2

Waarschuwing

 


De wind gierde.

Kapitein Jason Reinman brulde om zich verstaanbaar te maken bij de herrie. 'Hak ze los, dekzwabbers!'

Tijdens de waanzinnige tocht naar de haven van Schreiborg was ter voorbereiding op deze wanhoopsdaad alle hens aan dek geroepen.

'Hard naar stuurboord!' schreeuwde hij naar twee mannen die worstelden met de lange handvatten op het scheepsroer. Ze duwden uit alle macht naar links om het nukkige schip de andere kant op te draaien.

De balken van de Koninklijke Boodschapper kreunden terwijl het schip streed tegen krachten waarop het niet was gebouwd. Kapitein Reinman wendde zich tot de man die op het dek naast hem zat en schreeuwde: 'Hou vol! Nog heel even!'

De man zat gehurkt, met zijn ogen dicht en zijn gezicht vertrokken van concentratie terwijl hij probeerde zijn evenwicht te bewaren op het bokkende dek. Reinman wendde zijn zonverbrande gezicht omhoog en stelde tevreden vast dat alle zeilen waren losgesneden en nu over de dekken verspreid lagen. Hij zou alles wel laten herstellen in Schreiborg, en de zeilen die hij verloren was zou de hertog wel voor hem vervangen. Het want kon worden hersteld, en als zijn mannen hier en daar wat overijverig waren geweest met hun bijlen, dan zou ook het houtwerk worden gerepareerd.

Het tumult van de storm stierf weg; de bel van licht was een kleine poel van kalmte te midden van de stormachtige haven. 'Laat me niet zakken, toverende pimpelaar! Je mag pas buiten westen raken als we langs de kade liggen!' Als de man tegen wie Reinman schreeuwde hem hoorde, dan liet hij daar niets van blijken; hij leek alleen maar bezig te zijn om overeind te blijven.

Het schip draaide bij in de betrekkelijke kalmte van de magische bel.

'Zet de stootkussens uit! Zodra die schil wegvalt, beukt de storm ons tegen de kade. Ik heb geen zin om naar huis te zeilen op een stapel aanmaakhoutjes!' schreeuwde Reinman. Toen riep hij naar de mannen hoog in het want: 'Hou je stevig vast, want het gaat er zo ruw aan toe!'

Terwijl de dikke stootkussens over de reling werden gehangen om het schip te beschermen tegen de steiger, stortte de magische bel ineen, en zoals de kapitein al had voorspeld sloeg de plotselinge stormwind de boeg tegen de steigerpalen. Maar de stootkussens deden hun werk, en hoewel er een geluid van versplinterend hout klonk, doorstonden zowel de steiger als het schip het geweld.

Toen kantelde het schip met een bijna pijnlijk luid geknars van hout langs hout, en de drie masten doken schrikbarend snel omlaag naar de keien op de kade. De mannen in het want hielden zich uit alle macht vast en schreeuwden van schrik.

Maar net toen het erop leek dat het schip zou kapseizen en de masten tegen de grond zouden slaan, stopte de beweging. Een spannend moment lang zweefden de masten vlak boven de stenen, toen kwamen ze weer omhoog. Weer klonken er kreten van geschrokken mannen, die beseften dat ze nu ineens de andere kant op zouden worden geslingerd.

'Hou je vast!' brulde de kapitein. Hij omklemde de reling, die even daarvoor nog boven zijn hoofd had gehangen. Om zich heen kijkend zag hij dat zijn vriend op het achterdek nergens meer te zien was. 'Dronken idioot!' schreeuwde hij naar de nu lege plek, maar toen moest hij zijn aandacht erop richten niet over de reling van zijn schip te worden gesmeten.

Terwijl het schip terugrolde, wees nog meer gekraak op een aanhoudende aanval van de elementen op het vaartuig waar hij zo van hield. In stilte vervloekte hij de noodzaak tot dergelijk roekeloos gedrag, en hij zwoer dat als het vaartuig niet meer te redden was, hij ervoor zou zorgen dat heer James Dasher Jameson uit zijn eigen zak betaalde voor een nieuw schip. Aangezien Jameson volgens velen stiekem toegang had tot de schatkist van de koning, zou hij het geld toch amper missen.

Even stond het schip rechtop, toen rolde het verder de andere kant op, maar de kracht van de wind en de zee hield het al snel tegen. Kapitein Reinman liet de reling los en schreeuwde: 'Afmeren! Iedereen die nog leeft, zorgt dat dit schip veilig vast komt te liggen. Iedereen die dood is, krijgt met mij te maken!'

Hij haastte zich naar de reling en nam de schade op. Het schip was er beter aan toe dan hij had mogen verwachten, maar erg meevallen deed het toch ook niet. Het leek er echter op dat er geen belangrijke balken waren beschadigd, dus hij vermoedde dat een paar dagen timmerwerk en een likje verf haar wel weer zo goed als nieuw zouden maken.

Hij nam heel even de tijd om zichzelf te feliciteren met zijn waanzinnige aankomst in de haven van Schreiborg en brulde toen: 'Heeft iemand die dronken tovenaar gezien?'

'O, was dat wat ik zag, kapitein? Ik geloof dat hij over de zijkant duikelde toen we terugdraaiden,' zei een van de scheepsjongens. Toen scheen hij ineens te beseffen wat hij had gezegd, en schreeuwde: 'Man overboord!'

Zes matrozen renden naar de reling en een van hen wees. 'Daar!' Twee mannen sprongen overboord, ondanks de gevaarlijke golven en het risico dat ze tegen de zijkant van het schip zouden slaan, of erger nog, onder de steiger terecht zouden komen te midden van de brokstukken die daar ongetwijfeld dreven.

Degene die ze zochten, een slanke man met een bos zwart haar dat meestal alle kanten op stak maar nu tegen zijn schedel geplakt zat, werd hoestend en sputterend door een van de matrozen boven water gesleurd. De tweede matroos hielp hem naar de boeg van het schip trekken, waar twee andere matrozen hem ondanks de gierende wind ophesen aan touwen.

Doorweekt, ellendig en zielig keek de man in de druipende mantel de kapitein aan en vroeg: 'Zijn we er?'

'Min of meer,' zei Reinman grijnzend. 'Williams!'

De stuurman meldde zich bij zijn kapitein. 'Jawel, kapitein.'

'Ga benedendeks kijken hoeveel werk er verricht moet worden. Ik heb niks gehoord wat erop wijst dat we ernstige averij hebben. En kom alsjeblieft niet melden dat ik het mis heb.'

De stuurman salueerde en draaide zich om. Net als de kapitein kende de stuurman dit schip even goed als het gezicht van zijn vrouw en kinderen. Hij vermoedde dat het kreunende hout en de geknapte touwen reparaties zouden vereisen, maar niets ingrijpends. Hij had wel eens een kolsem horen breken in een storm, en dat was een geluid dat hij nooit meer zou vergeten.

'Leg de loopplank uit!' beval kapitein Reinman.

De bemanning aan de havenkant gehoorzaamde snel. Anders dan bij passagiersschepen, met hun fraaie loopplanken voorzien van treden en balustrades, was dit alleen maar een brede, hardhouten plank. Hij was zo dik dat hij niet doorboog als er een man met een zware last overheen liep.

De plank had de kade nog niet geraakt of Reinman liep er al over, met een schuifelende gang waarbij hij amper zijn leren laarzen optilde. Zoals hij had verwacht, kwam er al een groep ruiters naar hem toe toen hij op de kade stond.

Hertog Henry, graaf Robert en zes wapenlieden hielden hun rijdieren in.

'Waardeloze avond voor een zeereis, heer,' zei de kapitein grijnzend. Hij negeerde de roffelende regen. Hoewel hij in de storm stond en het water van zijn hoofd en schouders droop, zag de roodharige zeeman er bijna uit alsof hij zich wel vermaakte.

'Wat een binnenkomst,' zei hertog Henry. 'Je moet wel iets heel dringends hebben om zo'n stunt te wagen.'

'Dat zou je wel kunnen zeggen,' reageerde de kapitein, om zich heen kijkend, 'hoewel het nog wel een paar minuten kan wachten, tot we alleen zijn. Strikte instructies: alleen voor uw oren.'

De hertog knikte. Hij wenkte een van zijn wapenlieden. 'Geef de kapitein je paard en volg ons te voet.'

De soldaat deed wat hem werd opgedragen en overhandigde de teugels van zijn paard aan Reinman. De kapitein steeg wat onhandig op, aangezien paardrijden niet iets was wat hij dagelijks deed, maar eenmaal in het zadel leek hij er best op zijn gemak.

'Naar de veste!' riep de hertog om de gierende wind te overstemmen, en ze draaiden zich om en reden de hoofdstraat van Schreiborg op, de boulevard die hen naar de beschutting en het aangename vuur van de veste zou leiden.

Nog altijd drijfnat pakte kapitein Reinman bij de deur een dikke handdoek aan en begon zijn gezicht af te drogen, maar hij wuifde een dienaar met droge kleding weg. 'Zo meteen,' zei hij, waarop hij zich tot de hertog wendde. 'Ik moet u spreken, heer.'

Ze stonden in de toegangshal van de veste, samen met de hertogin, de gravin en de drie jongelui, die wachtten op een verklaring voor de waanzinnige intocht die ze zojuist hadden gezien. Zowel Martin als Brendan had iets willen zeggen, maar de uitspraak van de kapitein had hun de mond gesnoerd.

Enigszins verbaasd over Reinmans nog bruuskere manier van doen dan normaal, knikte de hertog naar de anderen om hen terug te sturen naar de grote zaal, aangevend dat hij en de kapitein daar zo meteen ook naartoe zouden komen. De twee mannen trokken zich terug in een hoek van de toegangshal.

'Vertel op. Wat is er zo belangrijk dat het niet nog een dag kon wachten en je het snelste schip van de koning op het spel hebt gezet?' begon de hertog.

'Bevel van de Kroon, heer. U moet uw troepen verzamelen.'

Het gezicht van de hertog bleef onbewogen, maar de huid rond zijn ogen verstrakte. 'Is het dan oorlog?'

'Nog niet, maar misschien binnenkort. Heer Sutherland en de hertog van Ran zeggen allebei dat het rustig is aan de grens, maar volgens geruchten rukt Kesh op in het zuiden en moet u zich voorbereiden om Yabon of zelfs Krondor bij te staan als dat nodig is.'

Henry dacht even na. Er was in de geschiedenis van het Koninkrijk nog maar twee keer oorlog geweest langs de Verre Kust: de oorspronkelijke verovering toen het land aan Kesh was ontworsteld, en daarna de invasie van Tsurani. Het volk van de Verre Kust had een eeuw van vrede gekend en had bijna niets te maken met Kesh, behalve dat er af en toe een handelaar kwam, op zoek naar een markt die openstond voor exotische goederen.

Maar ten oosten van de Straat der Duisternis was het een andere zaak. De grens tussen de twee reusachtige landen was al lange tijd het toneel van schermutselingen en invallen als de ene of andere partij een voordeel dacht te kunnen behalen. De laatste keer dat er een grootscheepse aanval op het Koninkrijk was gedaan, was vlak na de invasie door de troepen van de Smaragden Koningin. Toen het hele westen in puin lag, was Kesh opgerukt naar Krondor, om vervolgens door de tovenaar Puc met de staart tussen de benen huiswaarts gestuurd te worden. Hij had beide partijen berispt om hun roekeloze verspilling en daarmee de vijandschap van de Kroon over zich afgeroepen. Maar zijn les was hen bijgebleven, want er waren al bijna vijftig jaar nauwelijks meer conflicten tussen de twee grote landen. Het was niet ongebruikelijk dat er af en toe grens gevechten waren in het Dromendal, maar dit was de eerste aanwijzing van enige grootscheepse militaire actie tegen het Koninkrijk door het Keizerrijk Groot Kesh.

'Verwachten ze een aanval op Krondor?' vroeg Henry.

Reinman haalde zijn schouders op. 'Ik heb geen idee wat de raad van de koning verwacht. Als Kesh besluit Krondor aan te vallen, zal Yabon naar het zuiden moeten komen om steun te bieden, en dan wordt u ongetwijfeld naar het oosten gestuurd om Yabon bij te staan. Maar dat is speculatie. Ik weet alleen dat ik mijn bevelen rechtstreeks van heer Jameson heb.'

'Richard of James?'

'James.'

Henry slaakte een diepe zucht. Richard was de Ridder-Maarschalk van de prins, achterneef van James, die veel dichter bij de Kroon in Rillanon stond. Als de boodschap van hem afkomstig was, dan kwam er echt een oorlog aan. 'Dus Jim was in Krondor?'

'Die man lijkt wel overal te zijn,' zei Reinman, die nog eens over zijn hoofd veegde met de handdoek. 'Ik weet niet hoe hij het doet, maar ik hoor soms dat hij de ene week nog gezien is in Rillanon, en dan zie ik hem weer in Krondor. Als hij geen vleugels heeft gekregen, snap ik niet hoe hij het doet. Of hij moet een hele reeks paarden hebben afgejakkerd en een week niet hebben geslapen.'

'Hij heeft zijn methoden, kennelijk,' zei de hertog. 'Trek iets droogs aan en kom naar de zaal. Het eten staat nog op tafel, en de jongens zullen je wel met vragen bestoken zodra ik iedereen vertel wat er aan de hand is.'

'Wilt u het iedereen vertellen?'

'Vergeet niet waar je bent, kapitein. Dit is Schreiborg. Als hier de laatste tien jaar nog een Keshische spion is geweest, dan was hij wel hopeloos verdwaald.

En ik moet graaf Robert instructies geven, en een boodschap sturen naar Tulan zodat graaf Morris zijn leger ook kan verzamelen.' Hij glimlachte. 'Als je denkt dat ik mijn vrouw nog tevreden kan stellen met alleen de mededeling dat je met geheime staatszaken bent gekomen, na die aankomst van je... nou, dan ken je mijn vrouw niet meer.'

Grijnzend zei de kapitein: 'Ach ja, daar zegt u wat.'

'Bovendien zijn mijn jongens oud genoeg om het een en ander over oorlogvoeren te leren. Hoewel ik ze natuurlijk liever niet zo jong al wil zien vechten, zijn het wel conDoins.'

'Ja, heer, ook dat is een goed punt.'

De hertog leidde Reinman naar de zaal, waar de anderen ongeduldig zaten te wachten. Hij stuurde de bedienden weg en vertelde kort over het heel eenvoudige maar belangrijke bevel van de Kroon.

Graaf Robert schudde zijn hoofd. 'Legers verzamelen. Het is er een slechte tijd van het jaar voor. Over een paar weken begint de lentezaaiing.'

'Weet ik, maar oorlogen komen nooit uit, in welk jaargetijde dan ook. Maar we kunnen in fasen rekruteren. Eén op de drie mannen moet zich meteen melden, trainen en dan na twee of drie weken terugkeren naar het dorp, dan komt de volgende, dan de laatste, en teKen de tijd dat iedereen is opgeleid, zou het zaaien achter de rug moeten zijn.'

'Als het eindelijk droog weer wordt,' voegde Martin er met een zuur gezicht aan toe. 'De grond zal nog wekenlang te drassig zijn om te zaaien, zelfs als het morgen ophoudt met regenen, vader.'

'Ben je nu ook al boer?' vroeg Reinman grijnzend.

Brendan grijnsde terug, terwijl Martin probeerde zijn lachen in te houden. 'Vader gelooft in ouderwetse deugden. We hebben in onze jeugd alle leerlingschappen in het hertogdom een paar weken moeten doorlopen, om meer inzicht te krijgen in het leven van onze onderdanen.'

'De onderdanen van de koning,' corrigeerde zijn vader hem. 'Wij moeten de burgers van het hertogdom beschermen, maar ze behoren niemand toe, zelfs niet de koning, hoewel ze hem wel moeten gehoorzamen. Net als wij. Dat is de traditie van de Grote Vrijheid waarop onze natie is gefundeerd.'

'Dat had ik gehoord, ja,' zei Brendan, die zijn ogen ten hemel sloeg.

Martin veranderde van onderwerp. 'Kapitein, hoe hebt u dat... afmeren voor elkaar gekregen, met die lichtbel midden in de storm?'

'Ah!' zei Reinman, overduidelijk verheugd. 'Dat was mijn weerheks.'

'Weerheks?' vroeg de hertog verbaasd.

'Nou, hij is niet echt een heks, moet ik toegeven, maar "weermagiër" bekt een stuk minder lekker. Bovendien vindt hij het vreselijk als ik hem een heks noem.'

'Wie is hij dan?'

'Bellard is zijn naam,' antwoordde de kapitein. 'Het is er een van dat stel uit Sterrewerf. Hij heeft een paar jaar bij de elfen in het noorden gewoond om weermagie te leren van hun machtswevers.' Hij knikte dankbaar toen een dienaar hem een dampende beker warme wijn aangaf. Hij nam er een paar slokjes uit en zette de beker neer. 'Hij is er ook best goed in, al heeft hij één probleem.'

'Wat dan?' vroeg graaf Robert.

'Drank.'

'Ach, een zuiplap,' concludeerde Martin.

'Nou, niet echt,' zei de kapitein. 'Hij had duivels veel moeite om die magie onder de knie te krijgen. Tijdens een van die maanfestivals, of zonnefestivals, of bloemenfestivals, of wat het dan ook is dat de elfen als smoes verzinnen om dronken te worden en gek te doen, raakte hij ook een beetje aangeschoten omdat hij zijn gastheren niet wilde beledigen. En toen begon de pret. Voor zover ik heb gehoord, veroorzaakte hij na een paar bekers wijn nogal een orkaan midden in het bos. Hun machtswevers zijn vrij lang bezig geweest om de boel weer te laten bedaren.

En zo ontdekte Bellard dat hij dronken moet zijn om de magie te laten werken. Hij denkt zelf dat het komt doordat hij een mens is, en geen elf.'

'Ach!' zei Brendan met overduidelijk genoegen. 'Dat vindt hij vast niet erg!'

'Eigenlijk wel. Op dat festival ontdekte Bellard ook dat hij niet zo dol is op sterkedrank. We moeten hem vasthouden en het door zijn keel naar binnen gieten als we zijn kunsten nodig hebben.'

Iedereen zette daar grote ogen bij op, en zelfs Brendan en zijn vader keken de kapitein met open mond aan. Toen barstten de aanwezigen allemaal in lachen uit. Zelfs de kapitein grinnikte. 'Hij vindt het echt vreselijk. Maar hij doet het, en dan verricht hij meesterlijk werk, zoals jullie vanavond konden zien, door bijvoorbeeld die bel van rust midden in een storm te maken. Hij heeft ons een keer drie dagen voortgeduwd op een gestage wind, toen we vanuit Rillanon langs de zuidelijke naties naar Krondor voeren en het dagenlang windstil bleef. Hoewel hij daarna wel een paar dagen knallende hoofdpijn had, en zoveel buikpijn dat hij nooit meer naar eten zou talen.'

'Waarom doet hij het dan?' vroeg vrouwe Bethany. 'Er zijn toch wel andere soorten magie die hem beter liggen?'

'Ik weet het niet,' antwoordde Reinman lachend. 'Misschien omdat ik hem heb verteld dat hij op bevel van de prins dienstplichtig is en geen keus heeft?'

'Dat meen je toch niet?' zei de hertog. 'De dienstplicht is afgeschaft na de oorlog met de Tsurani.'

'Klopt,' zei Reinman met een vals, blaffend lachje, 'maar dat weet hij niet.'

Er werd weer gelachen, hoewel Brendan en de dames enigszins onbehaaglijk keken omdat ze lachten om dergelijke achterbaksheid. 'Uiteindelijk zal hij goed worden beloond. Zijn dienst aan de Kroon zal niet zomaar worden vergeten,' voegde Reinman eraan toe.

'En Hal?' vroeg Martin.

'Ja,' zei Brendan, 'moeten we hem terughalen?'

'Wat dat betreft,' antwoordde Reinman voordat de hertog iets kon zeggen, 'voorlopig zou de prins het op prijs stellen als we nieuws over de westerse aanmonstering voor oosterse oren geheimhouden.'

Henry gebaarde de kapitein naar een stoel en stak zijn hand op. Martin stond het dichtst bij de deur, dus deed hij die open en wenkte de bedienden die op de gang wachtten naar binnen. 'Haal wat versnaperingen uit de keuken, en daarna willen we graag ongestoord praten,' liet de hertog zijn personeel weten.

De bedienden zorgden haastig dat iedereen aan tafel voldoende te eten en te drinken had en vertrokken weer.

'Stuur je de bedienden weg?' vroeg Robert.

'Ze roddelen nogal, en hoewel ik iedereen hier in huis vertrouw, kan een misplaatst woord tegen een koopman of bezoekende zeeman onfortuinlijk zijn...' Hij zweeg even. 'Wel, Jason, wat heb je ons nog niet verteld?'

Reinman glimlachte. 'Alleen maar geruchten. Voordat ik de laatste keer uit Rillanon vertrok, hoorde ik dat de koning weer ziek was.' Henry ging achteroverzitten. 'Neef Gregory is nooit zo sterk geweest als zijn vader,' zei hij zacht. 'En zonder zonen...'

'Het zou een hoop problemen voorkomen als hij Oliver tot zijn erfgenaam benoemde,' zei Robert.

Reinman leunde naar achteren. 'Prins Edward zou daar blij mee zijn,' merkte hij droogjes op. 'De prins van Krondor kan haast niet wachten tot de koning een ander op die positie aanstelt en hij terug kan naar de "beschaving", zoals hij de hoofdstad noemt.' Hij haalde zijn schouders op. 'Wat hoofdsteden betreft is Krondor niet slecht, hoewel het wel een zekere grootsheid ontbeert. Edward leeft in doodsangst dat hij op een dag een verschrikkelijke vergissing begaat en op de troon belandt.' Ze lachten allemaal.

'Eddie was ooit aangesteld als hoeder,' zei Henry peinzend. 'Hij heeft geen politieke steun en geen ambitie. Ik denk dat als de Raad het eens zou worden en hem na Gregory tot koning zou benoemen, hij de kroon zou weigeren en naar zijn landgoed zou vluchten. Hij heeft een weelderige villa op een eilandje in de buurt van Roldem.'

Robert voegde eraan toe: 'Waar men zegt dat zijn vrouw meestal bezig is...'hij keek naar de dames '...met het inspecteren van de huiswacht.'

De hertogin trok haar wenkbrauw op. 'Die naar verluidt bestaat uit jonge mannen die allemaal heel knap, heel jong en... heel groot zijn.'

Gravin Marriann en vrouwe Bethany lachten allebei hardop, terwijl de twee jongens een blik wisselden.

'O!' riep Brendan met grote ogen uit toen hij de grap snapte.

'Staatshuwelijken zijn niet altijd wat ze zouden kunnen zijn,' merkte zijn moeder op, alsof daarmee eigenlijk alles wel gezegd was.

Reinman leek slecht op zijn gemak. 'U had het over Hal,' zei hij. 'Hoe doet hij het op die school in Roldem?'

'Die school in Roldem' was de koninklijke universiteit, de beste onderwijsinstelling ter wereld. Hij was oorspronkelijk opgericht voor de adel en het koninklijk huis van Roldem als plek waar jongelui kunst, muziek, geschiedenis, natuurwetenschappen, magie en militaire vaardigheden konden leren. Maar in de loop der jaren waren de beste leerlingen van alle omringende koninkrijken en het Keizerrijk erheen getrokken, en geleidelijk aan was onderwijs daar bijna een voorwaarde geworden als een jongeman zich wenste te verbeteren.

'Er had nog nooit iemand uit de Verre Kust gestudeerd,' zei Henry, 'maar Hal schijnt het er leuk te vinden. Althans, dat blijkt uit zijn brieven.'

'Hij wil meedoen aan het Kampioenschap van het Meestershof,' vertelde Brendan.

'Dat is een pluim op zijn hoed als hij wint,' was Reinmans reactie.

Henry keek naar een raam met luiken ervoor, alsof hij er dwars doorheen kon zien dat het buiten nog steeds goot van de regen. 'Het zal nu wel rond de middag zijn in Roldem. Hij is misschien op dit ogenblik wel met een wedstrijd bezig, als hij al niet is uitgeschakeld.'

 


De zwaardvechter sprong naar voren terwijl de toeschouwers in ademloze bewondering naar het woeste pareren tussen de strijders keken. Ze waren aan elkaar gewaagd, en dit was de eerste van drie ronden waarmee werd bepaald wie de nieuwe Kampioen van het Meestershof zou worden.

De donkerharige jongeling uit de Verre Kust van het Koninkrijk was een onverwachte uitdager geweest, die vroeg in de wedrondes weinig kans toebedeeld had gekregen. Terwijl hij snel opklom door zijn eerste drie tegenstanders met gemak te verslaan, waren de wedkansen snel omgeslagen, tot men nu inschatte dat hij vijftig procent kans had om de nieuwe kampioen te worden.

Zijn tegenstander, een blonde jongeman van ongeveer dezelfde leeftijd, was tot dan toe de favoriet geweest.

Henry conDoin, oudste zoon van hertog Henry van Schreiborg, pareerde, riposteerde, maakte een schijnbeweging en viel aan over rechts. 'Touché!' riep de Meester van het Hof uit.

Er werd waarderend geapplaudisseerd door de toeschouwers.

De twee strijders bogen naar elkaar en trokken zich terug naar tegenoverliggende hoeken van de enorme duelleerzaal die het hart vormde van het Meestershof in Roldem.

De blonde jongen ging bij zijn vader staan. 'Hij is heel goed.'

Claudius Haviks, de tweeëndertigste Kampioen van het Meestershof, knikte en glimlachte naar zijn zoon. 'Bijna net zo goed als jij. Je moet je aandacht er wat meer bij houden. Je had wel naar hem gekeken, maar je had niet verwacht dat hij zó snel zou zijn, hè? Nu kan hij risico's nemen omdat hij maar één punt nodig heeft om te winnen, terwijl jij er twee moet maken.'

Ty Haviks richtte een enigszins zure blik op zijn vader. Hij wist dat hij gelijk had, want de jonge Tyrone Haviks, de vijfentwintigjarige zoon van de oud-kampioen, was als student zo'n dominante kracht aan het Meestershof geweest dat hij als grote favoriet aan de wedstrijd was begonnen. Die reputatie had hem geholpen snel af te rekenen met zijn eerste tegenstanders, en hij was daardoor in zijn vaders opvatting een beetje te zelfverzekerd geworden.

'Hij heeft het liefst een driedubbele combinatie,' zei Claudius tegen zijn zoon. Kijkend naar het gezicht van de jongeman overpeinsde hij hoeveel de jongen op zijn moeder Taling leek. Claudius was ontzettend veel van hem gaan houden, ook al was hij niet Ty's echte vader. Grote blauwe ogen en sproeten gaven een sterk jong gezicht een jeugdig aanzien, en zijn glimlach maakte hem charmant voor de dames. 'Als je het kunt zien wanneer hij begint,' vervolgde hij, 'kun je onder zijn tweede schijnbeweging door komen en hem raken.'

'En als ik het niet zie, dan wint hij de wedstrijd,' concludeerde Ty droogjes.

Claudius lachte scheef terug. 'Er zijn ergere dingen.'

'Dat is waar,' zei Ty. 'Hier gaat niemand dood... meestal.'

Dat leverde hem een duistere blik van zijn vader op. Het was onderdeel van de legenden rondom het Meestershof dat twee tegenstanders een aanslag op het leven van Claudius hadden gepleegd, die was uitgelopen op het eerste opzettelijke bloedvergieten dat in honderdvijftig jaar tijd aan het Hof was voorgekomen.

Terwijl ze wachtten tot de tweede ronde van de finale begon, keken beide jongemannen om zich heen. Ty was talloze keren op de trainingsvloer geweest, maar voor Henry was het zijn eerste bezoek aan het Hof; dit was zelfs zijn eerste keer in Roldem. Hij had deze zaal voor het eerst gezien toen hij vier oefenrondes tegen de leermeesters mocht doen, nog maar twee dagen geleden.

Maar voor beide jongemannen bleef de luister van de enorme zaal nog overrompelend. Grote, bewerkte houten pilaren omgaven een uitgestrekte houten vloer die was opgewreven tot hij glansde als metaal, als gepolijst koper. Er waren ingewikkelde patronen in de vloer ingelegd, die naast de esthetiek ook een functie hadden. Elk onderdeel bakende een strijdarena af, van de beperkte, kleine duelleerpaden voor het schermen tot de grote achthoek voor langere klingen.

Dit was de reden waarom het Meestershof bestond.

Meer dan twee eeuwen eerder had de koning van Roldem een toernooi laten houden om de grootste zwaardvechter ter wereld te benoemen. Deelnemers van alle rangen en standen waren soms helemaal vanuit de zuidelijkste provincie van het Keizerrijk Groot Kesh of de verre Vrijsteden van Natal gekomen, en alle plekken daartussenin. De hoofdprijs was fabelachtig geweest, een gouden zwaard bezet met edelstenen, ongeëvenaard in de geschiedenis van het koninkrijk.

Twee weken lang was de wedstrijd doorgegaan, totdat een plaatselijke edele, graaf Versi Dango, had gewonnen. Tot grote verbazing van de koning had de graaf gezegd dat hij de prijs niet in ontvangst zou nemen. Hij wilde dat de koning het zwaard gebruikte om te betalen voor de bouw van een academie gewijd aan de kunst van het zwaard en dat daar iedere paar jaar deze wedstrijd zou worden gehouden, en zo ontstond het Meestershof.

De koning had deze school laten bouwen, die een heel stratenblok In het hart van de hoofdstad van het eilandkoninkrijk besloeg, en in de loop der jaren was het complex herbouwd en verfijnd totdat het nu meer een paleis dan een school leek. Toen het klaar was, werd er nog een toernooi gehouden, waarbij graaf Dango met succes zijn titel als beste zwaardvechter ter wereld verdedigde. Elke vijf jaar verzamelden strijders zich om te wedijveren om de titel van Kampioen van het Meestershof. Dango had vier keer standgehouden als winnaar, totdat hij door een blessure niet langer kon deelnemen.

Nu gebaarde de Wedstrijdmeester dat de twee strijders moesten terugkeren. Beide jonge mannen namen positie in, tot de Meester zijn arm tussen hen omhoogstak. Ze kwamen naar voren en hieven hun zwaarden; de Meester pakte de punten vast, bracht ze naar elkaar toe en stapte achteruit met de kreet: 'Begin!'

Meteen begon Ty met een gemene, bovenhandse uitval die bijna doel trof, maar Henry deed net op tijd een stap achteruit. Ty herstelde zich en deed een pas naar voren, met zijn zwaard uitgestoken en zijn linkerhand in zijn zij in plaats van uitgestoken om zijn evenwicht te bewaren, zoals de meeste strijders deden. Zijn vader had hem geleerd dat die houding weinig toevoegde als je geen evenwichtsproblemen had, aangezien het omhooghouden van die hand ook kracht kostte; geen groot probleem op de oefenvloer, maar wel iets wat je het leven kon kosten in een veldslag.

Henry maakte een springend pasje en begon een ronddraaiende beweging met zijn kling, en Ty wist dat hij op het punt stond de driedelige beweging te beginnen die hem eerder een punt had gekost. In plaats van achteruit te gaan bij de tweede schijnbeweging, stak Ty zijn arm uit, kreeg daarmee voorrang, en deed een bijzonder lage uithaal die Henry minder dan een duim boven zijn riem raakte; nog net toegestaan. Al voordat de Meester het kon bekendmaken, riep Henry: 'Touché!'

Beide deelnemers gingen even in de houding staan, salueerden naar elkaar en keerden terug naar hun eigen hoek. Henry liep naar zijn begeleider, Zwaardmeester Phillip, die op hem stond te wachten. 'Die zag hij aankomen,' zei de oude strijder.

Henry knikte en zette de mandhelm af die ze tijdens deze wedstrijden droegen. Enigszins buiten adem zei hij: 'Het was dom van me om twee keer dezelfde beweging te proberen. Hij lokte me ertoe uit met zijn hoge uitval. Liet me denken dat hij wanhopig was.' Hij pakte de handdoek aan die hem werd aangeboden en droogde zijn gezicht af. 'Dus nu is er nog maar één punt nodig voor het kampioenschap.'

'Jammer dat je vader er niet is. Of je nu wint of verliest, je familie kan trots op je zijn, Hal.'

Henry knikte. 'Beter dan ik verwacht had, eerlijk gezegd.'

'Je oudoom Arutha stond bekend als een geduchte zwaardvechter. Kennelijk heb je dat talent geërfd.'

'Maar goed ook, want ik ben bij lange na niet de boogschutter die mijn betovergrootvader Martin was,' zei Henry met een vermoeide grijns.

'Of je grootvader, of je vader,' vulde de Zwaardmeester droogjes aan.

Toen hij besefte dat er een einde was gekomen aan de zeldzame complimenten, zette Henry zijn helm weer op en zei: 'Of mijn broertje.'

'Of die jongen die bij de smidse werkt.'

'Wat jij bedoelt, is dat ik dit zou moeten winnen.'

'Dat is wel zo'n beetje de bedoeling.'

De twee strijders keerden terug naar de arena en de wachtende Meester van het Hof. Op zijn teken tilden de twee jongemannen hun zwaard op. Hij greep de twee beklede punten vast en trok plotseling zijn hand achteruit met de kreet: 'Begin!'

Het ging heen en weer tussen de twee jonge strijders, die allebei even begenadigd en sluw waren. Ze beoordeelden elkaar, vielen aan, gingen achteruit en verdedigden zich in een oogwenk. De duur van een wedstrijd als deze werd normaal gesproken afgemeten in seconden, maar niemand in het publiek wilde dat het snel afgelopen was. En ze zouden niet worden teleurgesteld.

Heen en weer over de vloer, aanvallend en terugtrekkend, streden de twee zwaardvechters. Ervaren strijders zoals Claudius Haviks en Zwaardmeester Phillip zagen dat de twee duellisten gelijkwaardig waren:Ty had een iets betere techniek, maar Henry was net een beetje sneller. De winnaar zou worden bepaald door wie als eerste een fout maakte, wiens concentratie als eerste verslapte, door een verkeerde timing of door vermoeidheid.

De wedstrijd ging door in een eigen ritme, een woest staccato onderbroken door korte pauzes waarin de twee strijders even de tijd namen om elkaar in te schatten.

Toen startte Ty een felle, hoge aanval, waardoor Henry achteruit werd gedreven naar zijn deel van de vloer. Als hij Henry kon dwingen over zijn achterlijn te stappen, zou hij verliezen door een fout.

'O...' zei Zwaardmeester Phillip toen zijn beste leerling achteruitging op een manier die oogde alsof hij de controle verloor. Maar voordat hij zich erbij neer kon leggen dat zijn pupil op het punt stond te worden verslagen met een sluwe aanval, gebeurde er iets opmerkelijks.

Ty sloeg toe op het hoogste punt waarop een aanval nog was toegestaan - de tuniek net onder de gelaatsbeschermer - een zet waardoor Henry eigenlijk naar links of naar rechts had moeten springen, aangezien er achter hem geen ruimte meer was. Beide passen zouden hem buiten het voorgeschreven gebied hebben gebracht, waardoor hij gediskwalificeerd zou worden, of hij zou zijn evenwicht zijn verloren.

Maar Henry hield zijn voet simpelweg een heel klein stukje voor de achterlijn, draaide zijn lichaam en schoof zijn rechterbeen naar voren, waardoor de punt van Ty's zwaard net boven zijn canvas-tuniek niets dan lucht raakte. Terwijl hij naar voren kwam, stak Henry zijn arm uit en liep Ty recht tegen de afgeschermde punt van Henry's wapen op.

De toeschouwers slaakten kreten toen de twee strijders in die houding verstarden. Heel even werd het stil in de zaal, en toen riep de Ceremoniemeester: 'Jury?'

Vier juryleden, een op elke hoek van de strijdarena, hadden tot taak aan te geven wanneer er een punt was gescoord. De twee die het dichtst bij Henry's kant van de vloer zaten keken elkaar aan, niet goed wetend wat ze nu zojuist hadden gezien. Henry zat op de grond, in een volledige split, met zijn ene been recht naar voren en het andere naar achteren, terwijl Ty was blijven staan en met zijn lichaam Henry's kling liet doorbuigen. 'Dit is heel ongemakkelijk,' zei Hal zo luid dat degenen vlak bij hem het konden horen.

'En best gênant, eigenlijk,' vond Ty.

De Meester wenkte de twee juryleden naar zich toe en zei: 'Deelnemers, terug naar jullie plekken.'

Ty stak zijn linkerhand uit en Henry pakte die vast, zodat zijn tegenstander hem overeind kon trekken. 'Dat zag er pijnlijk uit,' zei Ty terwijl hij zijn helm afzette.

Henry zette ook zijn helm af, streek door zijn donkerbruine haar en grimaste. 'Was het ook.'

Terwijl Henry bij hem aankwam, zei Zwaardmeester Phillip: 'Die beweging had ik nog nooit gezien. Wat was dat?'

'Wanhoop,' antwoordde Henry. Hij pakte de handdoek aan die hem werd aangeboden en droogde zijn gezicht af. 'Hij is echt beter dan ik, weet je.'

'Ja,' zei Phillip zacht, 'maar niet veel beter. En niet zoveel dat je geen kans meer maakt. Hij kan winnen, maar jij ook.'

'Waarom hebben de juryleden zo lang nodig?'

'Ik vermoed dat ze ruziën over voorrang. Tyrone had zijn arm nog uitgestoken, dus jij had geen voorrang, ook al liep hij recht tegen je zwaard op. Ik zou er zelf geen punt voor geven, maar het jullie nog eens over laten doen.'

'Ik geloof niet dat ik dat kan,' zei Henry grimassend. 'Ik denk dat ik eerst bij een genezer langs moet als ik ooit nog kinderen wil krijgen.'

'Het zal wel een spier zijn. Als je een tijdje rust neemt, geneest het wel.'

'Ik voel dat mijn linkerbeen niet zo sterk is als het hoort te zijn, Zwaardmeester. Als ik er kracht op zet, al is het maar een beetje, dan brandt het als de hel.'

Phillip stapte achteruit. 'Probeer eens een uithaal.'

Henry probeerde een uithaal rechts van Phillip en verloor zijn evenwicht. Phillip ving hem op voordat hij kon vallen. Hij gaf de jongeman vol genegenheid een klopje op zijn schouder en zei toen met luide stem: 'Meesters van het Hof!'

De drie meesters, die stonden te overleggen in de zaal, draaiden zich tegelijkertijd om en de hoogste vroeg: 'Wat is er?'

'Wij moeten ons terugtrekken.'

Er klonk een teleurgesteld gekreun van de toeschouwers in de zaal toen de Ceremoniemeester vroeg: 'Waarom trekken jullie je terug?'

'Mijn jonge meester is gewond en kan niet verder.'

Ty en zijn vader liepen naar hen toe. Toen ze bij de juryleden aankwamen, zei Ty: 'Ik kan wel wachten als de jonge heer Henry tijd nodig heeft om te herstellen. Een uur misschien, of anders tot morgen?'

Henry hinkte nu zichtbaar. Hij schudde zijn hoofd. 'Nee, heer. Ik kan niet doorgaan, en,' vervolgde hij met een grimas, 'ik vermoed dat ik voorlopig ook nog niet op mijn best zal zijn.' Hij glimlachte naar zijn tegenstander. 'Goed gewonnen, jonge Haviks.' Op gedempte toon voegde hij eraan toe: 'Je had waarschijnlijk toch wel gewonnen. Je bent echt de beste tegenstander die ik ooit heb gehad.'

'Het is niet anders,' antwoordde Ty, 'en niemand heeft me ooit zo hard laten werken als jij.' Hij keek naar de drie juryleden, die knikten.

'Aangezien jongeheer conDoin niet kan doorgaan, is deze wedstrijd hierbij afgelopen,' verklaarde de Ceremoniemeester. 'Lang leve de Kampioen van het Meestershof, Tyrone Haviks!'

De toeschouwers waren overduidelijk teleurgesteld omdat deze wedstrijd niet door het zwaardgevecht werd beslist, maar na een aarzelend begin juichten ze toch luid. Zelfs al was het laatste punt niet gemaakt, het toernooi had dagenlang voor vermaak gezorgd en de kampioen was zonder twijfel een uitmuntend zwaardvechter.

Toen het applaus wegstierf zei Ty zachtjes: 'Dit zal een grote opluchting zij n voor de Ceremoniemeester van de koning, want die zou zijn flauwgevallen als hij het grote gala had moeten uitstellen.'

Henry keek naar de koninklijke loge, waar de koning en zijn familie naar de finale hadden zitten kijken, en zag inderdaad opluchting op het gezicht van de Ceremoniemeester toen die naar de koning toe liep.

'Tijd om je prijs te gaan ophalen,' zei Claudius Haviks tegen zijn zoon. Tegen Henry zei hij: 'Sta me toe een vriend van me naar je toe te sturen. Hij is genezer en kan je binnen een dag of twee weer op de been hebben. Letsel in de lies is een verschrikkelijk ongemak; ik spreek uit ervaring. Als het niet snel wordt behandeld, kun je er maanden of zelfs jaren last van blijven houden.'

Hal knikte dankbaar.

De twee finalisten en hun metgezellen werden begeleid naar de koninklijke loge, waar ze een buiging maakten voor de koning van Roldem. Koning Carol was een man op leeftijd, met grijs haar, maar hij oogde nog altijd kwiek en gelukkig. Naast hem zat zijn echtgenote, koningin Gertrude. Hun jongste zoon, prins Grandprey, was maar een paar jaar ouder dan de twee deelnemers en ging gekleed in het uniform van een generaal van het koninklijke leger. Zijn zuster, prinses Stephané, zag er schitterend uit in een gewaad van licht geplooide gele zijde, dat zich sierlijk naar de vloer uitspreidde. Ze had blote schouders, en haar ietwat gewaagde decolleté werd aan het oog onttrokken door een doorschijnende sjaal in dezelfde tint. De kleuren van haar kleding vormden een opvallend contrast met haar kastanjebruine haar en mooie bruine ogen.

Henry probeerde niet te blozen terwijl hij zijn blik afwendde, en toen zag hij dat Ty Haviks de dochter van de koning brutaal bekeek. En ineens vond hij de winnaar van de wedstrijd niet meer zo aardig.

Rechts van de koning stonden kroonprins Constantijn, de eerste troonopvolger, en de middelste zoon, prins Albér, de tweede troonopvolger. Henry en Tyrone maakten buigingen voor de koninklijke familie.

'Majesteiten, hoogheden,' zei de Ceremoniemeester, 'de winnaar en verliezer van de finale van vandaag: heer Henry van Schreiborg, kom naderbij.'

Als eerste onder al diegenen die waren verslagen door de winnaar, werd Henry beloond met een klein zilveren zwaard. Terwijl Henry neerknielde om het geschenk uit handen van de kroonprins in ontvangst te nemen, zei de koning: 'Jammer dat het zo is afgelopen, jongen. Je hebt je bewonderenswaardig geweerd. Toch is een tweede plaats niets om je voor te schamen. Misschien heb je bij het volgende toernooi meer geluk.'

'Dat is bijzonder vriendelijk van u, majesteit,' antwoordde Henry, die het zwaard aannam en met enig ongemak opstond om zich weer bij Zwaardmeester Phillip te voegen.

'We zullen een genezer naar je vertrekken aan de universiteit sturen, zodat die naar dat... been van je kan kijken. Je moet fit zijn voor het gala van morgen,' bood de koning aan.

'Dank u, majesteit,' zei Hal met een buiging.

'Tyrone Haviks van Olasko,'verklaarde de Ceremoniemeester. Ty knielde neer en de koning zei: 'Jonge Haviks. Vele jaren geleden heb ik de koningsprijs aan je vader overhandigd.' Hij glimlachte een beetje verdrietig naar Claudius. 'Dat was een dag die we nooit zullen vergeten.'

Die wedstrijd was geëindigd met de dood van twee tegenstanders van Claudius. Een van hen was een geoefend zwaardvechter uit Kesh die slechts met één doel was gekomen: de jonge zwaardvechter te vermoorden. De ander was een luitenant uit het leger van Olasko, dat het Krootste deel van Claudius' volk had uitgemoord.

'Dit besluit de wedstrijd,' vervolgde de koning. 'We verzamelen ons hier weer over vijf jaar, om te zien of de jonge Haviks de prestaties van zijn familie kan voortzetten. Dames en heren, ik wens u nog een mooie dag en zal velen van u morgenavond welkom heten op ons gala.'

Iedereen ging staan toen de koning opstond en met zijn vrouw en kinderen de zaal van het Meestershof verliet. Toen Ty zich omdraaide en Hal met samengeknepen ogen naar hem zag staren, zag hij ook een man die zich tussen de drukte van vertrekkende mensen door perste en voor Claudius ging staan.

Maar Hal was degene die als eerste sprak. 'Heer Jameson!'

James Dasher Jameson, baron van het hof van de prins in Krondor, knikte naar de jonge edele en vervolgens naar Ty en zijn vader.

'Nou, Jim,' zei Claudius Haviks, 'dit is een onverwacht genoegen.'

Heer Jameson, bij sommige mensen ook bekend als Jim Dasher, keek om zich heen. 'Onverwacht, dat wel, maar bepaald geen genoegen.' Hij dempte zijn stem een beetje en vervolgde: 'We moeten onder vier ogen praten, Haviks.'Toen wendde hij zich tot Hal. 'Blijf in de buurt, Hal. Ik moet jou ook spreken.'

Toen ze een stukje waren weggelopen bij de drukte rondom de winnaar, zei Jim: 'Claudius, ik heb een gunst van je nodig.'

'Wat dan?'vroeg Haviks. Zijn relatie met Jim Dasher en alle andere partners van het Conclaaf der Schaduwen was in het beste geval wisselend te noemen. Ze hadden zijn leven gered toen hij nog klein was, maar ze hadden een hoge prijs van hem gevergd. Zelfs nu hij formeel uit hun dienst was ontslagen, bleven ze nog aanwezig in zijn leven. Claudius wist dat hij alles wat hij nu was aan hen te danken had, maar zijn gevoel van verplichting aan hen werd niet ingegeven door genegenheid.

'Je moet die jonge conDoin goed in de gaten houden.'

'Hoezo?' vroeg Claudius.

'Er staat iets te gebeuren. Ik zal je vanavond meer vertellen, als we alleen zijn.'

'Best, maar hoe moet ik hem in de gaten houden als hij aan de universiteit woont, op de slaapzaal?'

'We laten hem niet teruggaan naar de universiteit.' Jim keek over zijn schouder naar de twee jonge zwaardvechters en hun bewonderaars. 'Nodig hem vanavond uit om met jullie in het Rivierhuis te gaan eten, dan kom ik daarna even langs om met jullie allebei te praten. Ja, dat lijkt me wel afdoende.'

'Ook goed,' zei Haviks, die knikte en bij de Koninkrijkse edele met zijn donkere ogen wegliep.

Jim Dasher keek om zich heen om te zien of iemand hem misschien observeerde. Als er agenten van Kesh in de zaal waren - wat bijna zeker was - dan zouden die heel goed zijn in hun werk, wat betekende dat hij weinig kans had hen te herkennen. Toch was een kort moment om de zaal goed te bekijken de moeite waard. Er bestond een kleine kans dat zo'n man een foutje maakte en zich onthulde.

Of zo'n vrouw, corrigeerde hij zichzelf toen hij een jonge vrouw zag die naar hem staarde en snel haar blik afwendde. Jim onderdrukte een zucht; los van haar ware bedoelingen had ze gewild dat hij haar opmerkte, en dat had hij dan ook inderdaad gedaan. Hij moest zien te achterhalen of ze alleen maar een ambitieuze statuszoeker was, die de iets oudere maar nog altijd zeer begerenswaardige edele uit het Koninkrijk op het oog had voor een mogelijke relatie, of een Keshische spion.

Hij trok zijn gezicht in de plooi en deed alsof hij slechts een belangstellende toeschouwer was bij het evenement van vandaag. Hij deed alsof hij zomaar wat door de menigte dwaalde, maar liep recht op de vrouw af.

Even werd hij afgeleid door heer Carrington, een lagere hofbaron die deel uitmaakte van de Koninkrijkse delegatie naar Roldem. Het was een druk, overgedienstig mannetje dat zijn diplomatieke positie te hoog inschatte en erg gesteld was op roddels. 'Heer Jameson!' riep hij uit, en hij pakte Jims hand om daar even slapjes in te knijpen.

'Heer,' groette Jim, die probeerde de mooie brunette niet uit het oog te verliezen. Hij raakte er steeds meer van overtuigd dat ze een Keshische spion was.

'Jammer dat de jonge heer Henry niet kon doorgaan,' zei Carrington. 'Ik had een beetje goud op hem ingezet, en het zou wonderen hebben gedaan voor de Eilanden om een kampioen van het Meestershof te hebben. Maar toch,' zei hij, omkijkend naar Ty en Hal die nog met toeschouwers stonden te praten, 'het scheelt niet veel, nu Haviks een of andere titel in het westen opeist, ook al woont hij in Olasko.'

Omdat hij aanvoelde dat dit wel eens een lang gesprek zou kunnen worden, zei Jim: 'Ik ken Claudius Haviks al jaren, heer baron. Zijn titel is niet "opgeëist", maar behoort hem gewoon toe.'

'O ja?' Net als alle andere leden van het hof van de koning in Rillanon wist Carrington niet geheel zeker wat Jim voor de Kroon deed, maar hij wist wel dat het belangrijk was, en bovendien was Jims grootvader nog altijd hertog van Rillanon. 'Ik begrijp het.'

'Volgens mij niet,' zei Jim binnensmonds, en toen op luidere toon: 'Als u mij wilt verontschuldigen, heer, maar ik moet dáár even iemand spreken.'

Voordat de mollige hoveling kon reageren, was Jim al weg. Hij liep recht naar de dikke pilaar waar hij de vrouw had gezien. Ze wierp nog een blik op Jim en er trok een bijna flirterig lachje over haar lippen. Jim vroeg zich af of hij haar misschien toch verkeerd had ingeschat: misschien was ze geen agent van het Keizerrijk, maar gewoon een jonge vrouw met belangstelling voor een man met status en rijkdom.

Hij kwam bij de pilaar aan net nadat zij erachter was verdwenen, en ze was nergens meer te zien.

'Krijg nou wat,' mompelde Jim, om zich heen kijkend. Hij was er heel goed in om mensen in het oog te houden in een menigte, zelfs op een drukke markt in een grote stad, maar het leek erop dat hij was overtroefd.