18
Feestmaal
Grandy gierde van het lachen.
De prins van Roldem was dronken. Het was het eerste feest waarbij hij mocht eten en drinken zoals de ouderen. En voor een jongen van veertien was een beetje bier al heel wat.
De anderen waren allemaal twee of drie jaar ouder dan hij en de drie jongens van Tovenaarseiland dronken al bijna twee jaar als mannen. Dus zij bekeken, samen met Servan en Godfrey, de jonge prins met nauwelijks verholen vermaak. Grandy was die middag tijdens het gevecht eigenlijk nauwelijks in gevaar geweest, maar Servans bevel dat hij de vluchtende gewonden moest beschermen, had hem het gevoel gegeven dat hij echt iets had bijgedragen; meer dan in feite het geval was. Niettemin vierde hij het verdrijven van de invasietroepen van Bardacs Houvast met evenveel enthousiasme als de meest geharde soldaat in het leger.
Ze zaten rond een kampvuur, een klein stukje van de tent van de generaal vandaan, en luisterden naar de verhalen die de veteranen vertelden over de korte aanval op het oude fort. De commandant van de Houvastbrigade zag het onvermijdelijke gebeuren nadat de eerste projectielen van de blijde op zijn belangrijkste verdedigingsposities belandden, en gaf zich over. Zoals dat ging bij dergelijke snelle en relatief makkelijke overwinningen, werden de verhalen steeds grappiger naarmate de avond vorderde en het bier en de wijn rijkelijker vloeiden. Uiteindelijk stonden de laatste veteranen op en lieten de jongens alleen achter.
Kaspar had generaal Bertrand geholpen om over de voorwaarden voor overgave te onderhandelen, en de verslagen invasietroepen kampeerden nu onder bewaking een halve mijl verderop langs de weg. Ze zouden aan de lange mars naar huis beginnen zonder wapens en alle andere dingen die de overwinnende soldaten van hen konden afpakken, en de officieren zouden voor het losgeld worden vastgehouden om de kosten van de verdediging van Aranor goed te maken.
De nieuwe provincie had historische banden met Roldem - het grootste deel had vroeger bij het koninkrijk gehoord - maar de snelheid van de respons had de invasielegers niettemin verrast. Kaspar kende Bertrand, want hij had in Opardum gediend onder Quint Havrevulen, de huidige Ridder-Maarschalk. Kaspar had Havrevulen toen hij nog regeerde over Olasko bovendien zelf aangesteld om het leger te leiden.
Kaspar kwam uit de tent van de generaal en ging op een boomstam naast Servan zitten. 'Jullie hebben hier nogal een feestmaal,' merkte hij op.
Jommy lachte, duidelijk dronken. 'De proviandmeester had genoeg eten bij zich voor een maand, Kaspar. Hij had geen zin om het allemaal mee terug te slepen naar Opardum, denk ik, dus hij maakt alles nu op.'
'Maar goed ook,' zei de voormalige hertog. 'Veel ervan zou gewoon worden weggegooid...' Hij wilde zeggen 'thuis', aangezien de hoofdstad van Olasko heel zijn leven zijn thuis was geweest, maar dat was al drie jaar niet meer het geval, dus in plaats daarvan zei hij: '...daar.' Hij keek de zes jongens van de universiteit aan. 'Jullie hebben het goed gedaan vandaag, jongens. Die rotzakken die jullie aanvielen, waren een stel zwervers in een slechte bui die zin hadden in een knokpartij voordat ze terug vluchtten over de grens. Jullie hebben er zes gedood, en er nog eens zes verwond waardoor ze het vechten onmogelijk werd.' Hij glimlachte naar Servan. 'En het mooiste is nog wel dat jullie zelf niemand zijn kwijtgeraakt. Jullie hebben er nu twee lichtgewonden bij, maar verder was het prima werk.'
'Dat kwam door Servan,' zei Jommy. 'Hij heeft alles ter plekke georganiseerd, alsof hij zulke dingen al heel zijn leven deed, Kaspar.'
'Iedereen heeft zijn aandeel geleverd,' zei Servan bescheiden. 'Ze sprongen meteen op en hielden stand.'
'Nou, het is mooi, want we zullen veldcommandanten nodig hebben, en snel ook.'
'Hoezo?' vroeg Godfrey. 'Gaat Roldem de oorlog verklaren aan Bardacs Houvast?'
Kaspar schudde zijn hoofd. 'Nee, jonge vriend.' Hij keek de duisternis in en zijn ogen stonden bedroefd. 'Binnenkort zal iedereen oorlogvoeren.'
Godfrey keek alsof hij nog een vraag wilde stellen, maar zweeg toen Jommy hem een waarschuwende blik zond. Kaspar keek om zich heen. 'Toen ik nog een jongen was, nam mijn vader me mee hierheen om te jagen. Ik ben sindsdien verschillende keren terug geweest.'
'Het moet vreemd zijn om hier weer te komen,' zei Tad. 'Ik bedoel, nu je geen hertog meer bent.'
Kaspar glimlachte. 'Het leven heeft de gewoonte om te veranderen zonder je toestemming te vragen, Tad.' Hij keek de jongens om beurten aan. 'We maken plannen, maar het lot luistert niet altijd naar wat wij willen.' Hij stond op en keek naar het stralende gezicht van de jonge prins. 'En jij, jonge heer, zult het morgenochtend heel zwaar hebben als je niet ophoudt met bier drinken. Ik raad je aan om een paar slokken water te nemen voor je naar bed gaat.' Zonder het antwoord van de prins af te wachten, keerde Kaspar terug naar de generaalstent.
Jommy geeuwde. 'Nou, we kunnen waarschijnlijk beter naar bed gaan, aangezien we morgen vroeg weer moeten marcheren.'
Godfrey keek Kaspar na, die verdween in de tent. 'Ik vraag me af wat hij bedoelde, met ''iedereen zal oorlogvoeren".' Zane keek Tad aan, die op zijn beurt naar Jommy keek. Jommy haalde zijn schouders op en plotseling was het stil. Grandy zat te grijnzen en keek op naar zijn vrienden, die ongerust zwegen. Zijn grijns vervaagde en uiteindelijk keek Jommy omlaag, legde zijn hand op de schouder van de prins en zei: 'Kom, we gaan wat water drinken, jongeman. Kaspar heeft gelijk. Anders ben je morgen zo ziek als een hond.'
Zwijgend maakten de jongens het zich gemakkelijk rondom het kampvuur, terwijl Jommy met Grandy op zoek ging naar een grote emmer drinkwater.
Valko stond aan het hoofd van de tafel. De Ruiters van de Sadharin sloegen met hun gepantserde vuisten op het oude hout en brulden goedkeurend. De nieuwe Heer van de Camareen had de andere leiders van zijn genootschap uitgenodigd om zijn nieuwe machtspositie te vieren.
Narueen had haar zoon zeer precies geïnstrueerd over de juiste volgorde van zaken nadat het lichaam van zijn vader in de crypte van hun voorvaderen was gelegd. Er werd een formele boodschap gestuurd naar de karana in Kosridi Stad, om te melden dat Valko nu de mantel van de Camareen droeg en te smeken om erkenning; al verzekerde ze hem ervan dat dat slechts een formaliteit was. Toen waren er boodschappers vertrokken naar alle bloedverwanten die stonden opgetekend in de Zaal van Voorouders, wederom een formaliteit, en vervolgens ging de uitnodiging naar de Sadharin, die volgens haar veel meer was dan een formaliteit. Want de broederschap van de Sadharin was meer dan zomaar familie: het was een strijdgenootschap dat het keizerlijk beleid kon beïnvloeden en zelfs de machtsverhouding kon doen verschuiven tussen facties in de Langradin, clans omver kon werpen en families kon verwoesten. Narueen had al vier ruiters genoemd met dochters die gunstige partners voor hem zouden zijn. Valko moest er vanavond een kiezen die hem zijn eerste kind zou schenken. Narueen had hem fluisterend op de hoogte gebracht in de duisternis voordat de zon opkwam, en de plannen waren gesmeed. De Zusterschap van de Bloedheksen had ongeëvenaarde kunsten tot hun beschikking, en Narueen zou bepalen of de jonge heer van de Camareen zoons of dochters zou krijgen. Twee zoons, had ze hem verteld, zouden binnen een maand worden verwekt, en daarna twee dochters.
Hun Schuilgaan zou anders zijn dan alle andere in de geschiedenis van de Dasati, want er waren speciale regelingen getroffen met sympathiserende Zorgers, zusters van de Bloedheksen en een paar vertrouwde strijders, die ervoor zouden zorgen dat de locatie van dit Schuilgaan nooit werd ontdekt en nooit werd gezuiverd. Binnen twintig jaar zouden twaalf sterke zoons en dochters zich melden bij Kasteel Camareen, en dan zou Valko almaar meer macht krijgen.
Valko stond op en schreeuwde: 'Lang leve de Sadharin!'
De vijftig heren van de Sadharin sloegen nog harder op de tafel en joelden hun strijdkreet. Heer Andarin van de Kabeskoo brulde: 'Lang leve heer Valko!'
Valko pakte zijn kruik wijn op en dronk eruit. Zijn moeder had ervoor gezorgd dat er heel veel water in zat, want terwijl alle andere heren van de Sadharin dronken werden, moest haar zoon zijn verstand erbij houden.
Aan de tafels die lager stonden dan de enorme houten plank voor de heren van de Sadharin, zaten de vrouwen en dochters vol belangstelling en vermaak naar hun mannen te kijken. Er waren meerdere dochters die probeerden de blik van de jonge heer te vangen. Maar Valko had alleen oog voor zijn moeder, die zich sierlijk tussen haar gasten mengde en ervoor zorgde dat niemand iets tekort kwam. Ze bleef achter heer Makara's dochter staan en legde haar hand op de schouder van het meisje. Valko liet niets merken, maar hij wist dat dit een duidelijke instructie van zijn moeder was: met haar moest hij vannacht het bed delen. Hij bekeek het meisje. Ze was mooi en keek hem openlijk hongerig aan; hij wist dat ze blij zou zijn als ze zich tegenover getuigen bekend mocht maken. Haar vader zou het toejuichen nauwere banden met de opkomende jonge heer te smeden, want hij zou Valko zien als zijn vazal, hoewel hij al snel zou beseffen dat het omgekeerd was.
Valko keek de kamer rond en glimlachte. De eters werden steeds luidruchtiger. Hij genoot van hun goedkeuring en van zijn eigen jeugdige kracht. Veel van wat zijn moeder hem had geleerd, begon te vervagen toen zijn Dasati-aard zich liet gelden, en hij nam een grote slok uit zijn kruik. Hij wilde wijn!
Toen hij zich omdraaide om nog een kruik naar zijn tafel te laten brengen, werd hij tegengehouden door een zachte hand op zijn pols. Op een of andere manier had zijn moeder zijn stemming gepeild en het verslappen van zijn aandacht voorzien. 'Het is tijd voor het amusement, mijn zoon,' zei ze, zo zachtjes dat alleen hij het kon horen.
Valko keek haar even aan en knikte toen. 'Mijne heren!' riep hij. 'Voor uw vermaak!'
De deuren naar de zaal gingen open en een dozijn bedienden haastte zich naar binnen met een enorme pot van aardewerk. Er werd een tegenstribbelende jongen naar binnen gesleept, die aan handen en voeten gebonden was. Valko grijnsde en kondigde aan: 'Deze jongen wilde het kasteel van zijn vader bereiken, om hem uit te dagen voor een plek in zijn huishouding, en kwam gisteravond in een vadoonstrik terecht!'
Zijn mededeling was aanleiding tot woest gelach, want vadoons waren domme grazers die gemakkelijk te vangen waren. De beesten werden voornamelijk gevangen voor hun huiden, en ze ergerden eigenaren van boomgaarden omdat ze fruitbomen vernielden. De knaap moest wel heel onoplettend of heel dom zijn dat hij in zo'n strik was getrapt.
'Laat me gaan!' gilde hij toen hij in de pot werd gezet. Hij was bereid met blote handen en voeten te vechten als hij de kans kreeg, maar de bedienden duwden hem omlaag tot hij klem zat in de pot, met zijn knieën onder zijn kin. Hoe hij ook zijn best deed, uit deze positie kon hij zich niet zonder hulp bevrijden, en niemand zou hem helpen.
Valko schreeuwde: 'Je bent een beest! Zelfs te stom om te vechten voor je plek tussen de mannen. En je zult sterven als een beest!'
De jongen begon te schreeuwen, een reeks woeste grauwen en onverstaanbare kreten. De gasten lachten, want zijn machteloze frustratie en woede waren grappig. Valko gebaarde, en bedienden begonnen emmers water over het hoofd van de jongen te gieten. Hij spoog en brulde het uit, en het gelach in de ruimte werd alleen maar luider.
'Vroeger,' zei Valko, 'vond men het grappig om een zwakkeling in koud water te zetten en dat dan langzaam aan de kook te brengen. Nu hebben we geen vuur nodig, want er zijn andere middelen die datzelfde bereiken zonder hitte.' Hij gebaarde nog eens. De bedienden strooiden de inhoud van twee zakken in het water en stapten toen achteruit.
De chemische middelen begonnen te reageren en het water ging borrelen. Het woedende geschreeuw van de opstandige jongeling veranderde al snel in kreten van pijn.
Er kwam iets van het watermengsel op een bediende terecht die in de buurt stond, en hij klauwde gillend van pijn naar zijn ogen.
De gasten kregen de slappe lach. Hoe harder de gevangene gilde, hoe groter de hilariteit onder de gasten werd. De jongen verzette zich hevig, waardoor spetters vloeistof op zijn schouders, nek en gezicht belandden, en er zich blaren en roodoranje wonden begonnen te vormen.
Het gekrijs hield bijna een kwartier aan, en toen de gevangene op het randje van de dood was, zag Valko de gasten opstaan van hun stoel en gretig toekijken. De vrouwen waren opgewarmd, zag Valko, aangezien veel van hen met hun handen over hun lichaam gingen en veel mannen duidelijke tekenen van lust vertoonden.
Zijn moeder had gelijk gehad. Eén enkel slachtoffer op het juiste moment was veel effectiever dan de willekeurige slachtpartijen die meestal werden georganiseerd voor dit soort evenementen. Kijken naar zes Minderen die werden vertrapt door beesten of opgevreten door uitgehongerde zarkis was te veel van het goede en leidde af, maar één sterfgeval, kunstig georganiseerd, zorgde voor een intense concentratie.
Valko gebaarde naar een bediende. 'Vraag aan heer Makara's dochter of ze naar me toe wil komen.'
De bediende rende naar het meisje dat hij had aangewezen en fluisterde haar iets toe. Ze draaide haar hoofd en haar ogen glansden gretig terwijl ze met haar handen de stof van haar jurk vastgreep. Valko wist dat als hij het wilde, ze zich nu meteen door hem zou laten nemen, in het bijzijn van alle gasten.
Verschillende heren van de Sadharin waren opgestaan van de hoofdtafel en dicht bij de vrouwen gaan staan die ze vanavond mee naar bed zouden nemen. Valko nam aan dat er in de loop van de komende jaren heel wat aanspraken zouden volgen, dat vele zoons zouden arriveren bij kastelen als resultaat van de paring van vanavond. Alleen Valko, zijn moeder en een handjevol Ruiters van de Sadharin wisten dat elk van die koppels was geregeld door de Bloedheksen, en dat elk kind dat uit deze avond zou voortkomen en het Schuilgaan overleefde, een dienaar van de Witte zou worden.
Gedachten aan de Witte waren moeilijk vast te houden in de van bloed en lust doortrokken roes van het moment. Valko glimlachte toen de jongeling zijn laatste adem uitblies en zei: 'Zwakkeling.'
Zijn moeder fluisterde: 'Hijwas geen toevallige passant op het land van de Camareen, mijn zoon. Hijwas onderweg naar dit kasteel. Hijwas Arukes zoon. Jouw broer.'
Valko voelde een vreemde kilte in zich opkomen en draaide abrupt zijn hoofd om. Hijkeek zijn moeder in de ogen en op dat ogenblik waren zijn gevoelens zo verward dat hij niet wist of hij zich ervan kon weerhouden haar te slaan. Maar haar zachte aanraking gaf hem richting. 'Als je iets anders had gedaan, zou je dodelijk zwak zijn geweest in de ogen van je gasten: je zou iedereen hebben laten zien dat je het niet echt waard was om de Camareen te leiden. Je moet alleen wel de prijs weten van wat je doet. Je strijd is nog maar net begonnen, mijn zoon, en de pijn die je nu voelt, zal terugkeren, vele keren in de jaren die komen.' Ze streelde over zijn wang, zoals ze altijd had gedaan toen hij klein was. 'Ga nu,' fluisterde ze. 'Zet alle gedachten aan pijn en leed, bloed en dood van je af. Ga een sterke zoon maken.'
Valko zette zijn verwarring van zich af, verliet de tafel en vond het meisje wachtend bij de deur van de gang naar zijn kamers. Hijlegde een arm om haar middel en omhelsde haar ruw, hongerig en zonder tederheid. Toen pakte hij haar hand en nam haar mee zijn slaapkamer in.
Het was een vreemd avondmaal. Puc zat aan het hoofd van de tafel, met Martuch tegenover zich. Ipiliac, gekleed in vreemde kleding, liepen stilletjes rond om schalen neer te zetten of weg te halen en kruiken en kommen te vullen, alles zonder een woord te zeggen.
Martuch stond erop dat ze een week lang voor hun vertrek elke avond zo moesten eten, want dat was, zeihij, de beste manier waarop ze konden wennen aan alles wat Dasati was.
'Diteten is niet precies wat je op Kosridi zult krijgen, maar het lijkt erop. Voldoende om te zorgen dat je niet op een onverwachte manier zult reageren op een heel normaal gerecht. Degenen die je bedienen, gedragen zich zoals Minderen doen, dus let op ze. Je zult bijna nooit aan een tafel zoals deze zitten, want dit is hoe de strijders eten. De enige keer wanneer mannen en vrouwen aan één tafel eten, is wanneer ze alleen zijn, misschien na het copuleren.'
Puc knikte. Martuch was een uitmuntend leermeester geweest. Zijn geest was een schatkist met een miljoen details over het Dasatileven. Puc kon zich niemand voorstellen die geschikter zou zijn om hen op deze expeditie voor te bereiden.
Ze hadden wekenlang de taal geoefend en een overtuigend verhaal verzonnen; dat zij drie Zorgers waren die Martuch dienden. En de jonge strijder Bek was de zoon van een verre edele in een lager genootschap die een pelgrimage maakte naar Omadrabar, de stad van de tekarana. Dat was niet ongehoord, vooral als de jonge strijder overwoog Doodspriester te worden. Want in Omadrabar stond de grote tempel van de Duistere, waar volgens Martuch de levende god woonde en waar alle macht vandaan kwam.
Puc maakte zich zorgen over Bek, hoewel Nakur zei dat de jonge strijder wel in toom gehouden kon worden. Hij leek wel een heel ander wezen hier op Delecordia, en Puc vroeg zich af welke veranderingen hij nog zou ondergaan op het tweede niveau van de realiteit. Bek werd op veel manieren een Dasati. Hij hoefde maar één keer te horen wat er van hem verwacht werd, en dan deed hij dat, zonder falen.
Nakur had vanaf het begin aangegeven dat hij vermoedde dat er iets buitenaards, gevaarlijks, misschien zelfs iets dat verbonden was met de Naamloze, binnen in Bek zat. Maar misschien kwam die duisternis wel van de Duistere God van de Dasati. Puc vond het vreselijk dat er zoveel onbekende factoren waren, maar hij vertrouwde erop dat hij het in ieder geval zou overleven; hoe had hij anders die boodschappen aan zichzelf kunnen sturen?
Om Magnus en Nakur maakte hij zich de meeste zorgen, want hij wist in zijn hart dat Lims-Kragma's overeenkomst met hem, toen hij bijna dood in haar zaal lag, geen loos dreigement was geweest. Hij zou iedereen van wie hij hield zien sterven, ook zijn kinderen. Maar elke dag bad hij dat vandaag niet de dag zou zijn waarop die pijn begon. Nu vroeg hij zich af of hij gedoemd was zijn zoon en Nakur allebei te verliezen tijdens deze waanzinnige missie.
Puc zette zijn bedenkingen uit zijn hoofd, want hij wist dat het zonde van de energie was, zowel mentaal als emotioneel, om zich druk te maken over dingen waar hij niets aan kon veranderen. Elk lid van het Conclaaf ging er bewust mee akkoord het gevaar op te zoeken en zijn leven te riskeren voor een groter goed. Maar toch, dat besef maakte Pucs zorgen niet minder.
Martuch zou de mentor van de jonge Bek spelen, een strijder die trouw had gezworen aan Beks zogenaamde vader. De bondgenootschappen van de Dasati waren zo complex, zo meerlagig van aard dat niemand anders dan een Voorziener die in de Zaal van Voorvaderen werkte elke genoemde heer, familie, clan of strijdgenootschap zou kunnen herkennen.
Denkend aan dat onderwerp zei Puc: 'Martuch, je zei dat je een Ruiter van de Sadharin gaat spelen. Is dat een realistische positie voor je, of een dekmantel?'
De oude strijder knikte. 'Ik kom uit dat genootschap. Je zult zien dat we onder Dasatistrijders gerespecteerd worden en een lange, glorieuze geschiedenis hebben. Bovendien zijn er onder de leden veel die onze zaak een warm hart toedragen.' Hij pakte een stuk pombafruit, scheurde het met zijn duimen open en beet in het geurige vruchtvlees. 'De agenten van de Duistere zouden dit bijzonder graag willen weten, Puc. Als bekend wordt dat enkele leden van de Sadharin sympathie hebben voor de Witte, leidt dat gegarandeerd tot de totale uitroeiing van ons genootschap. De tekarana, in het verre Omadrabar, kan een hele streek van Kosridi laten verwoesten, gewoon om ervoor te zorgen dat de ''infectie'' geheel wordt uitgeroeid. Het zou duizenden levens kosten.'
'De Witte?' vroeg Puc. 'Wie of wat is de Witte?'
'Dat is een lang verhaal, of eigenlijk een reeks lange verhalen,' zei Martuch. 'Maar dit kan ik je wel vertellen: in vroeger tijden waren er twee krachten die ons universum bestuurden, de Duistere en de Witte.'
'Aha,' zei Nakur. 'Kwaad en goed.'
'Zo noemen jullie ze.' Martuch haalde zijn schouders op. 'Ik heb het nog altijd moeilijk met die concepten, hoewel ik ze wel voor waar heb aangenomen. Ons hele leven horen we dat "de Witte" iets is wat je moet vrezen, een ziekte binnen de Dasati-samenleving, en mijn moeder heeft me als kind in het Schuilgaan meer dan eens gewaarschuwd dat als ik niet gehoorzaam was, ik naar de Witte zou gaan.' Hij lachte bij de herinnering. 'Ik vraag me af wat ze nu zou zeggen.'
Martuch legde zijn mes neer en vervolgde: 'De Witte is een organisatie, maar het is ook een geloof, een fervente hoop dat er meer in het leven is dan gedachteloze slachtpartijen-en Zuiveringen. We hebben niet veel van wat jullie zien als beschaafde gebruiken - muziek, kunst, literatuur - dingen die de Ipiliac heel gewoon vinden, en jullie mensen ook, vermoed ik. Toen ik voor het eerst een boek zag dat niet religieus was of een waarschuwende fabel over de macht van de Duistere, kon ik mijn ogen nauwelijks geloven. Wat voor waanzin was dat, dat iemand was gaan zitten om betekenisloze woorden op te schrijven voor het vermaak van anderen? En dan die muziek die niet bestaat uit strijdliederen of tempelpsalmen! De Minderen hebben hun werkliederen, maar muziek die alleen dient om voor je genoegen naar te luisteren? Heel apart.
Ik werd hierheen gestuurd om die dingen te leren, Puc, en aangezien ik als Dasati het best met jullie kon communiceren, kreeg ik de taak om jullie te begeleiden.'
Weer had Puc het donkerbruine vermoeden dat Vordam niet zomaar een gids voor hen had gezocht, maar dat er meer achter zat. 'Wie heeft je gestuurd?'
Puc had die vraag al eerder gesteld, en kreeg nu weer hetzelfde antwoord. 'Er zullen je nog veel dingen worden verteld, maar niet dat, niet nu.' De toon waarop Martuch sprak liet er geen twijfel over bestaan dat dat onderwerp taboe was.
'Begrepen,' zei Puc. De Dasati deden niet aan halve maatregelen, had hij geconcludeerd. Ze waren de gevaarlijkste sterfelijke wezens die hij ooit had ontmoet. Ze waren niet alleen sneller dan mensen, feller dan jachttrollen en dapperder dan de moedigste Tsuranistrijder, maar ze hadden bovendien een gedachtewereld die je alleen kon omschrijven als moorddadig. De dood was hun antwoord op de meeste sociale problemen, en Puc vroeg zich af hoe zo'n samenleving had kunnen ontstaan, en hoe die kon overleven. Hij herinnerde zich dat Nakur dikwijls had gezegd dat het kwaad per definitie waanzinnig was. Als dat waar was, dan waren de Dasati de waanzinnigste wezens in twee universums. Maar op basis van wat hij van het Orakel had gehoord en wat hij uit Martuchs informatie had kunnen afleiden, was die samenleving niet altijd zo geweest. De opkomst van de Duistere God van de Dasati ging schuil in de nevelen van het verre verleden, en werd vertroebeld door mythes en legenden, maar het was pas relatief laat in de geschiedenis van het ras gebeurd. Tot die tijd hadden ze veel geleken op de Ipiliac: complex, voornamelijk vredig, en productief.
'In onze geschiedenis is er een tijdperk dat bekend staat als de Chaos oorlog,' zei Puc tegen Martuch. 'Toen kwamen sterfelijke wezens en lagere goden in opstand tegen de hogere goden. Het is een tijd die verloren is geraakt in de geschiedenis, maar we weten er wel iets van. Volgde de opkomst van de Duistere ook na zo'n conflict?'
'Ja,' antwoordde Martuch. 'Ze zeggen dat de winnaars de geschiedenis schrijven, en de Doodspriesters maken geen onderscheid tussen leerstellingen en geschiedenis. De geschriften van Zijne Duisternis zijn wat ons betreft geschiedenis. De enige reden waarom ik van die verschillen weet, is dankzij de archieven van de Ipiliac, die teruggaan tot voor hun vlucht vanaf Omadrabar.'
'Die archieven zou ik graag zien, als er tijd voor is.'
'Ja, die is er wel, en het zou een verstandig gebruik zijn van jullie resterende tijd hier.'
'Waarom ben jij naar Delecordia gekomen?'
'Dat is een verhaal voor een ander moment, dat zal moeten worden verteld door iemand anders. Maar dit wil ik wel kwijt: tot vijfentwintig van jullie jaren geleden, leek ik veel op elke andere jonge Dasatistrijder. Ik had het Schuilgaan overleefd, mijn weg naar het kasteel van mijn vader gevonden en een andere strijder gedood in de Beproevingszaal om mijn plaats in zijn huis te verdienen. Ik werd verwelkomd bij de Sadharin en deed alles wat een goede Dasatistrijder zou doen. Ik joeg op kinderen tijdens Zuiveringen, doodde vrouwen die hen probeerden te beschermen, paarde met vrouwen om politiek voordeel te behalen, en was altijd bereid de roep van de karana te beantwoorden en de wapens op te pakken.
Twee keer heb ik geholpen een opstand neer te slaan, of zo werden ze althans genoemd door degenen die hun vijanden wilden vernietigen, en drie keer heb ik gediend in campagnes tegen rivaliserende strijdgenootschappen. Ik heb zes grote verwondingen opgelopen en meer lichte dan ik kan tellen, maar ik twijfelde niet aan mijn superioriteit. Er kwamen zoons die het overleefden, en ik vond een vrouw die me dermate behaagde
dat ik, toen onze zoon aankwam, haar vroeg zich bij mijn huishouding te voegen. We hadden wat jullie een "gezin" zouden noemen. Dat concept bestaat niet in de geest van de Dasati, maar dat was ik: de gelukkige vader van een gezin.
Toen gebeurde er iets en veranderde het leven dat ik kende.
Ik zou mezelf nooit meer kunnen beoordelen volgens de normen van mijn ras, en sinds die tijd probeer ik mijn volk te veranderen.' Hij staarde voor zich uit alsof hij het verleden weer voor zich zag. 'Mijn vrouw - echtgenote, als je wilt - mist me, zoals ze me zo vaak vertelt. Mijn zoons beheren ons kleine landgoed best redelijk, en we leven in een tijd van relatieve vrede.' Hij legde de schil van de vrucht die hij had gegeten neer en veegde zijn handen af aan een doek. 'Alles is zoals het zou moeten zijn in het Dasatirijk,' zei hij op droge, bittere toon. 'De enigen die sterven, zijn de onschuldigen.'
Puc zei niets.
Martuch grinnikte. 'Weet je dat er in de taal van de Dasati geen woord is voor "onschuldig"? Het woord dat er het dichtst bij in de buurt komt, is "onbebloed", wat betekent dat je nog geen leven hebt genomen.' Hij schudde zijn hoofd terwijl hij naar zijn wijnbeker reikte. 'Om onschuld te kennen, moet je weten wat het concept "schuld" inhoudt. Dat is nog zo'n woord dat wij niet hebben. Wij spreken over "verantwoordelijkheid". Ik denk dat het komt doordat de schuldigen al dood zijn ... van binnen.' Hij stond op. 'Excuseer mij. Ik heb te veel gedronken.' Hij keek Puc aan. 'Het archief is buiten, aan het eind van de straat links. Het lijkt veel op de andere gebouwen, maar er hangt een blauw vaandel met een witte cirkel boven de ingang. Ga daarheen, en alles wat je wilt zien, zal je worden getoond. Ik kom morgen laat in de middag terug. Goedenacht.' Met die woorden vertrok hij.
Magnus wendde zich tot zijn vader. 'Vreemd.'
'Ja, behoorlijk,' zei Puc. 'Vanuit het oogpunt van de Dasati...'
'...zijn jullie zwak en verdienen jullie de dood,' zei Bek.
'Mijn vader is nauwelijks zwak te noemen,' zei Magnus. 'Dat is niemand van ons.'
'Ik bedoel jou of je vader niet,' zei de jonge strijder. 'Ik bedoel mensen in het algemeen. Jullie zijn zwak en verdienen de dood.'
Puc merkte dat Bek over mensen sprak als 'jullie' in plaats van 'wij'. Hij keek Nakur aan, die lichtjes zijn hoofd schudde.
'Vader, ik denk dat ik ook maar naar mijn kamer ga,' zei Magnus. 'Ik wil nog een tijdje mediteren voor ik ga slapen.'
Puc knikte en de jonge magiër verliet de kamer. De bedienden stonden te wachten, en Puc besefte dat ze niet zouden vertrekken tot zij ook weg waren. Hij gebaarde naar Nakur, die zei: 'Kom, Bek, we gaan een eindje wandelen.'
Ralan Bek stond energiek op. 'Mooi. Ik wandel graag door deze stad. Er zijn hier zoveel interessante dingen te zien, Nakur.'
Puc en Nakur kwamen overeind en volgden Bek de vroege avondlucht in. Puc haalde diep adem en zei: 'Ik denk dat we ons helemaal hebben aangepast, want het ruikt hier nu net zoals in Krondor of Kesh.'
'Beter,' zei Nakur. 'Niet zoveel rook en afval.'
Terwijl ze over straat liepen, zei Puc: 'De Ipiliac zijn veel pietluttiger dan mensen, denk ik door alles wat ik hier zie.'
'Ja,' zei Bek. 'Dit is een hele mooie stad. Het zou best leuk zijn de boel te zien fikken.'
'Misschien ook niet,' zei Nakur snel. 'De ene brand lijkt toch veel op de andere.'
'Maar denk je eens in hoeveel groter de brand hier zou zijn, Nakur.'
'Misschien heeft hij iets van Prandur in zich?' zei Puc zachtjes, verwijzend naar de vuurgod die bekendstond als de 'Stedenbrander'.
Nakur grinnikte. 'Bek, wil je iets nieuws zien? Iets wonderbaarlijks?'
'Ja, Nakur, graag. Het is hier interessanter dan de meeste plekken waar ik ben geweest, maar de laatste tijd verveel ik me bij al dat zitten en praten.'
Puc keek Nakur aan, die gebaarde dat hij moest wachten en zei: 'Je kunt morgen wel naar het archief. Dit is iets wat jij ook zou moeten zien.'
Ze wandelden door de stad, knikten beleefd naar passerende burgers en kregen maar af en toe een vreemde blik toegeworpen. Martuch en Kastor hadden allebei gezegd dat bezoekers uit andere werelden hier niet vaak werden gezien. Toen ze bij de oostpoort van de stad waren aangekomen, wees Nakur omhoog. 'Op die heuvel.'
'Waar gaan we naartoe?' wilde Puc weten.
'Wacht maar af,' zei de kleine gokker met een vergenoegde glans in zijn ogen.
Ze beklommen de heuvel, en toen zagen Puc en Bek wat Nakur hun had willen tonen. In de verte rees een glinsterende streep op uit het oosten, die omhoogstak in de nachthemel en verdween in de verte.
'Wat is dat?' vroeg Bek.
'De Sterrenbrug,' antwoordde Nakur. 'Martuch zei dat we hem op een heldere nacht zouden kunnen zien. Die stad daar is Desoctia, en de Ipiliac gebruiken die brug om te reizen naar een wereld die Jasmadine heet. Het is dezelfde magie die wij gaan gebruiken om tussen de Dasati-werelden heen en weer te reizen, hebben ze me verteld.'
'Hoe ver weg is die stad?' vroeg Puc. 'Zo'n tweehonderd mijl in vogelvlucht.'
'Dan moet dat wel een heel grote brug zijn,' zei Bek. 'Of het is heel helder weer,' merkte Puc op.
Ze bleven een tijdje zwijgend staan kijken naar de gloed van de lichtbrug in de verte, die hen naar een ander niveau van de realiteit zou brengen.