14
Vlucht
Martin rende de trap op.
Tijdens zonsopgang, toen hij zich nog amper had aangekleed, was hij dringend opgeroepen door de schildwacht boven op de hoogste toren van het kasteel. Toen hij daar aankwam, riep de schildwacht: 'Commandant, de Keshiërs verplaatsen hun blijden!'
'Sergeant Ruther!' schreeuwde Martin, en binnen enkele tellen stond de oude veteraan naast hem. 'Het lijkt erop dat de Keshiërs geen zin meer hebben om te wachten tot we weggaan.' Toen voegde hij er kalm aan toe: 'Sla alarm.'
Met een armgebaar droeg de sergeant een bugelblazer op om het signaal te geven, en snel namen alle soldaten en andere strijdbare mannen hun posities in.
'Het zal mij benieuwen of ze nog een keer vragen of we weg willen gaan,' zei sergeant Ruther, die zijn kin naar voren stak alsof hij zich voorbereidde op een kroeggevecht.
Ineens werd er vanuit het hart van het dorp een enorme kei gelanceerd, die zich in de stenen rechts van de poort boorde. Brokstukken van metselwerk vlogen door de lucht en twee mannen vielen van de muur ernaast terwijl alle anderen ineendoken. De burgers die geen wapens hadden en nog niet naar de achterkant van het kasteel waren gevlucht, renden nu weg van het voorplein. Hun angstkreten schalden door de lucht, maar daardoorheen klonk de stem van sergeant Ruther: 'Rustig!' Hij keek Martin even aan en zei: 'Kennelijk dus niet.'
De Keshiërs zaten nu al vijf dagen in het dorp en stuurden elke dag een boodschap met de vraag of de inwoners zich wilden overgeven. Ze dreigden niet; maar het dreigement was duidelijk naarmate er meer en meer soldaten van de schepen in de haven van Schreiborg kwamen. Nu al werd de burcht bijna geheel omsingeld. Alleen het dicht beboste gebied ongeveer een halve mijl van de achterste muur scheen nog niet te zijn afgesloten.
Martin zag nog een grote kei vallen, dichter bij de poort. 'Ze willen eerst die poort stuk hebben voordat ze aanvallen,' gokte hij.
'Dat denk ik ook, commandant. Tegen muren op komen is gevaarlijk werk, en de poort is de gemakkelijkste ingang. Meestal wachten we totdat we ons moeten terugtrekken in het fort, en dan wordt het lastig voor ze.'
Martin begreep het. De buitenmuur was later toegevoegd aan het oorspronkelijke fort, dat een klassieke slachtruimte achter het buitenste valhek had. Hoewel de poorten zelf vrij gemakkelijk te doorbreken waren, kwam je er toch ontzettend moeilijk langs zonder dat er een heleboel mannen sneuvelden door de pijlenregen die van boven kwam. 'Zie je schildpadden?'
'Nee, maar we kunnen ervan uitgaan dat ze die hebben, of anders dat ze ze ergens in het dorp aan het bouwen zijn.' Schildpadden waren overdekte stormrammen, zware houten constructies die gebruikt konden worden om de valhekken kapot te beuken. De verdedigers zouden de aanvallers een hoge prijs laten betalen voor het binnendringen van het fort, maar met voldoende mannen en materieel zouden de Keshiërs uiteindelijk doorbreken. Martins enige hoop was om ze op afstand te houden totdat zijn vader en de rest van het leger van Schreiborg terugkeerden.
De opdrachten waren eenvoudig geweest. Als heer Henry verscheen, zou het garnizoen uitrijden om steun te bieden aan zijn aanval op de Keshiërs die de burcht belegerden. Als de aanval sterk genoeg was, konden ze hun tegenstanders achteruitdrijven door het dorp, totdat ze uiteindelijk met hun rug naar de baai moesten vechten. Behalve als ze met hun zware pantsers aan naar hun schepen terug konden zwemmen, zouden ze gedwongen zijn zich over te geven of anders tot de laatste man worden afgeslacht op de kades. Martin besloot zich pas als de strijd gewonnen was druk te maken over de Keshische burgers. Op dit ogenblik had hij het te druk met de verdediging van de burcht.
Hij keek om zich heen en besefte dat zijn voorouders genieën waren geweest. Of ze hadden heel veel geluk gehad. Toen de oorspronkelijke burcht door de eerste hertog van Schreiborg was gebouwd, was dit een klein Keshisch garnizoen geweest, voornamelijk bedoeld om gnomen en de Broederschap van het Onzalige Pad te weren uit noordelijk Bosanië, zoals deze provincie heette. De huidige Vrijsteden waren hun voornaamste zorg geweest, en de Verre Kust was alleen bezet als manier om hun 'achterdeur' te beschermen, aangezien er twee grote passen door de bergen bestonden. De oostelijke weg, langs het garnizoen van Jonril, splitste zich naar het noordoosten en zuidoosten en leidde naar de passen. Een van die wegen liep langs de zuidelijke grens van het elfenwoud en verliet uiteindelijk de Grijze Torens bij de Noordelijke Pas, waarna hij afdaalde in de richting van Yabon.
De zuidelijke route liep vlak langs de grenzen van het grondgebied van de dwergen en de Sterrenelfen, en uiteindelijk daalde hij af naar de Vrijstad Natal en de Koninkrijkse haven Ylith. Die route werd niet veel gebruikt; eigenlijk alleen als de Noordelijke Pas geblokkeerd was door zware sneeuwval.
Maar hoewel het garnizoen van Schreiborg nooit meer was geweest dan een Keshische wachtpost, had het wel dit schitterende fort: één verdieping, vierkant en lelijk, met een vestingtorentje boven de ingang. Martins voorouder, de eerste hertog van Schreiborg, had er een tweede verdieping op gebouwd, het aan drie kanten vergroot en torens op de twee hoeken aan de voorkant laten bouwen. Daarna had hij er een hoge muur omheen laten zetten, zodat er een groot binnenhof aan de voorkant en een wat kleiner terrein aan de achterzijde waren ontstaan. Aan de noordkant tegen de muur lagen de stallen, en aan de zuidkant stonden barakken.
Er waren twee doorgangen in de buitenmuur: de hoofdpoort en een achterdeurtje. Dat deurtje werd goed bewaakt, maar het terrein achter de burcht maakte een aanval vanuit die richting lastig; door de dichte bossen was de inzet van paarden en infanterie onmogelijk. Aanvallers zouden de open plek aan de achterzijde op moeten komen en dan heuvelopwaarts moeten aanvallen, binnen het bereik van de boogschutters en twee blijden op de hoektorens. De oude Keshiërs wisten één ding dat elke hertog van Schreiborg ook wist: de enige manier om het fort in te nemen was met een steile klim de heuvel op en daarna een frontale aanval.
Er kwamen nog meer keien aanzeilen, en nog meer brokstukken schoten de lucht in. Scherven steen en verstikkend stof vlogen alle kanten op.
In stilte hoopte Martin dat zijn vader niet te lang weg zou blijven.
Elk moment dat hij was gedwongen te wachten, frustreerde heer Henry
meer. Hij begon iedere keer meteen te ijsberen als ze moesten
stoppen om de paarden te laten rusten. Tweehonderd cavaleristen
moesten hun rijdieren verzorgen terwijl de infanterie ploeterde om
hen bij te benen, op misschien een halve dagmars achter hen.
Brendan keek naar zijn vader en wist niet goed wat hij moest zeggen. Hij wilde even graag terug als de hertog, maar hij wist dat het zinloos was om te ver op de voetsoldaten vooruit te lopen. Met tweehonderd soldaten te paard kon je misschien een burcht ontzetten, maar ze zouden de steun van de twaalfhonderd man achter hen wel nodig hebben. Uiteindelijk zei hij: 'Vader, je hebt Martin goed onderwezen. Van ons drieën is hij altijd je beste leerling geweest.'
Heer Henry draaide zich om. Hij keek alsof hij op het punt stond uit zijn slof te schieten tegen zijn zoon, maar hij wist zich in te houden. Even later zei hij: 'Je hebt gelijk. Ik heb altijd geweten dat jij en je broers op een dag misschien in de strijd zouden worden beproefd. Ik had alleen gedacht dat jullie ouder zouden zijn, en dat ik jullie zou bijstaan.' Toen dempte hij zijn stem. 'En je moeder is daar.'
Brendan liep naar zijn vader toe. Hij legde zijn hand op zijn schouder en herhaalde: 'Martin was je beste leerling. En hij heeft Ruther bij zich. Hij is dan misschien een snoevende drinkebroer met Banapis, maar de rest van het jaar is Ruther een bedreven soldaat.'
'Tegen troepen gnomen en zwervende schurken, ja,' zei hertog Henry. Zijn donkere ogen waren samengeknepen en zijn gezicht stond ongerust. 'Maar tegen Keshische hondsoldaten?'
'De veste van Schreiborg heeft zich bewezen in de strijd, vader. Als de Tsurani er na maanden van belegeren niet konden binnendringen, dan betwijfel ik of het Kesh binnen enkele dagen zal lukken.'
'De Tsurani hadden geen Keshische technici,' kaatste hertog Henry terug. 'Als we één dag voor de infanterie aankomen, kunnen we misschien van achteren aanvallen en hun belegeringsmachines in brand steken, verwarring zaaien en hen misschien zelfs uiteenslaan.'
Brendan zei niets, maar hij wist dat het onwaarschijnlijk was. Ze zouden de bergen uit komen over de enige grote weg ten westen van Yabon naar Schreiborg. Ze waren halverwege het garnizoen van Jonril geweest toen de snelle boodschappers bij hen aankwamen met het nieuws over de Keshische invasie.
Henry had het bevel gekregen om met deze troep naar Yabon te gaan, om dat garnizoen te versterken voor het geval dat de Keshiërs naar het noorden zeilden, of de plaats van de soldaten in te nemen indien de hertog van Yabon de opdracht kreeg om van Ylith naar Krondor te varen. Totdat de ruiters kwamen met de melding over de aanval op Schreiborg, had Henry aangenomen dat de kans op onrust daar klein was. Hij had twee fitte ruiters verder naar Jonril en vervolgens naar Yabon gestuurd, met het bevel om het garnizoen van Jonril te ontmantelen en naar Schreiborg te sturen. Hij vermoedde dat ze niet meer dan drie dagen na hun eigen Schreiborgse infanterie zouden aankomen. Yabon zou zelf mogen bepalen hoeveel hulp ze stuurden, als ze al hulp konden sturen. Als de Keshiërs niet op de Bitterzee voeren, dan was Henry ervan overtuigd dat hertog Francis twee of drie compagnieën van zijn eigen garnizoenen uit LaReu, Zuen en Yabon zou sturen om Schreiborg te steunen. Die zouden binnen drie weken moeten arriveren, als hertog Francis snel reageerde.
De hertog gebaarde naar de verzorgers dat ze de paarden weer moesten zadelen, maar Brendan zei: 'Vader, we hebben niets aan die paarden als we ze doodrijden. Nog een paar minuten?'
De hertog verstijfde. Hij droeg zijn pantser en de oude, gekoesterde tabberd met het wapen van zijn voorouders: een donkerbruin veld met de vliegende gouden meeuw van Schreiborg erop. Zijn helm lag op de grond aan zijn voeten en hij keek er even naar. Toen zei hij zachtjes: 'Ik wou dat Hal daar bij Martin was.'
Brendan kon alleen maar knikken. Martin was dan misschien de beste leerling van hun vader geweest als het op strategie en tactiek aankwam, maar Hal wist gewoon hoe je dingen moest aanpakken en was een geboren leider. Het enige wat hij kon uitbrengen, was: 'Martin redt zich wel, vader.'
Martin liep door de grote zaal waar de kermende slachtoffers lagen.
Het was een provisorische ziekenzaal geworden sinds er bij het
onophoudelijke bombardement op de poorten meer dan vijfentwintig
mannen gewond waren geraakt. De meesten waren arbeiders; ze waren
bezig geweest met het versterken van de poort met hout en steen, om
het onvermijdelijke moment dat de boel zou instorten uit te
stellen.
Twee dagen geleden had hij alle mannen van de muur gehaald en ze zich naar de zijkanten van de veste of in de hoofdingang laten terugtrekken, klaar om indien nodig de muren weer te bemannen. Martin had echter maar al te goed geweten dat de Keshiërs niet binnen boogafstand zouden komen voordat de poort doorgebroken was. Hij kon niet anders dan - met tegenzin - bewondering opbrengen voor de Keshische commandant. Deze aanpak was misschien niet bijzonder creatief, maar wel effectief De soldaten in het dorp vielen dan misschien in slaap van verveling, maar in de veste van Schreiborg had al meer dan een week niemand meer een goede nachtrust gehad. Zij moesten het doen met een paar minuten dommelen, waarna ze weer wakker schrokken door het lawaai van een volgende kei tegen de muur bij de poort.
Martin zag sergeant Ruther aan de andere kant van de zaal en wenkte hem. Ze begaven zich allebei naar een hoek van de zaal, waar niemand hen kon afluisteren.
'Hoe staan we ervoor, sergeant?'
Ruther wreef over zijn kin. 'Gezien het pak slaag dat de poort krijgt, beter dan ik had verwacht. Geen doden, alleen gebroken botten en snijwonden van rondvliegende stenen.'
'Hoe lang?'
Ruther hoefde niet te vragen wat hij bedoelde. 'Hooguit drie dagen, maar eerder twee; en als ze zich inspannen nog minder.' Hij zweeg even. 'We moeten overwegen de vrouwen en kinderen hier weg te halen.'
Martin zuchtte, op het randje van de uitputting. 'Ik weet het. Is de tunnel klaar?'
Na de Tsuranese belegering van het kasteel had Martins naamgenoot, de eerste hertog Martin, een ontsnappingstunnel diep onder de veste laten bouwen, veel dieper dan indringers zouden proberen zich naar binnen te graven. Hij liep tot ver voorbij de open plek in het oosten, het dichte woud in. De uitgang was vermomd met zorgvuldig geplaatste rotsblokken rondom een deurhoge kei, of eigenlijk een hoge, ogenschijnlijk massieve kei die knap was uitgehold.
'Ik heb de jongens gisteren laten kijken of het hout nog goed was en de stenen deur die de ingang verbergt nog wil bewegen. We zullen een paar stevige knapen en een lang stuk hout nodig hebben om beweging in de deur te krijgen, maar hij zal klaar zijn als we hem nodig hebben.'
'Mooi,' zei Martin. 'Ik weet alleen nog niet hoe we iedereen weg moeten krijgen, en wanneer.'
'Het "hoe" is uw zorg, commandant, maar het "wanneer" is binnenkort.' Hij keek Martin aan en zag de donkere kringen onder zijn ogen. 'U ziet er uitgeput uit,' zei hij, hoewel hij er zelf niet beter aan toe was. 'Waarom probeert u niet even wat rust te nemen, al is het maar een uurtje?'
'Dank je, sergeant,' zei Martin. Hij wist dat de oude soldaat gelijk had, want hij was doodop en dacht niet helder na. Hij wankelde naar zijn kamer en liet zich op zijn bed vallen zonder zijn laarzen uit te trekken. Binnen enkele minuten sliep hij, zonder zich te storen aan het doffe gebons van keien tegen de poort buiten.
Martin werd wakker van zachte lippen op de zijne. Zijn ogen schoten
open. 'Huh?'
Hij zag Bethany over hem heen gebogen staan.
'Ze hebben je nodig. Dit leek me de beste manier om je wakker te maken.'
Blozend zei Martin: 'Ik ben wakker. Wat is er?'
'Je moeder heeft je nodig.' Ze draaide zich om naar de deur. Toen ze daar stond, keek ze over haar schouder en voegde eraan toe: 'En ik ook.' Daarna vertrok ze.
Martin bleef zitten, half in slaap, een beetje duizelig en verward. Als hij de komende dagen overleefde, zou hij zich wel eens gaan afvragen hoe hij de genegenheid had weten te winnen van de vrouw die hij aanbad.
Hij had altijd wel het gevoel gehad dat er iets tussen hen was, maar elke keer als hij had durven overpeinzen wat dat iets zou kunnen zijn, had hij die gedachten weer weggeduwd als de zinloze dromen van een dwaas. Nu vroeg hij zich af hoe alles plotseling zo ingrijpend had kunnen veranderen. Waarom wilde hij eigenlijk het liefst grijnzen als een idioot, terwijl de hele wereld om hem heen instortte?
Hij trok zijn tuniek recht en haastte zich naar de vertrekken van zijn ouders, die zijn moeder momenteel deelde met Bethany, haar moeder, zes dames uit het dorp en hun twaalf kinderen. Als kind had Martin deze kamer altijd enorm groot gevonden - de grootste kamer in de veste, met een reusachtig bed, een zitbank, grote kleden en wandtapijten - maar nu leek het er klein en benauwd.
Hertogin Caralin wenkte haar zoon naar haar toe toen hij de kamer binnenkwam en pakte zijn handen vast. 'Hoe gaat het met je, Martin?' Haar gezicht was een masker van bezorgdheid. Hij kende die uitdrukking. Ze maakte zich meer zorgen over hem dan over zijn broers, al sinds hij klein was. Hij had niet het zelfvertrouwen van Hal of de roekeloosheid van Brendan, en als middelste kind was hij vaak verwaarloosd omdat zijn vader zich om de oudste bekommerde en zijn moeder met de jongste bezig was.
Hij glimlachte, ook al had hij het gevoel dat hij staand zou kunnen slapen. 'Het gaat best, moeder. Wat kan ik voor je doen?'
'Op het terrein achter worden mensen ziek. Het is nu nog niet zo erg, maar dat komt nog wel.' Zo dicht opeengepakt als ze zaten, konden de inwoners van Schreiborg ieder moment ten prooi vallen aan ziekten, of het nu iets betrekkelijk milds was als buikloop, of iets dodelijks als de rode pest of de vlekkengekte. Zachtjes voegde ze eraan toe: 'We moeten overwegen om de ziekste patiënten hier weg te halen.'
'Waar zouden die dan naartoe moeten, en hoe moeten we ze daar krijgen?'
'Elvandar,' stelde ze voor. 'Je vader komt vast snel terug uit Jonril, en de genezers zijn bij hem, maar veel van deze mensen zullen dan al stervende of dood zijn. We moeten snel zorgen dat ze hulp krijgen.' Ineens rilde ze.
Martin keek haar geschrokken aan. 'Moeder, wat heb je?'
Ze dempte haar stem en fluisterde: 'Koude koorts.'
Martin sloot even zijn ogen. Koude koorts kon verschillende dingen betekenen, maar het ziektebeeld was altijd hetzelfde: koorts, zweten, rillingen, verschrikkelijke dorst en, als patiënten niet behandeld werden, hallucinaties. Als daar nog andere klachten bij kwamen, konden ze er zelfs aan overlijden. Meestal bleef je met de koude koorts een week tot tien dagen in bed en knapte je dankzij de verzorging van vrienden of familie in het dorp snel weer op. Maar hier kon de ziekte binnen enkele dagen het hele garnizoen lamleggen.
'Als we ze hier weg willen halen, moeten we dat doen voordat ze te zwak worden om te reizen. Ik zal sergeant Ruther opdragen het te regelen. Ze vertrekken bij zonsondergang.' Hij zweeg even, en toen voegde hij eraan toe: 'Ik wil graag dat jij, gravin Marriann en vrouwe Bethany ook vertrekken.'
'Nee,' zei zijn moeder vlak. 'Dit is mijn volk; dit is mijn huis. Als jij blijft, blijf ik ook.'
Hij stak zijn hand op. 'Moeder, alsjeblieft. Iemand moet voor de zieken zorgen, en ik kan niemand verzinnen die daar beter in is dan jij. Bovendien zou het mij enorm geruststellen als jij en de familie van graaf Robert in veiligheid zijn.'
Zijn moeder keek hem schuin aan. 'O ja?'
'Ja,' antwoordde hij, hoewel hij haar vraag niet begreep. 'En als jij niet gaat, moet ik Ruther meesturen om de ontsnapping in goede banen te leiden, en ik heb hem hier nodig.'
'Goed dan,' zei ze. 'Je bent net zo koppig als je grootvader als je besluit eenmaal genomen is, dus ik zal niet in discussie gaan.'
Hij kuste haar op de wang. 'Vaders vader of jouw vader?'
Enigszins fronsend zei ze: 'Allebei.'
Daar moest hij om lachen. Hij gaf haar nog een kus en vertrok.
De uitputting begon zijn tol te eisen, maar overal waar de jonge commandant liep, knikten mensen begroetend en brachten soldaten hem een saluut. Martin wist niet precies waaraan hij hun achting verdiend had, maar toen hij de familievleugel van de veste verliet en de hoofdzaal inliep, schoot het hem ineens te binnen: ze wilden dat hij slaagde. Want als hij slaagde, bleven zij leven. Als hij faalde, faalden zij allemaal.
Het kostte een paar minuten om door de drukke hoofdzaal te lopen, waar vrouwen en kinderen elk beetje ruimte op de vloer bezetten. Vele vrouwen uit het dorp glimlachten naar hem of spraken hem aan met 'heer', 'heer Martin' of zelfs in één geval 'hoogheid'!
Dat zette hem even aan het denken. Hij had zichzelf tegenover de Keshische veldcommandant prins genoemd; een zelfverheffing die zijn familie al generaties lang ontweek. Zijn betovergrootvader, naar wie hij vernoemd was, was de broer van de koning geweest, en hij en zijn zoon Markus waren allebei van geboorte prinsen van het Koninkrijk, maar Markus had die titel nooit gevoerd. Datzelfde gold voor zijn zoon, de eerste hertog Henry, en Martins vader, de tweede hertog Henry. Hal zou de derde hertog Henry worden, maar de huidige koning was op z' n best een heel verre neef. Het enige wat Martin, zijn broers en hun vader onderscheidde van een twintigtal andere verre neven van de koning was dat ze conDoins waren. De eerste Martin was als bastaard geboren, maar hij was erkend door zijn vader voordat die stierf en kreeg zijn naam, en dus was hij van koninklijken bloede.
Martin schudde zijn hoofd. Hij moest wel heel moe zijn, als hij zijn gedachten zo liet afdwalen.
De dag sleepte zich voort, en het bestoken van de poort ging ook 's nachts door. Toen in het oosten het bleke schijnsel van de zonsopgang zichtbaar werd, haastte Martin zich naar buiten. Hij ging zo dicht bij de poort als nog veilig was, om te zien hoe de Keshiërs vorderden. Terwijl hij bij de ingang van het fort stond, kwam er een soldaat naast hem staan: een lange, magere kerel die Means heette en die recent was bevorderd van korporaal naar sergeant.
'Waar is Ruther?' vroeg Martin.
'O, die heb ik eindelijk zover gekregen dat hij is gaan slapen, heer.
Ik kan hem wel voor u halen, als u hem nodig hebt.'
'Nee, laat hem maar slapen.' Een volgende kei ramde met een galmende klap de poort, en Martin hoorde een splinterend geluid en zag de balken waarmee de poort versterkt was trillen. 'Wat denk jij?'
'Niet mijn taak, commandant,' zei Means.
'Een geboren sergeant,' zei Martin lachend.
'Als u bedoelt wanneer ik denk dat de poort zal bezwijken, dan zeg ik twee dagen. Misschien sneller. We kunnen maar beter zorgen dat we vanaf morgen bij zonsopgang klaar zijn voor het gevecht.'
Martin knikte. De helft van het metselwerk rondom de poort was gebroken en gebarsten, de bovenkant van de muren aan weerskanten waren kartelig puin. Binnen zes meter aan beide zijden van de poort was vechten niet meer mogelijk, want je kon nergens meer stevig staan. Als de Keshiërs een vuurram inzetten tegen de houten poorten, dan zouden de verdedigers kwetsbaar zijn tijdens het blussen en zouden de Keshische boogschutters gemakkelijke doelwitten hebben.
'Mijn moeder en de andere dames willen met de zieken vertrekken door de ontsnappingstunnels,' zei Martin. 'Ik heb Ruther hier nodig, maar ik wil ook dat er een ervaren soldaat met hen meegaat. Die opdracht vertrouw ik aan jou toe.' Hij keek om zich heen. 'We hebben niet veel over voor een gedegen gevecht, hè?'
'O, het is best een goed stel. Uw vader had een paar oude rotten bij de jongens achtergelaten. En een paar dorpelingen zijn behoorlijk goede vuistvechters; dat weet ik nog uit mijn oude kroegtijd.'
'Drink je niet meer?'
'Nauwelijks,' zei Means. 'Mijn vader had een hekel aan mannen die niet tegen drank konden. Jarenlang vatte ik dat op als uitdaging: dat ik met alle jongens moest gaan drinken en dan op de een of andere manier moest zorgen dat ik niet de volslagen ezel werd die ik meestal werd. Als ik die man niet was geweest, had ik deze strepen jaren geleden al gehad. Dus leerde ik dat de beste manier om met drank om te gaan is gewoon dat eerste biertje niet te nemen. Ik heb al vijf jaar niet meer gedronken.'Toen grijnsde hij. 'Wat niet wil zeggen dat ik in mijn tijd in de havenkroegen niet een paar koppen heb ingeslagen.' Hij schudde zijn hoofd. 'Nee, deze jongens zullen de Keshiërs evenveel geven als ze ontvangen, en misschien nog wel een beetje meer. Dit is hun thuis, commandant. Dit fort staat hier nog als uw vader komt. Daar ben ik van overtuigd.'
'Ik hoop dat je gelijk hebt, sergeant.'
Martin liep terug naar binnen en begon aan zijn dagelijkse routine. Hij zou persoonlijk de voorraden inventariseren, controleren of er voldoende voedsel was voor iedereen, dan zou hij bij alle posities langsgaan om te kijken hoe het met de mannen ging, en daarna zou hij zijn plek boven op het fort innemen om te kijken of de Keshiërs al iets anders deden. En dan zou hij wachten.
'Vuurwagen!' klonk de kreet vanaf het dak van de veste, die via de
trap omlaag werd doorgegeven naar de grote zaal. Martin had net
afscheid genomen van zijn moeder en de andere dames die zouden
beginnen aan hun tocht naar Elvandar. Degenen die te ziek waren om
te lopen, werden gedragen op draagbaren, en naar verwachting zou
het een week duren voordat de groep de grensrivier en de elfen zou
bereiken. Martin vond het vreselijk om hen in deze toestand te zien
vertrekken, maar hij wist dat een garnizoen in de greep van ziekte
- zelfs al was het een betrekkelijk milde ziekte - de Keshiërs weer
een voordeel zou opleveren dat hij hun niet gunde.
Sergeant Ruther haastte zich naar binnen. 'De Keshiërs gaan de poort rammen met een vuurwagen, commandant. Het lijkt erop dat ze toch snel binnen willen zijn.'
Martin knikte en wendde zich tot sergeant Means. 'Zorg dat ze veilig wegkomen.' De ontsnappingstunnelleidde via de lage kelder onder de voorraadkamers bij de keuken naar buiten. De mensen die vertrokken waren al voor zonsopgang in de rij gaan staan, en nu waren ze er bijna allemaal door.
Martin rende naar buiten, naar een plek op de muur waar hij ondanks de rook het beste uitzicht had op de poort. De Keshische vuurwagen was een kar vol met in olie gedrenkt hout, met daarbovenop strakke bundels stro. Er rende een vijftal mannen achter, die het gevaarte zo goed en zo kwaad als dat ging bestuurden via een omgekeerde wagenboom. Het was net alsof je een boot stuurde, want je moest het roer naar de kant draaien waar je niet naartoe wilde, en de Keshiërs bakten er niets van.
De wagen was tegen de rechterkant van de poort gebotst, tegenover de plek waar Martin stond. Het vuur brandde heet, maar grotendeels tegen steen. Het hout van de poort aan die kant smeulde en rookte wel, maar het had nog geen vlam gevat. Schreiborgse soldaten begonnen snel emmers water tegen de binnenkant van de poort te gooien, om te helpen de warmte te verspreiden en te voorkomen dat het hout doorbrandde. Ruther kwam naast Martin staan.
'Wat denk je?'
'Hij zal wel wat verzwakken, maar behalve als ze zo gek zijn om mannen in oliejassen naar voren te sturen zodat ze het vuur naar de poort kunnen duwen, houdt hij het nog wel een tijdje.'
'Denk je dat ze na het verzwakken met een ram zullen komen?' vroeg Martin.
'Nee. Ze willen niet het risico nemen dat ze verstrikt komen te zitten in die puinhopen, vooral niet met vuur en sintels overal. Ik zou de jongens meteen olie over ze heen laten dumpen als ze zo stom waren, en dat weten zij ook.
Nee, ze wachten tot het vuur uit is, en dan gooien ze nog een paar stenen om te kijken hoeveel schade ze hebben aangericht. Daarna sturen ze misschien nog een vuurwagen, en ik durf te wedden dat het de tweede keer wel goed gaat: precies in het midden.'
Martin kon alleen maar instemmend knikken. Hij slaakte een vermoeide zucht en vroeg zich af waar zijn vader nu was.
Henry, hertog van Schreiborg, hakte in op de gnoom die hem van zijn
paard wilde trekken. Het groenblauwe gezicht van het schepsel was
vertrokken in een grauw met lange hoektanden terwijl het de hertog
aanviel.
Brendan dook achter de gnoom op. Hij sloeg hem tegen de onderkant van zijn nek, waar de huid onder de maliën te zien was, en het monster ging neer.
Ze hadden de pech gehad om op een grote groep plunderende gnomen te stuiten die door het Groene Hart zwierf. Henry's tweehonderd ruiters stonden tegenover dertig gnomen.
Ze maakten korte metten met de gnomen, waarvan de meeste zich hadden omgedraaid en het diepe woud in waren gevlucht zodra ze beseften dat ze niet te maken hadden met een kleine garnizoens-patrouille uit Jonril. Plunderende gnomen konden heel gevaarlijk zijn voor karavanen en kleinere patrouilles, maar een volledige compagnie zware cavalerie was te hoog gegrepen voor hen.
Henry wendde zijn paard in een halve cirkel. 'Verslag!' beval hij zijn eerste sergeant, Magwin.
'Eén dode, twee gewonden, heer.'
'Verdomme,' zei de hertog. Hij was bijna dol van bezorgdheid om zijn vrouw en zoon. 'Ik had ruiters voorop moeten laten gaan.'
Hij keek omlaag naar de rode vlek die zich over zijn tabberd uitbreidde.
'Vader!' riep Brendan. Hij keek naar de gesneuvelde gnoom en zag dat het schepsel een bloederige dolk vasthield. Het monster was dicht genoeg bij de hertog gekomen om hem te verwonden.
'Het is niets,' zei Henry, met zijn hand tegen zijn zij gedrukt. 'Ik zal het even laten verbinden, dan kunnen we verder...' Zijn ogen rolden weg in zijn kassen, hij zakte opzij uit zijn zadel en sloeg al tegen de grond voordat iemand hem kon opvangen.
Toen de slaap en schouder van de hertog de grond raakten, klonk er een onheilspellend gekraak.
Brendan stond binnen een oogwenk naast zijn vader. De eerste sergeant knielde neer en onderzocht de hertog, maar Brendan besefte al dat zijn vader dood was voordat de man sprak. 'Zijn nek is gebroken, commandant.' Alsof het een troost was, voegde hij eraan toe: 'Hij kan er niets van hebben gevoeld.'
Brendans gezicht werd warm en er sprongen tranen in zijn ogen. 'Vader?' zei hij zachtjes, alsof hij antwoord verwachtte.
Even later kwamen de andere soldaten om hem heen staan. De jongeman huilde openlijk, totdat eerste sergeant Magwin zijn hand op zijn schouder legde. 'Commandant, u hebt het bevel. We moeten verder.'
Brendan knipperde zijn tranen weg en haalde diep adem. 'Je hebt gelijk,' zei hij, al brak zijn stem bijna.
'Wat zijn uw bevelen, commandant?' vroeg de sergeant.
Brendan stond op en keerde zijn vader de rug even toe, terugdenkend aan elke les over oorlogsvoering die hij ooit van de man achter hem had geleerd. Zachtjes zei hij: 'Begraaf de doden en wijs twee mannen aan om de gewonden te begeleiden die ons volgen. Dan rijden we door.' Hij verhief zijn stem terwijl hij zich omdraaide. 'Onthoud deze plek goed, want op een dag keren we hier terug om onze doden op te halen en ze eervol te begraven.' Hij keek naar de soldaten, die verwachtingsvol terugkeken. Met een diepe zucht zette hij zijn verdriet van zich af en zei rustig: 'We gaan mijn broer in Schreiborg helpen.'
Zijn vader werd voorzichtig opgetild door twee soldaten.
'Vaarwel, vader,' zei hij zacht, en toen steeg hij op. Hal is nu hertog, en hij weet het niet eens, dacht hij. Hij wenkte zijn troepen. 'Naar Schreiborg!'