6
Aanmonstering
Er werden bevelen gebruld.
Brendan en Martin zaten te paard naast hun vader, keken toe en leerden hier net zoveel alsof ze zelf ook op het verzamelterrein waren. In de verte oefenden boogschutters door op doelwitten voor grote bergen rulle aarde te schieten. Anders dan het leger van de koning hadden de westelijke troepen geen compagnie pijlenmakers die hen van pijlen voorzag, geen ganzen voor de veren aan de pijlen en geen groepen smeden om stalen pijlpunten te maken. Iedereen in het leger kreeg een nieuwe handboog en een twintigtal pijlen uitgereikt. Eenmaal weer thuis waren de soldaten verplicht om elke ochtend een uur te oefenen op het doelwit dat ze naast hun hut, huis of schuur moesten bouwen. Als een man terugkeerde met minder dan achttien intacte pijlen, dan moest hij voor elke twee vervangende pijlen een koperstuk boete betalen.
Zo stond de militaire economie ervoor in het Westelijke Rijk van het Koninkrijk.
Zodra Reinman en zijn dronken weermagiër uit Schreiborg waren vertrokken, was de hertog met rekruteren begonnen. Deze groep was de tweede van drie die hier zouden oefenen. Het was een omslachtige onderneming voor het hertogdom langs de grens, want er lagen boerenbedrijven langs de hele Verre Kust verspreid.
Martin keek naar de provisorische werkschuur, waar twee ervaren boogmakers vijf jonge leerlingen voordeden hoe ze van dikke taxustakken bogen konden maken. Hij herinnerde zich zijn eigen leertijd in die schuur en de andere houtsoorten die je kon gebruiken: es, sommige eikensoorten en iepenhout, maar taxus was het beste. Hij wist nog hoe uitgelaten hij was geweest toen hij zijn eerste tak omvormde tot een boogdeel en de oude boogmaker na zijn inspectie had gezegd dat hij goed gemaakt was. Martin had hem gevormd met het harthout langs de greep en achterzijde, en het spinthout als ideale natuurlijke laag aan de voorkant. Dit was de beste manier om een eenvoudige boog te maken.
Het was ironisch, hoewel Martin het niet bijzonder amusant vond, dat hij het maken van die boog heel leuk had gevonden, maar een ontzettend slechte boogschutter was gebleken. Nou nee, niet ontzettend slecht, dat nu ook weer niet, maar gemiddeld. Zijn jongere broer en zelfs Bethany waren betere schutters. Dat hij zijn oudere broer Hal evenaarde, stelde de sombere jongeman niet tevreden; Hal was de beste zwaardvechter in Schreiborg en misschien wel ter wereld, als hij aan het Meestershof won. Martin vond het niet plezierig om doorlopend ondergeschikt te zijn aan anderen, zelfs al was Hal de enige in Schreiborg die hem kon verslaan.
Toen hij opkeek en vrouwe Bethany samen met haar vader zag aankomen, besefte hij dat hij zijn voorhoofd fronste en forceerde een glimlach.
'Robert!' riep de hertog. 'Ik had je niet zo snel terugverwacht. Vrouwe Bethany, altijd een genoegen. Robert, is je vrouw niet met je meegekomen?'
'Ze houdt niet zo van lange ritten,' antwoordde graaf Robert. 'En ik wilde snel reizen, want ik heb nieuws.'
'Jongens, zorg dat de mannen doorgaan met oefenen,' zei Hertog Henry. 'Ze beginnen te verslappen in de middagwarmte. Ze mogen pas stoppen als de bel voor het avondmaal gaat.'
Zijn zonen gebaarden dat ze erop zouden toezien en keken hun vader en heer Robert na, die een stukje verder reden. Bethany kwam naar hen toe en wendde haar paard naast Martin. 'Je had zeker niet verwacht me zo snel weer te zien?'
Brendan kneep zijn ogen een beetje samen. Zij hield haar hoofd schuin, alsof ze langs Martin naar hem keek, maar haar blik was op Martins gezicht gericht. Martin leek aandachtig te kijken naar slordige zwaardvechters die met oefenzwaarden op elkaars schild inhakten. Hoewel ze van hout gemaakt waren, waren die zwaarden en schilden zwaarder dan de echte metalen exemplaren. Als de voetsoldaten straks ten strijde trokken, dan zou hun wapengerei lichter aanvoelen dan waar ze aan gewend waren. Datzelfde gold voor de piekeniers en speerdragers, die in de verte met hun wapens over een veld heen en weer renden.
Iets te laat keek Martin haar aan en zei: 'Wat? O ja. Altijd fijn om je te zien, Bethany.' Maal toen trok iets anders zijn aandacht en riep hij: 'Jij daar!' Hij spoorde zijn paard aan, maakte een bocht om de duellerende voetsoldaten en steeg af. Hij nam de plek van een van de mannen in, leende diens zwaard en schild en deed voor hoe het oefengevecht moest worden aangepakt. Een sergeant van de kasteelwacht zag de jonge heer afstijgen en kwam aan lopen om te kijken wat er aan de hand was.
Martin wierp zich op de oefening en begon met twee galmende uithalen, waardoor zijn tegenstander al snel struikelend achteruit werd gedreven.
'Wat moet dat nou voorstellen?' vroeg Bethany.
Brendan keek haar aan en zei: 'Ik heb geen flauw idee.'
Bethany liep terug naar haar vader, die zijn onderhoud met de hertog afrondde. Terwijl de jongste zoon haar nakeek, zag hij dat ze zich weer omdraaide en naar Martin keek. Zuchtend zei hij in zichzelf: 'Aan de andere kant, misschien ook wel.'
Het avondmaal was een mengeling van luchtige gesprekken onderbroken
door perioden van stilte waarin iedereen in gedachten verzonken
was. Martin en Bethany leken elkaar opzettelijk te negeren, en dat
zat Brendan dwars.
Ze waren samen opgegroeid, zij vieren, en kenden elkaar al zo lang als Brendan zich kon herinneren. Er was altijd aangenomen dat Bethany op een dag met Hal zou trouwen, maar Brendan besefte nu dat dat alleen maar een aanname was en dat zijn vader of moeder er nooit iets over had gezegd; en op dit moment wist hij één ding, hoewel hij er niet zeker van was of hij het helemaal begreep. Er was tijdens haar laatste bezoek iets veranderd tussen Bethany en Martin. Zonder woorden was er een verschuiving opgetreden in hun gevoelens ten opzichte van elkaar. Martin had er niets over tegen zijn broer gezegd. Hoewel dat toch onwaarschijnlijk was, want Martin was de meest introverte van hun familie. Maar Bethany was ook verstrooid. Ze kletste met haar moeder en scheen alle andere tafelgasten te negeren, inclusief haar eigen vader.
Hij was momenteel in gesprek met Brendans vader, die zijn zonen nog niet had verteld waarom graaf Robert ineens was verschenen. Brendan wist zijn jeugdige ongeduld in toom te houden, want hij wist dat zijn vader hem wel zou vertellen wat hij weten moest als hij de tijd rijp achtte. Toen hij besefte dat hij geen reden meer had om nog aan tafel te blijven, zei hij: 'Vader?'
'Ja?'
'Het is een lange dag geweest. Als je het goed vindt, wil ik graag vroeg naar bed.'
Een beetje verbaasd om het verzoek van zijn normaal zo onstuimige jongste zoon, gebaarde de hertog instemmend. Brendan knikte naar de anderen aan tafel en vertrok. Met een plotselinge moedeloosheid voelde hij aan dat wat er verder ook zou gebeuren, er weinig goeds kon voortkomen uit wat er tussen Martin en Bethany speelde. Hij zuchtte vermoeid, duwde de deur naar zijn vertrekken open en liet zich op zijn eenvoudige bed vallen. Op zijn rug liggend staarde hij naar de stenen van het plafond en dacht: misschien worden die twee nog afgeleid door de oorlog.
Toen de gasten zich in hun kamers hadden teruggetrokken, wendde
hertogin Caralin zich tot haar man. 'Wil je naar bed?'
Hertog Henry zat op een divan, een recente aanwinst in de privévertrekken van het oude kasteel. De ruimte was sinds de bouw van het kasteel gebruikt als informele zitkamer, en Henry had geconcludeerd dat het ook de ideale plek was om met het gezin bij elkaar te zijn; de hertog vond het er veel gezelliger dan in de tochtige grote zaal. Hij keek glimlachend op uit zijn overpeinzingen. 'Nee, nog niet. Ik heb veel om over na te denken.'
Caralin hield haar hoofd schuin en keek haar man aan. Ze waren al bijna dertig jaar bij elkaar, en af en toe kende ze hem beter dan hij zichzelf kende, maar op dit soort momenten had ze geen idee wat er door zijn hoofd ging. 'Roberts nieuws zal je wel erg hebben verontrust.'
Henry's ogen werden groot en hij rechtte zijn rug. 'O, dat. Nee, dat is het helemaal niet.' Hij wenkte haar terug naar de divan en toen ze naast hem kwam zitten, zei hij: 'Het spijt me. Ik had het tegen jou en de jongens moeten zeggen. Robert had informatie voor me over onze buren in het oosten, de elfen in E'bar.'
'O,' zei ze, lichtjes fronsend. 'Ik dacht dat het te maken had met de naderende oorlog.'
'Dat kan ook eigenlijk wel zo zijn,' zei haar man. 'Ik hoop van niet. Ik had Robert gevraagd om een boodschapper naar hun regent te sturen, om hem op de hoogte te stellen van de mogelijkheid op een conflict in de buurt. Ik had Robert wel gevraagd om te benadrukken dat het waarschijnlijk niets belangrijks was, alleen maar een waarschuwing uit voorzorg.
De boodschapper was drie dagen onderweg naar de poorten van hun stad, en daar werd hij tegengehouden. Volgens Robert weigerden de lieden die bij de elfen voor poortwachters doorgaan hem de stad binnen te laten, pakten de boodschap aan en stuurden de ruiter weer weg.'
'Nou, dan heeft hij de boodschap toch gekregen, die regent?'
'Ja, maar daar gaat het niet om, lieverd. En ook niet om hoe die arme boodschapper is behandeld. De elfen houden er andere gebruiken op na dan wij. We hebben altijd op goede voet gestaan met de elfenkoningin en haar hof in het noorden, maar deze nieuwkomers zijn een ander soort dier, vrees ik. Nee, het gaat om wat de schildwacht tegen onze boodschapper zei.'
'Wat dan?'
'Elk mens dat binnendringt op het grondgebied van de taredhel - zo noemen ze zich - zou "worden aangepakt".'
'Dat klinkt onvriendelijk.'
'Ja,' beaamde hij, en hij slaakte een diepe, vermoeide zucht. 'Als de Keshiërs komen en die elfen neutraal blijven, dan is dat één ding. Als ze hun grenzen helemaal afsluiten...'
'Dan zal iedereen die naar het oosten vlucht over hun grondgebied moeten reizen.'
'Zoals altijd snap je meteen waar het probleem zit.'
Zachtjes, alsof ze bang was te worden afgeluisterd, vroeg ze: 'Denk je... dat we misschien moeten vluchten?'
'Nee, nee,' antwoordde hij, en hij omhelsde haar geruststellend. 'Ik probeer alleen maar op alle mogelijkheden vooruit te lopen, liefste.' Hij kuste haar op de wang en keek haar glimlachend in de ogen. 'De Keshiërs, oprukken tegen de Verre Kust? Waarom zouden ze?' Hij stond op en stak zijn hand uit, die zij aanpakte om zich overeind te laten helpen. 'Er is hier niets wat ze willen hebben. Bossen? Boerderijen? Ze hebben zelf meer dan genoeg bossen en boerderijen in Groot Kesh. Nee, ze zullen bijna zeker weer een graai doen naar het Dromendal. En de prins van Krondor zal heer Sutherland en de Ridder-Maarschalk van het Westen opdragen hen te verdrijven, en als het stof neerdaalt zijn de oude grenzen weer getekend, met hier en daar wat kleine wijzigingen.'
Caralin haakte haar arm door de zijne en liep met hem mee. 'Ik hoop dat je gelijk hebt,' zei ze.
Zwijgend knikte hij, wetend dat hij waarschijnlijk inderdaad gelijk had, maar voorbereid op de mogelijkheid dat hij er volkomen naast zat. Net als veel gehuwde stellen liepen ze in stilte door en hoefden ze niets meer te zeggen.
Puc zat achter zijn schrijftafel, zoals al talloze dagen sinds hij
naar het eiland was gekomen. Maar anders dan op de meeste dagen
weigerde zijn geest de problemen die voor hem lagen te begrijpen.
In plaats daarvan keerden zijn gedachten steeds terug naar Brandos'
vraag over het herbouwen van de villa.
Hij had geen enkele goede reden om dat te overwegen. Hij kon zich niet eens voorstellen hoe hij eraan zou moeten beginnen. Met een groepje vaardige ambachtslieden van het vasteland en een beetje magie van Magnus en zichzelf, wist hij, zou de villa binnen enkele maanden herbouwd zijn. En dat terwijl de oorspronkelijke bewoners van dit eiland er waarschijnlijk jaren over hadden gedaan.
Maar om de een of andere reden werd hij al boos als hij alleen maar aan de herbouw van zijn huis dácht. Het leek wel alsof zelfs de gedachte eraan afdeed aan het verlies dat hij nog steeds voelde.
Na Miranda's overlijden was zijn voorheen zo ijzeren vastberadenheid gaan wankelen. Hij had in gedachten dat laatste moment van haar leven al talloze keren opnieuw beleefd, het steeds weer voor zijn geestesoog gezien. Als ik nu maar iets sneller was geweest, dacht hij dan, of als ik die demon net even eerder in beweging had zien komen... Hij wist dat dit soort gedachten geen enkele zin had. Puc was meer dan honderd jaar oud en had veel mensen ongelukkig aan hun einde zien komen - veel meer dan er door ouderdom waren overleden - en toch bleef dit sterfgeval hem achtervolgen.
Ja, ze was zijn vrouw geweest, en hij had van haar gehouden...
Puc ging zuchtend achteroverzitten. Hij reikte naar de pot thee die al de hele ochtend op tafel stond en zag dat hij leeg was. Hij kon met een belletje rinkelen, zodat iemand hem een nieuwe pot zou brengen. Kijkend naar de puinhoop op zijn schrijftafel wist hij dat hij met datzelfde belletje iemand kon roepen om de rommel op te ruimen. Toen hoorde hij zichzelf zachtjes lachen, beseffend dat hij meer tijd kwijt zou zijn aan het opzoeken van dingen die door zijn overijverige leerlingen waren opgeruimd dan wanneer hij gewoon zelf de boel sorteerde.
Maar eerst thee.
Puc liep de lange wenteltrap af die van zijn werkkamer boven in de toren tegenover die van Amirantha naar beneden leidde. Hij vroeg zich af hoe het de zwarte magiër verging op zijn bezoek aan E'bar en was ervan overtuigd dat hij en Gulamendis nu druk hun bevindingen zaten te vergelijken. Hij hoopte dat er uit het bezoek iets tastbaarders zou voortkomen dan de talloze doodlopende paden die ze tot nu toe waren tegengekomen.
Na het bloedbad bij de Poorten van het Duister in de Vallei der Verlorenen in noordelijk Kesh had Puc alle contactpersonen die hij op de wereld had - en dat waren er veel - benaderd. Hij had hen de boodschap laten verspreiden dat er rijkdom, veiligheid of allebei werd aangeboden aan elke demonenontbieder die dat wenste; het Conclaaf wilde uitsluitend meer informatie vergaren.
Onder aan de trap aangekomen, was Puc gedwongen toe te geven dat de resultaten niet bepaald uitstekend te noemen waren. De paar magiegebruikers die naar Tovenaarseiland waren gekomen, waren charlatans gebleken, met weinig kennis en vaardigheid, en ze wisten niets meer dan hun eigen beperkte ervaring. Een paar van hen hadden een of twee feitjes aan Pucs kennis kunnen toevoegen, maar alleen als bevestiging van wat hij toch al had vermoed: er waren op onvoorstelbare schaal omwentelingen gaande in het demonenrijk.
Amirantha had ook geprobeerd wijs te worden uit het oude boek met demonenoverlevering dat ze van het eiland Queg hadden gestolen. Hij had een vrij aardige schifting kunnen maken tussen onzin, metaforische benaderingen van de waarheid en wat je 'feiten' zou kunnen noemen. Hoewel Puc het idee begon te krijgen dat juist de aard van het demonenrijk de 'feiten' enigszins veranderlijk maakte.
Terwijl hij de grote zaal binnenliep, zag Puc zijn zoon. 'Magnus.'
Magnus draaide zich om en keek hem aan. Even later zei hij: 'Er is iets aan de hand. Wat is er?'
'Laten we de villa herbouwen.'
De jonge magiër aarzelde even. Toen knikte hij. 'Dat lijkt me een goed idee.' Kijkend naar de lege theepot die zijn vader bij zich had, vroeg hij: 'Vind je het goed als ik meeloop?'
'Natuurlijk.'
De keuken was verlaten, maar er brandde nog steeds een vuur in het metalen fornuis dat in de roosterhaard stond. Puc spoelde de pot uit met water uit een grote emmer en vulde hem opnieuw. Hij zette hem op een hete plaat op het vuur en wachtte tot het water ging koken.
'Waardoor ben je van gedachten veranderd?' vroeg Magnus .
'Het is tijd.' Zoveel van waar hij tegen streed was een duistere wanhoop die voortkwam uit een overeenkomst die hij had gesloten met Lims-Kragma, de godin van de dood. Ze had hem drie keuzes geboden: sterven door toedoen van de demon Jakan; een belichaming worden van de god van de magie, waardoor hij sneller terug zou kunnen naar Midkemia; of teruggaan en zijn strijd voortzetten, maar tegen een prijs. Hij had dat laatste gekozen, en de prijs was dat hij iedereen om wie hij gaf eerder zou zien sterven dan hij. Tot nu toe was dat gebeurd bij een zoon, een geadopteerde dochter, toen nog een zoon en zijn vrouw. Uit zijn eigen geslacht was nu alleen Magnus nog over. Hij had zijn drie pleegkleinzonen nog, Jommy, Tad en Zane... Puc moest toegeven dat hij zich door zijn angst voor de vloek had laten vervreemden van zijn achterkleinzonen Jimmy en Dash Jameson. Hoewel ze geen bloedverwanten waren - ze waren de kinderen van zijn pleegdochter - gaf hij toch veel om hen. En dan was er nog Jim Dasher, Jimmy Jamesons kleinzoon. Puc zuchtte; hij was gesteld op die complexe, gevaarlijke man, vooral omdat er ogenblikken waren dat hij zijn betovergrootvader Robbie de Hand in hem zag. Maar als er al een vonkje genegenheid bestond, dan was dat niet aangewakkerd tot een vlam. Hij mocht Jim graag, maar van liefde was geen sprake.
In de loop der jaren was Puc er goed in geworden zich te verweren tegen gevoelens waardoor hij zijn hogere roeping zou kunnen laten varen, namelijk dat hij de wereld en iedereen erop wilde beschermen. Maar die gevoelens waren er toch; verborgen, misschien zelfs begraven.
Terwijl ze wachtten tot het water kookte, vroeg Magnus: 'Wie zou je de bouw willen laten overzien?'
'Ik denk dat ik dat zelf maar doe,' antwoordde zijn vader. 'Ik ken elke balk en baksteen in dat huis even goed of beter dan ieder ander.' Hij glimlachte. 'Ik heb er ook het langst van iedereen gewoond.'
Magnus lachte terug. 'Het is fijn om je... zo te zien, vader.'
'Het was voor jou ook moeilijk om je moeder en broer te verliezen, Magnus. Dat ben ik in mijn eigen verdriet uit het oog verloren, en het spijt me dat te zeggen.'
Magnus zweeg een tijdje. Zijn gezicht herinnerde Puc aan Miranda. Het was langer dan dat van zijn vader, met hogere jukbeenderen; maar zijn ogen had hij van een mysterieuze voorouder die Puc niet kende. Ze waren zo blauw als ijs en konden dwars door je heen kijken. Hij zei zacht: 'Ik ben nooit iemand geweest die zijn eigen verdriet afweegt tegen dat van een ander, vader. En van jou had ik dat ook niet verwacht.'
'Ik bedoel alleen dat ik, door me te verliezen in mijn eigen ellende, misschien niet zoveel aandacht heb geschonken aan jouw pijn; dat is alles.' Puc sloeg zijn blik neer. 'Alleen een slechte vader wendt zich af van het verdriet van zijn zoon, hoe volwassen die zoon ook is.'
Magnus knikte. 'We zijn allebei types die zich op dat soort momenten in zichzelf terugtrekken. Dat is geen schande; het ligt nu eenmaal in onze aard.' Met een flauw glimlachje vervolgde hij: 'Bovendien ben ik te groot om bij je op schoot te zitten en op je schouder uit te huilen.'
Puc moest lachen. 'Ja, dat is alweer een paar jaar geleden, hè?'
Het water begon te borrelen en Magnus pakte de theepot. Hij zette hem op tafel en vroeg: 'En nu?'
Puc keek zijn zoon aan en pakte de pot. 'Nu moet ik eerst de puinhoop in mijn werkkamer opruimen. Morgen beginnen we met herbouwen.'
Magnus stapte impulsief naar voren, omhelsde zijn vader en zei: 'Mooi zo.'
Puc liep de keuken uit terwijl zijn zoon aan tafel ging zitten. Even later slaakte Magnus een diepe zucht en nam even de tijd om te peinzen. Toen er tranen in zijn ogen opwelden, veegde hij ze weg en stond op. Er was een heleboel werk te verzetten, en dat zou niet wachten alleen omdat sommige wonden gewoon niet heelden. En misschien zou het werk wel helpen bij het helingsproces. Toch bleef er diep in zijn binnenste een gevoel achter dat er zelfs na alle jaren sinds de dood van zijn moeder en broer geen hoop bestond dat die wonden zouden genezen. Misschien zouden ze in de loop der tijd gevoelloos raken.
De uitkijk in het kraaiennest meldde: 'Zeilen in zicht!' en de
kapitein riep alle hens aan dek. Hoe vreselijk Jim het ook vond om
op blote voeten in de kou te staan, als vrijbuitende koopvaarder
uit Hansulé doorstond hij het. Hij wist voldoende over de
herbergiers, hoeren en havenarbeiders daar om iedereen wijs te
maken dat hij Jaman Rufiki was. Met zijn donkere haar en lichte
huid oogde hij als een man van de Koninkrijkszee, en dat paste goed
bij zijn valse levensverhaal: geboren in Wijzershoofd, van daaruit
aangemonsterd en vervolgens jarenlang in de vaart op de Grote Zee
tussen Ithra en Brijané.
Hij had zijn Tsuranese bol gebruikt om ongezien naar Queral te komen, waar hij zijn agenten had ontmoet. Geen van de agenten ten zuiden van die stad had zich in de afgelopen drie maanden nog gemeld, en Jim vermoedde dat zijn onderduikadressen in het zuiden van het Keizerrijk mogelijk waren ontdekt. Hij wilde niet het risico nemen te verschijnen in een kamer vol moordenaars in Hansulé, dus ging hij naar de dichtstbijzijnde stad waar hij wist dat hij veilig zou zijn, kocht het snelste paard dat beschikbaar was en reed dat bijna dood om naar Hansulé te komen.
Daar had hij aangetroffen wat Franciezka's agenten ook al hadden gemeld: er lag een enorme vloot voor anker, van bijna tweehonderd schepen. Hij vroeg zich af of er nog eens honderd waren vertrokken sinds haar agenten verslag hadden uitgebracht, of dat hun telling onjuist was geweest. Eén avond in de plaatselijke taveernes had hem daarop antwoord verschaft: de eerste driehonderd waren naar het zuiden uitgezeild, zoals gemeld, en nog eens honderd waren net een week eerder ook naar het zuiden vertrokken.
Jim bleef zitten met de vraag of het Keizerlijke Keshische Hof in de greep van de waanzin was. Beide naties hadden geprofiteerd van de vrede sinds de gedoemde poging van Kesh om na de Slangenoorlog Krondor te belegeren. Het land ten westen van de Verre Kust tot aan Krondor was in chaos gedompeld geweest nadat de invasie van de Smaragden Koningin de legers van het westen naar de Nachtmerriekam had teruggedreven, waar ze uiteindelijk waren verslagen.
Puc had beide partijen tot een wapenstilstand gedwongen, waarmee hij tegelijkertijd alle banden met het Koninkrijk had verbroken, maar het ook had gered. Nu, na jaren van wederopbouw, was het Koninkrijk in het westen even sterk als vóór de invasie van de Smaragden Koningin in de Bitterzee. Een oorlog diende op dit ogenblik werkelijk geen enkel doel.
Er moet iets zijn wat me ontgaat, dacht Jim terwijl hij in het want klom. Hoezeer hij ook de pest had aan matrozenwerk, hij was er zo goed in dat hij geen argwaan wekte. Deze positie krijgen was lastiger geweest dan verwacht, aangezien het Keizerlijke Keshische Leger toezicht hield. Ze hadden wachters neergezet bij elke rekruteringspost in de havens, en Jim twijfelde er niet aan dat er ook agenten van de Keizerlijke Inlichtingendienst bij waren. Zijn huidige evenknie was de jonge en zeer getalenteerde Kaseem abu Hazara-Khan, de meest recente in een rij van bijzonder listige mannen uit de Jal-Pur woestijn die voor de veiligheid van het Keizerrijk moesten zorg dragen.
Jim had Kaseems vader erg graag gemogen, maar de man was voortijdig aan zijn einde gekomen, en Jim was ervan overtuigd dat het geen natuurlijke dood was geweest. Hij wist alleen dat hij er zelf geen hand in had gehad, een feit dat hij had benadrukt tegenover Kaseem. Tot op de dag van vandaag, twee jaar later, had Jim nog steeds geen idee wie het voor elkaar had gekregen om de intelligentste man die hij ooit tegenover zich had gehad te vermoorden. Zelfs als Jim hem dood had willen hebben - wat hij meer dan eens inderdaad had gewild - dan wist hij nog niet precies hoe hij het zou aanpakken. En zonder opscheppen wist Jim dat als hij geen manier kon verzinnen, een ander daar ook niet toe in staat zou moeten zijn.
Jim kende Kaseem niet goed; hij was lastig te peilen en Jim had hem nooit met eigen ogen gezien, zoals zijn vader. In Jims vak leerde je over je tegenstanders door de manier waarop ze hun netwerken gebruikten, hoe ze het spionnenvak bedreven en hoeveel lijken ze in hun kielzog achterlieten. De Hazara-Khans, een geslacht dat te herleiden was naar de oprichter van de Keizerlijke Keshische Inlichtingendienst, Abdur Rachman Memo Hazara-Khan, waren er goed in geweest het bloedvergieten tot een minimum te beperken en toch op alle mogelijke manieren het Koninkrijk in verwarring te brengen. Jim was slechts het laatste hoofd van het spionnennetwerk van de koning dat de dag vervloekte waarop de Hazara-Khans het levenslicht zagen.
Jim wist één ding: alle inlichtingen liepen via Kaseem abu Hazara-Khan. Als Jim een uurtje met die man zou kunnen praten, ontdekte hij misschien waarom het grootste keizerrijk in de geschiedenis van de wereld had besloten tegelijkertijd twee van de grootste naties ter wereld aan te vallen. Want als je de Eilanden aanviel, viel je Roldem aan: ze waren te hecht verbonden. Het Koninkrijk Roldem kon niet hoffelijk achteruitstappen van het conflict en de rol van neutrale partij of eerlijke bemiddelaar spelen.
Jim reefde de zeilen samen met de andere zeelui, met zijn voeten stevig op de touwen onder de mast. Hij keek op en zag dat het schip langzaam een vluchthaven aan de noordkant van een groot eiland binnen werd gevaren. Het Slangeneiland, dacht hij. Wat moeten we hier?
Terwijl hij de zeilen vastbond, maakte hij een ruwe berekening. Er lagen minstens dertig schepen voor anker. Er waren een paar oorlogsschepen bij, maar het waren voornamelijk koopvaardijschepen, de meeste kustvaarders zoals dat waar hij op werkte. Jim wist dat hij geen wereldreis zou gaan maken zodra hij aanmonsterde op de Suja. Er hadden geen diepwaterschepen voor anker gelegen toen hij in Hansulé was gearriveerd. Hij wist alleen niet of ze naar het noorden of naar het zuiden zouden gaan. Zodra ze het anker lichtten, werd duidelijk dat ze de twee vloten achternagingen die eerder waren vertrokken.
Volgens de geruchten had de eerste vloot grotendeels bestaan uit oorlogsschepen, met een paar ondersteunende vaartuigen erbij. Jim nam aan dat ze de Bitterzee op zouden varen en daar eventuele Quegse galeien zouden verjagen die zo dom waren geweest om naar het zuiden te komen, of mogelijk kaperschepen uit Durbin. Hun doelwit moest de Koninkrijkse vloot in Vykorhaven zijn. Als ze daar snel aanvielen, konden ze hun verdediging opzetten in de veroverde stad en de legers uit het westen tegenhouden, zodat die geen steun konden bieden aan het Koninkrijkse stadje Landreth aan de noordkust van de Dromenzee. En als ze daar een maand konden standhouden, zou het Dromendal nog jarenlang in handen van Kesh blijven.
Maar waarom deze tussenstop op een verlaten eiland? Ze hadden voldoende proviand voor de tocht naar Elarial, een grote stad met een diepe haven voor het herstel en de toerusting van schepen. Dat was een logische volgende plek om hun proviand aan te vullen. Dus wat deden ze hier?
Jim maakte zijn werk af terwijl het anker werd neergelaten en de dagploeg de mededeling kreeg dat ze naar de kombuis benedendeks mochten. Hij liep de kajuitstrap af en ging in de rij staan voor zijn eten. Zonder erbij na te denken, at hij dat op wat er in zijn kom was geschept en dronk het slappe, waterige bier dat zijn rantsoen voor die dag was.
Op het dek boven hem hoorde hij activiteit, en hij vroeg zich af wie er aan het werk was als de dagploeg en de nachtploeg allebei beneden waren. Dit was geen zeeschip op een lange reis, dus er was geen tussenploeg. Zodra ze onderweg waren en het schip op orde werd gehouden, was er meer dan genoeg tijd om beide ploegen rust te gunnen.
Na de maaltijd doken de meeste mannen hun kooi in, zoals gewoonlijk, maar Jim ging het dek op om te kijken of hij kon achterhalen wat er gaande was. Hij kwam boven aan de kajuitstrap aan en dook meteen ineen, voor het geval de kapitein of stuurman hem de toegang tot het dek zou willen verbieden.
Niemand hield de uitgang beneden in de gaten. De Suja was een latijnzeil-getuigde tweemaster, zeer geschikt als kustvaarder. De bemanning was klein, niet meer dan dertig man, dus had Jim weinig moeite om uit het zicht te blijven.
In de verte zag hij sloepen met vracht heen en weer varen tussen het eiland en de schepen die dichter bij de wal voor anker lagen. De kapitein keek omlaag vanaf het achterdek en zag Jim, maar hij zei niets en keek weer naar het land. Jim nam daardoor aan dat het niet verboden was om aan dek te komen.
Wie er dan ook bezig waren geweest met lossen aan dek, ze hadden snel gewerkt. Een stapel zo te zien kleine kratten lag vastgebonden onder een stuk zeildoek bij het voorkasteel. Jim liep naar de reling en keek omlaag, en hij zag de sloep die de lading had gebracht wegvaren. Ze moesten net voordat Jim boven was gekomen zijn vertrokken.
In de sloep zaten vier zeelieden die op hun gemak roeiden, aangezien het grote vaartuig nu leeg was. Achterin zat een gestalte in een mantel met kap, met zijn hand op het roer, en toenJim die hand zag, sprong zijn hart bijna in zijn keel.
Uit de mouw van het donkerrode gewaad stak een groen geschubde hand met zwarte klauwnagels. Er was maar één ras ter wereld dat zulke handen had.
Pantathiërs!