16
Onthullingen
Amirantha spande zijn spieren.
Hij wachtte af of er iets mis zou gaan terwijl Gulamendis zijn beginzang voltooide. De meeste tijd van zijn bezoek hadden de twee samen gezocht naar manieren om onderzoek naar het demonenrijk te kunnen doen zonder zich bloot te stellen aan een aanval uit die richting.
'Ik ben er klaar voor, denk ik,' zei de demonenmeester van het elfenvolk.
'Ik zou geruster zijn geweest als je geen "denk ik" had gezegd.'
Gulamendis keek naar zijn vriend en schonk hem toen wat doorging voor een geamuseerde glimlach; Amirantha was de subtiele details van de gezichtsuitdrukkingen van de elfen gaan herkennen in de tweeënhalve week dat hij nu bij de demonenmeester te gast was. Hij had ook meer waardering gekregen voor zijn volk, hoewel hij gemengde gevoelens aan de ervaring overhield.
Amirantha knikte eenmaal, en Gulamendis begon aan zijn uiteindelijke oproep.
De zwarte magiër wachtte op het karakteristieke knetteren van energie dat duidde op een breuk in de barrière tussen het sterfelijke rijk en het demonenrijk. Gulamendis voltooide zijn bezwering.
Er gebeurde niets.
'Nou, dat was teleurstellend,' zei de elf.
'Wat voelde je?'
'Niks.' Hij keek zijn menselijke vriend aan. 'Helemaal niks. Het leek wel alsof er niemand aan de andere kant was; geen demonen.'
'Vreemd,' zei Amirantha.
Gulamendis en hij stonden midden in een grote, lege kamer die was bedoeld om als opslagruimte dienst te gaan doen maar nu nog niet werd gebruikt. Ze hadden toestemming gekregen om deze kamer te gebruiken van Tandarae, de sagenmeester en het enige lid van de Raad van de Regent dat hen niet vijandig gezind was. Ze hadden bijna drie hele dagen besteed aan het voorbereiden van afweerbezweringen, zodat ze niet per ongeluk een demon zouden oproepen. De afweercirkel was volgens Amirantha sterk genoeg om alles tot en met een demonenprins vast te houden, mocht die erdoor komen. Het was trouwens ook niet de bedoeling om een demon hierheen te halen, maar alleen om een demon te bevelen in het andere rijk, lang genoeg om er een gesprek mee te voeren. Als het was gegaan zoals de bedoeling was, dan hadden ze midden in hun cirkel een beeld van een demon te zien moeten krijgen en hadden ze daarmee kunnen communiceren.
Amirantha had al een tijdje het idee gehad dat ze op de een of andere manier in staat zouden moeten zijn om door de barrière heen in de demonrijken te kijken, maar er was een lange bespreking met Gulamendis en zijn broer Laromendis, de bezweerder, voor nodig geweest om een werkbaar plan te bedenken.
Zijn idee had hij gekregen door twee dingen die hij had gehoord. Ten eerste had het Conclaaf verteld over Jim Dashers oorspronkelijke ontmoeting met de demonensekte die Dahun diende. Er was een beeld opgeroepen voordat de massaslachting overzien door de krankzinnige magiër Belasco begon. Vervolgens had Laromendis Amirantha verteld over poorten waarmee je kon schouwen. Amirantha noemde ze in gedachten 'scheuringsvensters': scheuringen waar je wel door kon kijken, maar niet doorheen kon stappen.
Waarom zou je die twee niet kunnen combineren? Ze waren met die theorie aan het werk gegaan, en meer dan eens had Gulamendis de afwezigheid van zijn broer betreurd. De bezweerder was weer naar Elvandar, om als een van de afgevaardigden van Tandarae een bezoek aan het hof van de elfenkoningin te brengen. Amirantha wist dat er een of ander politiek doel van de Sterrenelfen aan ten grondslag lag, maar de details ontgingen hem. Hij schudde zijn hoofd. 'Nou, ik herinner me een verhaal over een smid die de laatste nagel in een hoefijzer vergeten was. Het ijzer liet op het slechtst mogelijke moment los, het paard raakte kreupel, de ruiter werd uit het zadel geslingerd en brak zijn nek. Daardoor kwam de boodschap niet bij de koning aan, die vervolgens in een hinderlaag liep en omkwam, waardoor zijn koninkrijk viel. Dus een koninkrijk ging verloren door één ontbrekende nagel.'
'En welke nagel hebben wij dan over het hoofd gezien?'
Amirantha gebaarde naar de stapel aantekeningen die ze de afgelopen paar dagen hadden gemaakt. 'We beginnen opnieuw.'Toen besefte hij ineens hoe moe hij was en zei: 'Maar liever morgen. Nu kan ik wel een karafje gebruiken van wat hier voor wijn doorgaat.'
De taredhel lieten geen druiven gisten, maar ze hadden een heel sterke drank die ze van bessen maakten. Ze noemden het spul leorwin en Amirantha begon het lekker te vinden. Of althans het benevelende effect ervan.
'Goed,' zei Gulamendis. 'We werken morgen verder. Vanavond drinken we wijn.'
Ze verlieten de kamer nadat ze alle lantaarns hadden gedoofd. Terwijl ze wegliepen, vormde zich een gloeiende sliert damp midden in de ingewikkelde cirkel op de vloer. De damp verdichtte tot een fonkelend ovaal, en erachter was een gedaante te zien. De gestalte bleef stilstaan, alsof hij iets voelde. Hij draaide zich om alsof hij de bron van het gevoel zocht, stapte naar het scheuringsvenster toe, boog zich naar voren en stak een hand uit. Twee gloeiende rode ogen in een reusachtig gezicht werden zichtbaar toen hij dichterbij kwam. Toen verdween de mist.
Amirantha zag de regent en de meeste leden van de Raad van de
Regent, die zich naar de grote zaal haastten waar de Sterrenelfen
hun centrum van poorten hadden. 'Aan de uitdrukking op zijn gezicht
te zien is de regent niet in de stemming voor sociale gesprekken,'
zei Gulamendis. 'Laten we maar gewoon... doorlopen.'
Helaas zag de regent hen en wenkte hen. 'Ik ben door de sagenmeester naar de poorten geroepen. Iets met demonen, dacht hij. Jullie gaan mee.'
Zwijgend liepen de twee demonenmeesters met de groep mee.
Amirantha wierp een blik op Gulamendis, en zijn gedachte was duidelijk in zijn ogen te lezen: Wat nu weer?
De groep ging de brede trap op naar het reusachtige gebouw waarin alle poorten van de taredhel waren ondergebracht. Toen ze binnenkwamen holden er vele elfen rond, of althans: het leek in Amirantha's ogen behoorlijk veel op hollen. De taredhel waren lenige en sierlijke schepsels die zich normaal gesproken altijd met gratie voortbewogen, zelfs als ze haast hadden.
Tandarae, sagenmeester van de Clans van de Zeven Sterren, hield toezicht bij een duo galasmanciers; magiërs die verantwoordelijk waren voor het openen van poorten, of scheuringen zoals de mensen ze noemden.
De regent bleef op een paar pas afstand staan, en zijn gezicht was een onpeilbaar masker. 'Ja?' zei hij op een toon die duidelijk maakte dat hij niet blij was te zijn ontboden. Rechts achter hem stond Kumal, krijgsleider van de Clans van de Zeven Sterren. Zijn gezicht weerspiegelde het ongenoegen van zijn meester. Ze droegen allebei een staatsiemantel, donkerpaars met geel en oranje op de mouwen en met zilverdraad afgewerkte zomen. De mantels konden aan de voorzijde worden gesloten met gouden spelden en lussen. De mantel van de krijgsleider was mouwloos en aan de voorzijde open, zodat zijn zilveren borstplaat werd onthuld. Hij droeg gouden epauletten op zijn schouders en bijpassende gouden armbanden.
'Waarom ben ik geroepen?' drong de regent boos aan.
Tandarae nam het woord. 'Sire, we hebben schouwsondes door de poorten naar onze oude planeten gestuurd om te kijken of de demonen nog steeds op ons jagen. We begonnen daar moeite mee te krijgen op de wereld Baladan. We konden niet lang genoeg een heldere poort openhouden om onze schouwsonde erdoor te sturen, en we hebben zojuist de bron ontdekt van die verstoring van onze verkenningen.'
'En daarvoor bevéél je me zo ongeveer om de Raad van de Regent achter te laten en hierheen te komen rennen?' Met een nadrukkelijke blik op de sagenmeester voegde hij eraan toe: 'Een zitting waarbij jij zonder excuus afwezig was, Tandarae.' Streng nam hij de minder formele uitdossing van de sagenmeester op: een eenvoudige donkerblauwe mantel en gevlochten sandalen. Het enige teken van zijn rang was een zilveren speld op zijn borst.
Tandarae maakte een lichte buiging. 'Dit is de reden dat ik niet bij de bijeenkomst was, heer regent, en waarom ik u heb laten roepen ook al wist ik dat u bezig was met andere zeer belangrijke kwesties. Dit kan echt niet wachten.'
Twee oudere galasmanciers leken te twijfelen tussen spijt van hun boodschap en opwinding over hun vondst. Ze wisten allebei dat de regent snel boos werd en niet bijzonder vergevingsgezind was, en het was vaak een opgave om te weten wat voor bui hij had als je met nieuws kwam dat hij niet wilde horen.
Tandarae negeerde het toenemende ongenoegen van zijn heer en wees naar de omlijsting waarbinnen een poort werd gemaakt. Hij keek de elf naast hem aan en knikte.
Nicosia, de hoogste galasmancier, zei: 'Heer, onze problemen komen niet door eventuele vergissingen van onze kant. De moeilijkheden ontstaan doordat iemand of iets probeert onze laatste vlucht uit Andcardia te volgen naar... hier.'
Ineens verdween de woede van de regent en was hij een en al oor; elk spoort je ongeduld was verdampt. 'Dan is het goed dat je me hebt laten roepen.'
Aan weerskanten van de poort zag hij vier schildwachten in volledige strijduitrusting. Ondanks hun ceremoniële uitdossing - smetteloos gele tunieken met paarse zomen en witgelakte stalen borstplaten en helmen - waren dit in de strijd geharde krijgers, en hun pantsers hadden de nodige deuken, krassen en bloedvlekken opgelopen voordat ze waren gerepareerd en weer aangetrokken. De regent knikte respectvol. Hij wist dat het gevaarlijk kon zijn om poorten te openen naar onbekende werelden, en dat de aanwezigheid van deze soldaten erop wees dat de galasmanciers geen ogenblik uit het oog waren gelaten. Je wist nooit wat erdoor kon komen als de poort niet goed gemaakt was. In theorie waren het eenrichtingstoestellen, maar de ervaring had hun geleerd dat het niet altijd zo werkte. De regent herinnerde zich nog vaag een verslag waarin werd beweerd dat de menselijke magiër Puc meer over dat soort dingen wist; een feit dat hij moeilijk te accepteren vond.
'Nou?' vroeg hij. 'Leg uit.'
Nicosia maakte een buiging. 'Heer, de demonen konden ons vanaf de Doorgangswereld naar Andcardia volgen omdat we te lang bezig waren met het vernietigen van alle verbindingen tussen die werelden. Het was een gebrek in ons ontwerp dat we onze poorten naspeurbaar hadden gemaakt vanaf de Doorgangswereld. Zo konden de demonen hun eigen poorten maken, terwijl wij bezig waren die van ons te vernietigen. We zijn ervan overtuigd dat we alle verbindingen tussen hier en Andcardia op tijd hebben verbroken. We hebben geen enkele aanwijzing gehad van achtervolging door demonen sinds we hier zijn aangekomen.'
De regent was altijd blij dat te horen. Ze waren nu al meer dan tien jaar geleden naar hun Thuis teruggekeerd, maar hij maakte zich nog steeds zorgen over het Demonenleger.
'Dat betekent echter niet dat ze ons niet zoeken,' zei de krijgsleider. Zijn gezichtsuitdrukking was niet anders te omschrijven dan als ingehouden woedend. Hij was de eerste in de strijd geweest en had de verantwoording gedragen voor het verlies van talloze strijders van de Clans van de Zeven Sterren. Dat drukte zwaar op hem, zelfs jaren na het conflict nog.
'Precies,' beaamde Nicosia. Met een blik op Gulamendis vervolgde hij: 'Uw demonenoproeper kan u waarschijnlijk beter van dienst zijn voor wat betreft een beschrijving van hun vermogens, maar wij zijn ons niet bewust van demonen met voldoende magische vaardigheid om een poort te bouwen, of zelfs een bestaande te gebruiken als die niet open is gelaten.'
Alle ogen richtten zich nu op Gulamendis, die een blik wierp op Amirantha. Omdat de zwijgende mens schijnbaar geen hulp kon bieden, zei de elf: 'Heer, over demonen weten we veel meer niet dan wel.' Bijna haalde hij een van zijn favoriete stokpaardjes van stal over waarom dat zo was: omdat lieden die probeerden meer over demonen te leren, werden opgejaagd en vervolgd op bevel van deze regent. En omdat de Kring van Licht, het enige orgaan in de taredhelsamenleving dat zich wijdde aan kennis omwille van de kennis, was uitgeroeid. 'We weten dat sommige demonen magie toepassen; voornamelijk strijdmagie.'
Hij keek weer even naar Amirantha, en deze keer knikte de zwarte magiër instemmend.
'Amirantha en ik hebben ontdekt dat het demonenrijk een stuk ingewikkelder is dan we hadden aangenomen,' vervolgde Gulamendis.
De regent keek naar de menselijke zwarte magiër, en het was duidelijk dat hij een opmerking van zijn kant verwachtte.
'Heer,' zei Amirantha, die lichtjes zijn hoofd boog. Hij zat er niet zozeer mee dat ze allemaal minstens een kop groter waren dan hij, maar wel dat het zulke kille, arrogante klootzakken waren. Zelfs de broers, Gulamendis en Laromendis, waren alleen maar een beetje minder arrogant en onaardig dan de rest. 'Sinds vlak na jullie aankomst...'
'Terugkeer,' viel de regent hem in de rede.
'...terugkeer,' corrigeerde Amirantha, 'hebben Gulamendis en ik de kans gehad om ons onderzoek te vergelijken en meer te ontdekken over de demonen dan we ieder afzonderlijk tot dan toe wisten. We vermoeden dat we alleen nog maar rudimentaire kennis over het demonenrijk bezitten. Zoals Gulamendis al zegt, het lijkt erop dat het een veel ingewikkelder en gevarieerder rijk is dan wij beseften. We denken nu dat er mogelijk verschillende samenlevingen zijn, en dat sommige daarvan veel meer op de onze lijken dan we hadden vermoed. Kort gezegd kunnen er dus wezens bestaan die wij "demonen" noemen, maar die de intelligentie en magische vaardigheden bezitten om scheuringspoorten te openen of zelfs nieuwe te creëren.'
De regent keek alsof iets binnen in hem gestorven was. Ondanks al zijn gebreken hield hij hartstochtelijk veel van zijn volk. Het idee dat ze eindelijk de thuiswereld van hun voorouders hadden teruggevonden, alleen om vervolgens te worden geconfronteerd met de angst dat de Clans van de Zeven Sterren misschien weer voor het demonenleger zouden moeten vluchten, was verpletterend.
Omdat hij een kans bespeurde, vervolgde Amirantha: 'Heer, het zou van groot nut voor ons allemaal zijn als we meer over deze verschrikkelijke dreiging konden ontdekken. Kennis is de sleutel.'
De regent kneep zijn ogen tot spleetjes. 'Wat stel je voor, mens?'
'Alleen dat u Gulamendis toestemming geeft een tijdje met mij naar mijn eiland terug te gaan. Er zijn daar nog andere magiërs, met andere vaardigheden, die ons zouden kunnen helpen meer informatie te vergaren over die demonen.' Toen hij zag dat de regent bedenkelijk zijn voorhoofd begon te fronsen, voegde hij er snel aan toe: 'Meer nuttige informatie, had ik moeten zeggen.'
De regent wierp een blik op de krijgsleider, die zich amper bewoog, maar Amirantha kon de subtiele gezichtsuitdrukkingen van de elfen een beetje duiden en vermoedde dat de oude strijder zojuist enige onzekerheid aan zijn leider had getoond. Toen keek de regent zijn sagenmeester aan.
'Het kan geen kwaad, heer,' zei Tandarae. 'Hoewel geen levende ziel begaafder is dan wij in het bouwen van poorten,' (wat waarschijnlijk niet waar was, dacht Amirantha, maar dit was niet het moment om Pucs kennis over scheuringen te vergelijken met die van de Sterrenelfen), 'zijn de menselijke magiegebruikers vertrouwd met een groot gebied van magische kennis dat een tijdlang buiten onze interessegebieden heeft gelegen.'
Zowel Gulamendis als Amirantha wist dat dat voor een elf een gevaarlijke uitspraak was. Hij impliceerde er immers mee dat de gebieden van magische studies bij de Taredhel beperkt waren omdat de Kring van Licht was uitgeroeid op bevel van de Raad van de Regent. Magiërs die niet rechtstreeks in dienst waren bij de Raad werden als dreiging gezien.
Als de regent die verwijzing en de verhulde kritiek al aanvoelde, dan negeerde hij die. 'Goed dan. Vertrek meteen.'
Amirantha en Gulamendis draaiden zich om en verlieten de grote zaal. Terwijl ze de trap afliepen, vroeg Amirantha: 'Wat is er nou net gebeurd?'
'Politiek van de Taredhel,' antwoordde Gulamendis. 'Maar dat doet er nu allemaal even niet toe. Nu kan ik eindelijk dat verrekte merkwaardige boek bestuderen en met een paar lieden praten die mogelijk wat meer weten dan ik.' Hij glimlachte warempel. 'Dit is goed.'
Zo enthousiast had Amirantha hem nog nooit gezien.
Zodra de twee demonenmeesters waren vertrokken, wendde de regent
zich tot Tandarae. 'Vertel nu maar eens wat je hebt ontdekt over
onze verkenning, en waarom die is belemmerd.'
De sagenmeester maakte een gebaar naar de hoogste galasmancier, zodat die het antwoord zou geven.
'De problemen waar we op zijn gestuit, waren periodiek,' begon Nicosia, 'en er leek weinig consistentie te zijn in hun invloed op onze...'
De regent stak zijn hand op om hem de mond te snoeren. 'Ik hoef de... details niet te weten. Ik moet weten wíé ons werk belemmert. Zijn het demonen?'
'Ik denk van niet,' antwoordde Nicosia. 'De magie waarmee naar ons gezocht is, is... onbekend. Maar heel anders dan de magie die demonen gebruiken.'
'Enkele van onze verloren broeders?' vroeg de krijgsleider, met een heel licht sprankje hoop in zijn stem.
'Waarschijnlijk niet,' zei Tandarae.
'Onze eigen magie zouden we wel herkennen,' vulde Nicosia aan. 'Dit zijn we nooit eerder tegengekomen. We kennen onze eigen poortmagie. Die van de demonen kennen we ook vrij goed, en ik heb wat mensenmagie bestudeerd, dus dat zou ik ook herkennen. Dit is... anders.'
'Wat stel je dan voor?' vroeg de regent.
'De mens die net is vertrokken heeft me een idee gegeven, heer. We kunnen een schouwpoort openen, een poort waar je niet door kunt reizen, maar die ons een glimp kan bieden op de andere kant. Een "venster", zou je kunnen zeggen.'
De regent knikte. 'Ik ken dergelijke dingen. Laromendis de bezweerder heeft zo'n poort gebruikt om me deze wereld te tonen toen hij terugkwam naar Andcardia met het nieuws dat hij Thuis had gevonden.'
'Precies,' zei Nicosia. 'Maar het verschil hier is dat het lastiger te doen is met een poort die niet door ons is gemaakt. We proberen een blik te werpen op de bron van de storing, om te kijken wie er naar ons reikt.' Er klonk iets van trots over hun prestaties in zijn stem door.
'Begin dan maar,' zei de regent, overduidelijk niet onder de indruk. 'Ik wil weten wie ons zoekt, zodat we kunnen beslissen hoe we daarmee omgaan.'
De twee galasmanciers draaiden zich om en begonnen snel kristallen in holtes in de voet van het poorttoestel te plaatsen. Terwijl ze dat deden, namen de vier schildwachten positie in zodat ze een eventuele indringer konden onderscheppen. Ze hadden Nicosia wel horen zeggen dat er niets door de poort kon komen, maar hun training was sterker dan de logica.
De bezwering begon snel en scheen een zoemtoon te veroorzaken. Er verscheen een grijs waas tussen de twee dikke houten palen die uit de voet van het poorttoestel oprezen, en even later hing daartussen ineens een donker ovaal.
Maar verder was er niets te zien.
'Wat is dat?' vroeg de regent. 'Is het daar nacht?'
'Of is het een grot, misschien? Een ondergrondse ruimte? We hebben dergelijke ruimtes vroeger ook wel gebruikt,' opperde de krijgsleider.
Takesh, de jongste van de twee galasmanciers, stapte naar het toestel toe en tuurde aandachtig de duisternis in. 'Ik zie heel vaag beweging. Waar dat ook is, er is bijna geen licht...'
Plotseling doemde er een gedaante op in de poort, en twee dingen waren meteen duidelijk. Ten eerste dat geen enkele elf in de poortruimte ooit eerder zoiets had gezien, en ten tweede dat het er dreigend uitzag.
De afmetingen ervan waren onmogelijk in te schatten, aangezien er niets binnen het kader was om perspectief te bieden, maar de regent en alle anderen die naar het schepsel keken, voelden aan dat het immens groot was. Het was een ding van zwarte rook en schaduwen, met omtrekken die leken op die van een elf, maar met reusachtige schouders en armen.
Iedereen behalve Tandarae knipperde met zijn ogen alsof die hen op de een of andere manier voor de gek hielden; alsof het beeld een speling van het licht was. Toen het schepsel naderde, werden twee kwaadaardige roodgloeiende ogen zichtbaar, en het tuurde de kamer in. Het wezen straalde pijn en hopeloosheid uit en wekte de angstaanjagende indruk recht in hun ziel te kijken. Toen boog het zich naar voren en onthulde een kroon om het hoofd van vlammen die gloeiend scharlakenrood en oranje brandden, maar zonder licht te werpen op de gelaatstrekken van het wezen.
'Kan het ons zien?' vroeg de regent op een fluistertoon.
Tandarae stapte naar voren. Door zijn plotselinge beweging trokken de schildwachten hun zilveren klingen en hieven hun driehoekige gouden schilden, alsof ze verwachtten dat het wezen elk moment door de poort kon stappen. De sagenmeester duwde de twee verstijfde galasmanciers opzij en pakte een kristal uit de voet van het toestel, waardoor het beeld meteen ineenstortte.
'Wat was dat?' wilde de regent weten.
Tandarae was zichtbaar aangedaan. 'Heer, als... Ik moet u onder vier ogen spreken.'
'Waarom?' vroeg de regent.
De sagenmeester boog zich naar voren, zodat zijn gezicht heel dicht bij het oor van zijn meester was, en fluisterde: 'Het is Verboden.'
'Laat ons alleen,' beval de regent, en de galasmanciers en schildwachten vertrokken ogenblikkelijk. Hij keek naar de andere leden van de Raad en zei: 'Jullie kunnen ook gaan.' Iedereen vertrok, behalve Kumal, die met een subtiele knik van de regent toestemming kreeg om te blijven.
'Wat ik weet, komt uit het Verbodene,' herhaalde Tandarae.
Het Verbodene was oude overlevering, uit de tijd van hun dienst aan de Drakenheersers, de Valheru, en werd ontkend tegenover iedereen behalve de sagenmeester. Zelfs als toekomstig drager van dat ambt en hoogste assistent had Tandarae het niet mogen zien. Zodra hij zijn ambt kreeg, leider van de groep met als taak de geschiedenis en cultuur van de Taredhel te behouden, had hij zich in de documenten en boeken verdiept. Hij begreep wel waarom veel van wat daar in stond niet aan de Taredhel bekend werd gemaakt, want er werd gesproken over eeuwen van verpletterende slavernij. De edhel waren bezittingen geweest, met alles wat dat inhield: sterfte, verkrachting, eindeloos werken en een brute behandeling. De Valheru waren wreed en grillig, en alle herinneringen aan die periode waren ondergesneeuwd in een vaag 'voordien'. De geschiedenis die aan de burgers werd onderwezen, richtte zich op de lotgevallen van de Clans van de Zeven Sterren sinds ze vanaf Midkemia naar andere werelden vertrokken.
'Ik weet nog wat ik in het Verbodene heb gelezen, alsof ik het heel mijn leven bestudeerd heb. Ik vrees dat wat naar ons op zoek is, nog veel erger is dan het demonenleger. Wat u zag was een kind van de leegte, een lid van een ras dat wij kennen als de drochten.'
'Drochten?' vroeg Kumal.
'Een opperdrocht is een schepsel waar zelfs een demonenkoning voor beeft,' vertelde Tandarae. 'Zelfs de Valheru vreesden hen.'
'Echt waar?' vroeg de regent.
'Heer, wat ik van die mensen zoals Amirantha heb geleerd, met wie ik contact heb gehad en die iets weten van de tijd "voordien", is dat alles wat in het Verbodene staat opgetekend, de waarheid is.
Eén enkele drocht is gelijk aan de bijna sterkste demonen die wij ooit hebben ontmoet. Een drochtmeester zou een uitdaging vormen voor tien van onze beste machtswerpers en een twintigtal wachters. Een opperdrocht is een schepsel dat een grote draak zou kunnen uitdagen, of misschien de Valheru zelf...'
'Wat nog meer?' vroeg de regent, zichtbaar onthutst.
'Hoe weinig kennis we in onze jaren van strijd ook over de demonen hebben opgedaan, we hebben een schat aan kennis over ze als je het vergelijkt met wat we over de drochten weten. Bijna niemand die er een heeft ontmoet, heeft dat kunnen navertellen, en hun rijk ligt buiten het normale beeld dat we van alle verschillende rijken hebben. Maar we vermoeden wel dat er daarbuiten,' hij gebaarde vaag naar de nu gedoofde poort, 'nog machtigere wezens bestaan, en misschien zelfs een drochtkoning.'
De regent was sprakeloos. Hij bleef meer dan een minuut zwijgend staan en ordende zijn gedachten. 'Denk je dat het ons voelde of zag?'
'Dat valt onmogelijk te bepalen. Iets heeft het schepsel naar de andere kant van de poort gelokt. Het kan zijn dat er een geluid uit kwam, of een spoort je energie dat het schepsel bespeurde. Maar dat het ons ook zag, wist wie we waren of waar we waren, nee, dat denk ik niet.'
Wederom zweeg de regent enige tijd. 'We schorten al het werk aan de poorten nu meteen op,' besloot hij uiteindelijk.
De krijgsleider knikte instemmend.
Tegen Tandarae zei de regent: 'Doe wat je doen moet, maar het is nu jouw taak om verhalen en feiten over die schepsels te achterhalen, uit alle mogelijke bronnen.'
De sagenmeester zweeg even peinzend. 'Dan moet ik beginnen bij heer Tomas,' zei hij toen.
Die opmerking werd beantwoord met een uitdrukking van puur ongenoegen. De regent was nog altijd niet blij met de reactie van zijn volk op heer Tomas toen de Taredhel net Thuis waren teruggekeerd, zoals zij Midkemia noemden. Zijn overtuigingen waren erop gebaseerd dat de Taredhel alles ontkenden wat maar in de verste verte met hun onderworpenheid aan de Valheru te maken had; alles wat was opgetekend in het Verbodene. Maar oude bloedbanden waren nog steeds sterk. Het had hem een ijzeren zelfbeheersing gekost om zich niet op zijn knieën te laten vallen in aanwezigheid van Tomas. Iedereen met enig inzicht in die eerste ontmoeting of kijk op de twee leiders, zag in dat een conflict onvermijdelijk was.
Tandarae vreesde dat niet; hij had geen genegenheid voor deze regent en minachtte de Raad om hun jaloezie en uitroeiing van de Kring van Licht. Als geschiedkundige eerbiedigde hij alle kennis en wetenschap. Nee, hij vreesde wat die confrontatie met de Taredhel als volk zou doen.
Uiteindelijk zei de regent: 'Als het moet, ga dan met hem praten. Maar alleen jij. Ik maak me zorgen over die zogenaamde koningin en haar gemaal, en wat ze met ons voorhebben.'
De sagenmeester van de Clans van de Zeven Sterren maakte zwijgend een buiging, liep een stukje achteruit, draaide zich om en haastte zich weg. Hij moest Gulamendis en de mens inhalen, want hij wist nu dat er bepaalde dingen moesten gebeuren, en dat die dingen direct in gang moesten worden gezet.
Toen besefte hij dat het misschien al wel te laat was.
Hij haastte zich door de nacht, achtervolgd door het beeld van een zwarte gedaante met gloeiende rode ogen.