22

Ontwaken

 


Kind krijste opstandig.

Haar kleine legertje stond achter haar opgesteld met alle wapens die ze bezaten. Degenen die magische vaardigheden hadden, begonnen op haar bevel met hun defensieve of offensieve bezweringen, en de vliegers sprongen de hemel van deze vreemde wereld in.

Een andere groep demonen, verlopen en mistroostig, deinsde achteruit naar een verdedigbare plek, klaar voor de strijd. Ze waren mager en zwak, maar ze zouden vechten met alle felheid die ze nog in zich hadden, en Kind wenste haar volgelingen geen letsel toe.

Op haar teken viel haar troep aan. Het was al bijna meteen weer voorbij, want zij had mannen met stierenkoppen. Haar aanvallers waren bestand tegen de zwakke klauwen en tanden van de vijandelijke voorhoede, terwijl haar vliegers tegen de magiegebruikers van de tegenpartij beukten en hun bezweringen verstoorden. Het was een korte strijd en een karig feestmaal naderhand, maar een beetje voedsel was beter dan niets.

Ze was deze wereld binnengekomen door een poort. Zodra ze voet op deze bodem had gezet, had ze geweten dat ze op een ander niveau van de werkelijkheid was. Deze plek deed haar denken aan de Woeste Landen in haar eigen wereld, maar alleen oppervlakkig bezien. Het was er rotsachtig, kaal en bezaaid met vulkanen die donkere rook en as de lucht in spuugden. Overdag kleurden ze de hemel rood en oranje en 's nachts vormden ze een wolkendek dat de sterren aan het oog onttrok.

Overal waren demonen, in kleine groepjes die vochten om elk beetje eten op deze wereld. Aangezien ze pas in dit rijk waren aangekomen, waren Kind en haar gevolg nog sterker dan hun tegenstanders. Het punt was dat de verliezers die ze opaten maar heel weinig voeding boden. Zij en Belog hadden verwacht dat deze wereld in het sterfelijke rijk zou liggen, een plek waar diverse keren demonen waren geweest. Volgens de geruchten had het er desondanks moeten barsten van de levensenergie en eindeloos veel voedsel. Maar deze planeet leek daar niet op.

Een week eerder waren ze op een vallei gestuit vol banieren en andere restanten van een grote veldslag. Op diverse plaatsen hadden ze grote schroeivlekken aangetroffen, alsof er krachtige magische bezweringen waren gebruikt, en de grond had er bezaaid gelegen met allerlei soorten wapens.

Op een heuvel die uitkeek over de vallei had een verkleurde, rafelige banier gestaan met daarop, volgens Belog, het teken van Maarg. Maar Maarg was al heel lang geleden verdwenen, en deze veldslag moest van veel recenter datum zijn. Leren harnassen hadden hun vorm nog, en er wapperden nog flarden stof aan de banierpalen die heen en weer zwaaiden in de bijtende wind. Het zuur in de lucht zou het textiel lang geleden al hebben opgelost als dit leger aanwezig was toen Maarg verdween. Dit waren sporen van een veel recentere strijd.

'Misschien is hij hierheen gegaan,' had Belog gezegd. 'Misschien heeft zijn leger tientallen jaren over deze wereld geraasd. Nu is hij eindelijk weg, nadat hij in zijn vraatzucht alles heeft verslonden.'

'Maar dat is niet het geval,' had Kind geantwoord. 'Niet alles is weg. Het meeste, maar niet alles.'

'Scherpzinnig.'

'We zijn op een tussenplek,' constateerde ze.

'Tussenplek?'

'Ik ruik nog het aroma van bloed dat niet demonisch is, het bloed van lagere wezens, maar toch zo heerlijk!'

'Heerlijk misschien,' beaamde Belog, 'maar niet bepaald voldoende om de maag te vullen, behalve als we er meer van vinden. We verzwakken elke dag verder.'

'Hoe moeten we dan sterk blijven?'

'Magie en eten,' zei hij.

Ze sloot zwijgend haar ogen, tastend met zintuigen die ze amper begreep, en toen schoten haar ogen open en wees ze. 'Die kant op!'

Ze leidde hen door een lange vallei naar een oud, verlaten kasteel. Daar sloot ze haar ogen weer. 'Hier woonden ooit veel lagere wezens.'

'Wat is dit voor een plek?' vroeg een van de mannelijke demonen.

Kind grauwde, waarop de man zweeg. 'Niet praten!' beval ze, en de andere demon besefte dat hij geluk had dat hij nog leefde. Hij sloeg snel zijn blik neer als teken van onderwerping.

Ondanks de kennelijke onderworpenheid van de jonge man besefte Belog dat hij fysiek nu sterk genoeg was om het tegen Kind op te nemen om het leiderschap. De jongeling had gedacht dat hij boven de anderen stond omdat hij de man was met wie ze het vaakst copuleerde. Op zichzelf vond Belog dat trouwens ook vreemd, want copuleren kostte energie die je ook kon opsparen. Het leek wel alsof Kind iets zocht in de daad zelf

'Kom,' zei ze. 'We hebben een behoorlijke afstand af te leggen.'

Hoe wist ze dat, vroeg Belog zich af

 


Ze kwamen bij een groot complex van gebouwen. Er lagen zoveel skeletten, wapens en pantsers verspreid dat hier een felle strijd moest zijn gevoerd.

'Ze hebben gevochten om deze plek te beschermen,' zei Kind.

'Wie?' vroeg Belog.

'De taredhel,' antwoordde Kind. 'De elfen die zich de Clans van de Zeven Sterren noemen. Dit was het middelpunt van waaruit ze van wereld naar wereld reisden. Ze noemden dit de Doorgangswereld.'

'Hoe weet je dat?' vroeg Belog.

'Dat weet ik niet.'

Ze liepen door een brede straat naar een gebouw aan het uiteinde. Kind beklom de brede trap en ging een enorme ruimte binnen waar een kring van toestellen stond, allemaal op afzonderlijke ronde voetstukken. Vanuit elke voet rezen twee sierlijk gebogen armen van hout en metaal op, die een grote cirkel vormden. Eén toestel helemaal achterin was stukken groter dan alle andere.

'Die daar,' zei ze, 'was de eerste, vanaf een wereld die "Andcardia" werd genoemd. Dat was de eerste en laatste plek waar we hen bestookten. Het was hun laatste toevluchtsoord voordat ze naar een andere wereld vluchtten.'

Belog keek om zich heen in de donkere zaal. 'Maar wij kunnen niet volgen.'

'Jawel. Alleen niet hierdoor,' zei Kind. Ze keek langzaam om zich heen. 'En dat willen we ook niet, want de elfen doden iedereen die erdoorheen komt.'Dat laatste zei ze op een toon die duidelijk maakte dat hij dat eigenlijk had moeten weten.

Belog zuchtte inwendig. Ze was onbegrijpelijk voor hem geworden. Ze wist dingen die ze niet kon weten. Ze vertelde over dingen waar ze geen getuige van was geweest, en ze begreep dingen die haar te boven zouden moeten gaan. Kind was uniek. Maar er was tegelijkertijd iets vertrouwds aan haar, alsof hij haar al heel lang kende. Dat vond hij ook raadselachtig.

Kind draaide zich om en liep weg, en ze liet het aan de anderen over of ze met haar meegingen of niet. Hier was alleen nog de dood.

Ze zwierven over gebarsten aarde en door brandend land zonder enig spoor van leven. Legers van demonen hadden elkaar bestookt in veldslagen van reusachtige proporties, en alleen een paar botten en verspreide wapens waren overgebleven, bedekt met door de wind aangevoerd stof. Banieren, allang aangevreten door die bijtende wind, flapperden kwaad in een bittere bries terwijl een gloeiende oranje zon opkwam om een volgende levenloze dag te begroeten.

Toen ze de hoogste van een reeks heuvels hadden beklommen, keek Kind omlaag in de beschaduwde vallei en zei: 'Daar. Hij wacht.'

'Wat?' vroeg Belog.

'Zie je het niet?' Ze keek hem met oprechte verwarring aan.

'Wat moet ik zien, Kind?'

'Kom, dan laat ik het je zien.'

Ze beende met de overige leden van haar troep de heuvel af. Het waren er minder dan toen ze hier net waren aangekomen. Eén vlieger had verkeerd ingeschat hoe dicht hij bij een schijnbaar onschuldig heuveltje kon komen en was verteerd door vuur toen de top met vulkanisch geweld was ontploft.

Een andere volgeling was gestruikeld op een smal pad, had zich verwond tijdens zijn val en was door de rest verslonden. Kind had na hun laatste paring het strottenhoofd van de zelfingenomen mannelijke demon er uitgescheurd, toen hij het had gewaagd haar leiderschap in twijfel te trekken. Ze had hem helemaal in haar eentje verorberd, wat afgunst had gewekt bij de anderen, maar ze beseften niet dat die daad hun levens verlengde. Twee anderen hadden ruzie gekregen, waren aan het vechten geslagen en hadden letsel opgelopen. Daarop hadden de anderen door de geur van bloed en de ontketende woede hun remmingen laten varen en de twee vechtersbazen opgevreten.

Nu waren er naast Kind en Belog nog zes over. Eén vlieger, één mannelijke demon en vier magiegebruikers.

Ze sjokten de helling af terwijl de vermoeidheid zich als een onwelkome metgezel weer bij hen aansloot. De honger stak ook weer de kop op.

Midden in het valleitje aangekomen zei Kind: 'Kijk.'

'Kind, wij zien niets,' liet Belog haar weten.

'Zien jullie geen poort in de lucht hangen, die ons lijkt te wenken?' Ze klonk ongeduldig, alsof ze meer van hen had verwacht.

'Nee,' zei een van de magiegebruikers, die het risico nam de woede van hun leider over zich af te roepen. 'Niet met mijn ogen of mijn kunsten.'

Ze keek Belog aan. 'En jij?'

Hij spande zich uit alle macht in. 'Nee, niets, Kind.'

Op een merkwaardig geërgerde toon zei ze: 'Ik zie het zo duidelijk als die rots daar.' Ze wees naar een groot rotsblok.

'Wat zie je dan?' vroeg Belog

'Zoals ik al zei, een poort. Een energiekolk die ons van deze plek naar een andere zal voeren.'

'Waar leidt hij dan heen, Kind?' vroeg haar eerste leraar.

'Ik had meer van jou verwacht,' berispte ze hem. 'Er is hier niets voor ons. Hier zal ik jullie allemaal moeten verslinden en uiteindelijk zelf van honger omkomen. Er is misschien een betere plek aan de andere kant van die poort, maar slechter dan hier kan het hoe dan ook niet zijn. Zelfs een snelle dood is beter dan langdurig, pijnlijk te creperen.'

Na die woorden draaide ze zich om en ontketende een glinsterende schicht zilverblauwe energie, die de vlieger en de mannelijke demon raakte en tegen de grond smeet. De magiegebruikers schrokken er zo van dat ze verstijfd bleven staan. Kind sprong boven op de sterke man, die net weer overeind begon te komen. Hij had nauwelijks de tijd om zich te verdedigen voordat haar hoektanden in zijn keel drongen.

De vlieger schuifelde naar achteren, nog altijd verdoofd, en terwijl Kind de man aanviel, sprong de vlieger de lucht in en vloog zo snel weg als zijn vleugels hem konden dragen.

Kind rukte het strottenhoofd van de mannelijke demon er uit en wendde zich tot Belog. 'Eet, maar spaar je energie. Hou je honger in toom en voed je geest. Laat je lichaam blijven zoals het is.'

Hij liet zich vallen en begon de enorme dode demon te verslinden. Haar instructies waren duidelijk, maar hij moest zich tot het uiterste inspannen om zijn lichaam niet te laten groeien, niet meer spieren en pezen op te bouwen en alleen zijn intellect te voeden. Het enige waardoor hij zijn vreetrazernij in bedwang wist te houden, was zijn training als Archivaris.

Kind verslond vervolgens de magiegebruikers, en ze at hun hersens als eerste op nu hun kennis van de magie er nog in aanwezig was. Toen dat gebeurd was, deed ze rustig aan met hun lichamen.

Na de vreetorgie stond Kind op en keek om zich heen. 'Wat een ellendige plek, inderdaad.' Ze draaide zich om naar de poort die alleen zij had kunnen zien en vroeg: 'Zie je hem nu wel?'

Belog stond op, en ze zag dat zijn houding was veranderd, alsof zijn geest op de een of andere manier een overstap had gemaakt naar een nieuw stel herinneringen, gewoonten en neigingen, zodat hij nu zelfs anders liep.

Hij grijnsde. 'Ach ja, nu wel.'

Ze reikte naar hem. 'Pak mijn hand.'

Ze leidde hem mee naar iets wat leek op een simpele stap van de ene plek naar de andere.

En plotseling waren ze ergens anders. Het was een lange weg, breed genoeg voor een vrij grote wagen, maar aan alle kanten spreidde zich een grijs niets uit. Hier en daar waren naast de weg poorten te zien.

'Waar zijn we?' vroeg Belog.

Ze antwoordde niet op zijn vraag, maar wees en zei alleen: 'Die kant op.'

Zo leidde ze hem door de Galerij der Werelden.

 


Puc bekeek Nazir met een kille blik. 'Je leeft alleen nog dankzij Sandrina's garantie van veiligheid, en zoals we op het strand hebben afgesproken: als ik de waarheid van je hoor, krijgen jullie een vrijgeleide van dit eiland af. Maar daarna zetten we de jacht op jullie in.'

'Dat is redelijk,' zei de leider van de Nachtraven. 'Ik heb je vriendin verteld over de geschiedenis van mijn broederschap; als je die ook wilt weten, kan zij hem je vertellen.' Hij knikte naar Sandrina, die stilletjes achter Pucs stoel stond. In de hoek stond Amirantha zwijgend toe te kijken.

'Laat me beginnen met zeggen dat er meer dan een eeuw geleden binnen de Nachtraven een groepering opstond die betrokken raakte bij een sekte van demonenaanbidders. Er werden hun beloften gedaan die grotendeels werden nagekomen, en dus vielen meer en meer leden van de Broederschap van Moordenaars ten prooi aan de verleiding. De rest van ons ... Nou, laten we zeggen dat wij zagen hoe de wind waaide en onze zorgen voor ons hielden.

Gezien je legendarische reputatie, Puc van Tovenaarseiland, twijfel ik er niet aan dat je je bewust bent van de gebeurtenissen die meer dan een eeuw geleden plaatsvonden in dat fort waar jij pasgeleden de demonenpoort hebt vernietigd. Dat was de eerste poging tot het oproepen van een demonenheer.' Hij zweeg even. 'Er is veel te vertellen. Kan ik een beetje wijn krijgen?'

'Haal water,' zei Puc, en hij ging achteroverzitten.

Nazir haalde zijn schouders op alsof het er niet toe deed. 'Wat geen van mijn broeders wist, was dat de lieden die samenspanden met de demonen hen gebruikten, hun kleine geschenken gaven in ruil voor het blind opvolgen van bevelen. Die kerel die jullie Robbie de Hand noemden, die later heer Robert werd, hij verwoestte ons bijna eigenhandig met zijn inmenging bij onze eerste oproep. Maar hoewel hij die groepering benadeelde en de Nachtraven ernstige schade toebracht, diende hij de demonen op zijn manier ook.'

'Hoe dan?' vroeg Puc, nu oprecht nieuwsgierig.

'Hij gaf de demonengroepering een uitvlucht. De leden van de Nachtraven die de demonen niet al dienden, hadden ook verlangens: krachtige magie, machtige toestellen, dingen om de Broederschap te bevorderen totdat tempels zouden huiveren bij onze naam. Maar nu hadden we een vijand, een getalenteerde, verraderlijke vijand, namelijk heer Robert en zijn agenten. Het gaf ons een gemeenschappelijk doel.

Tientallen jaren lang waren Robert en zijn inlichtingendienst onze uitvlucht als we faalden. En de meeste leden van de Broederschap aanvaardden dit ook. Al het succes werd toegeschreven aan onze demonische weldoener, al het falen aan Koninkrijkse spionnen, Keshische spionnen en later spionnen uit Roldem. Maar er waren genoeg overwinningen - goud, bloed, vrouwen - om te voorkomen dat de Broederschap de demonencultus geheel de rug toekeerde. Langzamerhand rezen de demonendienaren echter weer op en gingen zij de Broederschap domineren. En zij verschaften onze organisatie veel.'

'Zoals?'

'Het gebruikelijke. Rijkdom, macht, invloed.' Nazir haalde zijn schouders op.

Er werd een dienblad binnengebracht en hij kreeg een beker koud water. Hij dronk gulzig, overduidelijk dorstig. Toen hij knikte, vulde Magnus zijn beker bij.

'Waar was ik? O ja, de demonensekte rees weer op, dus doken de andere leden, die onze familietradities koesterden, dieper onder. Maar er kwam een moment waarop de demonenaanbidders enkelen van ons, vooral mij, moesten overtuigen om steun te leveren aan de monsterlijke onderneming in Kesh die door jullie zo schitterend om zeep werd geholpen. Dat kostte ons al onze aanzienlijke rijkdom en verzilvering van de gunsten die mensen ons schuldig waren.'

'Gunsten?' vroeg Magnus.

'Een ambtenaar die een scheepslading gereedschap naar ons kamp aanmerkte als boerengereedschap. Slavendrijvers die arbeiders voor ons verzamelden; hoewel jullie daar de meesten van hebben bevrijd. We hadden ook veilige doortocht nodig door de woestijn naar de Vallei der Verlorenen, dus moesten we weten wanneer patrouilles vanuit de omringende garnizoenen vertrokken en dat soort dingen.

Ik beloofde mee te werken aan het verzoek van de demonencultus, op voorwaarde dat ik de werkelijke reden achter al die waanzin te horen kreeg.' Hij nam nog een slok water.

'Ga door,' spoorde Puc hem aan.

'Ik hield van mijn broeders bij de demonensekte en zag hen simpelweg als misleid, net als die prachtige vrouw die ons hierheen heeft gebracht.' Hij gebaarde naar Sandrina, die hem zuur aankeek. 'Als je je hele leven in het teken stelt van één ding, ontzeg je jezelf veel andere genoegens.' Hij haalde zijn schouders op. 'Maar mensen doen wat ze doen. Toen kreeg ik een verhaal te horen, en als betaling voor dat verhaal verwacht ik mijn vrijheid.'

'Er is je een vrijgeleide beloofd naar een door jou zelf te bepalen plek.'

Ineens glimlachte Nazir. 'Ik denk dat ik toch wat meer nodig heb.'

Puc stond op uit zijn stoel. 'Wat?'

'Jouw Conclaaf der Schaduwen heeft mij en mijn broederschap veel gekost, Puc. Het is niet voldoende als we alleen maar op een rustige plek worden neergezet. We hebben een paar dingen nodig om ons leven draaglijk te maken.'

'Zoals?'

'Goud. Genoeg om comfort en zekerheid te kopen.'

'Hoeveel?'

'Honderdduizend Koninkrijkse soevereinen zal wel voldoende zijn, denk ik.'

Puc ging weer zitten. 'Dat geloof ik best. En waar moeten we zo'n som vandaan halen? Dat is tien jaar aan belastingen in het Westelijke Rijk.'

'Je hebt de beschikking over de grootste groep magiegebruikers ter wereld, Puc. Iemand zal toch wel in staat zijn om met een bezwering goud te vinden of basismetaal te veranderen in goud, of gewoon om iets te maken dat te verkopen is voor goud.'

Puc keek alsof hij een vieze smaak in zijn mond had. 'En als we dat niet doen?'

'Je mag me nu doden als je wilt. Maar dat doe je niet, want jij en ik hebben elkaar nodig.'Nazir glimlachte als een gokker die de winnende kaart al toegespeeld heeft gekregen. 'Ik zal mijn eisen bijstellen. Als we dit overleven, dan betaal je me.'

'Overleven?' vroeg Magnus.

Nazir keek Pucs zoon aan. 'Mijn vriend, wat ik weet is simpel. Er is daarbuiten iets waar de demonenkoningen bang voor zijn, iets wat zelfs de goden angst aanjaagt. Als jullie die macht niet kunnen dwarsbomen, dan is toch alles verloren. Goud kun je niet meenemen het graf in. Dood is dood.'

'Wat is dat voor iets, wat ze vrezen?' vroeg Puc.

'Ze noemen het de Duisternis.'

Puc verbleekte en zakte achterover. Hij had die benaming eerder gehoord, maar dan in de Tsuranese taal, en hij wist wat het toen betekend had. De gestoorde Pantathische Slangenpriesters hadden geprobeerd om hun verloren 'godin' de Drakenheerser Alma-Lodaka, zij die hen geschapen had, dit niveau van de werkelijkheid binnen te brengen. Wat ze feitelijk hadden binnengehaald, was de onstoffelijke essentie van een ander, genaamd Dreeken-Korin, de Heer der Tijgers, die was verslagen door Tomas tijdens de slag onder de stad Sethanon. Maar het meest onverwacht was het verschijnen van een opperdrocht geweest, die had gevochten met de grote draak die het Orakel van Aäl was geworden.

'Als we overleven, betaal ik je prijs. Je hebt mijn woord,' zei Puc rustig.

Magnus keek verbaasd naar zijn vader, maar hij zei niets.

'Luister,' zei Nazir. 'De allergrootste ironie is dat Dahun deze wereld binnen probeerde te komen in het lichaam van de krankzinnige magiër Belasco. Jij en zijn broer,' hij gebaarde naar Amirantha, 'doorzagen de list en vernietigden hen allebei. Maar Dahun kwam hier niet naartoe als veroveraar. Hij kwam als smekeling, om op zoek te gaan naar de machtigste magiegebruikers in dit rijk.' Hij gebaarde om zich heen. 'Hij wilde jullie om hulp vragen.' Nazir lachte. 'Hij wilde je smeken om bescherming, Puc. Want de Duisternis vernietigde zijn wereld dag na dag verder.'

'Amirantha! Haal dat boek,' zei Puc.

De zwarte magiër hoefde niet te vragen welk boek Puc wilde hebben. Hij haastte zich naar zijn kamers, waar hij Gulamendis met zijn neus in juist dat boek aantrof. Zonder plichtplegingen pakte hij het zware boek van tafel en zei: 'Kom mee. Dit wil jij ook horen.'

Ze keerden allebei haastig terug naar Pucs vertrekken, en Amirantha legde het boek neer. Het was het Libri Demonicus Amplus Tantus, letterlijk vertaald het groot en omvangrijk demonenboek. Het was zowel groot in afmeting als in bereik. Hoe gebrekkig de wetenschap erachter hier en daar ook was, sommige delen waren geniaal en accuraat. De kneep was geweest om uit te zoeken wat wat was. 'De kaart,' zei Puc, en Amirantha begon de grote kaart uit te vouwen die voor in het boek zat. Hij vouwde hem helemaal uit, en alle aanwezigen keken ernaar.

De kaart gaf de indruk dat het demonenrijk een grote schijf was, met een aparte cirkel in het midden. In het oude Quegse dialect waarin het boek was geschreven, stonden hier de woorden Ater Irritius.

'Daar,' zei Nazir, met zijn vinger op het midden van de kaart kloppend. 'Dat is wat ze vrezen.'

'Dat hebben wij vertaald als "leegte",' verklaarde Amirantha.

'Dat kan best,' zei Nazir. 'Ik spreek geen Quegs, modern of oud, maar zij noemen het "Duisternis".'

'Het betekent allebei,' merkte Puc op. 'En nu begrijp ik volledig...'

Voordat hij kon doorgaan, vroeg Nazir: 'Wat is hier?' en met zijn vinger wees hij om de rand van de leegte heen.

Amirantha gaf antwoord. 'De demonische koninkrijken, voor zover wij hebben kunnen vertalen. Er schijnt een groep koninkrijken in een ring om die leegte te liggen, de Eerste Koninkrijken, en daaromheen een tweede ring met de Tweede Koninkrijken. Dan komen de Woeste Koninkrijken, en om de buitenrand dat wat ze de Waanzinnige Landen noemen.'

'Nou, het is een oude kaart,' zei Nazir. 'Want Dahuns koninkrijk wordt verslonden door de Duisternis.' Hij keek Puc aan. 'Er zijn geen Eerste Koninkrijken meer. Die zijn allemaal weg.'

Puc sloot zijn ogen even. Toen knikte hij. Tegen Sandrina zei hij: 'Als je het niet erg vindt, loop jij dan even met Nazir mee naar zijn kamer en laat iemand daar een oogje op hem houden. Kom dan alsjeblieft terug. Ik zal boodschappen moeten versturen naar alle tempels, ook de jouwe.'

Toen Nazir weg was, vroeg Magnus: 'Wat is er, vader?'

Puc zuchtte. 'Alle tekenen waren er. Al in de Oorlog van de Grote Scheuring, toen Tomas en ik je grootvader zochten. Al tijdens de strijd tegen de Dasati, bij het gevangennemen en opsluiten van hun goden, de valse god des doods en... Het zijn de drochten. Ze vernietigen het demonenrijk en proberen hierheen te komen.'

Er viel een stilte in de kamer.