij een boot laat vertrekken. '
De man met het pafferige gezicht knipperde even met zijn ogen. 'O ja, dat is zo.'
Hij hield op met documenten in de haard gooien, griste een leeg vel perkament van een stapel en krabbelde er haastig een boodschap op. Toen de inkt droog was, pakte hij een kaars, liet er een paar druppels was op vallen en drukte zijn zegelring erin. 'Zo, dat zou wel genoeg moeten zijn,' zei hij terwijl hij het document aan Sandrina overhandigde.
'Dank u, heer,' zei ze, en ze trok zich terug.
Terwijl ze het gebouw uit liep, besefte ze dat ze er pal langs hadden kunnen rijden op weg naar de haven, en niemand zou het hebben opgemerkt of erom hebben gemaald. En ze had de havenmeester waarschijnlijk wel kunnen koeioneren. Als hij althans nog hier was, en niet naar het noorden onderweg zoals de rest van de verstandige mensen.
Zoals verwacht was de havenmeester afwezig en waren er niet veel schepen meer over, maar één ondernemende eigenaar had voorzien dat er paniek zou uitbreken en was vastbesloten zo veel mogelijk profijt te trekken uit de situatie. Sandrina wist dat zelfs als de hele wereld in brand stond, er altijd mensen zoals hij waren die water zouden verkopen.
Ze overtuigde hem snel om hen naar hun bestemming te brengen in ruil voor een redelijke prijs: de vier paarden, drie stel wapens en pantsers, en haar aanhoudende minzaamheid. Het was een kustschip, een latijnzeil-getuigde eenmaster, die voldoende zou hebben aan een bemanning van twee man. Normaal gesproken zou je met zo'n vaartuig alleen ladingen en passagiers van en naar grotere schepen vervoeren, maar het zou wel voldoen.
De tocht was eenvoudig. Ze zeilden langs de kust omhoog met de Keshische vloot ten noordwesten van hen, in de richting van zuidelijk Queg. Zodra ze ver genoeg weg waren en de Keshische zeilen uit het zicht waren verdwenen, richtten ze hun boeg naar Tovenaarseiland. Aangezien ze langs de Koninkrijkse kant van de grenslijn zeilden, met een bijna onleesbaar gekrabbeld briefje van de baron van Nes op zak, leek het Sandrina onwaarschijnlijk dat een Koninkrijkse kapitein hen zou proberen tegen te houden voordat ze hun bestemming bereikten.
Sandrina had Nazir en zijn twee lijfwachten opgedragen zich te ontdoen van hun valse uitdossing, dus nu waren ze weer gekleed als de schurken die zij vond dat ze waren.
De wind was gunstig en ze maakten de overtocht in nog geen drie dagen, een halve dag minder dan verwacht. Nazir en zij n metgezellen sliepen aan dek bij de kapitein en zijn dekknecht, terwijl Sandrina de enige kooi beneden had. Hoewel, vanwege de muffe lucht in de kooi vermoedde ze dat de mannen uiteindelijk beter af waren.
De kapitein zette hen af in de branding, in water dat tot hun middel kwam, want dichter bij land bestond het risico dat zijn schip aan de grond liep.
Tegen de tijd dat ze uit het water kwamen, stonden er drie mannen op hen te wachten. 'Puc, Jim, Magnus,' zei Sandrina begroetend.
'Hallo,' zei Puc. 'Wie zijn je vrienden?'
Ze lachte. 'Niet bepaald vrienden, maar ze staan onder mijn bescherming en je kunt beter naar ze luisteren.' Ze wendde zich tot haar metgezellen en wees naar de eerste. 'Dit is Nazir. Hij is de leider van de groep met wie ik in conflict kwam in Kesh: de Zwarthoeden.'
'Die je in elkaar sloegen, verkrachtten, en in een ravijn smeten?' vroeg Jim.
Ze knikte.
'Je bent vergevingsgezinder dan ik,' bromde Jim.
'Niet bepaald, maar we hebben een wapenstilstand en ik zal me daaraan houden. Ik verwacht van jullie hetzelfde, trouwens.'
Hij hief zijn handen om aan te geven dat hij zich bij haar besluit zou neerleggen.
'De Zwarthoeden zijn ook een afsplitsing van een andere groep die jij heel goed kent, Puc: de Nachtraven.'
Puc fronste zijn voorhoofd en keek de mannen om beurten aan. Uiteindelijk zei Nazir, de man in het midden: 'Wat ze zegt is waar. Ik heb een aanbod voor je.'
'Weet je wie ik ben?'
'Natuurlijk. Puc, de Zwarte Tovenaar. We leren onze vijanden kennen tijdens onze opleiding.'
'Wat is je aanbod, en wat verwacht je van mij?'
'Ik bied je de waarheid, en ik verwacht van jou maar één ding. Dat als je mijn verhaal hebt aangehoord, je vervoer regelt voor mij en mijn mannen naar een klein hoekje van het keizerrijk waar het relatief rustig is. Daar zuilen we ons schuilhouden tot deze waanzin achter de rug is, en daarna staat het je vrij om achter mij en mijn broeders aan te komen. Je zult ons toch niet vinden.'
'Meer niet?'
'Geen amnestie, geen gratie, geen vergiffenis. Alleen een voorsprong.'
'Goed,' zei Puc. 'Als we de waarheid van je horen.'
'O, dat zul je zeker. Zoals ik al tegen Sandrina zei, dit is iets wat je moet weten, jij meer dan ieder ander. Hoewel anderen ook moeten weten wat ik op het punt sta je te vertellen, ben jij de enige die de volledige vernietiging kan voorkomen.
Ik weet waarom Dahun probeerde in vermomming Midkemia binnen te komen en waar hij voor vluchtte.'