HET BENZINESTATION

Daar, op een kleine open plek, heel diep in het bos, stond de vrachtauto, die hen gepasseerd was op de middag dat ze naar de voetbalwedstrijd in Seneca waren gegaan.
Frank kon de wagen nu duidelijk zien. Hij raakte zo opgewonden door zijn ontdekking, dat hij tegen zijn broer schreeuwde en helemaal vergat dat er wel eens mensen in de buurt konden zijn. Toen hij erachter kwam wat hij had gedaan, dook hij in elkaar en keek gespannen toe of er ook iemand zou verschijnen.
Er gebeurde echter niets en dus zwaaide hij zich weer verder, tot hij vlak boven het dak van de vrachtwagen kwam. Een paar minuten later voegde Joe zich bij hem. Frank liet zich op het dak van het voertuig vallen en zijn broer deed hetzelfde.
Hun vijand, de hond, waren zij daarmee echter niet kwijt. Hij scharrelde door het kreupelhout en begon verschrikkelijk te blaffen toen hij zijn prooi zag.
'Het is me wel een waakhond, zeg!' zei Joe woest. De deuren aan de achterkant van de vrachtwagen stonden open, anders zouden de jongens op het dak in de val hebben gezeten. Maar nu konden zij zich met een zwaai in de vrachtwagen laten zakken. Behalve een hoop oude paardedekens, een emmer en een roskam die in een hoek lagen, was de wagen leeg.
Frank had deze keer zijn zaklantaarn niet vergeten. Hij liet het licht in een donkere hoek aan de voorkant van de vrachtauto schijnen en bukte zich plotseling naar iets dat op de grond lag. 'Wat heb je daar?' vroeg Joe.
Het was maar een kartonnen label, maar dat was toch belangrijk, want er stond op geschreven:TOPNOTCH — PRESCOTTSTALLEN Nu twijfelden de jongens niet meer! Ze waren beslist op het spoor van het vermiste renpaard!
Plotseling hield de hond op met blaffen. In de verte hoorden de jongens een schel gefluit en een stem die riep: 'Hier, Bruin!'
Het dier sprong onmiddellijk op, rende de open plek over en verdween tussen het kreupelhout.
'Daar komt iemand I' zei Frank kort, terwijl hij vlug de deuren dichtdeed. 'Ga onder die dekens liggen!'
De jongens doken naar de hoek, gingen liggen en trokken de dekens over zich heen. Het was maar net op tijd, want een ogenblik later hoorden zij iemand lopen.
'Koest, Bruin!' gromde een stem. 'Waarom maak je al die herrie?' De man stond nu aan de achterkant van de vrachtwagen. Luid piepend gingen de deuren open. De man tuurde naar binnen en kwam tot de conclusie dat de wagen leeg was. Toen zei hij:'Hier is niemand, gekke hond. Je hebt zeker een eekhoorn gezien. ' Frank en Joe wachtten in spanning af. Tot hun grote opluchting hoorden zij hoe de voetstappen van de man zich verwijderden. 'Kom mee, Bruin!' gromde de vreemdeling. Toen viel er weer een doodse stilte.
Frank en Joe wilden echter niet het risico lopen, ontdekt te worden. Ze bleven nog wel vijf minuten wachten, voor ze weer tevoorschijn durfden komen.
Ze onderwierpen nu de vrachtwagen en de open plek, waar de wagen was achtergelaten aan een zorgvuldig onderzoek. Frank speurde overal naar hoefafdrukken van Topnotch, maar boekte geen enkel resultaat. Alleen de diepe wielafdrukken van de wagen waren te zien. 'Nou, dat bewijst in ieder geval één ding, ' verklaarde Frank. 'Topnotch is niet in die wagen hier naartoe gebracht. ' Langer op de open plek blijven had geen zin. De jongens waren van mening, dat ze een heel stuk zouden opschieten, als ze de man zouden vinden die daarnet bij de wagen was geweest.
Maar toen zij probeerden, zijn spoor te vinden, merkte zij dat zij niet wisten in welke richting zij moesten gaan. Het geblaf van de hond konden ze niet meer horen en na een half uur vruchteloos zoeken, waren de jongens gedwongen ermee op te houden.
Nu moesten zij de weg zien terug te vinden en dat probleem losten ze op door de sporen van de vrachtwagen te volgen, tot ze ten slotte bij de plek kwamen waar ze de vorige dag hun auto hadden moeten achterlaten.
Het was al bijna donker toen zij eindelijk het kruispunt bereikten en in de richting van de autoweg naar Bayport liepen, waar zij een bus naar de stad konden nemen.
Toen de Hardy's die eindelijk in het oog kregen, waren ze doodmoe.
Om de narigheid nog erger te maken, reed de bus juist weg van een benzinestation, waar ook verversingen te krijgen waren. De jongens holden zwaaiend en roepend naar de bus, maar de chauffeur lette niet op hen. Een ogenblik later reed het voertuig snel in de richting van Bayport en de achterlichten knipoogden spottend in het donker. 'Nu moeten we nog een half uur wachten, ' mopperde Joe. 'Wat een pech. Het zit ons vandaag wel tegen. "'Ik heb honger. Laten we eens bij het benzinestation gaan kijken of we iets te eten kunnen vinden. '
Het gebouwtje in kwestie zag er vies uit. Ernaast stond een kleine lunchroom. De eigenaar, een forse, nors kijkende man, die Gus heette, vervulde de dubbele rol van kok en kelner.
Toen Frank en Joe om een flesje limonade en een broodje vroegen, knikte hij onverschillig en verdween in de keuken. De jongens wachtten een poosje, maar de broodjes verschenen maar niet. Frank telefoneerde intussen naar huis om zijn moeder te zeggen, dat Joe en hij waarschijnlijk erg laat thuis zouden zijn. Eindelijk kwam Gus er aan met broodjes, die er allesbehalve appetijtelijk uitzagen. De flesjes limonade waren bijna warm. De jongens waren net klaar met hun schamele maaltijd, toen er een groene vrachtauto voor het benzinestation stopte. Een zware kerel in een overall sprong uit de cabine. Hij stapte de lunchroom binnen en gooide zijn handschoenen op de toonbank. 'Ha, Gus!' riep hij. 'Nou, ik ben er geweest... '
De eigenaar legde hem met een blik het zwijgen open liep naar de tafel van de jongens. 'Zijn jullie klaar?' vroeg hij ruw. 'Ja, ' antwoordde Frank.
'Mooi zo. Betaal dan maar en smeer 'm. Het is hier geen wachtkamer. '
'Een restaurant zou ik het ook niet direct willen noemen, ' antwoordde Frank, terwijl hij betaalde.

'Als je niets meer nodig hebt, smeer je 'm maar, ' beval Gus knorrig. 'Een aardige, gastvrije vent, ' merkte Joe op, toen de jongens naar buiten hepen.
'Er zit iets eigenaardigs aan die zaak, ' zei Frank. 'Gus wil wat bespreken met die chauffeur, maar niemand anders mag het horen. ' De Hardy's liepen naar de vrachtwagen, bekeken de nummerborden en schreven het nummer op de achterkant van een envelop.
Door de ramen van de lunchroom konden ze zien, hoe de twee mannen in een ernstig gesprek gewikkeld waren. Het was nu helemaal donker, zodat de jongens niet bang hoefden te zijn, dat de norse eigenaar hen kon zien, als ze tenminste buiten het schijnsel van de verlichte benzinepompen bleven.
Ze kropen wat dichter naar de ramen. Een raam stond op een kier, zodat ze de chauffeur konden horen zeggen: 'Ik zeg je toch, dat de wegwijzer niet werkte. '
'Ben je naar binnen gegaan, Pete?' vroeg Gus.

'Natuurlijk ben ik naar binnen gegaan. Ze zeiden dat ik mijn baantje kwijt kon raken! Huh! Ze zouden niet durven. Ik zou genoeg kunnen vertellen. Als je nou eens neemt... '
'Niet zo hard, Pete, ' waarschuwde Gus.

De chauffeur sprak wat zachter en de jongens konden verder niets meer verstaan.
Toen kwam de bus naar Bayport en stopte voor het benzinestation.
De Hardy's stapten vlug in en gingen achterin zitten. Het voertuigreed verder. Er waren maar een paar passagiers. Onder hen zag Frankeen bekend gezicht. Het was Iwan.
De jockey stond op en ging bij de Hardy's zitten.
'Hallo, ' zei hij. 'Ik moet jullie iets vertellen. Ik was net op weg naarBayport om jullie op te zoeken. '