Op stap
Op de hoek van de straat hangen een paar jongens rond. Het is donker, en het is niet goed te zien wat voor types het zijn. Ze dragen petjes en capuchons, dat wel. Schimmen zijn het. Achter hen raast het verkeer over de kade: taxi’s, scooters, auto’s volgeladen met jongelui die uitgaan op het Leidseplein.
Zaterdagavond.
Ik sta voor de deur van mijn huis te wachten op de jongste dochter. Ze is met vrienden en vriendinnen naar Casino Royale, de nieuwe James Bond. De voorstelling begon om acht uur, het loopt nu tegen twaalven en pap maakt zich zorgen, onder andere over die jongens op de hoek, want daar moet dochterlief straks langs. Om nader polshoogte te nemen loop ik met een volle vuilniszak hun kant op, ze hangen rond bij de vuilcontainers.
Het zijn Fransen.
Even later, ik zit alweer binnen, arriveert de dochter. Ik hoor haar hoge stem door de straat schallen. Ze neemt afscheid van haar gezelschap. ‘Tot maandag!’ ‘We bellen!’ Dan zet ze haar fiets op slot en belt ze aan, zodat ik de deur open kan doen. ‘Hoi pap, ik ben er weer!’ roept ze, en ze komt bolderend de trap op. Ik vraag hoe de film was. ‘Leuk,’ zegt ze, en ze vervolgt haar weg.
Eerder die avond, om een uur of elf, had ik me ook al zorgen gemaakt. Duurde die film nou zo lang, of waren ze aan het keten op het Leidseplein? Voor twaalfjarigen is dat niet echt een gezonde omgeving op zaterdagavond. Dus ik belde haar op. Tot mijn verbazing nam ze nog op ook, om me op woedende fluistertoon toe te voegen dat ik een lul was. Daarna werd de verbinding onmiddellijk weer verbroken. Ik concludeerde dat de film nog bezig was.
Zondag.
Zondag staat in het teken van het grote schoolfeest dat maandagavond wordt gegeven. De jongste mag tot één uur blijven, de oudste, die veertien is, en al droomt van haar vijftiende verjaardag over een paar maanden, en dan nog maar een jaar en ze is zestien, de magische leeftijd, mag tot drie uur blijven. Een en ander speelt zich af in een discotheek aan de andere kant van de stad. Mijn punt is: hoe kómen ze daar, en vooral: hoe komen ze daar weer wég. De oudste is van plan na afloop met een groepje bij een vriendin te gaan logeren. Die woont in Oost, nog verder weg van huis. Hoe komen ze daar? Is er een vader die de meiden om drie uur op gaat halen?
Nee – die is er niet, en sterker nog: die is ook helemaal niet nodig. Ze kunnen best met z’n allen om drie uur ’s nachts door het onherbergzame Oost fietsen. Ik zie dat anders, maar wie ben ik en moet je nou vertrouwen hebben in je kinderen of je angst met verantwoordelijkheidsgevoel verwarren? De jongste mag ik wel ophalen.
Intussen wordt een keur aan kledingstukken en sieraden geshowd, want wat moeten de dames aan op het feest? Pumps, kousen, nepparelkettingen, diademen, korte rokjes, openvallende bloesjes, een lust voor het oog. Het is jammer dat ik zelf niet naar het feest mag, maar misschien ook wel helemaal niet: laat ze hun eigen leven, en hun eigen feesten.