13

Ontdekking

 


Kind viel aan.

De drie demonen die ze in een hinderlaag had laten lopen, draaiden zich om en presenteerden een indrukwekkende verzameling tanden en klauwen, en een van hen begon een bezwering. Een magiegebruiker! Ze paste haar aanval aan en rukte zijn strottenhoofd eruit voordat hij met zijn magie kon beginnen. Hij viel met een gorgelende doodskreet op de rotsen.

De andere twee zouden te sterk voor haar alleen zijn geweest, maar haar bondgenoten kwamen over de rotsen achter de twee overgebleven demonen zwermen en, hoewel ze kleiner waren, overweldigden ze hen snel.

'Eet,' zei ze tegen haar kleine bende. 'Maar die is van mij,' voegde ze eraan toe, wijzend naar de magiegebruiker terwijl ze Belog wenkte. Ze wilde magie bezitten, en zonder leermeester was het eten van magiegebruikers haar enige manier om dat vermogen te verwerven. Haar vaardigheden waren rudimentair, primitief zelfs. Ze kon een vlaag energie oproepen om een niet al te grote tegenstander onderuit te kegelen, of een klein vlammetje te maken, maar dat was alles.

Ze wist niet hoe lang ze deze bende demonen al door het ruige landschap leidde, door met vulkanen bedekte landen vol basalt en rode rotsen. De hemel was donkergrijs, zelfs midden op de dag, en de zon leek in een vreemde baan te draaien en nooit helemaal onder de horizon te zakken. Belog zei dat het betekende dat ze een nexus bereikten, een van de zes polen in hun rijk: de Oostpool. De Duisternis scheen zich te hebben verzameld rondom de Hartnexus, waar de Oost-, West-, Noord-, Zuid-, Boven- en Onderpool elkaar kruisten. Op onverwachte momenten schoten er energiestoten langs de wolken boven hen, en de lucht stonk naar as en bittere mineralen doordat vurige bergen wolken donkere rook en sintels naar de grijs met zwarte hemel braakten.

In de afgelopen maand was Kind volgelingen gaan verzamelen.

Als ze volk tegenkwamen van wie ze dacht dat die niets konden bijdragen, dan liet ze hen verslinden door de anderen. Ze was zelfs grootmoedig in haar besluit over wie er als eerste mocht eten en nam haar eigen aandeel pas als laatste. Ze was nog bezig te bepalen wie ze was, maar op enig moment was ze zich bewust geworden van de concepten van grootmoedigheid en dankbaarheid. Met grootmoedigheid kon je dankbaarheid oogsten of zwakte uitstralen, afhankelijk van de omstandigheden. Dankbaarheid kon ware trouw opleveren, of geveinsde trouw die omsloeg in verraad. Ze had nog moeite de nuances in die verschillen te vinden.

Ze werd subtieler, en Belog raakte steeds meer door haar gefascineerd. Het was hem duidelijk dat ze een uniek individu onder het Volk was. Ze was iets onvoorspelbaars. Het was moeilijk te bepalen of ze zijn grootste ontdekking, of zijn gevaarlijkste was.

Ze keek om zich heen terwijl ze aten. 'Ik vind deze plek ... onaangenaam. De vorige plek waar we rustten beviel me beter.'

Hij hield zijn hoofd enigszins schuin, een gebaar dat ze was gaan herkennen: hij overpeinsde wat ze zei en formuleerde een antwoord. Hij krabde verstrooid met een scherpe, glanzende klauw aan zijn wang. 'Echt waar? Maar de energievlakten zijn veel gevaarlijker dan deze vulkanische hooglanden. De draaiende scheuren en leegtevensters kunnen je bij aanraking vernietigen of je uit deze realiteit weggrissen en naar een andere transporteren.' Hij knipte met zijn klauwen om zijn woorden te benadrukken.

Ze haalde haar schouders op. 'Ik weet niet waarom, maar ik vond het prettig om 's nachts naar de lichtfonteinen te kijken, en naar de glanzende zilveren lichtjes overdag. Ik kreeg er net zo'n gevoel van als wanneer ik iets heel lekkers eet of naar bepaalde mannen kijk 'Terwijl ze dat zei, wierp ze een blik op een van de jongere mannelijke demonen, die was gespaard omdat hij in de toekomst een geduchte vechter zou worden. Hij had gespierde armen en een enorm breed bovenlichaam, maar zijn middel was nog smal en zijn benen slank. Als ze nog in Das'taas hadden gewoond, was hij allang gedood en verslonden of gerekruteerd als soldaat voor de groepering van de een of andere demonenheer, of misschien zelfs als stads- of paleiswachter.

Belog zag hoe Kind naar de man keek en zuchtte zachtjes. Ze zou binnenkort een partner kiezen, en dat kon moeilijkheden veroorzaken. Bij het Volk ging voortplanting vooraf aan de geboortepoelen, waar het leven in het rijk zijn oorsprong had en waar de demonen uit voortkwamen. Uit diezelfde kuilen verrees een demon na de dood weer opnieuw, met sommige of alle herinneringen intact, afhankelijk van de omstandigheden van de dood. Gewelddadige sterfgevallen, de meerderheid dus, beroofden de demon van een deel van zijn geheugen. Maar de natuurlijke geboorte was ook een aspect van de schepping, al kwam die relatief weinig voor. Demonen paarden al voor hun genoegen zolang ze bestonden, maar hun samenlevingen waren nooit stabiel genoeg geweest om in werkelijk nuttige aantallen jongen voort te brengen. Een zwangere vrouw overleefde maar zelden, en als er al een kind werd geboren, dan werd dat vaak verslonden, meestal zelfs door zijn eigen moeder als vergelding voor de pijn en het ongemak van het baren. Een paar moeders kozen ervoor hun kind groot te brengen, misschien met de gedachte dat ze zo hun eerste vazal schiepen, maar dat liep zelden goed af. Adolescente demonen waren altijd onhandelbaar en bleven zelden lang; degenen die de volwassenheid bereikten, waren vaak sluw en machtig, en ze kozen hun gevechten verstandig.

Het opstaan van de koningen had de situatie veranderd, in de Eerste Koninkrijken en nu de Tweede Koninkrijken, en Dahun was de eerste geweest die zijn volk had hervormd en herschapen. De geboortepoelen bestonden nog - hoe kon het ook anders - maar nu werden er stellen, onder wie ook Kinds vader en moeder, aangewezen om met elkaar te paren en een gezin te vormen; een nieuw en tot dan toe onbekend idee.

Hoewel niemand werkelijk begreep waarom heer Dahun dit had gedaan, zou ook niemand hem openlijk in twijfel trekken. De Archivarissen hadden aangenomen dat hij hun op enig moment wel zou instrueren over wat de volgende stap was in deze gedwongen evolutie van het Volk, maar de komst van de Duisternis had alles in de chaos gestort.

Toen Dahun verdween, was de samenleving niet simpelweg teruggekeerd naar zijn vorige status, maar uiteengevallen. De overlevenden van de anarchie die ooit Dahuns koninkrijk was, zouden weinig beter zijn dan de Waanzinnigen, laat staan de Wilden in wier landen ze nu binnendrongen. Belog moest toegeven dat als Kinds wilskracht en persoonlijkheid niet zo sterk waren geweest, dit groepje niet zou bestaan en hij zelf beslist al dood zou zijn.

Hij keek toe terwijl Kind het brein van de magiegebruiker opat en zich vervolgens op zijn bovenlichaam stortte, terwijl ze haar blik op de jonge man gericht hield. Uiteindelijk zei ze: 'Hij bevalt me.'

'Schoonheid,' zei Belog. 'Je bent je bewust geworden van het genoegen van kijken naar dingen of wezens die aangenaam ogen, ongeacht hun nut of gevaar. Je voelt je beter als je naar de energievlakten, de ondergaande zon of die jonge man kijkt.'

'Ja, dat klopt,' zei ze. 'Vertel me meer over schoonheid,' droeg ze hem op, en hij gehoorzaamde.

 


Ze verlieten de vulkanische hoogvlakte en gingen een gebied in met dichte zwarte doornstruiken met enorme stekels, en hier en daar kronkelpaden die mogelijk ergens naartoe leidden. 'Waar zijn we?' vroeg Kind.

'Ik ben er niet zeker van,' antwoordde Belog. 'Ik geloof dat we in een streek zijn die de Verwoeste Vlakte wordt genoemd, een taai landschap voordat we het hart van Maargs koninkrijk bereiken.'

'Vertel me over Maarg,' droeg ze hem op. Ze wenkte haar volgelingen naar haar toe, en Belog besefte ineens dat het er nu al een stuk of twintig waren. Ze waren meestal rustig, uit angst, dankbaarheid of respect; daar wilde Belog niet over speculeren. Hij prees zich gelukkig dat hij van essentieel belang voor Kind was en wilde het zo houden. In het slechtste geval zou dat garanderen dat hij de laatste was die door haar werd opgegeten. In het beste geval had hij een weldoener en beschermer die steeds intelligenter en sterker werd en die elke dag meer magische kennis verkreeg.

Hij keek om zich heen om te bepalen welk pad door de doornstruiken het beste was. Even knielde hij neer en voelde zijn mantel over zijn rug aanspannen. Het was een merkwaardig soort aanstellerij van Dahun geweest om zijn Archivarissen uit te dossen in zwarte mantels en grijze broeken. Gezien de variëteit onder demonen had het nu en dan gezorgd voor bijzonder apart ogende Archivarissen. Toch waren ze meteen herkenbaar, net als Dahuns wachters, en daardoor had Belog zich vrijelijk door het rijk kunnen bewegen. Maar doordat Kind zo vrijgevig was met voedsel bleef hij groeien, een verschijnsel dat vroeger werd voorkomen dankzij zorgvuldig toezicht door de Hoofdarchivaris van de koning. In Dahuns koninkrijk kon je intelligent of sterk zijn, maar nooit allebei.

Uiteindelijk zei Belog wijzend: 'Die kant op lijkt me een verstandige keus.'

Ze keek hem met een merkwaardig gezicht aan, en toen hoorde hij een geluid dat hij nog nooit van een jonge demon had gehoord: gelach. Het was een ander soort lach dan die van oudere demonen. Die lachten met een maniakale, vreugdeloze jankkreet over de pijn en verwoesting die ze veroorzaakten, over de verpletterende nederlaag van hun vijanden of over de jammerklachten en het gesmeek om genade van hun slachtoffers die op het punt stonden verzwolgen te worden. Maar dit was iets nieuws: dit was een lach van vermaak, niet om de pijn van een ander.

Terwijl hij Kind tussen de doornstruiken door volgde, dacht hij: Wat ben jij aan het worden?

 


Een paar keer liep het pad dood, en bij de vierde keer verloor Kind haar geduld, waarop ze een vuurbol naar de struiken smeet. Het gevolg was een vuurzee waardoor ze snel moesten terugrennen. Kind liet zich op veilige afstand op de grond vallen en begon te brullen van het lachen. De andere demonen keken van de een naar de ander en probeerden haar vreugde na te bootsen, maar dat mislukte.

'Ik moet mijn temperament beter beheersen,' overpeinsde ze terwijl ze opstond.

'Dat probleem heb je altijd al gehad...' Belog stopte. Waar was die gedachte vandaan gekomen? Wederom was hij verwonderd over het schepsel dat hij volgde en over de veranderingen die hij zelf doormaakte, omdat hij ze net zomin begreep als die van haar.

Ze lieten het woud van doornstruiken achter zich en beklommen een heuvel die uitkeek over een verlaten stad met naargeestig land eromheen. 'Maargs stad,' zei Belog.

'Nog een keer,' zei ze indringend, en hij wist wat ze wilde. 'Maarg was de grootste van de wilde koningen. Hij was een veelvraat die al zijn vijanden verorberde, en hij werd onvoorstelbaar vet als teken van zijn grootsheid. Hij genoot van rauwe kracht en zijn hof kreeg vorm dankzij gevechtsproeven en sluwheid. Als een strijder zijn meerdere doodde, won hij diens plek en Maargs gunst, want de koning zag het als de vervanging van een ondergeschikte door een sterkere.

Aan zijn hof heerste een afschrikwekkend evenwicht tussen trouw in ruil voor bescherming en het potentieel voor verraad, en dat maakte Maarg bijzonder wraakzuchtig en rancuneus.'

Terwijl Belog vertelde, verbaasde hij zich erover dat hij die concepten niet aan haar hoefde uit te leggen, want om wraak te kunnen begrijpen, moest je snappen wat vergeving inhield. En vergeving was voor elk lid van het Volk een abstract concept. Zelfs Archivarissen hadden er moeite mee.

'Vertel me nog eens over hoe hij wegging en waarom.'

'Er zijn alleen geruchten. Ze zeggen dat er ergens in deze stad een zaal is, en dat er in die zaal een poort naar de hogere rijken is. Iemand uit die hogere rijken heeft in voorbije jaren de poort geopend, en Maargs leger is erdoorheen gegaan en heeft daar alles verslonden.

Ze zeggen dat Maarg daar is gestorven, maar ook dat hij er een ander rijk vond om te regeren. Eigenlijk weet niemand het echt.'Terwijl ze een lange weg naar de stad afliepen, voegde Belog eraan toe: 'Veel koningen van de Woeste Landen, en zelfs enkele compagnieën Waanzinnigen zijn hierheen gekomen om dit gebied in te nemen. Maar ze bleven geen van allen.'

'Waarom niet?' vroeg Kind.

'Het is levenloos.'

Ze bleef staan, en de rest van de groep hield ook halt. 'Ja, ik voel het,' zei ze.

'Je voelt het?'

Ze liep door. 'Ja, het is een gevoel. Waar komt dit door?'

'Het is net zoiets als de Onherroepelijke Dood, denk ik,' zei hij.

Daarop bleven de doorgaans zwijgende demonen die Kind volgden staan, sommige mompelend, enkele van hen met uitdrukkingen van grote angst. Voor een demon bestonden er twee soorten van sterven, en de ene soort, waarbij de dood je wezen terugvoerde naar de geboortepoel, kwam in de loop van je bestaan vele keren voor. Maar je had ook de Onherroepelijke Dood waarmee je bestaan eindigde, op de een of andere manier verteerd door een naamloze verschrikking; en dat was wat een demon het meeste vreesde. Al sinds de Tijd Voor de Tijd was er maar één manier waarop een demon de Onherroepelijke Dood kon sterven, en dat was als zijn energie om de een of andere reden niet kon terugkeren naar de geboortepoelen.

Toen kwam de Duisternis, en nu geloofde men dat je de Onherroepelijke Dood stierf als je daardoor werd aangeraakt. In ieder geval herinnerde geen enkel schepsel dat afkomstig was uit de geboortepoelen zich een confrontatie met de Duisternis alvorens te zijn teruggekeerd. En de Duisternis groeide al duizenden jaren in het hart van het rijk. Alleen de oudste, sterkste demonen herinnerden zich leden van het Volk die ooit in de Eerste Koninkrijken hadden geleefd. En nu werden de Tweede Koninkrijken verzwolgen terwijl de Duisternis zich uitbreidde.

Koningen en hun strijdheren waren gevlucht. Sommigen hadden terrein veroverd in de Woeste Landen, of zelfs in het land van de Waanzinnigen. Anderen hadden poorten gevonden naar andere rijken en daar gestreden, alles veroverd wat voor hen lag, zich volgestopt met leven dat niet genoeg was, nooit genoeg. Er deden allerlei verhalen de ronde, maar niemand wist wat te geloven. Ze zeiden zelfs dat er in andere rijken legers van demonen door de hemel raasden, strijdend tegen sterfelijke rassen.

'Volg me of keer terug, maar achter ons ligt de Duisternis, en vóór ons alleen maar het onbekende,' zei Kind tegen haar groep.

Alsof dat voldoende geruststelling was, knikten de demonen, en toen zij doorliep, deden haar volgelingen dat ook.

 


Ze liepen de stad binnen terwijl de zon onderging. Voor sommige demonen hadden dag en nacht geen betekenis, aangezien hun zintuigen even goed op een nachtelijk leven waren afgestemd. Anderen, zoals Belog, liepen risico in het donker, dus had hun groep de gewoonte opgevat om 's nachts een veilig onderkomen te zoeken. Slaap kenden de demonen niet, behalve als middel ter ontspanning of meditatie, en dat was een zeldzame bezigheid voor ieder ander dan de Archivarissen.

Ze gingen een gebouw binnen dat vroeger een barak of slaapzaal leek te zijn geweest, hoewel alle meubels waren verwoest tijdens felle gevechten. De muren bevatten de donkere bloedsporen van talloze jaren van strijd.

Ze waren net gaan zitten om uit te rusten, toen de Waanzinnigen aanvielen.

Hoewel ze weinig meer waren dan redeloze dieren, behoorden ze lichamelijk tot de sterkste demonen. Bij een gelijke grootte zou een Waanzinnige zelfs de vaardigste strijder uit het Tweede Koninkrijk verslaan, behalve als die laatste tot de tanden bewapend was of magie bezat.

Ze kwamen uit de schaduwen tevoorschijn toen de zon onderging in het westen, als donkere omtrekken tegen het grijzende licht. Ze hadden enorm brede schouders en twee van hen hadden vier poten, een hondachtig lichaam, een grote kop op een gespierde nek en druipende slagtanden. De overige waren min of meer menselijk van vorm, maar hun koppen waren die van dieren: ram, stier, leeuw of beer, met overdreven slagtanden, grote hoorns, veren, vacht of schubben.

Twee van Kinds volgelingen waren al dood voordat ze zelfs maar in de gaten hadden dat de vijand er was; hun hoofd was letterlijk van hun romp gerukt. Kind kwam overeind en stak zonder aarzelen haar hand uit. In een rollende golf barstte er een muur van verzengend hete vlammen tevoorschijn, waardoor zes Waanzinnigen in mysterieuze vonken opgingen en verdwenen.

Vier andere aarzelden en sprongen toen op haar af, misschien denkend dat haar magie was uitgeput. Met een handgebaar schoot ze een schicht energie af waardoor een van de hondachtige schepsels de lucht in werd gelanceerd en zo hard tegen de muur klapte dat zijn botten kraakten.

Het andere vierpotige wezen sprong op haar af. Zij stak eenvoudigweg haar hand uit en gaf hem een zwieper, waardoor hij tegen de muur aan de overkant belandde en zijn rug brak. De laatste twee aarzelden en stierven daardoor. Kind zette een stap naar voren en hakte met één haal van haar klauw hun beide kelen open, waarop een fontein van dampend bloed door de kamer spoot.

Toen ze zich omdraaide, zag ze dat de jongeman die ze eerder had bewonderd op de rug van de laatste Waanzinnige zat, met zijn hoektanden diep in de nek van de stierkoppige demon. Die jankte van pijn, maar de jonge man hield vast, beet met een luide overwinningsgrom eindelijk door de dikke spier, en de Waanzinnige stortte neer.

Meteen begonnen alle overige demonen in de groep van Kind te eten. Zelfs Belog werd meegesleept door de geur van bloed en het vrijkomen van energie. Kind sloeg enkele van haar metgezellen opzij om de hoofden van de slachtoffers op te eisen. Ze at altijd de hersens op, ongeacht hoe primitief het schepsel was; haar honger naar kennis was onverzadigbaar.

Ze verslonden alle lichamen die er lagen, ook die van hun twee gesneuvelde kameraden. Toen ze klaar waren, bekeek Kind haar groepje. Twee van hen begonnen zich te ontwikkelen als vliegers; ze konden nog geen lange vluchten maken, maar wel enige tijd zweven en verkennen. Vijf waren mannen die strijders begonnen te worden. Kind glimlachte bij de gedachte dat die trouw aan haar zouden blijven; ze begon volwassen te worden, en het verlangen om te paren nam met de dag toe. Er waren vijf mannelijke werkdemonen, twee impen en vier onvolwassen vrouwen. De vrouwen zouden zorgvuldig onder de duim moeten worden gehouden en begeleid. Anders dan de mannen, die doorgaans strijders of werkers werden, was voor de vrouwen een verscheidenheid aan rollen mogelijk. Misschien één als schepsel van genot, een succubus, om de mannen te amuseren als Kind wilde dat die afgeleid waren; en de andere drie konden van alles worden, ook moeders.

Kind ging achteroverzitten en wendde zich tot Belog. 'Zeg tegen de mannen dat ze op wacht gaan staan bij de deur, en laat de anderen hun mond houden. Ik heb rust nodig om na te denken.'

Ze trok zich terug in een hoek, ging met haar benen opgetrokken en haar armen om haar knieën zitten, en dacht na. Uren verstreken.

Bij zonsopgang stond ze op. 'Loop met me mee,' zei ze tegen Belog. De anderen droeg ze op: 'Blijf hier. We komen zo terug.'

Ze gehoorzaamden, en Kind en de Archivaris verlieten het gebouw. 'Je wordt groter,' zei ze.

Hij trok zijn jas uit en onthulde brede schouders, een gespierde borst en veel stevigere armen dan eerst. 'Je bent gul met voedsel, Kind.'

'Zo wil ik niet langer genoemd worden,' zei ze.

'Hoe wil je dan genoemd worden?'

Ze dacht even na. 'Me...' Toen aarzelde ze.

'Meesteres?' gokte hij.

Ze aarzelde weer. 'Nee, geen Meesteres.' Uiteindelijk besloot ze: 'Ik weet het nog niet, maar je hoort het nog wel. Hou het tot die tijd maar op Kind.'

'Ja, Kind,' zei hij zonder spot. Hij wist wanneer ze het meende, en dit keer meende ze het oprecht.

'Ik heb eerder geleefd,' begon ze.

Hij knikte.

'Maar de herinneringen aan mijn vorige leven of levens zijn niet hier. Flarden, korte beelden, maar ik kan niet helemaal...'

Ze zweeg, en toen ze na een lange stilte niet doorging, zei hij: 'Dat gebeurt. Als je laatste sterven buitengewoon gewelddadig en slepend was, dan vervaagt je kennis tijdens de overgangsfase, zodat de energieën gefragmenteerd raken en niet allemaal terugkeren naar de geboortepoel. Jij bent geboren uit een levende moeder, en bij de geboorte is nog meer energie verbruikt. En als je bent gestorven door toedoen van een energiedrinker, dan zal er heel weinig van je vorige identiteit naar de geboortepoelen zijn teruggekeerd. Net alsof je zo dicht bij de Onherroepelijke Dood bent gekomen dat je de ijzige kou ervan hebt gevoeld. Dat je op de een of andere manier toch bent teruggetrokken om te worden herboren, maar dan in verdunde vorm.'

'Nee, dat is het niet,' zei ze achteloos. 'De herinneringen zijn er wel, ik kan er alleen niet bij.'

Hij had geen idee wat hij daarop moest zeggen. Uiteindelijk vroeg hij: 'Wat zou je willen, Kind?'

'Ik moet veranderen.'

'Je verandert al doorlopend.'

'Nee, ik bedoel dat ik iets anders moet worden dan ik ben. Er zijn dingen in beweging, krachten die daarbuiten rondwaren en die meer eisen dan ik in deze gedaante kan opbrengen.'

Na een lang, peinzend moment zei Belog: 'Er zijn daarbuiten vele sterke schepsels, Kind. In de andere rijken spreken ze over onzichtbare schepsels, machtige wezens die ze goden noemen, die plannen dwarsbomen en rommelen met het lot. Ze kunnen de werkelijkheid vervormen en met hun wilskracht tijd en ruimte veranderen, waarmee ze vanuit een bevlieging voordeel of nadeel toekennen. In veel rijken zeggen ze dat enkele lagere schepsels het tot goden hebben geschopt.'

Kind zweeg een hele tijd terwijl ze worstelde met zorgen waar Belog niet eens naar kon raden. Uiteindelijk zei ze: 'Laten we gaan. We moeten verder. We moeten ergens naartoe.'

'Waar dan?'

Ze keek hem glimlachend aan. 'Weet ik niet. Laten we gaan verkennen.'

 


De zaal was enorm en besloeg de helft van het reusachtige paleis waar hij zich in bevond. Hoewel het er verlaten was, was er een aanwezigheid.

Midden in de kamer was een gapende opening. Het was een moordkuil waar gevangenen of anderen die het ongenoegen van de koning over zich hadden afgeroepen in werden gesmeten om te sterven, ofwel door toedoen van elkaar, of op een andere manier die de monarch vermakelijk vond.

Rondom de moordkuil waren kleinere, ondiepere kuilen, waar gevangenen in ketenen naartoe werden gesleept om te worden verorberd door de hovelingen van de koning. De ijzeren ringen in de vloer, waar die ketenen vroeger aan vast werden gemaakt, waren verroest en leeg.

Tegen de achterste muur verrees een reusachtig podium met een marmeren troon erop. Kind liep naar de troon toe en streek er met haar hand overheen. Stoffige lompen, de resten van zachte kussens waarop de monarch had gezeten, waren het enige wat herinnerde aan deze ooit zo trotse heerser. Ze bleef naar de lege troon staan kijken, alsof ze daar op de een of andere manier uit kon afleiden hoe het hier was geweest toen deze stad een bloeiend centrum was van wat in de Woeste Koninkrijken voor cultuur doorging. Ze hield haar hoofd schuin alsof ze naar de stilte luisterde. Toen liep ze erbij weg en wees. 'Daar.'

Belog volgde haar wijzende vinger met zijn blik, maar hij zag niets. De muur leek onversierd, behalve dat er elke tien voet houders hingen waar vroeger fakkels of lampen in werden gestoken.

Kind streek nu met haar handen net zo over de muur als eerder over de troon. Zachtjes fluisterde ze: 'Voel je het?'

Hij legde zijn hand tegen de muur en voelde alleen koude, levenloze stenen. 'Wat moet ik voelen, Kind?'

'Hier was ooit een poort, geopend, en hier kreeg Maarg toegang tot een hoger rijk.' Ze draaide zich om en keek haar metgezel aan. 'Dit is waarvoor Dahun tegen Maarg streed, ook al was het tevergeefs. Toen Dahun in deze stad doordrong, ontdekte hij namelijk dat de poort naar een levenloze planeet leidde, want Maarg had alle leven daar al verslonden toen hij er vast was komen te zitten. Uiteindelijk verschrompelde hij en stierf zonder terug te keren naar de geboortepoelen. Dit is al heel lang geleden.' Haar stem werd bijna een fluistering.

Hij was bijna bang om het te vragen, maar deed het toch. 'Hoe weet je dat, Kind?'

Ze drukte haar wang tegen het steen. Even glinsterden haar ogen vochtig, toen sloot ze ze. 'Ik weet het,' was alles wat ze zei.

 


Vanuit de stad trokken ze verder naar het oosten, naar de grenzen met de rijken van de Waanzinnigen. In de maand sinds hun vertrek had Kind nog een twintigtal volgelingen gerekruteerd, en ze verzorgde hen allemaal alsof het haar kinderen waren. Ze was een strenge moeder, maar in ruil voor trouw zorgde zij voor overvloed. Ze had nu zes vliegers die voor de groep op verkenning gingen, en haar mannelijke volgelingen waren inmiddels sterk genoeg om het in de strijd te kunnen opnemen tegen alles behalve de sterkste Waanzinnigen. Meestal liepen kleine groepen Waanzinnigen in een grote boog om hen heen. De weinige keren dat ze waren aangevallen, hadden ze hun vijanden vernietigd en zich aan hen te goed gedaan, en daardoor waren ze nog sterker geworden.

Kind begon te paren met de mannen. Belog kreeg de eer om haar eerste te zijn, omdat hij haar eerste metgezel was, en toen nam ze een voor een de anderen. Binnen enkele weken had ze hen volkomen aan zich gebonden en leerde ze een nieuw concept kennen: liefde.

Ze wist daar iets over vanuit haar kennis over de succubae, maar die bonden anderen aan zich door middel van magie, spreuken en misleiding. De liefde die zij ervoer, was moeilijker te doorgronden. Maar ze wist dat ze met een ander gevoel naar Belog keek dan naar de jongere mannen. En hoewel ze van zijn gezelschap genoot, rees er af en toe een gevoel van ergernis in haar op dat ze niet kon verklaren.

Haar gevoelens verwarden haar, en ze moest ze leren begrijpen, maar ze werd doorlopend gefrustreerd door haar onvermogen om er vat op te krijgen. Als ze het probeerde, leken ze als kwik tussen haar vingers door te sijpelen.

Ze voelden het al voordat ze het zagen. Over een helling, nog niet te zien, was een aanwezigheid. Al meer dan een week, sinds hun vertrek uit Maargs stad, volgden ze een uitgesleten pad naar een glooiend afdalende vallei. Het was de enige plek waar nog iets anders groeide dan de doornstruiken die ze waren tegengekomen.

Taai ogende struiken met een zwarte bast en paarsige bladeren werden omringd door felgeel gras en hoge, lila gekleurde riethalmen.

Er ging iets door Kind heen toen ze op de top van de helling aankwam en eindelijk zag wat ze had bespeurd. Het was een gevoel van aantrekking, een drang om dichterbij te gaan.

'Het is een poort,' zei ze.

'Waar leidt hij naartoe?' vroeg Belog.

'Weet ik niet, maar het is de reden dat iedereen Maargs stad heeft verlaten. Dat pad is uitgesleten doordat zijn hele rijk deze kant op is gekomen.'

'Misschien is het een uitweg uit de Duisternis,' fluisterde een van de mannen, die in een stoutmoedige stemming was omdat Kind hem de vorige avond had toegestaan met haar te paren.

Ze haalde zonder om te kijken naar hem uit en scheurde zijn wang kapot met haar nagels. 'Spreek alleen als ik het zeg,' beval ze. Van al haar metgezellen was Belog de enige die haar ongevraagd mocht aanspreken.

Ze liep het pad af en werd overrompeld door merkwaardige geuren en vreemde geluiden. Uit de poort kwam een lichte trilling, te zacht om te horen. De poort zelf was een hoge, grijze rechthoek met een fonkelend waas van kleuren over het oppervlak, als een regenboog van olie op water.

'Hij roept,' zei Kind.

'Ik bespeur een verlangen bij mezelf om naar binnen te gaan,' beaamde Belog. 'Maar we weten niet wat er aan de andere kant is.'

'Toch roept hij.'

Het trekkende gevoel nam steeds meer toe.

'Misschien ligt er veiligheid aan de andere kant,' waagde een van de vrouwen het te zeggen, en ze dook ineen in afwachting van Kinds woede.

Maar Kind negeerde de tweede overtreding en zei alleen: 'Nee. We weten niet wat erachter is.' Toen ze zich omdraaide grijnsde ze, maar er lag geen vreugde in.

Haar gelaatstrekken waren aan het veranderen, iets wat Belog zeer opviel aangezien hij haar als klein kind had gezien. Ze had nu hoge jukbeenderen en doordringende zwarte ogen, een rechte neus en een hoog voorhoofd dat uitliep in een kam, die achter haar hoofd uitwaaierde als een kroon. Haar lichaam was lenig en sterk, maar haar heupen en borsten waren vol als die van een succubus. Haar tanden waren glanzend wit in plaats van geel of zwart en alleen de hoektanden waren puntig, terwijl de overige zo plat waren als de tanden van lagere schepsels.

Ze veranderde. Waarin, dat wist hij echt niet, maar hij zei niets terwijl zij haar overpeinzing afmaakte.

'Maar we weten wel wat er achter ons ligt, en of het nu één leven lang duurt of tien, uiteindelijk zal de Duisternis ook deze plek bereiken.' Ze keek hen om beurten aan. 'Ik zal hier dan niet zijn. Maak je eigen keus.'

Ze stapte de poort in.

Even later volgde Belog.