DE VREEMDE BOODSCHAP
Terwijl de bel nog steeds rinkelde, hoorden de Hardy's
zware voetstappen in de hall. Toen riep een hese stem: 'Hé! Wat is
hier aan de hand?'
De jongens knipten hun zaklantaarn aan en gingen naar de
voordeur. Daar stonden twee politiemannen. De bel ging nog steeds
als een waanzinnige te keer.
De mannen hadden gezien dat de deur op een kier stond en
waren zomaar naar binnen gestapt. Op hetzelfde moment was de
alarminstallatie gaan werken.
Frank draaide de knop om, waarmee het apparaat werd bediend
en meteen hield het lawaai op. Tegelijkertijd gingen de lichten
weer aan. 'Wat is er aan de hand?' wilde een van de politiemannen
weten. 'Wat is dat hier eigenlijk voor een tent? Nauwelijks doen we
de deur open of al het licht gaat uit en die bel begint als een
razende te rinkelen. '
'Ik denk dat het licht uitgeschakeld is door een apparaat dat in
verbinding staat met de alarminstallatie, ' zei Frank.
'Nou, en wat zijn de moeilijkheden?' vroeg de man die de
leiding had. 'Laten we eens een kijkje nemen in die kelder waar de
brigadier het over had. '
Frank en Joe brachten de mannen naar de kelder en lieten de
plannen en modellen zien, die ze hadden ontdekt. Ze legden uit dat
ze Vilnoff bij zijn werk hadden overvallen, terwijl iedereen dacht
dat hij op weg was naar Europa. Zij vertelden hoe hij naar de
garage ontsnapt was, door middel van de onderaardse gang. De
politiemannen waren onder de indruk.
'Wij zullen de wacht wel houden bij die spullen! Als hier
iemand binnenkomt en die rommel aanraakt, dan vliegt de halve stad
de lucht in. ' Frank en Joe zeiden niets over hun eigen plannen om
naar de schuilplaats in het bos te gaan. Nu het huis bewaakt werd
en de politiemannen bij de hand waren om Vilnoff te arresteren, als
deze zo onvoorzichtig zou zijn terug te komen, voelden ze zich vrij
om weg te gaan en verder te speuren.
Toen ze weggingen, overlegden zij wat ze nu eerst zouden
doen. Frank wilde direct naar de hut in het bos gaan, maar Joe had
intussen iets anders bedacht.
'Ik denk dat die mechanische bomen hen waarschuwen als er
iemand in de buurt van de hut is, ' zei hij. 'Wie weet of Vilnoff
hier niet een paar wachten heeft uitgezet. Misschien worden we wel
gevolgd. Ik vind dat we ze op een dwaalspoor moeten brengen. '
'Hoe dan?'
'Jij vaart met de Sleuth de rivier op en wacht op me bij de
inham, vlak bij de plek waar we die mannen toen die kisten uit de
motorboot zagen halen. '
'En jij dan?'
'Ik neem de wagen en rij naar dat benzinestation. Ik doe net
of er iets met de motor is. Dan vraag ik of Gus het goedvindt dat
ik zijn telefoon gebruik en bel ik jou zogenaamd op. Dat geeft
natuurlijk de indruk dat jij thuis zit. '
'Ik snap het, ' zei Frank. 'Ik geloof toch wel dat Gus en
Pete iets te maken hebben met Vilnoff. Bovendien hoor je misschien
nog iets bij het benzinestation. '
'Best mogelijk. Ik bel alleen maar op om te zeggen dat ik wat
later thuiskom. Daarna rijd ik naar de inham langs een van die oude
wegen aan de achterkant van het vliegveld. '
'Afgesproken. '
Frank ging naar het botenhuis waar hij de Sleuth klaarmaakte
voor de tocht en zijn broer liep naar hun wagen, die hij naar het
benzinestation buiten de stad reed.
Onderweg dacht Joe steeds aan Gus. Hij was ervan overtuigd
dat Pete en hij heel wat meer van Vilnoff en zijn geheimzinnige
activiteiten afwisten dan ze zouden willen toegeven.
Toen hij de lichten van het station zag, minderde Joe
langzaam vaart en stopte.
Hij stapte uit, deed de motorkap van zijn wagen omhoog en
maakte vlug een van de draden van de accu los.
Daarna liep hij naar het gebouw. Hij wilde net de deur
opendoen, toen binnen de telefoon rinkelde. Direct daarop hoorde
hij de hese stem van Gus:'Hallo!' Toen volgde er een
stilte.
'Ook goeiedag, ' zei de man. Weer een stilte.
Toen:'Geef me de hand'. Joe hoorde hoe de hoorn op de
haak werd gelegd.
De jongen begreep niets van dat vreemde gesprek.
'Geef me de hand'. Wat kon dat betekenen?
Toen bedacht hij, dat Gus wel eens gesproken kon hebben in
een code, die hij had afgesproken met degene die hem opbelde. Joe
wachtte nog even en bonsde toen luidruchtig op de deur. Gus deed in
hemdsmouwen open. De man liet een kreet van verbazing horen toen
hij Joe herkende. 'Zo, ' zei hij nors. 'Wat wil je?'
'Er is iets met mijn wagen, ' antwoordde Joe. 'Ik zou graag
uw telefoon even gebruiken, als u het niet erg vindt. '
'Ik kan vanavond je wagen niet meer repareren, ' gromde Gus. 'Nou,
dan moet ik hem hier maar laten staan. Ik heb haast. Als ik uw
telefoon mag gebruiken, dan regel ik de rest zelf wel. '
'O. K., ' zei Gus. 'Ga je gang maar. '
Joe liep naar binnen en ging naar de telefoon. Hij belde naar
huis. Gus leunde tegen de toonbank en spitste zijn oren om ieder
woord dat er gezegd werd op te vangen.
Spoedig klonk de snibbige stem van tante
Gertrude:'Ja? Ja? Wie is daar?'
'Hallo, ben jij het Frank?' vroeg Joe.
'Frank?' bitste tante Gertrude. 'Natuurlijk niet. Kunt u niet
horen dat u met een dame spreekt? Wie bent u?'
'Frank, ' ging Joe door tot grote woede en verbazing van
tante Gertrude, 'ik sta hier bij een benzinestation even buiten de
stad. De wagen doet het niet meer en ik moet hem vannacht hier
laten staan. '
'Waar heb je het in 's hemelsnaam over?' schreeuwde tante Gertrude.
'Ben je gek geworden? Ik ben Frank niet en dat weet je best. Frank
is hier niet... '
Zonder op de uitbarsting van zijn tante te letten praatte Joe
maar door. 'Ik ben dadelijk thuis, Frank. Er zal zo wel een bus
langs komen. Prima! Tot kijk. '
'Als dit een of andere flauwe grap..., ' blies tante
Gertrude, maar Joe hoorde de rest van de zin al niet meer. Hij hing
rustig de hoorn op de haak.
'Dank u wel, ' zei hij tegen Gus. 'Wilt u me misschien even
helpen om de wagen in uw garage te zetten?'
De man knikte en ze gingen naar buiten. Samen duwden ze de
auto in de garage. Gus bood niet aan om te zien wat er aan de wagen
mankeerde en hij scheen ook niet erg ingenomen met Joe's klandizie.
'Ik kom de wagen morgen wel terughalen, ' zei Joe.

'In orde, ' zei Gus en hij ging weer naar
binnen.
Terwijl Joe op de bus stond te wachten, bepeinsde hij dat hij
niets nieuws te weten was gekomen.
Na een poosje verschenen de lichten van de bus. Joe stak de
weg over om te kunnen instappen.
Toen zag hij een vrachtwagen aankomen, die vlak voor het
benzinestation stopte. Hij herkende de auto direct. Het was de
wagen van Pete!
Joe had nu geen zin meer om in de bus te stappen. Deze stond
echteral stil en de chauffeur wachtte
ongeduldig.
'Spijt me, ' riep Joe. 'Ik ben van gedachten veranderd.
'
De man achter het stuur keek geërgerd en reed
door.
Joe bleef in de schaduw staan en hield de vrachtwagen in het
oog. Hijzag dat er iemand uit de cabine stapte en snel
de lunchroom inliep.
Door de grote afstand was hij er niet zeker van, maar hij
vond dat dekerel op Pete leek.
Zodra de chauffeur in het gebouw verdwenen was, schoot Joe de
weg over en hurkte onder een raam neer. Hij hoorde nog juist de
stem van Gus:'We hebben wèl iets om ons zorgen over te
maken, zeg ik je. Het bevalt me helemaal niet. '
'Wat is er dan aan de hand?'
'Ik geloof dat jij dat heus wel weet. Doe nou maar niet zo
onschuldig. Ik weet bijna zeker, dat je de zaak verraden hebt.
'
'Je bent gek!' schreeuwde de ander. 'Waarom zou ik de zaak
verraden?'
'En toch geloof ik dat je gekletst hebt. Ik heb je nooit
vertrouwd, Pete... '
De zin werd niet afgemaakt. Er klonk een schreeuw en toen een
zware bons.
Een ogenblik later werd de deur opengesmeten en sprong er
iemand over de drempel. Joe zag nog net kans, in de schaduw weg te
duiken. In het licht dat door de deuropening naar buiten straalde,
herkende hij Pete. De chauffeur gooide de deur met een slag achter
zich dicht, rende naar zijn vrachtwagen, sprong de cabine in en
klauterde achter het stuur.
Even later gierde de wagen over de weg. Joe deed voorzichtig
de deur open.
Gus lag op de grond voor de toonbank. Hij was bewusteloos en
had een blauwe plek op zijn voorhoofd.
Joe ging naar binnen en knielde naast hem neer. De man leefde
en was niet ernstig gewond.
Plotseling rinkelde schel de telefoon. Joe wist niet goed wat
hij moest doen.
Ten slotte besloot hij het risico maar te nemen en dus stond
hij op en liep naar het toestel. Hij deed de stem van Gus zo goed
mogelijk na en gromde: 'Hallo!'
'Negenenvijftig, ' antwoordde een mannenstem.
Joe dacht ineens aan het vreemde gesprek dat Gus daarnet had
gevoerd. Hij probeerde het met het wachtwoord. 'Ook
goeiedag!'
'Morgen regent het misschien, ' was het antwoord. 'Geef me de
hand, ' zei Joe.
Blijkbaar werden deze antwoorden als bevredigend beschouwd.
'Goed. Weg nummer één is open. '
'Weg nummer één?'
'Ja. De dood loert achter de rode hand. Wees voorzichtig!' De
ander belde af.
Joe hoorde kreunen. Hij keek om. Gus bewoog zich, hij kwam
bij.