11
Belegering
'Schepen voor de kust!' schreeuwde de uitkijk.
Een dorpsjongen genaamd Jerrod draaide zich om en knielde neer bij een kleine brander, uit alle macht blazend op de kooltjes voordat hij een met olie doordrenkte strofakkel in de hete kolen stak en de vlammen bijna naar zijn gezicht sprongen. Hij rende naar een enorme constructie van vlechtwerk - een bundel riet, gras en hout waarop een bergje aanmaakhoutjes was gelegd - en gooide de fakkel erin zoals hem was voorgedaan. Zoals men hem al had gewaarschuwd, stond de brandbare stapel binnen enkele tellen in lichterlaaie. Het mengsel was samengesteld om fel te branden en veel zwarte rook te veroorzaken, zodat· het baken zowel bij daglicht als bij nacht te zien zou zijn. Er kwam een verschrikkelijke warmte van af, en de jongen deinsde achteruit. 'Klaar!' schreeuwde Jerrod.
De uitkijk, die Percy heette, klauterde van zijn uitkijkpunt op de rots naar beneden en riep: 'Kom mee! Wij zijn hier klaar!'
Het was laat in de middag en er stond een frisse wind. De rook ging omhoog en werd uiteengeslagen, maar de twee jongens wisten dat een volgende uitkijkpost langs de kust het zou zien en ook zijn vuur zou aansteken, dat weer zou worden gezien door de uitkijkpost op het kasteel van Schreiborg. Het zou de jongens bijna een hele dag kosten om de dichtstbijzijnde voorpost te bereiken, een garnizoen tien mijl verderop langs de Koningsweg. Ze konden geen van beiden paardrijden, en zelfs al hadden ze dat wel gekund, dan nog waren er geen paarden voor hen beschikbaar.
Er was op last van de hertog van Schreiborg een reeks signaalvuren langs de kust aangelegd. Eerdere vuren hadden het garnizoen laten weten dat er schepen voor de kust waren gezien, op weg naar het noorden vanuit Tulan en Cars. Slechts één verslag uit Cars had het kasteel bereikt, van graaf Robert, met de melding dat hij en zijn mannen probeerden een aanval van Keshische soldaten af te slaan.
Het verslag was aangekomen samen met heer Roberts vrouw Marriann en zijn dochter Bethany, die niet blij was dat ze uit Cars was weggestuurd.
Nu stond Bethany boven op de toren van de veste in Schreiborg. 'Wat gaan jullie doen?' vroeg ze aan Martin.
'Het is al gebeurd,' antwoordde de middelste zoon van de hertog. 'Er zijn snelle ruiters op pad gestuurd om mijn vader in te halen. Hij is inmiddels halverwege Yabon, maar als we het ongeveer een week kunnen uithouden, dan zou hij op tijd moeten zijn om ons bij te staan.'
Zonder erbij na te denken haakte ze haar arm door de zijne, alsof ze op zoek was naar geruststelling. 'Hoeveel mannen heb je?'
'Vader heeft er honderd voor me achtergelaten.'
Ze huiverde en leunde tegen hem aan alsof ze het koud had, hoewel het een zwoele avond was. 'Is dat genoeg?'
'Ik denk het wel.' Hij gaf een klopje op haar hand die op zijn arm rustte. 'Als ik mijn studies mag geloven, dan zullen ze met meer dan duizend man moeten komen om het kasteel te bestormen, en zelfs dan zal het kantje boord zijn. We hebben de verdedigingen getest.'
'De belegering door de Tsurani?'
'Ja. Toen mijn vader vertrok, heb ik in het bijzonder de verslagen over die belegering bestudeerd.' Hij keek haar rustig aan. 'Wist je dat prins Arutha een jaar jonger was dan ik nu ben, toen hij het bevel overnam nadat Zwaardrneester Fannon gewond was geraakt?'
Ze herkende die namen niet, maar ze zag Martins vastberadenheid om de leiding te nemen en de stad te verdedigen.
Hij leek haar gedachten te kunnen lezen. 'Het wordt tijd om de mensen uit het dorp naar binnen te halen.'
Martin draaide zich om naar een punt dat uitkeek over het binnenplein en zag de man die hij zocht. 'Sergeant Ruther!'
De sergeant keek op, zag de zoon van de hertog boven op de toren en riep terug: 'Commandant?'
'Sla alarm en haal de mensen uit het dorp hierheen. Laat ze alle voedsel meenemen dat ze kunnen dragen.'
Sergeant Ruther bracht hem een ferm saluut en wendde zich tot twee soldaten bij de poort. 'Je hebt de jonge heer gehoord! Opschieten!' De sergeant was een kleine man met een vooruitstekende kin, en hij had een ontzettend valse blik waardoor iedereen in het garnizoen hem vreesde. Hij had ook een diepe genegenheid voor zijn mannen, hoewel hij dat goed verborg. Hij naderde de pensioenleeftijd en had een buikje dat over zijn riem heen hing, maar niemand in het garnizoen twijfelde eraan dat hij nog steeds een taaie kerel was.
De soldaten wisselden een blik. 'Ja, sergeant!' riepen ze in koor, en ze draafden de poort uit naar het dorp.
De mensen daar hadden al te horen gekregen dat ze mogelijk naar het kasteel geroepen zouden worden, dus Martin hoopte dat ze zich hier al enigszins op hadden voorbereid. Hij wist echter dat er ongetwijfeld enige paniek zou uitbreken, en dat velen niet zouden begrijpen dat ze niet alleen voedsel en kleding moesten meebrengen voor hun tijd in het kasteel, maar ook om de indringers zo veel mogelijk gemakken te ontzeggen. Er was een bevel uitgegaan dat al het voedsel dat werd achtergelaten oneetbaar moest worden gemaakt, maar hij vermoedde dat de mensen veel te veel tijd hadden besteed aan het verstoppen van kostbaarheden die de indringers waarschijnlijk toch wel zouden vinden. Martin wist dat de boeren hun koeien en schapen liever wegjoegen dan afmaakten, in de hoop dat er na het beleg nog enkele van konden worden teruggevonden. Maar als de Keshiërs ernaar op zoek moesten, zou dat in ieder geval weer een afleiding betekenen, dacht Martin. Hij voelde Bethany dicht tegen zich aan en draaide zich om.
'Jij moet eigenlijk naar je moeder,' zei hij zacht.
'Die is bij jouw moeder.'
'Weet ik, maar de familievertrekken zijn de veiligste plek in het kasteel.'
'Er is geen haast bij,' zei Bethany, die nog dichter bij hem ging staan. 'Hoe lang nog?'
'Vanaf de kaap bereiken ze de havenmonding binnen drie tot vier uur. Daarna hangt het ervan af hoe goed voorbereid ze zijn om aan land te komen en of ze veel verzet verwachten.' Hij zweeg even en zij keek hem onderzoekend aan.
Van de drie broers was Martin altijd het moeilijkst te peilen geweest, en daarom had ze hem altijd het interessantst gevonden. Hij was niet zo'n kloeke, hartelijke kerel als zijn broer Hal, en hij was ook niet zoals Brendan, de schalkse grappenmaker. Martin was de peinzende van de drie. Hij was vaak boos op haar, wat zij grappig vond, alsof ze wist dat hij zijn ware gevoelens ermee verborg. Ze was er al meer dan een jaar achter wat ze echt voor hem voelde, maar had besloten hem niet te helpen achterhalen wat hij nu eigenlijk voor haar voelde.
Hij voelde dat ze hem onderzoekend opnam en keek opzij. 'Wat is er?'
'Ik vind het fascinerend hoeveel jij en Brendan op elkaar lijken, en tegelijkertijd zo verschillend zijn.'
Hij liet een van zijn zeldzame lachjes zien. 'Beth, je kent ons al je hele leven, en nu pas heb je in de gaten dat ik in niets op dat kleine gevaar lijk?'
'Ik vind het alleen maar vreemd,' zei ze, en ze richtte haar blik weer op het dorp beneden. Nu al klonken er alarmbellen en dreef er geroep omhoog naar waar zij stonden.
Martin maakte voorzichtig zijn arm uit de hare los en werd serieus. 'Je kiest wel een rare tijd uit om hieraan te denken. Kom mee, ik heb veel te doen en ik zou me een stuk beter voelen als ik wist dat jij veilig was.'
Hij wilde zich omdraaien, maar zij stapte naar voren en kuste hem impulsief, langdurig en hartstochtelijk. Even spande hij zijn spieren, maar toen kuste hij terug. Toen ze achteruitstapte, zag ze een glinstering in zijn ogen.
'We hebben te veel dingen veel te lang ongezegd gelaten,' fluisterde ze. 'Als je vader terugkeert, wil ik dat je met hem praat.' 'Waarover?' vroeg Martin zachtjes, alsof hij bang was afgeluisterd te worden.
Haar gezicht betrok en ze kneep haar ogen tot spleetjes. 'Over ons, stommerd!'
Zijn lippen vertrokken in een glimlach. 'Wat is er met ons?'
Haar ogen werden groot, maar toen zag ze zijn lach. 'Rotzak!' zei ze, en toen kuste ze hem opnieuw.
'Weet ik. Alleen .. .'
'Iedereen verwacht dat ik met Hal trouw,' viel ze hem in de rede. 'Ik weet het. Maar niemand heeft het mij gevraagd, en niemand heeft het Hal gevraagd. Hij behandelt me al mijn hele leven als zijn kleine zusje. Maar jij...' Ze kuste hem nog eens. 'Jij bent altijd in staat geweest om... Om me op de een of andere manier te raken, me aan het denken te zetten als ik dat niet wilde en mijn ... wangedrag te accepteren, heel rustig.'
Martin slaakte een diepe zucht. 'Hoe ik je ook aanbid, en blijkbaar heb ik dat slecht verborgen, ik moet wel zeggen...' nu ging zijn stem omhoog en begon hij te schreeuwen, '...je hebt wel een rotmoment gekozen om je liefde kenbaar te maken!' Hij lachte. 'Maar je bent nooit goed geweest in het kiezen van het juiste moment, hè?' Hij kuste haar voordat ze kon protesteren en voegde eraan toe: 'Goed dan, als dit voorbij is praat ik met mijn vader.'
Hij keek de stad in toen het geroep van stemmen en de geluiden van angst en paniek toenamen. 'Maar nu moet ik de mensen die aan me zijn toevertrouwd gaan geruststellen. We hebben allebei rang en privileges, en het wordt tijd dat we bewijzen dat we die verdienen.'
Hij draaide haar voorzichtig om, en met lichte druk onder haar arm gaf hij aan dat ze de trap af moesten gaan naar een veel duisterdere en grimmigere tijd dan ze ooit eerder hadden ervaren.
De schepen draaiden bij toen ze bij zonsondergang de monding van de
haven bereikten. Martin keek toe terwijl de laatste bewoners van
het dorp het plein beneden op dromden. Zodra de laatste binnen was,
gaf hij het teken dat de poorten moesten worden gesloten. 'Nu
graven we ons in,' zei sergeant Ruther, die met over elkaar
geslagen armen naast hem stond. Martin keek opzij, en de sergeant
voegde eraan toe: 'Commandant.'
Martin schudde zijn hoofd. 'Maak je niet druk, sergeant. Dit is nieuw voor me.'
'Dit is nieuw voor ons allemaal. Mijn vader was nog een baby de laatste keer dat dit kasteel werd aangevallen.'
'Toch hebben we aardig wat schermutselingen meegemaakt.'
'Jawel, maar met alle respect, een stel bandieten of een plunderende troep trollen is één ding. Wij maken straks kennis met Keshische hondsoldaten. Dat is iets heel anders.'
'Hondsoldaten? Wat moeten we daarvan verwachten?'
'Ik weet het eigenlijk niet. Geen enkele man in Schreiborg heeft nog tegenover hen gestaan, en ik weet alleen maar wat me als jonge soldaat is verteld.'
'En dat is?' vroeg Martin, oprecht nieuwsgierig.
'Mijn oude sergeant Mason vertelde dat hij in Landreth had gediend met een compagnie Grenslanders onder bevel van heer Sutherland. Het was een mogelijkheid snel door de rangen op te stijgen, zei hij, anders zou hij nooit promotie hebben gemaakt. Hoe dan ook, hij zei dat ze meestal de zwaarden kruisten met solitaire huurlingcompagnieën of schurken, maar ze kwamen een keer in conflict met een compagnie Keshiërs.
Zoals hij het vertelde, kreeg ik het idee dat het het taaiste gevecht van zijn leven was, en hij had er al heel wat meegemaakt. Wat hij zei was: "Ze blijven maar komen." Ze hebben geen ontzag voor het leven. Niet voor dat van jou, maar ook niet voor hun eigen leven.
Kesh is een aparte plek, heb ik gehoord. Rasbloedvrouwen lopen halfnaakt rond en niemand stoort zich eraan, en de rest is niet veel meer dan vee voor die rasbloeds. Maar het zijn jagers, moet u weten, en ze hebben niet zoveel achting voor strijders.'
'Dat snap ik niet,' gaf Martin toe.
'Het punt is dat je maar tot op beperkte hoogte kunt opklimmen als je geen rasbloed bent, en Keshiërs hebben hoe dan ook niet veel eerbied voor vechters, dus hebben ze er een fel leger. Ze vechten er niet voor de roem. Ze worden om twee redenen hondsoldaten genoemd, volgens sergeant Mason: de eerste is dat ze in hokken leven, als dolle honden, en alleen worden losgelaten op vijanden van Kesh. Verder gaan ze niet met andere mensen om; ze hebben hun eigen forten en hun eigen families, ze telen hun eigen gewassen en maken hun eigen wapens. Ze zijn trouw aan hun meesters, als honden. De andere reden is dat ze op lange marsen honden meenemen om op te eten. Hoewel ik mijn twijfels heb over dat laatste.'
Martin zei een tijdje niets, en toen herhaalde hij: 'Ze blijven maar komen.'
'Dat vertelde Mason. Ze geven geen genade en vragen er ook niet om. Ze blijven komen totdat je er voldoende doodt of ze moe worden en vluchten. Of tot de laatste man sterft, denk ik.' Hij zweeg even. 'Het draait om eer, niet om roem. Ze zijn een broederschap, een clan of zoiets, en ze sterven voor elkaar.'
Martin kreeg een koud gevoel diep in zijn maag en zag dat zijn knokkels wit werden toen hij de kasteelpoorten dicht hoorde slaan. Hij ontspande zich met moeite en zag toen iets waar hij om moest glimlachen.
Hoewel ze had beloofd bij hun moeders te blijven, was vrouwe Bethany beneden op het plein om de stedelingen in te delen, gedeelten van de vestingmuur toe te wijzen aan gezinnen en alle vee achterom te sturen naar de achterzijde van het kasteel.
'Zij is me er een,' zei Ruther glimlachend.
Martin lachte terug. 'Dat klopt.'
'Nou, commandant, als u me hier niet nodig hebt, dan is er genoeg te doen.'
'Je mag gaan, sergeant,' zei Martin.
Alleen achtergebleven boven op het poorthuis van het kasteel en kijkend naar de chaos die langzamerhand ordelijker werd, haalde Martin diep adem. Hij bracht zichzelf in herinnering dat hij een jaar ouder was dan prins Arutha aan het begin van diens legendarische carrière. Toen mompelde hij: 'Al had hij natuurlijk Zwaardmeester Fannon en overgrootvader bij zich, en mijn Zwaardmeester zit in Rillanon met mijn broer, terwijl mijn jongere broer met mijn vader mee is.'
Hij voelde zich ontzettend alleen, maar hoewel hij liever had gehad dat Bethany ergens ver weg op een veilige plek zat, was hij toch diep dankbaar dat ze hier bij hem was.
En hij zou alles doen wat nodig was om te zorgen voor haar veiligheid.
De nacht sleepte zich voort. Tegen middernacht zaten de mensen die
nog buiten de burcht waren, ineengedoken onder provisorische
afdaken van hout en dekens, verzameld rondom kampvuren, of in de
weinige legertenten die sergeant Ruther in een hoek van de
wapenkamer van het kasteel had gevonden.
Veel dorpelingen waren in de burcht zelf geperst; opgeslagen spullen waren verspreid, en de extra ruimte die was gevonden zat nu barstensvol. Gezinnen met kleine kinderen hadden voorrang gekregen en bewoonden de veiligste kamers in de burcht; vrouwen met oudere dochters waren in de buitenste kamers en torens ondergebracht.
Iedere man tussen de veertien en zeventig die een wapen kon dragen, had een wapen gekregen. Sergeant Ruther nam het op zich, in afwezigheid van de Zwaardmeester, om te bepalen wie bij welk onderdeel werd ingedeeld, en dat vond Martin prima.
De jonge commandant van het garnizoen had het grootste deel van de nacht uitgekeken naar tekenen van Keshiërs die aan land kwamen. Het was hem echter inmiddels duidelijk geworden dat ze geen nachtelijke landing voor ogen hadden en zouden wachten tot het licht werd.
'Je kunt beter een paar uur gaan slapen.' De stem van zijn moeder.
Martin draaide zich om en vroeg: 'En jij dan, moeder?'
Ze glimlachte. 'Er is nog een hoop te doen. Meestal bereiden we maar twee keer per jaar voedsel voor de dorpelingen, met Banapis en Midwinter. Nu moeten we elke dag koken wat we hebben.'
'We redden ons wel. Vader komt binnenkort terug.'
'Niet snel genoeg.' Ze zuchtte. 'Wat is het plan?'
'Heel simpel. We zien waarmee ze morgenochtend komen, en dan bepalen we de beste manier om hen af te houden totdat vader terugkeert met het garnizoen.'
'En hoe zit het met...'
'Wat wil je vragen?'
'Ik... Ik heb nog nooit een oorlog meegemaakt.'
'Niemand hier,' zei Martin, die haar een klopje op haar hand gaf. 'Het komt wel goed, moeder. We hebben proviand en voldoende soldaten en dorpelingen om tien keer zoveel aanvallers af te weren. Als ze minder dan tweeduizend soldaten hebben, en geen zware belegeringsmachines, dan houden we wel stand.'
'Ach...' Ze zuchtte weer. 'Ik wou alleen dat je vader hier was, en je broers.'
'Ik ook,' zei Martin, die de last op zijn schouders nu echt voelde. 'Als jij nu eens gaat proberen te slapen, dan doe ik het ook.'
Ze glimlachte naar haar zoon, draaide zich om en liep voor hem uit de trap af.
Als de Keshiërs voor zonsopgang kwamen, zou iemand hem wel wekken. Hij was doodmoe, en er was nog niet één pijl afgevuurd of één zwaard getrokken.
Martin werd gewekt door een luide klop op zijn deur. Hij was in
slaap gevallen in zijn kleding en had alleen zijn laarzen
uitgetrokken. Hij kwam snel overeind. 'Wat is er?'
'Sergeant Ruther zei dat ik u moest wekken, commandant,' kwam het antwoord van de gang.
'Ik ben al onderweg!' riep Martin, die snel zijn laarzen aantrok.
Het was een mistige ochtend, zoals meestal in dit jaargetijde. De zon was nog niet boven de verre Grijze Torens uitgekomen om het vocht van de zee uit de lucht te branden. Een uur nadat de zon over de bergtoppen kwam zou het dorp beneden in de felle zon liggen, maar voorlopig hing er nog een dichte mist.
Martin nam er niet langer genoegen mee om te kijken vanaf zijn hoge plek boven de hoofdingang van het kasteel, boven het valhek van het fort dat de laatste verdediging vormde. Hij stond nu op de muur boven de hoofdpoort, zo dicht mogelijk bij het dorp.
Het oorspronkelijke fort dat door de eerste hertog van Schreiborg was gebouwd, was een solitair gebouw geweest, zonder buitenmuur. Er had een slotgracht omheen gelegen, die lang geleden al was dichtgegooid, en het buitenwerk met zijn dubbele ijzeren valhek en het slachtterrein ertussen was bevestigd aan de hoofdingang naar het fort. De bijgebouwen en buitenmuur waren jaren later toegevoegd en de muur had geen valhek, alleen een simpele houten poort. Hoe stevig die ook was, en ondanks alle inspanningen van de verdedigers beneden, Martin wist dat die poort het uiteindelijk zou begeven en dat iedereen op het terrein tussen de muur en het fort in gevaar zou zijn.
'Ze zijn daarbeneden in het dorp; zo te horen lopen ze behoedzaam, misschien omdat ze valstrikken verwachten,' zei sergeant Ruther zonder omhaal.
'Jammer dat we geen tijd hadden om er een paar te bouwen,'vond Martin.
'Je kunt maar beperkt dingen doen op zo korte termijn. Als we hadden geweten dat ze hierheen kwamen voordat ze Cars aanvielen, hadden we dat stel,' met zijn kin wees hij naar de honderden burgers die nu beneden op het terrein kampeerden, 'misschien kunnen overhalen een paar dagen eerder te komen. Dan hadden we een welkomstfeestje voor de Keshiërs kunnen organiseren. Maar je doet wat je kunt, zoals ze zeggen.'
Martin kon alleen maar knikken.
Langzaam werden de geluiden van mannen, wagens en paarden in het dorp luider. 'Belegeringsmachines?'vroeg Martin, die een plotselinge strakheid in zijn borst en maag voelde.
'Deze muren krijgen ze niet zomaar omver, commandant.' Ruther wees naar de hoofdpoort, die 's nachts was versterkt met een constructie van zware balken.
'Nou, we moeten maar eens zien waar ze mee komen.'
Langzaam trok de mist op, en toen blies een plotselinge windvlaag de rest van de ochtendnevel weg en zagen Martin en de andere toeschouwers boven op de muur duidelijk wat ze tegenover zich hadden.
'Verdomme!' vloekte de sergeant.
'Zeg dat wel,' zei Martin zacht, niet zeker wetend of hij wel begreep wat hij zag.
Over de hele breedte van de toegangsweg vanuit het stadje naar het kasteel stond een compagnie soldaten opgesteld, net buiten het bereik van pijlen, behalve misschien die van de sterkste handboog. Martin bekeek hun uitdossing: een traditionele metalen Keshische helm met een nekbeschermer van maliën aan de achterkant, een scherpe speerpunt erbovenop (om vijanden te ontmoedigen zich van bovenaf op hen te storten, dacht hij), een jas van maliën en een dikke wollen broek in kuithoge laarzen zodat de stof bloesde. Ze droegen er een leren wambuis overheen, met om het middel een dikke leren riem met een ijzeren gesp. De combinatie van leer over maliën zou zeer effectief zijn tegen pijlen. Een pijlpunt zou dusdanig worden vertraagd dat hij in de maliën bleef steken, zodat het doelwit alleen een nare schram opliep in plaats van te sneuvelen.
Iedere man droeg een kromzwaard - het traditionele wapen - en een ronde beukelaar. Elke vierde man droeg ook nog een korte boog over zijn schouder.
'Ik zie geen belegeringsmachines,' zei Martin.
'Maar kijk eens wat ze nog meer hebben meegebracht.'
Achter de rij soldaten was een mensenmenigte te zien, aankomend vanuit de havens en op weg naar de gebouwen. Mannen, vrouwen en kinderen. Sommige leken te ruziën over een of ander gevonden voorwerp, en tussen hen door liepen mensen die opzichters of schouten moesten zijn, om gevechten op te breken of mensen te bevelen hier of daarheen te gaan.
Een boodschapper kwam hijgend de trap oprennen. 'Nieuws van de toren, commandant.'
'Wat?' vroeg Martin, zonder zijn blik van het tafereel beneden af te wenden.
'Een grote compagnie heeft zich afgesplitst en neemt de noordelijke weg, maar...'
'Maar wat?'
'Zo te zien is het geen infanterie of cavalerie.'
Martins nieuwsgierigheid was gewekt. 'Wat dan wel?'
'Nou, commandant, het lijken wel boeren die naar de markt gaan, of eigenlijk boeren die van de markt af komen. Ik bedoel, het lijkt erop dat ze koeien en schapen over de weg drijven.'
'Op weg naar de boerderijen, bouwlanden en weiden,' zei de sergeant. 'Als me dat geen anticlimax is.'
Martin fronste zijn voorhoofd. 'Ik begrijp er niets van.'
'Kijk waar ze mee komen.'
Het leek erop dat er zich een groep aannemers de weg over haastte, terwijl ruiters de drommende mannen, vrouwen en kinderen uit de weg dreven om ruimte te maken. Ze hadden bouwmaterialen bij zich die Martin nog nooit had gezien.
De rij infanterie week uiteen en liet de aannemers door, en toen zag Martin wat ze aan het bouwen waren. 'Het is een barricade!'
'Die rotzakken zijn gewoon naar binnen gewandeld en hebben het dorp overgenomen, commandant. Nu zeggen ze tegen ons dat we hier mogen wegrotten, of een uitval mogen proberen om hen naar de haven te drijven.'
'Vallen ze niet aan?' vroeg Martin, die nu in volslagen verwarring was.
'Waarom zouden ze? Ze blijven daar gewoon zitten en laten ons verhongeren.'
In de verte was een diep gerommel te horen. De sergeant wendde zich tot de jonge boodschapper. 'Joey, ga weer naar boven, zoek uit wat dat is en kom dan meteen terug. Goed zo.'
De jongen rende weg. 'Nou, wat ze verder ook van plan zijn, het is duidelijk dat ze de bedoeling hebben om te blijven,' zei Ruther. 'Ze hebben verdomme een hele stad bij zich.'
Na een paar minuten keerde Joey terug. 'Ze lossen grote machines bij de haven. Kelton zegt dat het wel blijden lijken.'
Kelton was de soldaat die Ruther in de toren had gezet omdat hij de beste ogen had van iedereen in het garnizoen.
'Nou, als hij dat zegt, dan zijn het blijden. Misschien willen ze ons toch niet uithongeren. Maar ze hebben in ieder geval geen haast met hun aanval.'
Dat baarde Martin nog de meeste zorgen. De Keshiërs zouden er eigenlijk van uit moeten gaan dat zodra ze gezien werden, er een roep om bijstand zou uitgaan en er versterking zou komen. Waarom hadden ze geen haast?
Terwijl de dag verstreek, keek de mensen in het kasteel
gefascineerd naar buiten. De Keshiërs hadden de verstevigingen aan
de oostkant van het dorp snel veiliggesteld, en bij zonsondergang
verrees er een indrukwekkend hoge muur, versterkt met zandzakken
die vanuit de haven waren aangevoerd. Nu stond er een zes voet hoge
borstwering met een vuurplatform erachter, waar boogschutters
konden schieten op iedereen die het kasteel uit kwam.
'Als we vanochtend waren uitgerukt...' Martin balde zijn vuisten, gefrustreerd omdat hij niet wist wat de volgende zet van de vijand zou zijn.
'Dan zouden we misschien pas echt in de problemen zijn gekomen,' zei de sergeant. 'Wij zien alleen dat stel. Wie weet hoeveel meer soldaten er inmiddels ontscheept zijn in de haven, of nog aan boord van de schepen zitten? Ze lijken zich niet druk om ons te maken.'
'Dat baart me juist zorgen,' kaatste Martin terug. 'Het lijkt wel of...'
'Commandant!' werd er geroepen. 'Een witte vlag!'
Martin keek in de richting waarin de soldaat wees en zag een Keshische officier naderen met een wapenstilstandsvlag. De man reed naar de poort en keek naar de gezichten erboven. 'Ik wil onderhandelen!' riep hij. 'Wie heeft hier de leiding?'
'Ik!' riep Martin terug. 'Ik ben Martin conDoin...' Hij aarzelde en voegde eraan toe: 'Prins Martin van Schreiborg.' Hij had recht op die eretitel, hoewel niemand in zijn familie hem nog gebruikt had sinds Arutha uit Schreiborg was vertrokken om prins van Krondor te worden. Zijn broer, Martins naamgenoot, had verzocht om alleen de titel van hertog op hem over te laten gaan, een traditie die de volgende drie generaties hadden gehandhaafd.
'Gegroet, Hoogheid,' antwoordde de officier. 'Ik ben Hartun Gorves, kapitein van het Vierde Legioen, Derde Regiment, dienaar van Zijne Hooggeëerde Majesteit de Keizer van Groot Kesh, gezegend zij zijn naam. Mijn heer en meester verzoekt u dit land vredig te verlaten, dan zal u veilig vrijgeleide naar het oosten worden gegund. Hij herinnert u aan het feit dat dit Keshisch grondgebied is, van het oude Bosanië, op gewelddadige wijze en zonder reden van het Keizerrijk gestolen door uw voorvader.
Hij verzoekt u te vertrekken en zweert dat hij eventuele dienaren van hem die u lastigvallen streng zal straffen. Neem uw bezittingen en goederen mee, uw koeien en overige vee, maar vertrek meteen, anders heb ik de opdracht om op de meest onverbiddelijke manier met u af te rekenen.'
Martin bleef lange tijd onzeker zwijgen. Hij had van alles verwacht te horen, maar de simpele eis dat hij en ieder ander in het hertogdom zijn spullen moest pakken en vertrekken had daar niet bij gehoord. Dat Kesh van plan was dit land te bezetten stond nu vast; dit was geen gewone plunderexpeditie voor buit of politiek gewin. Ze wilden een stuk land opeisen dat al twee eeuwen geen deel meer uitmaakte van het Keizerrijk, maar ze spraken over de expansie van het Koninkrijk alsof die nog maar een paar weken geleden had plaatsgevonden.
'U maakt vast een grapje,' zei Martin uiteindelijk.
De officier boog. 'Beslist niet, goede prins. Ik en twee officiers zouden ons opwerpen als gijzelaars voor uw reis. Zodra u de grenzen van het land dat Yabon heet bereikt, zullen we u verlaten en kunt u verder overleggen met het garnizoen daar.'
'Garnizoen?' riep Ruther. 'Wat bedoelt u?'
'Tegen de tijd dat u in Yabon aankomt, zal ook dat weer Keshisch zijn, net als de zogenoemde Vrijsteden en die verschrikking die bekendstaat als Queg. Het garnizoen in Yabon zal u begeleiden naar de grens van Queesters Panorama en dan naar Krondor. Van daaraf bent u vrij om door te reizen naar de grenzen van het Koninkrijk en die rustig over te steken.'
'Grenzen van het Koninkrijk!' herhaalde de sergeant furieus. Martin legde een hand op zijn arm en de oude soldaat zweeg.
'En waar is die grens?' vroeg Martin.
'Zwartheide. Dat was vroeger uw grens, en daar ligt hij nu weer, want alle landen ten westen daarvan zijn nu Keshisch. Zodra u in Zwartheide aankomt, bent u weer op Koninkrijkse grond. Het Keizerrijk eist dit rijk weer op, van Schreiborg tot Krondor, Yabon en LaReu. Op dit ogenblik marcheren de legers van Groot Kesh en varen onze vloten over de Bitterzee. U bent nu een indringer op Keshisch grondgebied, prins,' besloot kapitein Gorves. 'U hebt twee dagen om u voor te bereiden op uw vertrek, en anders zal ik u en uw volk bezoeken met verschrikkingen die ik niemand toewens. Het is een eenvoudige keus: vertrek, of sterf.'
Na die woorden draaide hij zich om en liep weg, en Martin was zo onthutst dat hij geen woord kon uitbrengen.