14

Feest

 

Puc viel aan.

Martuch stak zijn handen op en voor zijn gekruiste polsen verscheen een glanzende schijf: een schild van energie. De blauwe schicht die Puc had geworpen, ketste nutteloos af in de lucht.  

Puc, Nakur en Magnus hadden eerder die middag afgesproken met Martuch, die hen was voorgegaan naar een relatief verlaten weiland in de heuvels, een klein stukje lopen vanaf de stad. Puc zag dat er overal gecultiveerde akkers waren, maar geen boerderijen.  

'Die zijn niet gebruikelijk bij ons,' had Martuch gezegd. Toen legde hij uit dat boeren een kaste van arbeiders waren die werkte voor groepen ontwikkelaars, molenaars en graan- en groenteexporteurs. De boerenarbeiders woonden in kamers in grote gebouwen, die hij 'appartementen' noemde. Ze reden elke morgen op wagens naar de akkers en keerden bij zonsondergang weer terug. Hij zei dat het een erfenis was van hun Dasati-afkomst, want op de Twaalf Werelden was 'kracht in aantallen' niet enkel een loze kreet, maar een motto waar mensen naar leefden: de roedels roofdieren op de Dasatiwerelden waren zo gevaarlijk, dat een boerenfamilie alleen in een huisje het nog geen jaar zou overleven.  

Iets anders wat Puc opmerkte, was dat hij vaak de term 'ons gebruik' bezigde. Wat hij verder ook van de Ipiliac vond, hij zag ze als gelijk aan de Dasati.

'De Dasati zien magie als een hulpmiddel,' zei Martuch, 'en dan bedoelen ze in feite natuurlijk gewoon een wapen. Ik denk dat zodra jullie de details doorhebben van het gebruik van magie in deze omgeving, je meesterschap je superieur zal maken aan andere gebruikers van magie, Puc.'  

Tegen Nakur en Magnus zei hij: 'Jullie zullen alle drie waarschijnlijk superieur zijn. Maar onderschat de felheid van degenen die je tegenkomt niet. Een Doodspriester in zijn eentje is geen partij voor jullie, maar een stuk of zes die als groep opereren zijn sterker. Het zijn fanatiekelingen in jullie ogen, net als elke andere man, vrouwen kind in dat rijk.  

Ze leven volgens een standaard die je niet eens een "code" kunt noemen. Het is een stel instinctieve reacties die in de loop van duizenden jaren zijn ontwikkeld doordat ze leven in een wereld waar aarzeling de dood betekent.' Hij keek de drie magiërs in dringend aan. 'Als je nadenkt, sterf je.'  

'Je schetst een grimmige realiteit,' zei Magnus.

'Het is alles wat ze kennen. Het is voor hen niet grimmig, want zij zijn de overlevenden, de winnaars - zelfs de laagste onder hen - en daaruit putten ze trots en voldoening. De laagste van de Minderen, die de smerigste klusjes moet doen, kan zich superieur voelen aan de mislukte zoon van de tekarana zelf. Het is een gevoel dat daar normaal is en dat jullie niet begrijpen.'  

'Dat had ik uren geleden al door, Martuch,' zei Nakur. 'Wat ik zou willen weten, is hoe het komt dat jij zo anders bent dan je broeders?'

'Dat is iets wat we later nog wel zullen bespreken, binnenkort zelfs. Ik heb besloten dat ik jullie gids zal zijn. En daarnaast zweer ik dat ik alles zal doen wat in mijn macht ligt om jullie weer thuis te krijgen.'

'Daar zeg je zo wat...' zei Magnus. 'Nu we al deze veranderingen hebben ondergaan, hoe overleven we dan als we weer naar huis gaan?'  

'Zonder problemen, denk ik,' zei Martuch. 'De aard van de verschillen tussen het eerste en tweede vlak van de realiteit is zodanig dat zodra jullie weer thuis zijn, jullie vanzelf weer teruggaan naar je oude toestand. Je zult misschien een paar dagen in bed willen blijven, en ongetwijfeld het gevoel hebben dat je doodgaat, maar dat gebeurt niet. Zie het maar als een behoorlijk zware griep of een stevige kater, maar dan veel erger en een week lang. Maar dan gaat het over.

Er is een elegantie in de orde van de natuur, een statige progressie van het universum die voorschrijft dat dingen moeten blijven waar ze horen. Aangezien jullie vastberaden zijn om dat niet te doen, is het universum geneigd jullie te vergeven en jullie weer aan haar boezem te drukken zodra jullie terugkeren.' Hij tuurde naar Puc, een gewoonte waarvan Puc had opgemerkt dat het meestal betekende dat hij ergens heel nieuwsgierig naar was. 'Dus mag ik dan nu de reden weten waarom jullie ergens naartoe willen waar geen enkel verstandig lid van jullie ras ooit naartoe zou willen gaan?'  

Puc keek Nakur aan, die eenmaal knikte. Aan Martuch vroeg hij: 'Wat weet jij over de talnoy?'

Martuch zette grote ogen op. 'Ten eerste dat je dat woord niet eens zou moeten kennen, laat staan dat je hoort te weten wat het is. Ten tweede dat het een... godslastering is. Hoezo?'

'We hebben er een.'

Nu keek Martuch volkomen ontdaan. 'Waar? Hoe?'

'Dat is de reden dat we naar de Dasatiwerelden moeten,' zei Puc. 'Ik zal je later alles vertellen, maar voorlopig is het genoeg als je begrijpt dat de aanwezigheid van de talnoy op mijn wereld de reden van onze zorg is.'

'Nou, en terecht, mens,' zei Martuch. 'Het is iets waar zelfs de dapperste Dasatiheld bang voor is, een monstruositeit uit de bloedigste tijden in de lange, gewelddadige geschiedenis van mijn volk.' Hij zweeg even en zei toen: 'Dit verandert de zaak.'

'Hoezo?' vroeg Puc. 'Je verandert toch niet van gedachten?'

'Nee. Integendeel, ik ben nu nog vaster van plan jullie te brengen naar waar jullie willen gaan. Ik zei dat jullie het Spel van Goden speelden, maar nu is de inzet nog veel hoger dan jullie ooit hadden verwacht.

Ik moet even iemand spreken, en hij zal op zijn beurt een gesprek met een ander hebben. Als we hebben overlegd, kom ik terug en dan praten we over dingen waar geen sterveling, menselijk of Dasati, ooit over na zou moeten denken, laat staan dat hij het ertegen wil opnemen.' Hij keek om zich heen alsof hij zich plotseling zorgen maakte dat ze werden afgeluisterd. Het gebaar was bijna grappig op hun huidige locatie, maar Puc begreep de implicaties. 'Ik kom zo snel mogelijk terug. Het zal jullie duidelijk zijn dat jullie hierover met niemand anders moeten spreken, zelfs niet met Kastor. Laten we nu teruggaan naar de stad, en dan vertrek ik.'  

Puc en de anderen wisselden blikken en volgden de duidelijk opgewonden Dasati.

 

Valko genoot niet van het feest. Het was vreemd en verontrustend voor hem, hoewel zijn moeder dergelijke sociale bijeenkomsten wel eens had beschreven. Het leek wel alsof zij een buitengewoon vermogen had om te zien wat voor anderen onzichtbaar was. Of misschien was ze gewoon beter in het negeren van wat anderen verblindde of een rad voor ogen draaide. Dit was wat zijn moeder de 'sociale oorlogsvoering' van de Dasati had genoemd.  

Zoals Hirea had voorspeld, gedroegen de meesten van zijn medestudenten zich als tavaks, behalve Seeleth, die zich net als Valko had teruggetrokken in een hoekje van de ruimte om te observeren.

Verschillende vrouwen hadden al toenadering tot hem gezocht: jonge dochters van lagere strijders, en ook een opmerkelijk mooie dochter van een Mindere Voorziener die zich specialiseerde in de groothandel van wapens en wapenrusting. Haar vader was voor zover Valko kon bepalen een insect, maar wel een erg succesvol insect. En zijn dochter was buitengewoon aantrekkelijk en gebruikte haar schoonheid als een stormram tegen een stadspoort. Valko twijfelde er niet aan dat verschillende van zijn dommere medestrijders met genoeg wijn op zouden vechten om haar, misschien zelfs bloed zouden vergieten. Valko keek naar de manier waarop ze bewoog, de manier waarop haar verder heel fatsoenlijke kleding suggestief elke ronding van haar lichaam volgde, en de manier waarop ze glimlachte. Hij vermoedde dat ze met afstand de gevaarlijkste persoon in het vertrek was.  

Hij overwoog wat Hirea eerder had gezegd over de relaties tussen families en clans, huizen en dynastieën, en dacht aan wat zijn moeder hem had geleerd. Wat zij zei, was in tegenspraak met de conventionele wijsheid: dat paren met de dochter van een lagere strijder niet noodzakelijk een slechte zaak was, als er uit die copulatie een succesvolle nakomeling voortkwam die die strijder en zijn familie aan jou zou binden als vazal. Je 'omhoog' voortplanten was niet de enige weg naar het succes, had ze hem geleerd. Ook als je je 'omlaag' voortplantte, kon je een brede fundering veiligstellen en je verzekeren van vele zwaarden voor elke zaak die je oppakte.

In feite, zo dacht hij terwijl hij rondkeek in de zaal, leek er hier niet veel kans om zich omhoog te fokken. Slechts één jonge vrouw scheen aan Hirea's vereisten te voldoen, en zij werd omgeven door vijf van zijn medestudenten.  

Seeleth kwam naar hem toe. 'Wil je niet copuleren vanavond, broer?'

Valko keek hem zijdelings aan en schudde zijn hoofd. Hij zag dat Seeleth ervoor had gekozen het embleem van Remalu op zijn wapenrusting te dragen. Dat was niet verboden, en Valko had het embleem van de Camareen of de Sadharin kunnen dragen. Dat had hij niet gedaan. Maar het was vreemd dat Seeleth zijn genootschapsembleem had gekozen in plaats van zijn familie-embleem, dat hij in plaats van zijn familie de relaties van zijn vader bekendmaakte. Valko kwam in de verleiding ernaar te vragen, maar net als bij alle andere dingen die Seeleth betroffen, dacht hij dat zwijgen beter was. Valko had geconcludeerd dat de kans op een voordelige paring klein was, en hij dacht dat Hirea dit wist. De oude strijder stond bij de tafel van zijn gastheer en luisterde naar de gesprekken daar, maar zijn ogen gingen constant naar zijn pupillen in de zaal en beoordeelden hun gedrag.  

Valko wist dat zijn kameraden in de loop van de avond dronken zouden worden en domme keuzes zouden maken. Wat hij niet wist, was of dit ook eigenlijk van ze verwacht werd en hij hetzelfde zou moeten doen, of dat hij het moest zien te vermijden. Aan de ene kant wilde hij zijn tijd en energie niet verspillen aan iets waar hij niets aan had, maar aan de andere kant dacht hij aan Hirea's waarschuwing dat hij niet te veel mocht opvallen.  

Terwijl hij die keus afwoog, vroeg hij aan Seeleth: 'En zoek jij geen partner, "broer"?'

Seeleth grijnsde als een hongerige zarkis. 'Er is hier eerlijk gezegd niemand die mijn aandacht waard is, denk je ook niet?' Valko keek hem schuins aan en richtte zijn aandacht toen weer op de zaal. Zijn beslissing was genomen. 'Misschien die vrouw die met Tokam staat te praten.'

'Waarom? Haar vader is een lagere ridder.'

'Maar haar moeder is de jongere zus van iemand die hoog in de Bloedwacht staat, namelijk van Unkarlin.' Voordat Seeleth iets kon zeggen, liep Valko weg en beende doelgericht op de vrouw af. Ze was aantrekkelijk, en hij voelde zijn hartslag toenemen bij de gedachte dat hij met haar zou kunnen copuleren of met Tokam om haar zou kunnen vechten. Hij wist dat hij geen van beide zou doen, maar door belangstelling te tonen, gedroeg hij zich voorspelbaar genoeg om eventueel wantrouwen bij iemand die hem in de gaten hield te voorkomen. En zo verspilde hij ook niet zijn tijd aan een vrouw die eigenlijk niet de ideale positie had en dus uiteindelijk toch zonde van de moeite was.  

Hij wierp een blik op Hirea en zag dat de oude strijder toekeek hoe hij de twee naderde, die op zachte toon diep in gesprek leken te zijn. Zag Valko goedkeuring in de ogen van de oude man? Hij besloot dat ze dat gesprek onder vier ogen snel moesten hebben. 

 

Tad verplaatste voortdurend zijn gewicht, Zane keek met grote ogen om zich heen en Jommy grijnsde. De ontvangst in het paleis was zeker niet 'bescheiden' in de ogen van de jongens. Minstens tweehonderd hovelingen hadden zich opgesteld aan weerszijden van de lange loper naar de troon, en langs de muren stonden twee dozijn koninklijke wachters, de Eerste Dragonders, in de houding. Ze waren gekleed in een ronde witte bontmuts met een zwarte sjaal vanaf de punt tot op de linkerschouder, een roomkleurige jas met rode zomen en een zwarte broek met rechte pijpen in kniehoge zwarte laarzen.  

De jongens waren ook uitgedost in hun beste kleding, die ze snel hadden moeten kopen toen ze de uitnodiging van het paleis hadden ontvangen. De monniken waren niet blij met deze verstoring van hun ordelijke schema, maar zelfs de Hogepriester van La-Timsa kon een koninklijk bevel niet negeren.  

Vooral Jommy paradeerde rond als een bantamhaan, met zijn eerste echt mooie jas van groen ribfluweel met gouden knopen, een hemd van wit linnen met ruches aan de voorkant - dat Tad belachelijk vond, maar dat nu mode was in Roldem - een strakke zwarte broek en enkellaarzen.  

Zane vond die laarzen niks, want wat hem betrof waren ze nutteloos voor alles waarvoor je echte laarzen nodig had en toch lang niet zo comfortabel als sandalen.

Nu stonden de jongens te wachten tot ze werden voorgesteld aan de koning van Roldem.  

Servan kwam naast Jommy staan en fluisterde: 'Dit krijg je ervan als je het leven van een prins redt.'

'Als je me had gewaarschuwd,' zei Jommy zonder zijn grijns te verliezen, 'dan had ik dat onderkruipsel daarboven laten zitten.' Servan glimlachte en wendde zijn blik af.  

Hij en Jommy waren geen vrienden geworden, maar ze waren wel tot een soort verstandhouding gekomen. Servan en Godfrey deden beschaafd tegen de drie jongens van Tovenaarseiland, en Jommy sloeg hen niet meer.  

De koninklijke Ceremoniemeester stampte op de vloer met een zware houten staf en het werd stil in de zaal. 'Uwe Majesteiten!' kondigde hij aan, 'mijne dames en heren en alle andere aanwezigen! Heer Jommy, heer Tad en heer Zane van het koninklijk huis van Kesh!'  

"'Heer',?' vroeg Tad. 'Sinds wanneer?'

'Nou, ze moesten toch iets verzinnen om jullie belangrijk te laten klinken,' fluisterde Servan. 'Loop nu naar de koning toe, maak een buiging zoals ik je heb voorgedaan, en zorg dat je niet struikelt!'

De drie jongens liepen over de loper naar de aangewezen plek, zes passen voor de tronen, en maakten de buiging die hun was voorgedaan. Op de tronen zaten koning Carol en koningin Gertrude. Naast de koningin stond een meisje dat niet ouder was dan acht of negen, prinses Stephané, en rechts van de koning stonden drie zonen: kroonprins Constantine, een jongen die bijna even oud was als de drie jongens van Tovenaarseiland; prins Albér, twee jaar ouder dan Constantine; en natuurlijk prins Grandy, die grijnsde naar zijn vrienden. Constantine en Albér droegen uniformen van de Koninklijke Marine, terwijl Grandy een eenvoudige tuniek droeg, als je die al eenvoudig kon noemen met al dat gouddraad en de diamanten knopen.  

De koning glimlachte. 'We zijn jullie veel verschuldigd, mijn jonge vrienden, voor het redden van het leven van onze jongste zoon.'

De drie hadden gehoord dat ze niet mochten spreken als hun niets werd gevraagd, maar Jommy kon zich niet beheersen. 'Ik wil niets afdoen aan de eer, Majesteit, maar uw zoon was echt niet in zulk groot gevaar; hij is een ondernemende jongen die voor zichzelf kan zorgen. Hij zat alleen in een wat onhandige positie.'

Even werd het stil in de zaal, maar toen lachte de koning. Grandy rolde met zijn ogen, maar grijnsde naar zijn klasgenoot.

'Hoezeer het ons ook verheugt dat onze jongste zoon voor zichzelf kan zorgen, zoals jij dat zegt, we weten door wat ons verteld is dat zijn leven wel degelijk in gevaar was. En dat jullie jezelf bovendien aan nog groter gevaar hebben blootgesteld om hem te redden. Daarom is het ons een genoegen jullie te belonen met het volgende.' Hij wenkte zijn Ceremoniemeester, die naar voren stapte.

'Laat in het gehele rijk van Roldem bekend zijn,' riep de Ceremoniemeester, 'dat deze drie mannen vanaf heden de titel Ridder van het Koninklijk Hof voeren, met alle privileges en eer die bij die rang behoren, en dat zij de dankbaarheid van het hof genieten vanwege hun heldhaftige redding van onze geliefde zoon Grandprey. Bovendien zullen zij de titel Ridder van het Koninklijk Hof hun levenlang behouden. Zo is vandaag per koninklijk besluit bepaald.'  

'Grandprey?' fluisterde Tad.

Zane keek naar de jongen, die met zijn ogen rolde om aan te geven dat hij die naam niet zelf had uitgezocht; dat had zijn moeder gedaan.

De jongens deden er het zwijgen toe terwijl het hof beleefd applaudisseerde. De koninklijke familie scheen hun warmte en dankbaarheid echter oprecht te menen, en Jommy nam aan dat Grandy dus een kleurrijk verhaal had verteld over hun heldendaden op de berg.  

De koning stond op, liep de drie treden af en kwam voor de jongens staan, terwijl een page in koninklijk livrei aan zijn zijde verscheen met een groot dienblad. Het dienblad was bekleed met wit fluweel, en daarop lagen drie gouden pinnen met het koninklijk zegel van het land erop. De koning pakte de pinnen van het blad, bevestigde die persoonlijk op de kraag van de drie jongens en stapte toen achteruit.

Jommy keek naar Servan. De jongeman gebaarde dat hij moest buigen, dus deed Jommy dat, meteen gevolgd door Tad en Zane.

De koning liep terug naar zijn troon en zei: 'Er begint een receptie zodra het hof vandaag sluit.'

Servan wenkte de jongens terug. Ze maakten een buiging en stapten achteruit, draaiden zich om en liepen naar de uitgang van de zaal.

Eenmaal buiten kwamen Servan en Godfrey naar hen toe en zei Servan: 'Nou, dat ging goed. Je bent niet gestruikeld, hoewel het nogal moeilijk voor je is om je mond te houden, hè?'

Jommy had het fatsoen om beschaamd te kijken. 'Ja, dat weet ik, maar het was ook echt niet zo'n lastige situatie, en jij hebt veel meer risico genomen om mij te redden dan ik om Grandy te redden. Ze hadden jou die eer moeten geven.'

Servan haalde zijn schouders op. 'Nou, ik zal je niet tegenspreken, maar weet je, ze geven meestal geen eretitels voor het redden van koppige boerenjongens. Bovendien bén ik al een Ridder van het Hof.'  

'Waar ging dat eigenlijk allemaal om?' vroeg Zane.

Godfrey legde het uit. 'Wat het betekent, is dat jullie ridders zijn tot aan jullie dood, maar je kunt je titel niet doorgeven aan je zoons. Dat zijn gewoon boeren, net zoals jullie.'

Zane rolde met zijn ogen. 'Best.'

Tad lachte. Hun relatie met Godfrey was ook overgegaan in een soort waakzame tolerantie die op vriendschap begon te lijken.

'Kom mee,' zei Servan. 'Jullie moeten op de receptie zijn voordat de koninklijke familie arriveert. Probeer niet met wijn op je nieuwe kleren te knoeien. De goden weten wanneer jullie weer de kans krijgen zulke mooie kleding te dragen.'

Jommy sloeg in een half speels gebaar op Servans schouder, net hard genoeg zodat Servans knieën heel lichtjes knikten. 'Je bent een onuitstaanbare kwast. En net toen ik begon te denken dat je wel een uitstáánbare kwast was.'

Tad, Zane en Godfrey barstten in lachen uit.

Ze liepen de koninklijke receptiezaal binnen, een ruimte met een gewelfd plafond en glazen wanden van beneden tot boven, waardoor de felle middagzon naar binnen scheen. Het hof was aanwezig, en Jommy gaf Tad en Zane een por toen hij zag hoeveel mooie meisjes er waren.

'Meisjes!' zei Zane enthousiast. Enkele edelen in de buurt hoorden hem, wat aanleiding gaf tot een paar vreemde blikken en geamuseerde gezichten.

'Gedraag je,' zei Godfrey. 'Dit zijn de beste dochters van het koninkrijk, en jullie zijn slecht opgeleide lomperiken.'

'Je bedoelt slecht opgeleide lomperik-ridders,' zei Tad. 'En wie heeft jou eigenlijk gisteren voor dat tentamen geometrie helpen slagen?'

Godfrey keek licht beschaamd. 'Goed dan. Jullie zijn goed opgeleide lomperiken.'

'Goed opgeleide lomperik-ridders,' corrigeerde Jommy.

Ze staakten hun grollen toen ze op hun plek aankwamen, het midden van een cirkel van grote ronde tafels, allemaal al gedekt. Bedienden wachtten in de buurt om ervoor te zorgen dat de adel van Roldem en de geëerde gasten niet werkelijk hun eigen eten en drinken hoefden te pakken.

De koninklijke familie kwam binnen en iedereen maakte buigingen. Toen de koning bij de drie eregasten aankwam, gebaarde hij naar de Ceremoniemeester, die met zijn staf op de stenen vloer bonkte. 'Het is Hunne Koninklijke Hoogheden een genoegen u te verwelkomen!'  

Meteen begonnen bedienden borden vol te scheppen en bekers te vullen. De jongens was opgedragen niet te eten of te drinken als ze in gesprek waren met de koning. Tad en Jommy wachtten, terwijl Zane met nauwelijks verholen schrik toekeek hoe de hoeveelheden voedsel op de tafels snel slonken.

'Je bescheidenheid siert je, jongeman,' zei de koning tegen Jommy, 'maar je moet nooit een koning in het openbaar tegenspreken als hij beloningen uitdeelt.'  

Jommy bloosde. 'Mijn nederigste verontschuldigingen, Majesteit.'  

De koning gebaarde en er verscheen een page met een dienblad, met daarop drie buideltjes. 'Bij de posities die jullie zijn verleend, behoren wat kleine landgoederen waarvan jullie een jaarlijkse toelage ontvangen. Dit is jullie betaling voor dit jaar.'  

Hij keek vragend naar een hoveling die in de buurt stond, en de man zei: 'Honderd soevereinen, Majesteit.'

De koning knikte, pakte een buideltje op en gaf dat aan Jommy, toen de andere twee aan Tad en Zane. 'Jullie jaarlijkse toelage kunnen jullie elk jaar op deze dag ophalen bij de koninklijke schatkist.'  

De jongens waren sprakeloos. Honderd Roldeemse soevereinen waren zeker meer dan driehonderd gewone goudstukken waard in het Dromendal, waar ze waren opgegroeid. Het was een inkomen zoals Miller Hodover in Sterrewerf had, en dat was de rijkste man die Tad en Zane ooit hadden ontmoet. Jommy had helemaal nooit iemand ontmoet die zoveel verdiende. Op dat moment dachten ze alle drie hetzelfde: ze waren rijk!  

'Geniet maar van de aandacht,' zei de koning. 'Vanavond gaan jullie terug naar de universiteit, en voor zover ik begrepen heb, zijn de monniken niet onder de indruk van titels en rijkdom.'  

De jongens maakten een buiging en stapten achteruit, draaiden zich om en liepen de mensenmassa in. Servan en Godfrey sloten zich bij hen aan toen Grandy ook naar hen toe kwam. 

'Grandprey?' vroeg Tad.  

Grandy haalde zijn schouders op. 'Zo heette de opa van mijn moeder. Mij is niks gevraagd.'

Jommy maakte een theatrale buiging. 'Uwe hoogheid.'

'Heer Jommy,' grapte Grandy.

'Over namen gesproken,' zei Servan, 'wat is "Jommy" eigenlijk voor naam?'  

Jommy haalde zijn schouders op. 'Eigenlijk een grapje. Mijn echte naam is Jonathan, maar mijn broer kon dat niet zeggen toen hij klein was, dus noemde hij me "Jommy". Dat is blijven hangen; niemand noemt me Jonathan.'

Er werd voedsel aangedragen door pages, en de jongemannen hielpen zichzelf aan een bord vol en een beker bier. 'Geniet ervan,' zei Servan. 'Bij zonsondergang zijn we weer overgeleverd aan de tedere zorgen van de broeders van La-Timsa.'  

'Ja,' zei Tad glimlachend, 'maar tot die tijd hebben we eten, drinken en mooie meisjes om mee te flirten.'

Jommy's hoofd kwam omhoog als dat van een geschrokken hert. 'Meisjes!' zei hij terwijl hij de zaal rondkeek. 'Verdomd, en nu ben ik ridder!'

De andere vijf jongens lachten. Jommy grijnsde en zei: 'Tot vanochtend was ik een boerenjongen zonder titel, maar nu ben ik een knappe jonge ridder met vooruitzichten, en toevallig een goede vriend van een koninklijke prins. Als jullie schurken me nu willen verontschuldigen; ik ga kijken op hoeveel meisjes ik indruk kan maken voor we weer naar de universiteit worden gesleept.'

'Dat is "heer Schurk" voor jou,' zei Tad, maar hij gaf zijn nauwelijks aangeroerde bord aan een langskomende page.

Zane begon zijn eten op te schrokken en zei met volle mond: 'Ik haal jullie zo wel in!'

Toen Zane zijn bord leeg had, haastte hij zich achter zijn pleegbroers aan. Godfrey keek Grandy en Servan aan. 'Mogen de goden de dochters van Roldem behoeden.'

Servan grinnikte. 'Je kent die meisjes al heel je leven, Godfrey. Heb liever medelijden met die jongens.'  

Grandy barstte in lachen uit.