4
Reis
Amirantha was stomverbaasd.
Hij was niet voorbereid geweest op de luister van E'bar, de stad van de Sterrenelfen. Hoewel hij nog geen drie jaar geleden was voltooid, oogde de stad allesbehalve onaf of ruw. Eigenlijk straalde hij van een gratie en schoonheid die veruit die van de meest indrukwekkende menselijke prestaties oversteeg. Hij was mooier dan Rillanon, de Parel van het Koninkrijk en hoofdstad van het Koninkrijk der Eilanden, en ook mooier dan de Bovenstad in Kesh, thuisbasis van de keizerlijke familie en de rasbloeds.
Hier waren weinig van de massieve constructies van steen en hout van de mensen te vinden; hier waren stenen gebeeldhouwd op een manier die de vaardigheden van een gewone steenhouwer ver overstegen. Amirantha begreep ruwweg het concept: geomanciers dwongen steen in een vloeibare toestand en vormden het dan. Menseliike geomanciers waren zeldzaam, hoewel er wel enkele bestonden, maar hun werk was ruw vergeleken met wat Amirantha nu voor zich zag.
De hele muur rondom de stad leek naadloos, alsof hij bestond uit een enkele steen zo groot als een berg. Poorten aan de noorden zuidkant en kleinere doorgangen aan de oost- en westkant leken organisch in de muur te zijn gegroeid tijdens het vormgeven daarvan, en de zwarte magiër dacht dat het misschien ook wel zo was gegaan.
Zelfs de eigenlijke poorten waren van steen, hoewel hij geen flauw idee had hoe ze zo vrij konden draaien op onzichtbare scharnieren. Zelfs het zwakke getintel van magie dat hij bespeurde als Puc of Magnus hun krachten gebruikten, was hier afwezig. Deze plek straalde een veel subtielere sfeer van buitenwereldsheid uit, iets wat hij op veel verontrustender wijze ook had ervaren als hij tegenover bepaalde demonen stond. Dat alleen al zou hem hebben gefascineerd, maar het was maar één van de duizenden details die wedijverden om zijn aandacht.
Overal waren kleuren te zien, subtiel maar levendig. Pilaren in een bleke zandkleur en roze, met witte of zilveren strepen, ondersteunden sierlijke bogen boven de straten. Zelfs de straten waren geplaveid met afwisselende vlakken okergeel en grijs, met lichtpaarse voegen ertussen. Raambekledingen waren gemaakt van de fijnste zijde, veel ervan gelaagd om nieuwsgierige blikken te weren en toch licht binnen te laten. En het goud! Overal glinsterde goud in het zonlicht. Het tooide de palen waar felgekleurde banieren en vaandels aan hingen. Het sierde deuren en ramen en was in randen langs de daken aangebracht. Het was ongelooflijk.
'Ik sta met mijn mond open, hè?' vroeg hij aan zijn gastheer.
Gulamendis, demonenmeester van de taredhel, glimlachte. 'Er zijn wel meer bezoekers in E'bar die zo kijken. Maar je went er wel aan.' Hij keek om zich heen om te controleren of ze niet werden afgeluisterd en voegde eraan toe: 'Eigenlijk zijn we maar een ijdel volk. En ik vermoed dat mijn soortgenoten net zo kijken als ze op bezoek gaan in Elvandar.'
'Gaan veel van jullie daar naartoe om de koningin eer te bewijzen?'
'Meer dan de Regent lief is.' Hij zweeg even onbehaaglijk. 'Kom, we gaan iets drinken. Straks moet je nog een beleefdheidsbezoekje afleggen aan de Regent, maar voor die tijd hebben we een hoop te bespreken.'
De elf zei dit op gemoedelijke toon, maar Amirantha was vaak genoeg met Gulamendis omgegaan om te weten dat zijn gastheer iets dwarszat en dat veel dingen beter niet op een openbare plaats konden worden besproken. Toen Amirantha bij de oostelijke poort was aangekomen, had hij geen voet in E'bar mogen zetten voordat Gulamendis aankwam om hem te begeleiden. De zwarte magiër had daarnaast het knagende gevoel dat als zijn gastheer niet was komen opdagen, hij misschien zelfs moeite zou hebben gehad om in vrede weer te vertrekken. De twee wachters hadden eruitgezien als ervaren, geharde strijders, niet het soort stadswachters of schouten dat je meestal bij de poorten van een mensenstad aantrof.
In de verte was even het gehuil van een zuigeling te horen, maar het kind werd al snel gesust door zijn moeder. 'Ik heb gehoord dat kinderen een zeldzaamheid zijn bij jouw ras,' zei Amirantha.
Gulamendis keek hem aan en trok zijn wenkbrauw op. 'O ja? Wie heeft je dat verteld?'
'Misschien heb ik het wel verkeerd begrepen.'
'Het klopt misschien wel voor de andere edhel. Maar de taredhel zijn een vruchtbaar ras. Ik weet niet veel over onze verre verwanten, maar wij zijn dol op onze kinderen.'
Amirantha had het gevoel dat hij iets belangrijks had aangeroerd, maar kon niet helemaal bepalen wat het was. Hij besloot te wachten tot hij gelegenheid had om met Puc te overleggen, die meer over de elfen wist dan welk mens dan ook.
Ze kwamen bij Gulamendis' woning aan, en de elf wenkte zijn gast naar binnen.
De zwarte magiër had in veel slechtere onderkomens dan dit gewoond, maar vanwege de weelde en praal die hij overal elders in de stad had gezien, had hij hier wel iets meer van verwacht. De wanden waren kaal, zonder enige versiering, en de enige meubels waren eenvoudig: een bed, een tafel, een stoel die Gulamendis zijn gast aanbood terwijl hij zelf op het bed ging zitten, en een paar kisten. Het enige andere wat hem opviel was een kastje met schriftrollen en boeken. Verder leek het eerder de cel van een monnik dan de kamer van een geleerde.
'Waar eet je?' vroeg Amirantha.
'We hebben een grote keuken op het plein waar we allemaal om beurten helpen met koken en schoonmaken. Als ik een partner zou kiezen, dan zou ik een groter onderkomen krijgen, en nog groter als er eenmaal kinderen kwamen.' Hij glimlachte. 'Maar daar is weinig kans op, vermoed ik.'
'Nee?' De zwarte magiër wist heel weinig over de Sterrenelfen, maar hij had het vage gevoel dat zijn gesprekspartner niet bepaald hoog in aanzien stond.
'Ik moet er wel bij zeggen dat dit onderkomen beter is dan het vorige dat de Regent me had toegewezen.'
Amirantha fronste vragend zijn voorhoofd.
'Ik heb wekenlang als gijzelaar in een ijzeren kooi op het plein bij het fort van de Regent gezeten, om te zorgen dat mijn broer zich gedroeg terwijl hij deze wereld verkende.'
'Dat is vast niet prettig geweest.'
Met een bitter lachje zei de demonenmeester: 'Klopt. Maar vertel eens. We hebben je jaren geleden al uitgenodigd, en nu pas ben je er. Waarom?'
'Ja, ter zake,' beaamde Amirantha. 'Puc en ik hebben alle verhalen over demonen of oproepers ervan nageplozen sinds we getuige waren...' Hij zweeg toen Gulamendis zijn hand opstak, met de handpalm naar voren, om hem te waarschuwen niet te veel in detail te treden. 'Sinds dat wat we hebben gezien. Tot nog toe hebben we weinig nuttigs gevonden: lege hutten, ontruimde huizen, verlaten grotten. Of we vinden sporen van conflict en verwoesting. Niet één oproeper van demonen die voor onze...' hij keek om zich heen, '...vrienden werkt, heeft het overleefd.'
Bij die woordkeus vroeg Gulamendis: 'Overleefd?'
'Het lijkt erop dat iemand op demonenmeesters en ontbieders jaagt,' zei Amirantha zachtjes. 'En het lijkt er ook op dat er vrij veel demonen de wereld in zijn gekomen, afweerbezweringen hebben doorbroken en de ontbieders hebben gedood.'
'Dan moeten ze erg sterk zijn geweest,' zei Gulamendis peinzend.
'Maar waar zijn ze gebleven?'
Gulamendis bleef langer dan een minuut zwijgen terwijl hij die vraag overdacht. Uiteindelijk zei hij: 'Hoeveel, schat je?'
'Meer dan twaalf.'
'Ach.' Hij glimlachte toen hij zijn mensenvriend aankeek. 'Nu begrijp ik waarom je hier bent. Weet Puc het?'
'Hij weet dat er meer dan twaalf demonen in dit rijk loslopen. Hij weet niet wat dat betekent.'
'Demonen die zich verbergen.' Gulamendis leek geamuseerd door die onthulling. 'Je moet er nauwelijks aan denken, nietwaar?'
De zwarte magiër kon niet anders dan het daarmee eens zijn. 'Zoiets is nooit eerder gebeurd.'
'Voor zover wij weten, bedoel je.'
Amirantha, zwarte magiër van de Satumbria, slaakte een diepe zucht. 'Want als dat waar is, moet je je afvragen hoeveel andere er nog zijn waar wij niets van weten, en...'
'Waarom ze hier zijn?' voltooide de elf.
Kind bekeek het terrein beneden. Het was nu een week geleden dat ze
haar moeder had verslonden, en sindsdien had ze slechts drie keer
gegeten. De meeste kracht die ze daarbij had opgedaan was aangewend
om haar nu al afgenomen energie aan te vullen, maar ze was ook een
beetje groter en sterker geworden. Ze vroeg zich niet af hoe ze
wist wat ze wist: welk deel ze had geërfd van haar prooien en welk
deel ze uit eigen ervaring wist. Het kon haar niet schelen. Ze
moest overleven. Dat was alles wat ze hoefde te weten; al het
andere was maar theorie.
Drie kleine schepsels zaten op een kluitje onder een overhangende rots, ongeveer net zoals zij en haar moeder een week geleden, wachtend tot het donker werd in de hoop dat ze dan een betere schuilplaats zouden kunnen zoeken. Kind vroeg zich af waarom ze zich geen zorgen maakten over nachtelijke roofdieren. Zij wist dat de nachtrovers nog gevaarlijker waren dan de vijanden van overdag.
Die kennis had ze niet geërfd; dit kwam uit haar eigen ervaring. Ze had een zware strijd moeten leveren in de nacht nadat ze haar moeder had opgegeten. De nachtjager was al bij haar geweest voordat ze besefte dat ze werd aangevallen. Alleen een inschattingsfoutje van zijn kant had haar gered, want in plaats van haar meteen de nek te breken had de jager diep in haar schouder gebeten. Ze had het korte ogenblik tijd dat ze had gewonnen gebruikt door met haar linkerhand omhoog te tasten en goed gebruik te maken van haar klauwen. Ze had hem gedwongen zijn kaken te openen, en toen had ze zich omgedraaid en zijn kop achterovergeduwd totdat zij met háár hoektanden zijn keel openlegde.
Ze had van hem een heleboel kennis opgedaan over hoe je in deze bergen moest jagen. En haar nachtzicht was nu buitengewoon. Ze had haar nieuwe vaardigheden dankbaar gebruikt, maar er waren weinig prooien. Nu keek ze naar een mogelijk feestmaal.
Het hing ervan af hoe goed die drie zich konden verdedigen. Ze had geleerd, bijna ten koste van haar leven, dat er een kloof bestond tussen kennis en ervaring. Door de Archivaris op te eten, wist ze nu veel meer dan elk ander lid van het Volk van haar leeftijd, maar wat ervaring betrof was ze nog steeds een kind. Hét Kind, zoals ze zichzelf zag.
Maar hoewel ze weinig ervaring had, was ze sluw. Ze wist zeker dat ze die drie deerniswekkende vluchtelingen aan zou kunnen als ze zich voorbereidde... Die gedachte trok ze meteen weer in twijfel. Voorbereiding? Tot dan toe had ze grotendeels in het moment geleefd, en een deel van haar bewustzijn wist dat ze naar het oosten moest om weg te komen bij de oprukkende duisternis. Ze wenste dat ze een vlieger kon vangen, want als ze die opat zou ze misschien kunnen vliegen; haar wezen vormde zich nog, en als ze kon vliegen zou ze beter kunnen jagen, zich sneller kunnen verplaatsen en efficiënter kunnen verkennen. Helaas waren vliegers zeldzame verschijningen geweest, en als ze er al een had gezien, dan vloog die veel te hoog om zijn aandacht te trekken. Bovendien zou elke vlieger die zo brutaal was om haar rechtstreeks aan te vallen, had ze uiteindelijk overpeinsd, waarschijnlijk ervaren en heel sterk zijn.
Toen ze om zich heen keek, zag ze dat de schaduwen dieper werden: donkerrode en paarse tinten die overgingen in zwart terwijl de felle tinten rood, geel en oranje van de rotsen voor haar ogen naar grijs vervaagden. Er kriebelde iets achter in haar geest, een aangenaam gevoel van getuige zijn van dit toch verder prozaïsche gebeuren. Na een tijdje verbond ze het aan een concept; het was aangenaam om naar te kijken. Het was... mooi? Ja, dat was het concept. Ze voelde zich fijner als ze naar iets moois keek.
Kind wachtte tot de zon laag boven de westelijke horizon hing, en toen kwamen de drie vluchtelingen uit hun schuilplaats tevoorschijn. Meteen herkende ze de mantel van de laatste die naar buiten kwam: weer een Archivaris. Ze glimlachte. Nadat ze een tiental meters boven hen langs had gedraafd, sprong ze op de eerste in de rij. Ze brak zijn nek al voordat hij kon reageren, en toen draaide ze zich abrupt om en rukte de keel van de tweede eruit.
De Archivaris dook ineen en deinsde achteruit toen hij inzag hoe zinloos het was om weg te vluchten bij een sterkere tegenstander. Even vroeg ze zich af wat hij deed, maar toen lachte ze. 'Jij denkt dat als ik een hongerige schranspartij begin, jij misschien kunt ontsnappen terwijl ik afgeleid ben?'
'Ja, dat zou logisch zijn,' gaf de Archivaris toe.
Ze tikte tegen haar slaap. 'Ik weet ook dingen. Ik heb iemand uit jouw kaste opgegeten.'
De Archivaris bleef staan en strekte zich tot zijn volle lengte uit. Hij was ongeveer zo groot als zij enkele dagen eerder nog was; nu torende ze met gemak twee koppen boven hem uit. 'Waarom val je niet aan?'
Ze liep doelgericht op hem af. 'Vertel me het verschil tussen kennis en ervaring.'
'Kennis is abstract,' antwoordde hij, 'geleerd uit uiteenlopende bronnen. Ervaring is dat wat we op eigen houtje verzamelen, zoals het leven ons dat brengt, en van waaruit we kennis verwerven die op geen enkele andere manier op te doen is.'
'Wat is beter?'
'Kennis,' zei de Archivaris zonder enige aarzeling. 'Ervaring is beperkt, terwijl je kennis kunt opdoen uit de ervaringen van vele andere schepsels.'
'Maar kennis zonder ervaring...' begon ze.
Hij maakte haar zin af. '...beperkt hoe goed die kennis kan worden toegepast.'
'Wat ontbreekt er dan?'
'Je hebt een leermeester nodig.'
Ze glimlachte. 'Ja. Als jij me onderwijst, zal ik je laten leven. Sterker nog, ik zal voor je jagen.'
Toen hij de sterke jonge vrouw bekeek, wist de Archivaris dat er slechts één antwoord bestond dat hem in staat stelde nog langer dan een paar seconden te blijven leven. 'Ik zal je onderwijzen. Ik ben Belog.'
'Ik ben Kind. Kom, eet met me mee.'
Omdat hij daar niets vreemd aan vond, sloot de Archivaris zich bij zijn nieuwe leerling aan, en samen aten ze de twee bedienden op die tot voor enkele ogenblikken geleden zijn metgezellen waren. Hoewel hij al sinds zijn jeugd geen metgezel meer had verslonden, was het wel volgens de oude gebruiken van het Volk.
Hoe beschaafd hun koning Dahun hen ook had geprobeerd te maken, in hun hart waren ze gelijk aan de Wilden of de Waanzinnigen. In wezen waren ze allemaal demonen.