22

Onthullingen

 

Jommy verzette zich.  

Zijn armen waren achter zijn rug gebonden en hij en de andere jongens waren aan boord gebracht van drie boten die op het strandje waren getrokken. Het waren smalle boten, die meer op de sloepen van een schip leken dan op werkelijke riviervaartuigen. Jommy nam aan dat ze de monding van de rivier in konden zijn gezeild, want dit deel van de rivier was breed en stroomde niet snel, zodat het maar een paar minuten zou kosten om naar de oever te roeien. De grens tussen Salmarter en Olasko lag ongeveer een mijl ten zuidwesten van de rivier, dus het was nog altijd mogelijk dat de Roldeemse troepen de aanvallers konden inhalen voor ze weer thuis waren. Dat hoopte Jommy althans. Zodra hij en Zane werden ondervraagd, was de kans groot dat hij daarna werd gedood: prinsen en edelen konden aardige losprijzen opleveren, maar de zonen van boeren van de andere kant van de wereld zouden waarschijnlijk niet de moeite waard worden gevonden.

Plotseling zakte de Samalterse wachtpost op de richel boven het strand ineen. Even wisten Jommy en de andere jongens niet wat er gebeurde, net als de soldaten in de buurt, maar toen hoorden ze het: het gefluit van pijlen door de lucht. 'Bukken!' schreeuwde Jommy, en ze drukten zich plat onder de dolboorden. Drie Samalterse soldaten hadden tot taak de vijf jongens in de boot te bewaken, maar ook zij waren ineengedoken en keken rond om te ontdekken waar de pijlen vandaan kwamen.

'Afduwen!' riep de Samalterse commandant, en twee van de bewakers klommen over de rand van de boot. Ze waren net begonnen de boot de rivier in te duwen, toen een van hen een pijl in zijn rug kreeg. De ander probeerde weer in de boot te klimmen, maar Jommy schopte hem zo hard mogelijk in zijn gezicht. De ogen van de man rolden weg in hun kassen en hij viel in het water. De enige wachter die nog in de boot over was, trok zijn zwaard en haalde uit naar Jommy, maar Zane sprong op en gaf hem van achteren een zet. De man viel voorover, boven op Jommy, en plotseling lag er een massa kronkelende lichamen in de boot, die langzaam stroomafwaarts begon te drijven. De soldaat wilde zich van Jommy af laten rollen, maar toen sprong Zane boven op hen beiden. Zane gaf de man een kopstoot terwijl Godfrey hem hard in zijn arm beet, en Jommy probeerde zich los te worstelen zodat hij kon ademhalen. Servan volgde Zanes voorbeeld en gaf de man nog een kopstoot zodat hij bewusteloos raakte.  

'De goden zij dank dat ze geen helmen dragen,' zei Zane.

'Pak zijn mes,' zei Servan.

Zane tastte met zijn gebonden handen achter zich rond en prutste het mes achter de riem van de man vandaan.

'Haal hem alsjeblieft van me af,' zei Jommy, die amper lucht kreeg.

Zane hield het mes achter zich, terwijl Godfrey naar hem toe schuifelde om zijn touwen te laten doorsnijden. 'Au!' zei de jonge edele. 'Hou dat ding stil.'

'Het is een boot. Die deint!' zei Zane. 'Ik kan er niks aan doen!'

'Ga van me af!' smeekte Jommy.

Eindelijk waren Godfreys boeien door, maar hij had ook een snee in zijn onderarm. Hij maakte Zane, Servan, Grandy en Jommy los, en ze smeten de bewusteloze soldaat overboord.

Jommy ging overeind zitten en haalde diep adem. In de paar minuten die het ze had gekost om zich te bevrijden, waren ze honderd meter de rivier af gedreven en gingen ze richting het midden van de stroom, almaar sneller.

'Waar zijn de roeiriemen?' vroeg Servan.

'Nog op de wal,' antwoordde Jommy.

'Overboord dan maar,' zei Zane, die in het water sprong en naar de oostelijke oever begon te zwemmen. De anderen volgden met tegenzin, en een tijdje later kwamen er vijf doorweekte jonge officieren aan de wal, uit het zicht van de strijd.  

'Schiet op,' beval Servan, en gebaarde hen van het strand naar de bomen. 'Voor het geval er iemand achter ons aankomt.'

Eenmaal tussen de bomen begonnen de jongens stroomopwaarts te lopen. Ze hoorden de geluiden van vechtende mannen en probeerden iets te zien, maar het conflict vond plaats aan de andere kant van een richel. Ze kwamen bij een overhangende rotspunt die als barrière diende, en Jommy zei: 'Ik ga wel even kijken.'  

Nog altijd druipend, kroop hij tegen de rotswand omhoog en trok zich op. In de verte zag hij de boten uit Salmarter, die nog op de oever lagen, en een regelrechte vloedgolf van Roldeemse soldaten die over het strand spoelde en de oostelijke helling opging. 'Kom mee!' riep Jommy, die weer naar beneden klom. 'We hebben ze!'  

Hij ging de jongens voor, tussen de bomen vandaan en het strand op, en ze renden richting het conflict. Tegen de tijd dat ze in zicht kwamen, gaven de resterende Salmarterse soldaten zich over, met hun handen in de lucht en hun zwaarden op de grond, zonder verzet.

Generaal Devrees liep naar de jongelingen toe. Zijn gezicht stond opgelucht. 'Hoogheidl' riep hij. 'U bent veilig!'

Tad liep grijnzend naar de jongens toe. Ze waren duidelijk uitgeput, maar hij was blij te zien dat zijn vrienden nog in leven waren.

'Fijn u te zien, generaal,' zei Grandy.

'Toen deze jongeman ons kamp binnen kwam rennen, heb ik onmiddellijk het hele eerste en derde opgetrommeld en zijn we opgerukt.'

'Commandant, vond u mijn idee van zestig man per boot dan niets?' vroeg Servan.

'Het was een aardig plan, als ik de helft van mijn troepen had willen kwijtraken. Toen ik hoorde dat ik twee leden van de koninklijke familie naar een Salmarterse aanval had gestuurd... Ik zag het niet zitten om aan jullie vaders, vooral die van u, Hoogheid,' - hij keek nadrukkelijk naar Grandy - 'te moeten uitleggen dat ik hun zoons had laten omkomen. Onze inlichtingen waren gebrekkig; ik dacht dat ik jullie zo ver mogelijk van de echte actie vandaan had gestuurd, niet recht op de vijand af.' Hij haalde zijn schouders op. 'Er zal wel een eind komen aan die Salmarterse invallen zodra ze horen dat we bereid zijn Olasko te verdedigen alsof het Roldeems grondgebied is.'  

'Generaal, hebt u hun leider gevangen kunnen nemen?' wilde Grandy weten.  

'Ik geloof van wel,' zei de generaal, die de jongens voorging naar de plek waar de gevangenen werden bewaakt. 'Zeggen jullie het maar.'

De gevangenen zaten op de grond en keken hen woest aan. Grandy keek naar hun gezichten en wees toen naar één man. 'Hij.'

De generaal liet de gevangene naar voren halen. De jonge prins staarde hem aan en zei toen tegen de generaal: 'Deze man heeft twintig soldaten in koelen bloede vermoord.'

'Het waren deserteurs,' kaatste de gevangene terug.

'Dan hadden ze aan het Roldeemse gerecht moeten worden overgelaten,' zei Grandy. Hij keek de generaal aan. 'Hang hem op.'

'Ik ben krijgsgevangene!' schreeuwde de Salmarterse kapitein toen twee Roldeemse soldaten hem vastgrepen en zijn armen achter zijn rug trokken en vastbonden.  

'Je draagt geen uniform,' zei de generaal. 'Wat mij betreft kun je ook een doodgewone bandiet zijn. Als Zijne Hoogheid zegt dat je moet worden opgehangen, dan hangen we je op.'

De generaal knikte naar sergeant Walenski, die een groep soldaten wenkte hem naar de bomen te volgen. Een van hen had een rol touw bij zich.

'En die anderen?' vroeg de generaal.

'Stuur ze naar huis,' zei de jonge prins. 'Laat ze maar overal rondvertellen dat Roldem deze eilanden nu evenzeer koestert als de grond onder mijn vaders kasteel. Olasko is nu deel van Roldem, en we zullen het verdedigen met onze laatste druppel bloed. Ik zal mijn vader vragen te gaan rekruteren, om het eerste en derde aan te vullen en het garnizoen in Opardum weer op volle sterkte te krijgen. We moeten ervoor zorgen dat aan dit soort dingen een eind komt.'

Met een lichte glimlach antwoordde de generaal: 'Hoogheid,' en gebaarde naar de soldaten. 'Begeleid deze mannen naar de boten en laat ze vertrekken.'

De soldaten deden wat hun werd opgedragen.

Servan liep naar zijn neef toe. 'Dat was... indrukwekkend.'

'Ja,' vond Jommy ook, en voegde er toen aan toe: 'Hoogheid.'

Alle vijf de jongens keken naar de jonge prins, die er plotseling jaren ouder uitzag dan de dag ervoor. Grandy keek zijn vrienden aan. 'Ik denk dat het tijd wordt dat we naar huis gaan.' Hij draaide zich om en liep weg, en na een korte aarzeling volgden zijn vrienden hem.

 

Miranda kwam weer bij en lag nog altijd op een bed, maar nu niet meer vastgebonden. Ze ging overeind zitten en haalde diep adem. Haar borstkas deed pijn, maar ze kon nu zonder veel moeite ademen en haar geest was verlost van dat vertroebelende gevoel dat ze de vorige keer had toen ze wakker werd.  

Ze keek om zich heen om te bepalen waar ze was. Dit was niet de slaapkamer waar ze vastgebonden had gelegen. Ze bevond zich nu in iets wat wel leek op een tent. Toen ze de muren aanraakte, voelde ze echter iets hards, als gladde steen.  

Plotseling verscheen er een gestalte voor haar; een Dasati in een zwarte mantel, maar met een ander embleem op zijn borst: een gele cirkel. Ze kon door de gestalte heen kijken, dus wist ze dat het een zending was. Om te bepalen waar ze wel en niet toe in staat was, reikte ze mentaal naar buiten en merkte dat haar magie werkte, maar op een vreemde manier.

'Je bent weer bijgekomen,' zei de gestalte, en ze besefte dat hij de Dasatitaal sprak, die ze nu kennelijk kon verstaan. 'Je bent hier al drie dagen. We hebben ervoor gezorgd dat je kunt eten, drinken en ademhalen zonder te lijden. We hebben je... je krachten teruggegeven, maar met beperkingen.'  

Miranda probeerde of ze op wilskracht terug kon keren naar de Assemblee van Magiërs, want zij was de onbetwiste meesteres in die vaardigheid, maar er gebeurde niets.  

'Het heeft ons wat werk gekost,' zei de beeltenis van de Dasati, 'maar je krachten werken alleen in deze kamer. Het wezen dat je hierheen heeft gebracht, zegt dat je een heel machtige magiër bent en dat we veel kunnen leren door je te bestuderen. We houden je al een tijdje in de gaten, Tsuranivrouw. Ze zeggen dat jullie strijders zwak als kinderen zijn; maar we vrezen jullie zwartmantels wel.'  

De gestalte verdween en een stem zei: 'Rust maar uit. Er komen vele beproevingen. Als je meewerkt, blijf je in leven.'  

Er werd niet gezegd wat er zou gebeuren als ze niet meewerkte. 

 

'Dit is heel interessant,' zei Nakur.

Puc kon zijn ogen nauwelijks geloven. De Dasati die voor hem stond, was Macros de Zwarte, voormalig eigenaar van Tovenaarseiland en Miranda's vader. Hij tastte met zijn magische zintuigen en concludeerde dat dit geen illusie of vermomming was. Deze man, die hij dacht te hebben gekend, was een Dasati. De vorige keer dat Puc hem had gezien, was tijdens een gevecht met een demonenkoning op de Saaurwereld Shila, toen er een scheuring dichtging. 'Jij bent dood,' zei Puc.  

'Dat was ik,' zei Macros. 'Kom, we hebben een heleboel te bespreken en weinig tijd.'

Zonder verontschuldiging of uitleg aan de anderen, ging Macros Puc voor, een deur uit naar een tuintje dat schuilging achter enorme muren. Macros keek op. 'Dit arme stukje grond krijgt per dag maar ongeveer een uurtje licht, als de zon hier recht boven staat.'

Hij sprak de taal van het Koninkrijk der Eilanden, Pucs moedertaal, en Puc besefte dat Macros niet wilde dat iemand anders hoorde wat hij te zeggen had. Hij keek de Dasati aan die voor hem stond. 'Ik kan nu niets intelligents bedenken om te zeggen. Ik ben volslagen in de war.'

Macros gebaarde naar een bankje. 'Meditatie is geen eigenschap van de Dasati, dus ik moest deze tuin op basis van mijn eigen specificaties laten aanleggen.'  

Puc moest wel glimlachen. Het bankje leek precies op dat in de tuin bij Villa Beata. 'Hoe kan dit?'

'Ik had de goden ontstemd,' zei Macros, die op het bankje ging zitten. Puc nam naast hem plaats. 'Ik vocht tegen Maarg met elk magisch wapen dat ik tot mijn beschikking had, terwijl jij probeerde de scheuring tussen het vijfde niveau en Shila te dichten.' Hij zuchtte. 'Het is je kennelijk gelukt, anders zou je niet hier zijn.' Hij keek Puc aan. 'Ik heb nog niet al mijn herinneringen teruggekregen, Puc. Ik herinner me bijvoorbeeld wel de eerste keer dat wij elkaar ontmoetten, en de laatste keer dat ik Nakur zag, maar niet hoe ik hem heb leren kennen. Ik herinner me niet veel over mijn vrouw of mijn dochter, hoewel ik weet dat ik er een heb.'  

'Mijn vrouw Miranda,' zei Puc.

Macros knikte, en keek naar de muur tegenover het bankje. Er was pijn in zijn ogen te lezen en Puc vroeg: 'Dit is je straf omdat je de goden van Midkemia hebt ontstemd?'

'Ja,' zei Macros. 'Ik vocht tegen Maarg, en plotseling hield de pijn op en vloog ik heel snel op een wit licht af. Toen stond ik ineens voor Lims-Kragma.' Hij zweeg even en vroeg toen: 'Ben jij bij haar geweest?'

'Twee keer,' zei Puc. 'Een enorme zaal vol katafalken?'

'Eindeloos, in alle richtingen. Er verschenen doden. Ze rustten een tijdje en stonden vervolgens op en stelden zich op in een lange rij, waarna Lims-Kragma hen een voor een beoordeelde en hen doorstuurde naar de volgende draaiing van het Rad des Levens.' Macros zuchtte. 'Maar mij niet. Ik heb haar gesproken, maar ik zal je de details van ons gesprek besparen. Ik was, zoals je weet, een ijdel man en vond mezelf nogal belangrijk. Ik dacht dat mijn eigen oordeel beter was dan dat van anderen.'  

Puc knikte. 'En meestal had je ook gelijk. Tomas zou de transformatie die werd opgeroepen door de wapenrusting van de Drakenheerser nooit hebben doorstaan als jij hem niet had geholpen, en wie weet waar ik dan zou zijn geëindigd.'

'Dat was maar een kleine overtreding,' zei Macros. Hij ging achterover zitten en vervolgde: 'Ik probeerde een god te worden, weet je nog?'  

'Je poging om op te stijgen toen Nakur je vond?'

'Ja, toen ik de terugkeer van Sarig, de verloren God van de Magie, wilde bespoedigen.'

'En daarvoor word je nu gestraft?'

'De goden hebben een hekel aan hoogmoed. Ze zetten ons misschien aan tot grootse daden, Puc, maar zonder onze toegewijde aanbidding, kwijnen ze weg. En hoe kunnen we hen aanbidden als we net zo zouden worden als zij?'  

'Aha,' zei Puc.

'Ik zal je vertellen wat je weten moet. Al het andere kan wachten. De Dasati hebben Kelewan gevonden.'

'De talnoy,' zei Puc.

'Die naam kun je beter niet noemen, en ik zal zo meteen uitleggen waarom.' Macros zweeg even alsof hij zijn gedachten ordende. 'Het is allemaal met elkaar verbonden, Puc. Helemaal tot aan het allereerste begin. Je hebt toch wel verhalen over de Chaosoorlog gehoord?'

'Tomas heeft er herinneringen aan - Asschen-Sukars herinneringen,' zei Puc.  

'Herinnert hij zich de triomf toen de Levenssteen werd verstopt en de Drakenhorde werd verbannen van Midkemia?'  

'Ja, aan het einde van de Chaos oorlog. Hij heeft me het verhaal verteld. Het was iets wat we bespraken voordat zijn zoon Caelis alle energie bevrijdde die vastzat in de Levenssteen.' 

'Ah,' zei Macros. 'Dat herinner ik me niet. Dat is mooi. Weer één ding minder om me zorgen over te maken. Maar wat je moet weten, Puc, is dat dat niet het einde van de Chaosoorlog was.' Hij keek zijn erfgenaam aan. 'De Chaosoorlog is nooit afgelopen. De Oorlog van de Grote Scheuring, de strijd met de demonen op Shila, de invasie van de Saaur en de oorlog van de Smaragden Koningin - dat waren allemaal veldslagen in de Chaosoorlog. En de wanhopigste strijd moet nog komen.'

'De Dasati?'

'Ja,' zei Macros. 'Deze wereld heeft zijn eigen Chaosoorlog gehad, of iets wat er veel op leek, maar in die strijd kwam één god als overwinnaar naar voren. Die god staat nu eenvoudig bekend als Zijne Duisternis, maar hij is de Dasatigod van het kwaad. Kijk om je heen, Puc. Zo kan Midkemia er over duizend jaar ook uitzien als de Naamloze er ooit de alleenheerschappij krijgt.'

'Ongelooflijk,' zei Puc.

'De Dasati waren niet altijd zoals jij ze ziet, denk ik. Ik weet wel dat ze zelfs op hun best nog onwelkome gasten zouden zijn op Midkemia, om veel redenen, en niet in de laatste plaats omdat ze gras kunnen laten verwelken door er gewoon een tijdje op te blijven staan. Bovendien zijn ze zo agressief dat bij hen vergeleken bergtrollen spinnende katjes lijken.' Macros grinnikte. 'Bepaalde dingen herinner ik me nog wel van mijn vorige leven...' Hij zuchtte weer. 'Toen ik herboren werd, mocht ik bepaalde herinneringen houden, genoeg om een referentiekader te hebben voor het werk dat ik moet doen. Ik ben de Tuinier. Ik zorg voor een heel delicate, heel kwetsbare bloem.'  

'De Witte?'

'Ja, de Witte. Niets sterft ooit, Puc. Het verandert alleen. Niets wordt vernietigd. Het transformeert alleen naar een andere toestand, van materie naar energie, van energie naar geest, van geest naar ziel. Het is belangrijk dat je dat weet, want als dit voorbij is, zul je een diep gevoel van persoonlijk verlies voelen, vrees ik.'  

'Ik ben daar al voor gewaarschuwd,' zei Puc.

Macros stond op en begon te ijsberen. 'Lang geleden, toen de Duistere God van deze wereld zijn hoge positie bereikte, werden de andere goden opgespoord en gevangen gezet. Deze

mensen, de Dasati, werden vervormd en veranderd en verwrongen, totdat elke herinnering aan dat wat wij kennen als goed, verloren was gegaan. De Witte gaat dit tegen: het voedt kleine bellen goedheid waar het kan. We hebben duidelijke volgelingen, zoals de Zorgers die worden geminacht om hun piepkleine impuls om voor anderen te zorgen, en minder duidelijke volgelingen, onder wie enkele hooggeplaatste Doodsridders en een paar prelaten onder de Doodspriesters.'  

'Macros, ik ben hier gekomen omdat er een bedreiging bestaat voor Midkemia. Weet jij wat die precies inhoudt?'  

'Er is geen rationele reden te bedenken waarom de Dasati het eerste niveau van de realiteit zouden willen binnenvallen, Puc. Dat weet je.'

'Nakur is van mening dat het kwaad van nature waanzinnig is, zelfs als het doelgericht handelt.'

'In ons rijk...' Macros zweeg even. 'In ons rijk is dat zeker waar. Maar hier?' Hij haalde zijn schouders op in een heel menselijk gebaar. 'Ik ben pas dertig jaar een Dasati, Puc, voor zover ik kan beoordelen; het tijdsverschil is lastig.'  

'Je bent eerder vijftig jaar weg,' zei Puc.

Macros zag er vermoeid uit. 'Ik kwam bij in de geest van een Dasati-jongen, die klaar was om strijd te voeren om aanspraak te kunnen maken op de eer van zijn vader. Bijna een jaar lang keek ik toe vanuit zijn geest. Toen vloeiden we geleidelijk samen en werd zijn aard in die van mij opgenomen.

Ik weet relatief weinig over waar de goden van Midkemia toe in staat zijn op deze plek. Daarom zijn jullie hier, als hun agenten. Maar ergens is er een kwaadaardige truc uitgehaald...' 

'Banath,' zei Puc. 'Kalkin.'

'De Bedrieger?' Macros knikte. 'Ja, dat soort dingen kunnen we verwachten. Ik ben Dasati, maar ik ben ook mens. Ik had de geest van Macros de Zwarte - in alle bescheidenheid toch wel een van de machtigste wezens van Midkemia - maar toch was ik amper meer dan een jonge knul, en de meeste van mijn krachten waren weg.'

'Maar niet allemaal?'

'Nee. Ik heb er een aantal terug, en ik heb mezelf weer opgeleid. Ik moest al mijn vaardigheden aanwenden om dat feit te verbergen, anders zou ik Doodspriester hebben moeten worden of als lijk zijn geëindigd.  

Ik heb anderen gerekruteerd die net zo zijn als ik; zoals Martuch, mijn eerste student en mijn beste. Hoewel hij bijna tien jaar ouder is dan ik, wil hij mij als zijn mentor. Hij is de eerste Dasati die ik heb ontmoet die ooit iets heeft laten zien dat ik mededogen zou noemen.'  

'Dat verhaal over vrouwe Narueen en Valko.'

'Ja,' zei Macros. 'Hij is degene die jullie met de hulp van een Ipiliacmagiër voorbereidde op deze reis. Toen hij contact met me opnam, had ik vele vragen, en sommige daarvan zullen moeten wachten, maar wat ik vooral moet weten is: hebben jullie de talnoy gevonden?'

'Ja, allemaal.'

'Mooi, want hier volgt het belangrijkste: de Duistere God wil een weg vinden naar het eerste niveau van de realiteit, om zijn domein uit te breiden. De eerste scheuring naar Kelewan was een ongelukje, en de Doodspriesters zijn niet zulke goede onderzoekers als jij of de Tsurani zijn, maar ze hielden vol en gebruikten de ervaring van elke gevormde scheuring om hun zoektocht naar een weg naar de eerste cirkel te verfijnen en verbeteren. De Doodspriesters stuurden... verkenners, kleine homunculi, met afweren die de energie leverden waarmee hun scheuringen konden worden gestabiliseerd. Ze zijn allemaal gesloten, op één na. Iemand aan de andere kant heeft hen geholpen, al is het moeilijk voor te stellen dat er iemand waanzinnig genoeg is om zoiets te doen.'  

'Leso Varen,' zei Puc met een misselijk gevoel in zijn maag. 'Hij is waanzinnig genoeg.'

'Vertel me later maar over hem. Hoe dan ook, de Dasati hebben voet aan de grond gekregen op Kelewan. De verzamelde macht van de Assemblee kan ze misschien een tijdje op afstand houden, Puc, maar uiteindelijk zullen de Dasati het eerste niveau van de realiteit bereiken en die wereld bestormen. Daarna vinden ze Midkemia, en van daaraf nog wie weet hoeveel meer werelden. Het evenwicht tussen het eerste en tweede niveau van de realiteit maakt al slagzij... Delecordia zou helemaal niet moeten kunnen bestaan, maar dat doet het wel. Als de Duistere God van de Dasati Midkemia bereikt, wordt het evenwicht vernietigd. Het eerste en tweede niveau van de realiteit zullen ineenstorten tot... iets anders, en miljarden mensen zullen omkomen.'  

'Ik weet niet of ik het helemaal begrijp, Macros. De Dasati zijn daar al. De agenten van de Duistere God hebben Kelewan al bereikt. Dus als die vreselijke dingen zouden gaan gebeuren, waarom zijn ze dan nog niet gebeurd?'

'Je begrijpt het inderdaad niet, Puc. De Duistere God is geen spiritueel, abstract iets dat zich korte tijd kan manifesteren, zoals de goden die je op Midkemia hebt ontmoet. De Duistere God is een monsterlijk wezen dat in een enorme zaal in het hart van deze wereld leeft. Hij eet zielen en eist elke dag honderden offers. Hij is echt, stoffelijk, en hij leeft voor de vernietiging.' Hij keek Puc aan. 'Ik heb agenten op hoge posities, maar niet voldoende. Ik denk dat de Dasati zich voorbereiden op een invasie. Er is veel gaande in deze stad, en in de Twaalf Werelden, waaruit ik afleid dat er een enorme mobilisatie ophanden is.'  

Puc knikte langzaam.

Macros kwam weer naast hem zitten. 'De talnoy. Wat weet je daarvan?'

'Tomas herinnert zich dat Asschen-Sukar tegen hen streed toen de Valheru probeerden het tweede niveau te bereiken. We hoorden van Kalkin dat ze de geest van een Dasati bevatten, die was gedood voor zijn levens energie om er een moordmachine van te maken.'

'Dat is deels waar,' zei Macros. 'Wat duidelijk zou moeten zijn, maar dat misschien niet is, is dat alle Dasatimagie een vorm van doodsbezwering is. Al hun energie komt voort uit het doden. Je herinnert je misschien nog wat Murmandamus deed tijdens de Grote Opstand. Nou, dat was nog maar een schijntje van wat de Dasati elke dag doen. Duizenden kinderen worden elk jaar gedood tijdens de Zuiveringen, en die energie wordt waar mogelijk gegrepen door Doodspriesters, en de uit hun lichaam gerukte zielen worden gevangengezet.' Macros zweeg even. 'Maar de talnoy zijn niet wat je denkt. Er zijn "talnoy" in dienst van de tekarana en zijn prinsen, de karana, maar zij zijn daar om de strijdgenootschappen in het gareel te houden. Het zijn in feite persoonlijk geselecteerde soldaten in valse wapenrustingen, en ze verschijnen alleen op bepaalde dagen bij speciale evenementen.'  

'Maar die op Midkemia dan?'

'Die zijn daar verstopt. Dat zijn de echte talnoy.'

'Wie heeft ze daar verstopt?'

'Dat is een mysterie. Misschien dat ik het vroeger heb geweten, maar nu niet meer. Misschien komt de herinnering nog terug. Of misschien ontdekken we het in de toekomst, maar op dit moment zal ik je vertellen wat je over die wezens moet weten: de talnoy zijn geen machines met de geesten of zielen van vermoorde Dasati. Ze zijn slaven, al duizenden jaren opgesloten. De geesten die erin huizen, zijn niet van Dasati, maar van de tienduizend verloren Dasatigoden.'  

Puc was bijna sprakeloos. 'Goden?'

'Net als de Midkemiaanse goden sterven ze niet gemakkelijk. En zelfs als ze dood zijn, lijken ze vast van plan dat niet te blijven. We kunnen er nog vele uren over speculeren, maar ik zal je vertellen wat ik denk: de Duistere wil naar Midkemia komen met als enig doel de vernietiging van de talnoy, en hij zal er daarbij niet voor terugdeinzen de hele planeet te verwoesten.'

'En wij moeten hem tegenhouden,' fluisterde Puc.

Macros knikte. 'Ja.'