23
Aankomst
Het paard struikelde.
Martin verloor bijna zijn evenwicht en schudde zichzelf wakker.
'We zijn er bijna,' hoorde hij Bethany zeggen. Naast haar reed Brendan.
Martin keek naar hen allebei. 'Het spijt me,' zei hij schaapachtig.
'Je hebt al bijna een week geen rust gehad, Martin. Het is geen wonder dat je in het zadel slaapt,' vond Bethany.
Ze kwamen de uitlopers van de bergen uit op de weg naar Ylith. Ze waren een voorpost gepasseerd die werd bemand door plaatselijke militie, hoewel de mannen amper in staat leken hun paalwapens vast te houden, laat staan die effectief te gebruiken. Toen hun werd gevraagd wie ze waren, hadden ze simpelweg 'versterking uit Schreiborg' geroepen en waren zonder in te houden langsgereden. De wachters hadden geen aanstalten gemaakt om hen tegen te houden.
Langzaam rijdend langs de provisorische barricades - twee lange rijen omgekieperde wagens met zandzakken en hooibalen erop en bedekt met zeildoek - kon Martin een huivering amper onderdrukken. Het ontwerp was eenvoudig: twee rijen aan weerskanten van de weg, zodat er een 's' werd gevormd waar je met een paard aan de hand tussendoor kon lopen. In galop in het zadel zou je er niet door komen. Een of ander militair genie in de dop had besloten niet de hele weg te versperren, voor het geval dat er nog iemand door moest. De gedachte erachter was goed, tot je besefte dat de Keshiërs gewoon zouden stoppen, pijlen zouden afschieten tot de verdedigers vluchtten, en er dan op een rustig drafje langs zouden rijden.
De drie dagen sinds ze Brendan en de mannen hadden ontmoet waren somber geweest. Beide broers rouwden om hun vader en waren ongerust over hun moeder. Ze hoopten vurig dat de vrouwen Elvandar hadden bereikt en nu onder bescherming van de elfenkoningin en heer Tomas stonden.
Toen ze de heuvel boven de stad bereikten, overzagen ze de situatie. Er waren bijna geen Koninkrijkse schepen te zien, op een paar vrachtschuiten, vissersboten en sloepen na, allemaal tegen de rotsen genesteld of voor anker langs de kade. In het zuiden waren een paar zeilen aan de horizon te zien, maar Martin wist niet of die Koninkrijks, Keshisch of Quegs waren.
De noordelijke poort bleek gesloten en vergrendeld te zijn. Een schildwacht op de muur riep omlaag: 'Wie zijn jullie?'
'Martin van Schreiborg,' riep hij terug, 'met versterking uit Schreiborg. Doe open!'
Even later gingen de poorten open, en Martin beduidde zijn manschappen naar binnen te rijden. Toen hij zelf ook de poort door was, sprak hij de dichtstbijzijnde wachter aan, een nog jonge jongen, en vroeg: 'Waar is de leidinggevend officier?'
'Van de poort? Die is er niet, meneer.'
'Van de stad, dan?'
'O, dat is dan de kapitein. Hij is in het huis van de burgemeester thee aan het drinken, of anders is hij in het kasteel van de baron, daar op de heuvel.' Hij wees vagelijk in noordwestelijke richting. De soldaat keek om zich heen en dempte zijn stem. 'Hij is bijna zeker in het huis van de burgemeester, meneer. Die heeft namelijk een hele mooie dochter.'
Martin keek alsof hij zich in een nachtmerrie bevond. 'Zeg maar gewoon hoe ik daar kom.'
Hij ontving instructies. Toen vroeg Martin: 'Hoe heet die kapitein?'
'Bolton, meneer.'
'Zorg dat de mannen naar de stallen worden geleid. Laat de paarden verzorgen en voeren.'
'Meneer?' De jongen keek verward.
'Ik wil dat mijn mannen en paarden worden opgevangen. Is dat zo moeilijk te begrijpen?'
'Nee. Ik bedoel, nee, meneer, alleen...'
'Wat?'
'Nou, ik weet niet wie er eigenlijk voor dat soort dingen zou moeten zorgen, meneer. De paarden en de mannen.'
Martin leek op het punt te staan te ontploffen. Brendan mengde zich erin. 'Waar is de kwartiermeester?'
'Die hebben we niet, meneer,' zei de jongen. 'Ik bedoel, hij bestaat wel, maar hij is niet hier.'
'Waar is hij dan?'
'Weg, meneer, met de hertog.'
'De hertog van Yabon?'
'Ja, meneer. Hij, de baron van Ylith, de baron van Zuen, de graaf van LaReu en het hele leger van Yabon. Ze waren allemaal hier, en toen zijn ze verder getrokken.'
'Waarheen?'
'Naar Krondor, meneer. Ze zijn allemaal naar een ontmoeting met de prins in Krondor.'
Ineens verdween Martins vermoeidheid. 'Hoe heet je?'
'Tommy, meneer.'
'Dan ben je nu korporaal Tommy.'
De jongen keek hem onthutst aan.
'Er komt nog minstens twee of drie dagen geen vijand over die weg aan. Ik wil dat je die jongens van de muren haalt en mijn mannen helpt onderdak te zoeken voor onze paarden. Als er geen garnizoensstal in de stad is, zoek dan iets anders, en leid de rest naar het kasteel van de baron. Zeg wie daar dan ook is dat ze zich om mijn mannen moeten bekommeren. Als de baron naar het zuiden is, dan staat de barak leeg. Ik wil dat mijn mannen te eten krijgen, en als er een genezer in de stad is, zoek hem dan op en stuur hem ook mee.'
De pasbevorderde korporaal aarzelde even, maar toen rende hij naar de muur en schreeuwde tegen de anderen dat ze er af moesten komen. De stoet uit Schreiborg bleef door de stadspoorten binnenkomen. Het zou hier snel druk worden als iedereen die binnenkwam hier bleef staan.
Korporaal Tommy rende naar de eerste jongens die de trap afkwamen, riep instructies en wees, en de jongens kwamen naar voren om groepen ruiters mee te leiden.
De twee sergeants liepen naar weerskanten van de binnenkomende stoet, en de orde werd snel hersteld terwijl steeds meer mannen uit de stad de pas aangekomen soldaten begeleidden.
Martin schudde zijn hoofd. Hoe moest hij dit verdedigen? Hij keek naar Brendan en Bethany. 'Laten we op zoek gaan naar die kapitein,' zei hij. Daarop draaide hij zich om, zonder te kijken of ze met hem meegingen, en reed de stad in. Hij riep: 'Uit de weg!' en dwong zijn uitgeputte paard om nog een laatste spurt te trekken naar het gebouw dat de jongen had beschreven.
Toen hij daar aankwam, zag hij een gesloten poort midden in een lage muur, en daarachter zag hij een heel elegant gebouw, het huis van de burgemeester. Met de knop van zijn zwaard bonsde hij op de gesloten poort. Toen die openging, drong Martin zich langs een stomverbaasde portier, die gauw aan de kant sprong. Brendan en Bethany volgden. Martin gooide een lakei de teugels van zijn paard toe en zei: 'Geef hem water, maar niet te veel en te snel. Als je haver hebt, voer hem dan een handvol, maar niet meer.' Hij stak het pleintje over en rende de brede trap naar het huis op.
Zoals hij had verwacht waren er geen wachters, alleen maar bedienden. De portier die had opengedaan rende roepend achter hem aan. 'Wie kan ik zeggen dat er is, meneer?'
Martin negeerde de man en duwde de grote deur open. Een kamermeid gilde toen ze een man in vechttenue en vol stof van het reizen onaangekondigd zag binnenkomen. 'Keshiërs!' gilde ze, en ze rende weg.
Dit had het gewenste effect dat de hele huishouding werd gewezen op het feit dat Martin binnen was. Uit een deur aan het einde van de gang stapten twee mannen, een van hen in fraaie kleding en de ander in een uniform van Zuen, met een afbeelding van een wolvenkop op een blauwe tabberd. Toen ze naderden, begon de man in het uniform zijn zwaard te trekken. Maar voordat hij het wapen geheel uit de schede had, stapte Martin naar voren, greep zijn pols vast en dwong de kling naar achteren. 'Laat dat!' snauwde hij. Inmiddels hadden Brendan en Bethany hem ook ingehaald.
'Wie bent u, meneer?' vroeg de man die alleen maar de burgemeester kon zijn.
'Ik voer de versterkingen uit Schreiborg aan.'
'Nou, het zou verdomme eens tijd worden dat...' begon de kapitein, een blonde man met een mager gezicht, van ongeveer dezelfde leeftijd als Martin.
'Laat dat!' zei Martin opnieuw, en hij pinde hem vast met een moorddadige blik.
Alle kleur trok weg uit het gezicht van de toch al bleke kapitein.
Brendan stapte naar voren en zei: 'We werden opgehouden door een leger van Keshiërs.'
'Keshiërs?' herhaalde de burgemeester, bijna sputterend van verwarring. 'Zo ver naar het noorden?' Hij was een mollige man, schijnbaar met een voorkeur voor drukke brokaten hemden, en hij droeg ondanks de warme dag een dikke wollen overjas. Zijn grijze haar begon te wijken, dus droeg hij het aan de achterkant lang.
'Hebt u een kaart?' vroeg Martin. 'Van deze streek?'
'In het kasteel van de baron,' antwoordde de kapitein.
'Ik heb er een in mijn werkkamer,' zei de burgemeester.
'Haal hem op,' beval Martin. 'En laat wat eten en wijn komen voor vrouwe Bethany.'
Toen hij de jonge vrouw zag en de adellijke aanspreekvorm hoorde, draaide de burgemeester zich om en riep: 'Lily!'
Even later verscheen er een blond, tenger meisje in de deuropening waar de twee mannen uit waren gekomen. Ze kwam naderbij en vroeg: 'Ja, vader?'
'Kun jij je om deze jongedame bekommeren? Ze heeft een lange reis achter de rug.'
'Vanuit Cars,' zei Brendan. 'Ze is de dochter van de graaf.'
'O!' zei de burgemeester ineens respectvol. 'Alstublieft, volg mij naar mijn werkkamer. Ik zal wat eten en wijn laten brengen.'
'Dank u,' zei Martin.
De werkkamer was groot, met een lange tafel met zes stoelen eromheen. 'Onze burgerraad vergadert hier,' verklaarde de burgemeester. Hij pakte de kaart en rolde hem uit.
'Is uw naam Bolton?' vroeg Martin aan de kapitein.
'Ja,' antwoordde de man. 'Mijn oom is hoofd van de wacht bij de graaf van LaReu. Mij hebben ze hier de leiding gegeven.'
Martin keek naar Brendan, die kort knikte. Ze hadden allebei al besloten dat ze die jonge hond niet mochten.
'Wanneer is de hertog van Yabon vertrokken?' wilde Martin weten.
'Vier dagen geleden. De infanterie is een dag eerder begonnen aan de mars naar het zuiden, terwijl de hertog en de andere edelen per schip zijn vertrokken samen met de cavalerie. Ze maken een tussenstop in Sarth - of eerder als ze een Keshische blokkade zien - en rijden dan naar Krondor om de prins te hulp te komen.'
'Wordt Krondor belegerd?'
'Nog niet,' zei Bolton. 'Maar de prins verwacht er ieder moment een aanval van Kesh.'
Brendan sloeg zijn ogen ten hemel. 'Die idioot,' zei Martin.
De burgemeester schrok daarvan, en kapitein Bolton protesteerde: 'Zeg, luister eens even...'
'Nee, luistert ú eens even, kapitéín,' zei Martin minachtend. 'Prins Edward trapt in de valstrik die de Keshiërs voor hem opzetten. Ze vallen Krondor niet aan.'
'Waar dan wel?' vroeg de burgemeester.
'Hier!' riep Martin, die met zijn vinger op de kaart tikte. 'Schreiborg is al gevallen. Binnen een week, hooguit tien dagen, komen er zeker drieduizend Keshische hondsoldaten en duizend cavaleristen met belegeringsmachines de grens met Schreiborg over. Dan staan ze binnen een maand hier voor de stadspoort.' Martin tekende met zijn vinger in de lucht. 'Ze zullen omlaag stormen en Ylith belegeren; het maakt niet uit of ze het in handen krijgen, want ze willen het alleen insluiten. De hertog en bijna het hele leger van Yabon zitten in Krondor, en de rest van het leger van Schreiborg is nog in Cars en Tulan. Mijn tweehonderd man plus wat u nu hier hebt, dat is alles wat wij hebben.'
'We moeten een boodschap naar de hertog van Yabon sturen!' riep de burgemeester.
'Waar is de hertog van Schreiborg?' vroeg kapitein Bolton.
'Onderweg gesneuveld,' antwoordde Brendan. 'Vijf dagen geleden. Plunderende gnomen.'
'Nou, we moeten iets doen,' zei Bolton.
Martin schudde zijn hoofd. 'Ik zal u zeggen wat u gaat doen. Stuur een boodschapper, de snelste ruiter op het beste paard dat jullie hebben, en laat de infanterie omkeren. Ik denk niet dat een schip de hertog kan inhalen voordat hij in Sarth aankomt, maar proberen kan altijd. Als er nog smokkelaars zijn die de stad niet al zijn ontvlucht, zoek er dan een op en bied hem zoveel geld als nodig is om met zijn snelste sloep langs de kust te varen. De loggers en vissersboten die ik in de haven heb zien liggen, zijn niet snel genoeg.
Stuur boodschappen noordwaarts naar Zuen, LaReu en Yabon. Iedereen die daartoe in staat is, moet elk wapen grijpen dat hij kan vinden en zo snel mogelijk naar het zuiden komen.'
'Is dat wel verstandig?' vroeg de burgemeester. 'Kunnen wij niet beter evacueren en zelf naar het noorden gaan?'
Martin zuchtte diep. Toen er een dienaar verscheen met wijn, pakte hij meteen een beker aan en nam een grote slok. 'Nee, wij verdedigen Ylith totdat we worden afgelost. Als de Keshiërs deze stad innemen of zelfs maar omsingelen, dan zijn Yabon en Schreiborg allebei verloren en zal het Koninkrijk de controle erover nooit meer terugkrijgen. Als de infanterie op tijd bij ons kan komen en we het beleg kunnen breken, dan nemen we Schreiborg weer in.'
'Ik weet niet of dit wel een wijs plan is,' zei kapitein Bolton.
'Heb ik u gevraagd wat u van het plan vond, kapitein?' blafte Martin, die eindelijk zijn geduld verloor.
'Nee, maar...' Met een blos op zijn wangen zei de kapitein: 'Wacht eens heel even. Ik heb de leiding gekregen over de stad en de rest van het hertogdom. Wie bent u om hier naar binnen te marcheren en de baas te spelen?'
Martin keek naar Brendan, die kort knikte.
'Ik ben Martin conDoin, zoon van de gewezen hertog Henry, broer van Henry, de huidige hertog van Schreiborg. Ik ben een prins van koninklijken bloede, en ik neem nu het bevel over de verdedigingen en wat er rest van het westelijke leger van de koning in Yabon op me.'
Brendan glimlachte naar zijn broer, en er was een glans in zijn ogen te zien.