Proloog
Kind
De hemel krijste.
Een storm van zwarte energie schoot tentakels af die in het rond tastten en zich vasthaakten aan het eerste gebouw waar ze op stuitten. Het geluid dat daarbij werd voortgebracht, was bijna even angstaanjagend als het feit dat alles wat door die tentakels werd geraakt tot puin verviel.
De bewoners van de stad vluchtten in volslagen doodsangst en negeerden de noden van anderen, zelfs familieleden of goede vrienden. Boven het oprukkende getijde van duisternis doemde een gestalte op, een schepsel zo reusachtig groot en monsterlijk dat het de verbeelding tartte.
De nog levende wachters van de koning deden wat ze konden tegen de Duisternis, maar ze konden weinig uitrichten tegen zoveel waanzin. Te midden van een kolkende menigte vluchtte een vrouw door de straten. Angstig voor wat ze zou zien, wierp ze een snelle blik achterom en drukte haar kind tegen haar borst.
Andere burgers stonden ineengedoken in deuropeningen. Overgeleverd aan de wanhoop zagen ze de onvermijdelijkheid van hun vernietiging terwijl ze zich huilend aan elkaar vasthielden of naar het Centrum staarden, waar de Duisternis vandaan kwam.
Vanuit de Tijd Voor de Tijd hadden legenden over de Onherroepelijke Dood standgehouden, maar die verhalen waren altijd beschouwd als niets meer dan metaforen, waarschuwende vertellingen waarmee Ouderlingen de kinderen onderwezen, zodat die een nuttige bijdrage konden leveren aan het Volk tijdens dit specifieke Lijden.
Ze zeiden dat sommige Ouderlingen het Lijden al zo vaak hadden beleefd dat ze zich stukjes uit vorige incarnaties herinnerden, en dat ze waren begonnen met het samenstellen van een overzicht van alles in de wereld. Er werd zelfs gefluisterd dat sommigen van hen de rijken van waanzin hadden bezocht - die bekendstonden als de 'Andere Plekken' of het 'Buiten' - of zelfs naar de rand van de Leegte waren geweest en weer teruggekeerd. Maar er werd weinig geloof gehecht aan die krankzinnige verhalen.
Het Volk verheugde zich in hun Bestaan en hun Lijden, en als hun persoonlijke einde kwam, dan wisten ze dat het niet meer was dan een onderbreking in de Eeuwige Reis.
Maar wat er nu aankwam was de Onherroepelijke Dood, het einde van de Eeuwige Reis, en er waren geen woorden voor de doodsangst en smart die hen overweldigden.
De vrouw perste zich door een opeengepakte menigte op een kruising midden in het Oostelijke Kanton van de stad. Leden van het Volk waren naar de Zonsopgangpoort gekomen, maar nu ze hier eenmaal waren, wisten ze niet wat ze verder moesten doen.
Niets in hun geschiedenis had hen voorbereid op de Duisternis.
De moeder keek naar haar kind, dat zich met fijne klauwtjes aan haar mantel vasthield, haar zwarte ogen enorm groot in het nog kleine gezicht. 'Mijn kind,' fluisterde ze, en hoewel het geschreeuw en geroep om hen heen haar overstemde, zag het kind de lippen van haar moeder bewegen en begreep ze haar. Ze glimlachte en onthulde snelgroeiende hoektanden. Haar zuigelingenhuid was al afgevallen en haar eerste stel schubben was zichtbaar. Als ze de kleine kon voeden, dacht haar moeder, zou ze snel groeien en beter in staat zijn te vluchten.
Maar waarheen?
Naar het oosten.
De poort uit, naar de Kwartsbergen en door de Vallei der Vlammen, dan verder naar de grens van het koninkrijk. Men zei dat anderen veiligheid hadden gevonden in het koninkrijk van Ma'har, in het zuiden, waar vanwege de gedeelde verschrikking oeroude vijandschappen te ruste waren gelegd.
De moeder werkte zich met haar ellebogen door de drukte heen en voelde aan dat er gevechten waren uitgebroken in het noorden. Oude zintuiglijke waarnemingen, begraven onder beschaafde training, rezen naar het oppervlak om haar en het kind bij te staan. Daarbij kwam ook een oude honger naar boven, een verlangen naar steviger vlees dan dat van de lagere diersoorten die volgens het besluit van de koning hun voedsel vormden. Weldra zou het Volk net zo worden als de Waanzinnigen, vechtend om te overleven door elkaar te verslinden. Ze voelde aan dat er meerdere bedreigingen bijeenkwamen, bedreigingen die weldra in razende vreetpartijen zouden omslaan. Ze wist ook dat als ze daarin verstrikt raakte, het haar einde of dat van haar kind zou betekenen, of van hen allebei.
Ze waagde een snelle blik achterom, en zoals ze al had vermoed werden er klauwen gebruikt en dropen hoektanden van het bloed. Er zou straks een razende vreetpartij in dit gedeelte van de stad uitbreken, en zelfs al stond het leven van haar kind op het spel, zij kon erin meegesleept worden. Ze hadden allebei al heel lang niet meer gegeten.
Enkele wachters die niet het bevel hadden om de oprukkende Duisternis te vertragen, mengden zich er snel in. Met hun maaiende zwaarden schakelden ze niet alleen degenen uit die zich in de vreetpartij wilden storten, maar ook anderen, die de pech hadden dat ze niet snel genoeg waren vertrokken.
Ze draaide zich om en vluchtte.
Ooit had ze, net als zoveel andere bewoners van de stad, met stomme verbazing naar de indrukwekkende koning en zijn wachters gekeken. Ze zagen er schitterend uit in hun pantsers, en hun verschrikkelijke schoonheid wakkerde angst en paringsdrang aan. Een wachter mocht zich niet voortplanten, maar dat deed niets af aan het verlangen van de jonge vrouwen als ze langs vlogen, als ze met hun enorme rode vleugels gespreid zweefden en met fonkelende ogen speurden naar elke bron van twist die de vrede van de koning kon bedreigen.
Maar kijkend naar die allesverterende Duisternis leek het haar onwaarschijnlijk dat er nog enig deel van het rijk bestond waar de vrede van de koning heerste.
Ze sloot zich haastig aan bij een menigte angstige burgers op weg door de Zonsopgangpoort, de oostelijke ingang van de stad. Het geduw en gedrang dreigde in gevechten om te slaan, en gevechten zouden beslist omslaan in vreetpartijen. Ze voelde haar angst en woede toenemen. Kijkend naar het kind zag ze dat die oogjes haar gezicht bestudeerden. De kleine leek meer te zien, meer te weten dan normaal was voor een zuigeling.
Naar het oosten toe werden de straten steeds drukker terwijl het Volk probeerde zo ver mogelijk weg te komen bij de naderende Onherroepelijke Dood. Ze ging een steegje in en rende langs twee mannen die op een gevecht schenen aan te sturen. De energie die werd gegenereerd als je boos werd, werkte als een baken voor anderen in de buurt. Binnen enkele ogenblikken zou ook hier een gewoel uitbreken dat de aandacht zou trekken van de wachters; en dan zouden er nog meer levens verloren gaan.
Terwijl ze een hoek om dook, vroeg een deel van haar zich af of het nog wel zin had om te proberen de orde te handhaven terwijl de Onherroepelijke Dood naderde, vooral nu de koning weg was. De wachters die waren achtergebleven probeerden de vrede te bewaren, maar waarvoor?
Iedereen leefde en stierf op bevel van de koning: zijn woord was wet. Zo was het altijd geweest.
Zo had het koninkrijk van Dahun vele Lijdens doorstaan en was het Bestaan altijd geweest zoals het hoorde te zijn. Het Volk gedijde en leefde in vrede naast andere koninkrijken, veilig voor de plunderingen van de Wilden en de Waanzinnigen.
Maar nu was de koning verdwenen.
Ze voelde dat ze werd overmand door een toenemende hopeloosheid, een ongekende emotie waarvoor ze geen naam had. Ineens vroeg ze zich af waarom ze nog door moest gaan, of er nog wel iets bij te winnen viel. En toen bewoog haar kind tegen haar borst en had ze haar antwoord.
Het kind had honger. En zij ook.
Ze zei haar eigen naam: 'Lair'ss,' alsof ze wilde dat haar kind die onthield. Nog zoveel te doen, dacht ze terwijl ze zich verder haastte.
Aangezien de koning verdwenen was, wist niemand wat er van het Volk zou worden nu de Onherroepelijke Dood naderde, maar ze was vastbesloten haar kind in veiligheid te brengen of bij die poging het leven te laten.
Toen ze bij de muur aankwam, zag ze dat de trap naar de kantelen vrij was, dus beklom ze die om beter uitzicht te hebben op de poort. Zoals ze al had gevreesd, waren er overal rellen uitgebroken doordat doodsbange burgers probeerden te vluchten, maar werden tegengehouden door de overgebleven wachters bij de poort. Niemand mocht de stad verlaten zonder toestemming van de koning, en de koning was weg. Ze bleef angstig en besluiteloos staan.
Ze draaide zich om en keek omlaag naar haar geboortestad: Das'taas. Het was een plek van buitengewone luister geweest, en hoewel het er nooit echt rustig was geworden had het geleidelijk aan wel een toestand van evenwicht bereikt; een toestand die bijna de vrede benaderde. Hoewel het Volk nooit verlost zou worden van haar aangeboren voorliefde voor bloederig geweld en vernietiging, hadden de koning en zijn wachters dat tot een minimum weten terug te dringen. Hoewel er natuurlijk nog velen bestonden met oeroude herinneringen nog helemaal uit de Tijd Voor de Tijd, toen het Volk had geleefd als de Wilden en de Waanzinnigen. Toen elk individu was voortgekomen uit de geboortepoelen; schepsels met razende driften en beperkte kracht. Die kracht was te verwerven, maar tegen een hoge prijs in bloed. Het ene kind had het andere verslonden en de overwinnaar was daar sterker, slimmer en sluwer door geworden. De daaropvolgende veldslagen waren eindeloos geweest.
Toen waren Dahun, Maarg, Simote en anderen opgestaan, en allemaal hadden ze hun eigen rijk gesticht. Van al die heersers was Dahun het verst uitgestegen boven de waanzin en woestheid die het Volk had gekenmerkt. Maar zijn meest bittere vijand, Maarg, had tijdens zijn bewind meer op de Waanzinnigen geleken. Dahun had wetten geschreven en de wachters aangesteld, en de luister van het Volk had de hoogste uitdrukking gevonden in de wens om te evolueren op een manier die tot dan toe onbekend was. Uiteindelijk had Maarg een rijk geschapen waarin de chaos van de Waanzinnigen was opgesloten, begeleid en gebruikt om een meritocratie op te bouwen, waarin verdiensten werden afgemeten aan kracht, sluwheid en het vermogen om bondgenoten, vazallen en beschermers te rekruteren.
Dit wist Lair'ss allemaal: haar herinneringen, en die van anderen, vloeiden door haar heen terwijl ze naar de stad keek en probeerde te besluiten wat ze moest doen. Ze dook ineen zodat haar silhouet zich niet tegen de hemel aftekende en ze niet zichtbaar was voor de lieden beneden. Waar waren de vliegers eigenlijk?
Het kind begon te wurmen omdat de honger haar nukkig maakte. Lair'ss gaf haar een tikje, net voldoende om boosheid over te brengen, maar niet hard genoeg om pijn te doen. Het kind werd meteen weer rustig, omdat ze de waarschuwing begreep.
De rol van vader of moeder was geen natuurlijke bij het Volk. Maar generaties lang eiste Dahun nu al dat stellen kennismaakten, met elkaar paarden en vervolgens hun kinderen grootbrachten. De dagen van uit de geboortepoelen kruipen lagen achter hen, en elke ouder was verplicht een kind zowel op te voeden als te verzorgen. Een kind laten sterven, of je beheersing verliezen en het doden, leverde zware straffen op. Net als de rest van haar clan en klasse begreep Lair'ss niet alles wat haar was geleerd. Ze had het grootste deel van haar jeugd gedroomd over moorden en mannelijke partners, totdat ze was gekoppeld aan Dagri. Daarna had ze een ambacht geleerd, het herstellen van kledingstukken, en had ze lange uren gewerkt in een ruimte samen met andere vrouwen.
Elke avond was ie teruggekeerd naar haar man, maar hij was gesneuveld in de strijd tegen de Onherroepelijke Dood die nu voor de deur stond.'Nu voelde ze een onvertrouwde pijnsteek als ze aan hem dacht; ze was niet zo van Dagri onder de indruk geweest toen Dahuns Masjester hen koppelde. Toch was hij uiteindelijk een vertrouwde aanwezigheid geworden, en het kind scheen zijn gezelschap te waarderen. Hij was de vazal geweest van een geliefde dienaar van de koning en had daardoor een hogere rang en enig prestige verworven. Hij was jong en sterk, en hun paringen waren prettig en altijd bevredigend geweest. Ze had zelfs enige vreugde bij zichzelf bespeurd toen ze hem vertelde dat ze een kind zou krijgen, wat een onverwacht aangenaam sentiment was geweest. Ze wist niet zeker waarom, maar ze had het prettig gevonden te weten dat hij dat kind wilde hebben. Nu voelde ze een leegte vanbinnen als ze aan Dagri dacht. Hij was meegegaan met het leger van de koning om tegen Maarg te strijden, en noch de koning, noch Dagri was teruggekeerd. Ze had zich vaak afgevraagd wat er was gebeurd. Was hij gesneuveld in de strijd, omringd door kameraden en vijanden? Het beeld dat ze daarbij voor zich zag, maakte haar tegelijkertijd trots en droevig. Of was hij verdwaald in een of ander ver land en kon hij niet terugkomen? Dat beeld bedrukte haar.
Maar hoewel alles om haar heen ineenstortte, voelde ze het nog steeds als haar plicht aan Dagri om voor zijn kind te zorgen. Ze keek er nu naar, al zo groot dat het gewicht een last op haar arm was, en zag die donkere ogen weer naar haar terugkijken. Wat dacht haar kind? Dácht het eigenlijk wel?
Ze schudde haar hoofd, want ze kende het antwoord. Natuurlijk dacht het. Ze had ervoor gedood en had het zien eten, waardoor het sterker en slimmer was geworden. Het kind reageerde op haar zachte woorden of aanraking zoals Lair'ss het wenste. De kleine was zelfs zo intelligent dat als Lair'ss haar nog een paar keer kon voeden, haar dochter meer een bondgenoot in deze strijd en minder een blok aan het been zou worden.
Lair'ss wist dat het tijd was. Nu alles uiteenviel, zou het verbod tegen jagen op andere leden van het Volk niet langer worden gehoorzaamd. Ze was ervan overtuigd dat anderen alweer waren teruggevallen in de oude gebruiken. Daardoor werden haar potentiële vijanden, lieden die haar en het kind zouden kunnen verslinden, sterker en talrijker.
Ze keek om zich heen en kreeg een schichtige gestalte in het oog, die zich verborg in de schaduwen beneden. Een klein schepsel, dat begon te trillen toen het werd ontdekt.
Snel legde Lair'ss het kind neer, gaf het een waarschuwende por zodat het zou zwijgen, sprong van de kantelen halverwege op de trap en was al bij de gestalte voordat hij het in de gaten had. Nadat ze een snelle, verdovende klap had uitgedeeld, droeg ze het slappe schepsel de trap op naar haar kind.
De bewusteloze gestalte was nog niet op de stenen gelegd of het kind dook er met ongelooflijk veel energie bovenop. De schok van de aanval bracht het kleine schepsel bij zinnen, maar Lair'ss was daarop voorbereid. Een lange klauw sneed zijn keel open.
Vechtend tegen haar eigen honger keek de moeder toe terwijl haar kind at. Ze durfde te zweren dat ze de kleine voor haar ogen zag groeien. De behoefte om het kind opzij te duwen en zelf te eten was bijna overstelpend, maar haar geest was nog betrekkelijk vrij van dierlijke razernij, en ze wist dat het van groot belang was dat het kind snel groeide. Ze zou nu te groot worden om nog te dragen, maar na deze maaltijd was ze wel groot genoeg om haar moeder op eigen benen bij te houden.
Lair'ss negeerde haar knorrende maag en keek toe terwijl het karkas werd verslonden - bot, pezen, haar en huid - tot er niets van over was behalve de eenvoudige mantel en sandalen die hij had gedragen. Ze fronste haar voorhoofd. In haar haast had ze die mantel niet opgemerkt. Het dode schepsel was een Archivaris geweest, een hoeder van kennis.
Haar dochter keek haar aan en kneep even haar ogen samen. Toen sprak ze haar eerste woorden. 'Dank je, moeder. Dat was... verhelderend.'
'Kun je práten?' vroeg Lair'ss onbenullig.
'Deze... had geen kracht of magie... maar hij had kennis.'Het kind zei elk woord heel zorgvuldig, alsof ze het afwoog en beoordeelde voordat ze het uitsprak. Toen stond ze enigszins wankel op; door de groei die haar maaltijd had opgeleverd, was het zwaartepunt van haar lichaam verschoven, en ze had wat tijd nodig om zich daarop in te stellen. Toen keek ze haar moeder aan en voegde eraan toe: 'Een heleboel kennis.'
Op dat moment kende Lair'ss vrees. Voor haar ogen, binnen enkele minuten, was haar dochter van een blatende zuigeling uitgegroeid tot een jonge volwassene. En ze had herinneringen en kennis die toebehoorden aan de best beschermde kaste aan het hof van de koning, de Archivarissen.
Het gezicht van het kind kwam nu bijna tot op dezelfde hoogte als dat van haar moeder, die ineengedoken tegen de binnenmuur zat. 'Ik ben klaar,' zei ze.
Lair'ss aanvaardde dat. Haar kind had nu kennis.
Het kind keek om zich heen om te controleren of ze nog verborgen waren. Toen verklaarde ze: 'Ik ken de weg.' Ze draaide zich om en liep naar beneden, en zonder vragen te stellen volgde Lair'ss haar.
Ze klauterden over de gekartelde rotsen. Over de stadsmuur, omlaag
via de greppels die door eeuwen van wind en regen langs de weg en
door de moerassen waren uitgesleten. Opschietende gasvlammen hadden
hun pad versperd, maar het kind wist de weg. Vanaf het moment dat
ze de Archivaris had verslonden, was ze een schepsel geworden zoals
Lair'ss nog nooit had gekend.
Op een bepaald moment verscholen ze zich onder een overhangende rotspunt toen er een solitaire vlieger langs scheerde, op zoek naar prooi op de grond. Het kind zou een gemakkelijk doelwit zijn, en als Lair'ss' kracht nog verder afnam zou zij ook niet meer tegen het gevleugelde roofdier opgewassen zijn.
In de rust van de vroege ochtend, terwijl de nachtelijke jagers de bergen nog een laatste keer naspeurden voordat ze terugkeerden naar hun holen, keek het kind in het gezicht van haar moeder. Ze konden elkaar amper zien in het karige licht van de sterren aan de hemel en de kleine maan boven de westelijke horizon. 'Ik weet dingen, moeder,' zei het kind zachtjes.
Zwak van de honger antwoordde Lair'ss: 'Ja, ik begrijp het.'
'O ja?' Het kind nam voorzichtig het gezicht van haar moeder tussen haar handen. 'De Archivaris had... kennis, maar zijn herinneringen heb ik niet. Ik weet bepaalde dingen, terwijl andere ontbreken, als gaten in mijn geest.' Ze hield haar hoofd schuin en keek haar moeder doordringend aan. 'Vertel me die dingen.'
'Welke, dochter?'
'Alle dingen die ik niet weet.'
'Dat begrijp ik niet.'
Het kind keek vanonder de beschuttende rotsen naar de ondergaande maan. 'Wat is dat?' vroeg ze, wijzend naar het vage licht aan de westelijke horizon.
'Dat is Das'taas, of wat ervan over is,' antwoordde haar moeder zwakjes. 'Het was ons thuis.'
'Waarom zijn we weggegaan?'
'De Duisternis kwam, en onze heer Dahun was verdwenen. Niemand wist hoe we ertegen moesten vechten.'
'Duisternis?' vroeg Kind.
Lair'ss was nu zo zwak dat ze aanvoelde dat dit wel eens haar laatste gesprek met haar dochter kon zijn. 'Ik weet niet veel, maar ik zal je vertellen wat bekend is. De Duisternis kwam uit het Centrum.' Het kind hield haar hoofd schuin alsof ze zich iets herinnerde.
'Ach ja, het Centrum. Het Oude Hart.'
'Ik ken het niet hij die naam, maar de oude koninkrijken - Wanhoopsveld, Pijnakker, Rouwheem, Verlatenheid en de rest - hielden stand sinds de eerste dagen na de Tijd Voor de Tijd. Onze heer Dahun was respectvol ten opzichte van de oude koninkrijken, en wij wierpen ons op als verschansing tegen de Wilden.' Lair'ss wees naar achteren. 'Daar in het oosten, waar we nu heen gaan. Maar we hoorden dat er iets ergs was gebeurd.'
'Wat dan, moeder?'
'Dat weet ik niet,' antwoordde Lair'ss vermoeid. 'Zoveel van wat er is gebeurd is een mysterie.' Ze staarde naar de verre stad. 'Ik heb gehoord dat we ooit leefden zoals de Wilden, werden geboren in poelen en vanaf het eerste ogenblik vochten voor ons overleven. Elke keer als we stierven keerden we terug naar die poelen, en de strijd was eindeloos.
Ik heb gehoord dat de koningen orde brachten en ons leerden op een andere manier te leven. Ze leerden ons hoe we naast het vernietigen ook konden opbouwen, hoe we voor elkaar moesten zorgen zonder elkaar voortdurend te doden. Er werd ons verteld dat dit goede dingen waren.'
'Waarom?'
'Dat weet ik ook niet,' zei ze met een diepe zucht. 'Maar wat de koning wil, is wet.' De vrouw zweeg lange tijd terwijl de hemel in het oosten lichter werd.
'Waar gaan we nu naartoe?' vroeg het kind uiteindelijk.
Na een tijdje antwoordde haar moeder: 'Naar het oosten, naar de landen van de Wilden en de Waanzinnigen.'
'Waarom?' vroeg Kind.
'Omdat we nergens anders naartoe kunnen,' antwoordde haar moeder zachtjes.
Er trok een glimlach over Kinds lippen en ze zei: 'Nee, er is nog een andere plek.' Ineens dook ze naar voren. Haar hoektanden sloten zich om de keel van haar moeder en met één ruk legde ze die open. Bloed sproeide in het rond, en ze dronk gulzig terwijl het licht in de ogen van haar moeder langzaam uitging.
Er kwamen gedachten mee met het bloed, niet die van haar, maar die van het schepsel wier leven ze nu beëindigde.
Een tijd van rust met een man genaamd Dagri, die haar vader was. Hij was tegelijk met de koning verdwenen.
Beelden flitsten langs, sommige begrepen, andere niet: plaatsen, gezichten, strijdtaferelen en vredige tijden. En sommige gaten in haar kennis werden gedicht terwijl de abstractere kennis die ze van de Archivaris had gekregen, samenging met de ervaringen van haar moeder.
Er was een stabiele tijd geweest, een tijd onder de heerschappij van Dahun. Toen was er nieuws gekomen over een strijd in het westen. Dahuns koninkrijk was niet een van de oude koninkrijken, maar een van de tweede koninkrijken, die in een ring om de vijf oorspronkelijke rijken heen lagen.
Er was oorlog geweest, niet hier maar ergens anders, tegen een koning die Maarg heette, en haar vader en anderen waren met Dahun meegegaan om tegen hem te strijden. Niemand was teruggekeerd, waardoor alleen de stadswachters en de magiegebruikers nog over waren om verzet te bieden tegen de Duisternis toen die verscheen. Niemand wist wat er van de oude koninkrijken was geworden.
Stukjes en beetjes kennis uit die tijden en over die plekken leken plagerig rond te zweven langs de randen van haar geest, bijna begrepen, maar nog niet voldoende samenhangend. Ze wist echter één ding: als ze wilde overleven, had ze meer kennis en kracht nodig.
Ze keek naar het leeggezogen lichaam van haar moeder, en toen at ze dat ook op. Terwijl ze dat deed bleef ze vreemde gevoelens bespeuren die ze probeerde te benoemen, maar dat lukte niet. Deels betreurde ze de behoefte om zich te voeden met de vrouw die haar op de wereld had gezet, maar haar abstracte kennis van de voortplantingsgeschiedenis van haar ras maakte het moeilijk te begrijpen waarom ze meer voor deze vrouw zou moeten voelen dan voor willekeurig welke andere. Ze stopte even; de Archivaris dacht aan hun collectieve samenleving als 'het ras', maar haar moeder was bijgebracht zichzelf te zien als een lid van 'het Volk'. Kind begreep dat dit een onderscheid was, maar niet waarom het belangrijk was.
Ze kroop onder de rotspunt vandaan en tuurde om zich heen, uitkijkend naar gevaar. In de verte zag ze een groep vliegers snel haar kilnt op komen, dus dook ze weer onder de rots tot ze er zeker van was dat ze weg waren. Turend naar het westen zag ze een donkere vlek aan de horizon. Dankzij de kennis die ze met eten had opgedaan, wist ze dat daar iets fundamenteel niet goed zat en dat het een radicale en verschrikkelijke verandering in de orde van haar wereld betekende, maar het bleef iets abstracts voor haar. Ze had er geen gevoelens bij.
Gevoelens?
Ze bleef staan. Ze voelde vreemde gewaarwordingen diep in haar maag en oprijzend in haar borst en keel, maar ze had er geen naam voor. Even vroeg ze zich af of die gewaarwordingen gevaarlijk voor haar waren, zoals gif of blootstelling aan gevaarlijke magie.
Achter in haar bewustzijn kriebelde iets. Ze nam even tijd om dit ondoorgrondelijke materiaal te bestuderen. Met behulp van de kennis van de Archivaris begreep ze dat herinneringen er of wel waren, of niet. Het was ongehoord dat je wel de herinneringen had van degenen die je verslond, maar er geen toegang toe kreeg; dus dit moest iets anders zijn.
Maar als het iets anders was, wát dan?
Nog steeds niet genoeg kennis, dacht ze, en zeker niet genoeg kracht. Ze moest jagen. Ze moest sterker worden, machtiger.
Er bewoog iets boven haar, en onverwachts dook er een vlieger uit de ochtendhemel omlaag. Zonder erbij na te denken stak ze haar hand uit, maar niet ter verdediging. In plaats daarvan wees haar handpalm naar de aanvaller. Er schoot een verzengend hete schicht van energie uit haar hand, dwars door zijn nek, waardoor zijn kop aan haar voeten belandde terwijl zijn lichaam een stuk doorschoot en tegen de rotsen sloeg.
Kind voelde slechts een lichte honger, maar ze wist dat ze meer voedsel nodig had om machtiger te worden.
Ze hurkte neer en begon de kop van de vlieger op te eten. 'Magie,' zei ze zachtjes in zichzelf. Maar ze was nog geen bezweerder tegengekomen, laat staan dat ze er een had gegeten. Nog zachter overpeinsde ze: 'Waar kwam dat nu vandaan?'
Toen at ze de hersens van het schepsel op.