21

Verraad

 

Miranda werd wakker met pijn.  

De twee gestalten die boven haar uittorenden, praatten met elkaar, maar ze kon hen niet verstaan. Niet alleen kende ze hun taal niet, maar haar zintuigen waren ook verdoofd: het klonk alsof ze onder water praatten. Ze was vastgebonden op een soort tafel, en kon niets anders bewegen dan haar hoofd, en dat alleen een klein stukje. Ademhalen ging moeilijk. Haar longen deden pijn alsof ze zuurstoftekort had. Ze probeerde zich te concentreren, genoeg energie te verzamelen om zich te bevrijden, maar iets maakte haar het concentreren moeilijk.

'Ze komt bij.' Miranda wist wie daar sprak. De stem was die van Leso Varen, nog steeds in het lichaam van de Tsuranimagiër Wyntakata.  

De gestalte die het dichtst bij haar stond, boog zich over haar heen en sprak in de Tsuranitaal, maar met een vreemd accent. 'Beweeg je niet,' droeg hij haar kalm en zonder dreiging op. 'Het blijft een tijdje pijn doen, maar het gaat over.' Hij richtte zich weer op en gebaarde om zich heen. 'Deze plek is geschikt voor allebei onze rassen, maar het duurt even voor je je hebt aangepast.'

'Wat willen jullie hier?' vroeg ze, en merkte dat praten haar moeilijk viel.

'Mag ik?' Varens stem kwam van net buiten haar gezichtsveld. Toen zweefde zijn gezicht boven dat van haar. Hij sprak de Koningstaal, waardoor Miranda zeker wist dat hij niet wilde dat de Dasati begrepen wat hij zei. 'Het is eigenlijk heel simpel. De Dasati zijn op een bepaalde manier een ras van kinderen als je je een paar miljoen tweejarigen kunt voorstellen die rondrennen met heel scherpe zwaarden, krachtige doodsmagie, en de neiging om alles kapot te maken wat ze zien. Maar als ze iets moois en glimmends zien, willen ze het hebben, net als peuters, waar dan ook. En voor hen zijn de werelden van het eerste rijk heel erg mooi; veel lichter, veel glanzender dan hun eigen werelden. Dus over een tijdje rennen er duizenden heel grote kinderen in wapenrustingen door dit prachtige keizerrijk, en ze roepen allemaal: ''Van mij! Van mij! Van mij!" terwijl ze moorden, plunderen en brandstichten. Lijkt je dat niet prachtig?'  

'Je bent gek,' bracht Miranda verstikt uit.  

'Bijna zeker,' zei Varen. Hij keek naar de twee Doodspriesters en zei toen: 'Maar vergeleken met hen ben ik de redelijkheid zelf. Je zult terugverlangen naar deze momenten met mij als hun priesters met je aan de slag gaan.' Hij wierp nog een blik op de twee Doodspriesters en zei tegen hen: 'Ik ben klaar.'  

Miranda zag een van de lange Dasati een hand uitsteken en iets over haar neus en mond leggen dat een bittere stank afgaf, en werd plotseling opgeslokt door duisternis.

 

Enige tijd later zei Servan: 'Ik heb een idee.'

'Mooi,' fluisterde Jommy, 'want ik weet het echt niet.'

'Neem eens een kijkje en vertel me wat ze nu doen.'

Jommy kroop naar de richel en keek eroverheen. De troepen uit Salmarter waren gekleed als huurlingen, een misleiding die ze volgens de generaal tijdens vorige invallen in de streek ook al hadden gebruikt. Maar één blik op de organisatie van hun kamp vertelde Jommy alles wat hij weten moest.  

Hij schoof de helling weer af. 'Ze slaan hun kamp op. Ze blijven vannacht hier.'  

'Mooi,' zei Servan. 'Kom mee.' Hij ging naar de voet van de heuvel en wenkte de mannen hem te volgen. Toen hij er zeker van was dat ze ver genoeg van het Salmarterse kamp verwijderd waren, zei hij: 'Er zijn ongeveer tweehonderd reguliere soldaten uit Salmarter daar. En wij zijn met vijfentwintig man.'

'Laten we dan wegwezen,' zei een van de soldaten.  

'Dat is precies wat ik wil dat jullie doen,' zei Servan. 'Ik wil dat jullie door die ondiepe plek daar waden en jullie verstoppen tot het ochtend wordt.'

'En dan ... luitenant?' vroeg een andere soldaat.

'Als jullie geschreeuw horen, wil ik dat jullie naar dat strand daar rennen, met zoveel mogelijk herrie, maar niet naar de overkant komen. Maak zoveel mogelijk lawaai en ophef en blijf heen en weer rennen over het strand.'

'Hè?' zei Jommy.  

'De zon komt recht achter hen op,' zei Servan, wijzend naar het oosten. 'Als de wachtposten van Salmarter over die heuvel heen komen, worden ze verblind door de zon en zien ze alleen maar schaduwen en stof en mannen in beweging. Ze zullen geen idee hebben hoe groot onze groep is.'  

'En wat doen wij terwijl dat alles gaande is?' vroeg Godfrey.

'Rondrennen en ze laten denken dat ze van drie verschillende kanten worden aangevallen.'

'En hoe moeten we dat voor elkaar krijgen?' wilde Jommy weten.

Servan knielde neer en tekende met zijn vinger in het zand. 'Hier is de richel. Wij zijn aan deze kant.' Hij wees. 'Ik neem Zane mee, en we gaan naar hun zuidkant toe.' Servan wees naar een punt ten zuidwesten van de lijn. 'Jij en Godfrey gaan naar het noorden.' Hij keek om zich heen. 'Blijf tussen de bomen. Ren ron.d en schreeuw bevelen. Laat het klinken alsof er van alle kanten garnizoenen op hen afkomen.'  

'Die laten zich echt niet lang voor de gek houden,' zei Jommy.

'Dat hoeft ook niet. We moeten alleen zorgen dat ze een tijdje blijven waar ze zijn, tot de generaal hier is met het eerste en derde. Als we een uurtje tijd kunnen winnen, zou dat genoeg moeten zijn. Als er een compagnie echte soldaten uit die bossen ten noorden van hier komt stormen, en als wij voldoende herrie hebben gemaakt, bestaat er een grote kans dat die kerels aan de andere kant van de richel heel snel de aftocht blazen.'

'Tsja,' zei Jommy, 'zolang de generaal niet eerst rustig wil ontbijten, hebben we een kans.' Hij liet langzaam zijn adem ontsnappen. 'Ik hoop maar dat dit werkt, want ik kan misschien best twee man aan, maar acht tegen één?'  

'En ik dan?' vroeg Grandy.

'Jij,' zei Servan, 'gaat met deze jongens mee naar de overkant en zorgt dat ze hun bevelen opvolgen.' Hij keek even naar zijn neef en knikte. 'Ga met ze mee.' Tegen de soldaten die hij naar het volgende eiland stuurde, zei hij heel nadrukkelijk: 'Zorg ervoor dat de prins niets overkomt.'

De dichtstbijzijnde soldaat had het kennelijk begrepen. Hij zei: 'Jawel, luitenant,' salueerde ferm en haastte zich met Grandy op weg.

'Is dat wel slim?' vroeg Zane toen ze weg waren.

'Die kerels zijn lastpakken, maar geen deserteurs,' zei Servan. 'Als dat zo was, waren ze allang weggeweest. Ze zorgen wel voor Grandy. Er een potje van maken in het leger is één ding, maar een lid van het koninklijk huis laten omkomen is iets heel anders.'  

'Ik hoop maar dat je gelijk hebt,' zei Jommy. 'Nou, laten we maar beschutting zoeken voor de nacht.' Hij wenkte Godfrey en zei tegen Zane en Servan: 'Tot morgen.' Toen liep hij gebukt achter de richel langs richting het noorden.

'Morgen,' zei Servan, en liep richting het zuiden.

 

Het was nog donker toen de oproep kwam. Een ademloze Mindere die voor de herbergier werkte, schudde Puc, Nakur en Magnus wakker. 'Jullie meester roept.'

Ze kleedden zich snel aan en negeerden de nog slapende Dasati op de vloer. De reizigers hadden alleen biezen matten gekregen om op te slapen, en alles wat ze bij zich hadden gebruikt als dekens en kussens. Het was een frisse nacht geweest, maar niet al te oncomfortabel.

Eenmaal buiten aangekomen zagen ze dat Martuch en Bek op hen wachtten. Bek stond te kijken naar de hemel boven het gebouw waar Puc en zijn metgezellen hadden geslapen. Puc keek achterom om te zien wat de jongeling daar zag, en struikelde bijna.

'Ongelooflijk,' fluisterde Magnus.

'Dat is me nog eens een tafereel,' zei Nakur.

Er rees een pilaar van licht op naar de hemel. Hij was zo ver weg dat hij er smal uitzag, maar Puc twijfelde er niet aan dat hij enorm moest zijn. Hij rees schijnbaar recht omhoog de donkere hemel in, pulserend van energie. De kleuren verschoven subtiel van blauwgroen naar blauwpaars en zwart, een langzame verschuiving door het spectrum. Iets wat leek op kleine brokjes witte energie stroomde omhoog en omlaag door de schacht.

'De Sterrenbrug,' zei Martuch. 'Hij stuurt nu mensen naar de thuiswereld.'

Puc wist dat hij Omadrabar bedoelde, de oorspronkelijke thuiswereld van de Dasati.

'We moeten gaan. Hij blijft maar twee uur in werking. Ik heb onze reis al geregeld.' Martuch boog zich naar voren. 'Tot nu toe hebben jullie nog geen domme dingen gedaan, maar vanaf dit moment moeten jullie nog meer op je tellen passen. Niets van wat je hebt gezien, heeft je voorbereid op de wereld van de tekarana.'

Hij draaide zich om en wenkte hen, met Bek op zijn hielen. De anderen volgden op een rij, hun ogen neergeslagen terwijl ze zich haastten om de twee strijders bij te houden.

Ze gingen te voet, nam Puc aan, omdat het niet ver was, en omdat je geen varnin mee kon nemen over de Sterren brug. Maar Puc begon te twijfelen toen ze bijna een kwartier lang stevig hadden doorgelopen. Straat na straat passeerden ze en diverse enorme pleinen staken ze over, terwijl overal de bedrijvigheid van de nieuwe dag begon. Rijen karren reden door de straten, de meeste leeg omdat ze de vorige avond waren gelost, op weg de stad uit naar de afgelegen boerderijen om de volgende ladingen groenten en vlees op te halen die nodig waren om de miljoenenstad te voeden.

Honderden Minderen haastten zich over straat, elk bezig met taken die de aandacht van de strijders niet waard waren, maar op hun eigen manier belangrijk voor het in stand houden van het welzijn van de stad. Puc vroeg zich af of er een manier was om hen te bereiken, om hen te laten inzien dat er een samenleving mogelijk was waarin het vermogen om te moorden geen ultieme vaardigheid was... Weer vermaande hij zichzelf, want hij bleef dit volk maar als menselijk zien, ondanks alle bewijzen van het tegendeel.

Ze liepen door en de Sterrenbrug werd steeds groter. Nu leek het op een enorme buis of kolom, grotendeels transparant, maar met een glinsterende, pulserende nevel van licht eromheen. Vonken witte energie twinkelden over de gehele lengte ervan. Toen ze het grote middenplein bereikten, hoorden ze een diep gezoem dat ze ook in hun voetzolen voelden, en Puc besefte dat dit energie was op een enorme schaal.

Tegen Magnus fluisterde hij: 'Als ze dit soort energie kunnen temmen...'

Magnus knikte. Zijn vader hoefde zijn zin niet af te maken. Als ze hiertoe in staat zijn hoe kunnen we ze dan ooit weerstaan?Want hoe machtig Puc en Magnus ook waren, zelfs met de hulp van alle studenten van Sterrewerf en Tovenaarseiland konden ze nooit iets bouwen dat zo groot was als deze Sterrenbrug. Het idee dat dit ding op de een of andere manier de ruimte tussen werelden overspande, kon Puc net zomin bevatten als het concept van scheuringen die gaten maakten in de materie van de ruimte.  

Ze kwamen bij een laag hek van ijzer of een andere donkere metaalsoort, en een prachtig bewerkte poort waardoor heel ordelijk een lange rij mensen liep. Dit was de enige keer dat Puc strijders en hun vrouwen achter Minderen zag staan, want het was duidelijk dat iedereen in de rij stond in volgorde van aankomst. Martuch zette Bek en de anderen in de rij en liep naar de poort, waar hij een stuk perkament overhandigde aan twee mannen in zwarte mantels met een gouden oog op hun borst geborduurd. Dat moesten Hiërofanten zijn: de Doodspriesters die verantwoordelijk waren voor de geheimen en mysteries van de orde. Puc had het gevoel dat zij een soort magiërs van het Mindere Pad waren van dit volk, want hoe prachtig deze Sterrenbrug ook was, het bleef toch een soort grote motor.  

'Dit is een heel indrukwekkende truc,' fluisterde Nakur.

Puc tikte hem lichtjes op zijn schouder om hem eraan te herinneren dat hij zijn mond moest houden. Martuch kwam terug en deed alsof hij alleen tegen Bek sprak, maar hij verhief zijn stem zodat ook de anderen hem konden verstaan. 'Alles is in orde. We vertrekken nu.'

Ze volgden de rij voor hen. Toen ze de poort bereikten, merkte Puc op dat de twee Hiërofanten iedereen even lieten wachten. Toen Martuch en vervolgens Bek naar de voet van de lichtkolom liepen, werd Puc even tegengehouden. Hij hoorde een van de priesters zeggen: 'Snel opstappen, snel afstappen.' Toen werd hij met een ferme zet verder geduwd.  

Puc haastte zich om dezelfde afstand tot Bek aan te houden als voorheen, en zag de jonge strijder het licht instappen. Toen Puc de grenslijn bereikte, aarzelde hij maar een tel, maar op dat moment tastte hij met zijn zintuigen rond en streelde ermee langs de Sterrenbrug.

Hij wankelde, en bleef alleen overeind door een wilsinspanning die hij in jaren niet meer had hoeven gebruiken. Dit ding, deze Sterrenbrug... Hij kon het niet bevatten. Zijn geest kwam ertegen in opstand.

Toen was hij binnen. Even leek het alsof hij weer in de leegte was, want het gebruik van zijn zintuigen werd hem ontnomen, maar toen ging hij plotseling met hoge snelheid door een andere plek, een dimensie van buitenaardse schoonheid en onbenoembare sensaties.

Heel even voelde Puc zich een deel van dit niveau van de realiteit en kreeg hij het idee dat er een orde in zat, een systeem dat hij zou kunnen begrijpen als hij maar kon blijven om het te bestuderen. Toen stond hij plotseling op vaste grond en keek naar Beks rug. Hij dacht aan de waarschuwing dat hij snel moest afstappen en deed dat, al vroeg hij zich af wat er zou zijn gebeurd als hij had gewacht tot Nakur achter hem was verschenen. Waarschijnlijk iets onplezierigs.  

Puc hoorde zijn twee metgezellen achter zich lopen en wilde zich omdraaien, maar de indrukken die hij nu opdeed, maakten hem niet alleen voorzichtig, maar angstig. Want als Delecordia hem niet helemaal had voorbereid op de schok van hun aankomst in Kosridi, dan had Kosridi niets gedaan om hem voor te bereiden op wat hij nu voor zich zag op Omadrabar.

 

Miranda kwam bij en merkte dat haar armen en benen nog altijd vastgebonden waren, maar niet meer zo strak als eerder. Ze was in een soort slaapkamer, met touwen vastgebonden aan vier bedpalen. Een Dasati zat op een kruk bij het bed en keek haar met kille, zwarte ogen aan.

'Kun je mij verstaan?' vroeg hij, en Miranda's geest worstelde ermee. Hoewel ze de woorden niet verstond, begreep ze wel de betekenis ervan. Hij gebruikte een soort magie die ze niet kende, maar het was effectief.

'Ja,' zei ze, en merkte dat ze amper kon praten. Haar lippen waren gebarsten en haar keel was droog. 'Mag ik wat water?' vroeg ze, te misselijk en moe om te laten merken hoe kwaad ze was. Haar hoofd bonsde en haar lichaam deed pijn en hoe ze ook haar best deed, geen enkele geestelijke vaardigheid of bezwering die ze kende, hielp om haar gedachten te richten of gebruik te maken van de energie rondom haar. De magie die hier stroomde was te buitenaards. Ze kon er onmogelijk vat op krijgen.

De Dasati op de kruk droeg een zwarte mantel met een rode doodskop op de borst en een sierlijke paarse rand langs de zomen, mouwen en kap. De kap lag op zijn rug, zodat Miranda zijn gezicht kon zien.

Ze had geen referentiekader voor hoe Dasati eruit hoorden te zien. Ze keek hem onderzoekend aan en zag dat zijn gezicht veel weghad van dat van een mens, met twee ogen, een neus en een mond waar je die zou verwachten. De kin was lang, de jukbeenderen hoog en de schedel smal, maar afgezien van de grijze tint van zijn huid, zag de man er niet zo heel vreemd uit. Hij leek in ieder geval veel meer op haar dan de cho-ja-magiërs in Chakaha. Maar ze wist zeker dat de cho-ja-magiërs innerlijk veel meer op haar leken dan dit wezen.  

'Varen zegt dat je gevaarlijk bent,' zei de Dasati, en weer voelde Miranda zijn woorden meer in haar hoofd dan dat ze ze verstond. 'Ik zou niet weten hoe dat kan, maar ik zal de mogeijkheid niet onderschatten.' Hij stond op en torende boven haar uit, waar ze hulpeloos op het bed lag. 'We zullen je bestuderen, want als je gevaarlijk bent en er nog meer zijn zoals jij op Kelewan, moeten we ons voorbereiden op ontmoetingen met wezens zoals jij. Zijne Duisternis wenst dat we jullie wereld in beslag nemen.'  

Zonder nog een woord te zeggen, verliet de Dasati de kamer en sloot de deur achter zich. Miranda's hoofd liep om; want hoewel ze moeite had zich te concentreren, wist ze dat Pucs grootste angsten bewaarheid werden: de Dasati bereidden een invasie voor, en die zou snel komen. Zo niet op Midkemia, dan wel op Kelewan, en Miranda twijfelde er niet aan dat ze daar niet zouden stoppen. Ze onderzocht haar omgeving zo goed ze kon. Ze bevond zich in een kamer zonder ramen. Er hing een fakkel in een beugel aan de muur, er stonden geen tafel of stoelen, alleen een bed en een kruk.

En ze was stevig vastgebonden. Telkens als ze probeerde haar energie te richten, allerlei bezweringen probeerde te gebruiken om haar boeien los te krijgen, of ergens anders naartoe te gaan, voelde haar geest verdoofd aan, alsof iets haar vaardigheden in de weg stond. Misschien hadden ze haar iets toegediend.

Terwijl ze overpeinsde waardoor haar gebrek aan concentratie kon worden veroorzaakt, raakte ze weer bewusteloos.

 

Jommy lag tegen een hellinkje in het bos ten noorden van het kamp op de uitkijk, terwijl de uren langzaam voorbijkropen. De wachtposten van de vijand waren alert, en stonden zo ver van de kampvuren verwijderd dat Jommy niet kon zien wat er gebeurde bij de vuren. De geluiden die ze hoorden, waren die van mannen die zaten te praten, op hun gemak, totaal niet bezorgd dat ze ontdekt zouden worden.  

Jommy keek naar de boom waarachter Godfrey zich verstopte. In het donker voor zonsopgang kon hij hem nauwelijks zien. Jommy snoof; zijn neus begon te lopen van de vochtige kou. Het zou hier een stoombad worden als de zon opkwam, maar nu rilde hij. Hij vroeg zich af hoe het met Grandy ging. En toen vroeg hij zich nog eens af wat Grandy hier deed.

'Wat doen wij hier allemaal eigenlijk?' fluisterde hij in zichzelf. Sinds hij Tad en Zane had leren kennen in Kesh, was Jommy min of meer opgenomen in een familie die veel avonturen en wonderlijke zaken beleefde - tovenaars die op een eiland woonden, en vochten tegen moordenaars, en over de hele wereld reisden - maar sommige van de dingen die ze hem vroegen te doen, begreep hij gewoon niet.

Toch was het beter dan werken als boer of menner, en hij wist dat wat ze deden belangrijk was, ook al begreep hij er nog niet de helft van. Hij mocht Tad en Zane graag, eigenlijk alsof ze zijn broers waren. Hoewel, terugdenkend aan hoe zijn oudere broers hem regelmatig sloegen, bedacht hij dat hij hen zelfs meer mocht dan zijn broers. En al was Caleb dan niet zijn echte vader, hij behandelde Jommy hetzelfde als de anderen.

Maar waarom moesten ze zo nodig hier in het zuiden van Olasko soldaatje spelen? En waarom hadden ze een jongen als Grandy meegestuurd?

Hij wist zeker dat er een reden voor was, en dacht dat het iets te maken had met Kaspars opmerking van laatst: dat binnenkort iedereen oorlog zou voeren. Maar toch, zij waren niet Roldeerns, dus waarom dit leger? Waarom nu?

Jommy zette zijn zorgen voorlopig van zich af, want het werd bijna licht en dan zou hopelijk generaal Devrees komen, met zo'n zestig soldaten. Jommy keek naar het oosten, hopend op de eerste stralen van de opkomende zon. Hij had geen idee hoe laat het was, en vroeg zich af hoeveel langer hij nog zou moeten wachten.

Jommy keek om toen hij een geluid achter zich hoorde en begon zijn zwaard te trekken. Maar een zachte stem zei: 'Laat dat.'

Hij zag een van de mannen die Servan met Grandy had meegestuurd achter zich staan met een zwaard op hem gericht. Toen hij in Godfreys richting keek, zag hij dat die ook door een soldaat met een zwaard werd bedreigd. De soldaat stak zijn linkerhand uit, en Jommy gaf hem langzaam zijn zwaard. De man smeet het aan de kant. 'Lopen,' droeg hij Jommy op.

Langzaam kwam Jommy tussen de bomen vandaan, en zag zo'n zestien man naar het vijandelijke kamp lopen, onder wie Grandy die werd begeleid door twee mannen, elk met een hand stevig op zijn schouders. 'Hallo, kamp!' schreeuwde een van hen.  

Meteen sloegen de wachtposten van Salmarter alarm, en de Roldeemse soldaat riep: 'We komen onderhandelen!'

Tegen de tijd dat Jommy en Godfrey het kamp bereikten, waren alle tweehonderd man daar uit bed, gewapend, en klaar voor een gevecht. Servan en Zane werden vanaf de zuidkant naar het kamp geleid. De leider van de Salmarterse troepen keek om zich heen en vroeg: 'Wat is hier loos?' Hij was een lange, donkerharige soldaat, aan zijn uiterlijk te zien ervaren en aan zijn houding te zien een officier.

De soldaat die de groep uit Roldem leidde, zei: 'Kijk, ik zal het kort houden. Er komt een Roldeemse generaal aan met een grote troepenmacht om jullie in de pan te hakken. Wij willen daar niet bij zijn. Wij zijn allemaal Olaskezen en haten het om in hun leger te moeten dienen. We hebben tegen ze gevochten bij Opardum en zijn niet van plan die Roldeemse apenjasjes nog langer te dragen.' Hij demonstreerde het door meteen zijn tuniek uit te trekken. Hij was een forse, blonde man met grijze stoppels van een paar dagen en een zonverbrand, getaand gezicht.

'Komt er een leger deze kant op?'

'Ja,' zei de soldaat, die zijn jas op de grond smeet. 'We willen met jullie mee naar Salmarter.'

'Waarom zouden we jullie meenemen? We mogen van geluk spreken als ze ons laten leven, zodra we melden dat deze inval volslagen mislukt is.'

'Geen mislukking,' zei de soldaat. Hij gebaarde, en Grandy werd naar voren geduwd. 'Dit is de zoon van de koning, prins Grandprey. Hij is hier een beetje aan het spelen en leren hoe hij een soldaat moet zijn. Denk aan het losgeld.'

'Prins?' vroeg de officier. 'Denk je nu echt dat ik geloof dat de zoon van de koning van Roldem hier op de eilanden rondstruint?'

'Luister,' zei de Olaskese soldaat. 'Wat heb je te verliezen? Als ik lieg, kun je mijn hoofd altijd nog afhakken in Salmarter. Als ik de waarheid zeg, ben jij een held en krijgt je koning de kans zijn voorwaarden te stellen aan Roldem.'

'Of de hele Roldeemse vloot komt achter ons aan,' kaatste de officier terug.

'Maar dat moeten jullie hof en het hof van Roldem maar uitvechten, toch? Ik zal je vertellen wat ik weet. Ze verwachten iets groots en halen hun leger terug naar Roldem. Daarom hebben ze de onderbemande divisies in Olasko niet aangevuld. Mijn jongens en ik willen met die komende strijd niets te maken hebben. Wij zijn Olaskezen en zullen ons hier op deze eilanden verstoppen als het moet, en als Roldem een oorlog met Kesh of wie dan ook verwacht, laat iemand anders die dan maar uitvechten.'

'En de rest van die jongens?'

'Officieren, zeggen ze. Zijn misschien wel wat waard. Deze twee' - hij wees naar Zane en Jommy - 'hebben iets te maken met het hof in Kesh, en die andere' - hij wees naar Servan - 'is de neef van de prins. Die andere knul is zijn vriend.'

'Neem ze allemaal maar mee,' zei de officier. 'Ik laat de generaals het wel uitzoeken in Micel's Station.'

'Dus je neemt ons mee?' vroeg de blonde soldaat.

De Salmarterse officier antwoordde: 'Wat moet ik met verraders? Ruim ze op!'

Voordat de soldaten uit Roldem konden reageren, werden ze bestormd door de Salmarterse soldaten, die hen de keel afsneden en doorstaken met zwaarden. Toen er twintig dode of stervende mannen in het zand lagen, schreeuwde de officier: 'Breek het kamp op! Ik wil dat iedereen bij zonsopgang weer over de grens is!' Tegen Grandy en de anderen zei hij: 'Edelen of niet, als jullie lastig zijn, eindigen jullie zoals zij.'

Vier wachters hielden de zes jongens in de gaten, terwijl de andere soldaten zich klaarmaakten voor vertrek. Jommy keek Servan aan en zag dat er niets meer van zijn overmoed over was. Godfrey en Zane keken angstig, en Grandy huiverde evenzeer van angst als van de kou.

Alles waar ze op konden hopen, was dat Tad het had gered en met de generaal en de mannen uit Roldem over de rivier onderweg was, en dat ze hier zouden zijn voor de Salmarterse aanvallers de grens weer over waren. Hij keek naar het oosten en zag de hemel lichter worden.

 

Puc deed zijn best om niet te staren, aangezien hem duidelijk was dat de meeste Minderen hun ogen neergeslagen hielden en zich met hun eigen zaken bemoeiden. Nakur kon het kennelijk niet schelen, want hij keek op naar de torens die honderden voet de lucht in rezen. 'Hoe komen ze daar bovenin?' vroeg hij.

'Ze hebben waarschijnlijk een toestel binnenin om je op te takelen,' zei Magnus.

De stad Omadrabar was onmogelijk te beschrijven in menselijke termen, dacht Puc. Er waren geen sloppenwijken, geen vervallen stadsdelen, geen armenwijken, niets wat ook maar in de verste verte wees op de klasse van burgers die je in elke menselijke stad aantrof. Hier waren alle gebouwen met elkaar verbonden door bruggen over brede boulevards of kanalen, of met straten die via tunnels dwars door enorme gebouwen liepen. Puc kon alleen maar een schatting maken, maar in zijn wereld zou het waarschijnlijk duizenden jaren duren om zo'n stad te bouwen - als iemand in de menselijke geschiedenis zich al een stad had kunnen voorstellen als enkelvoudige, geschakelde structuur. Ze reden langs een van de weinige open terreinen, eigenlijk een stuk onbebouwd land, waar bomen en iets wat leek op kleine varens groeiden. Puc besefte dat die passie voor enkelvoudige, gerelateerde structuren waarschijnlijk voortkwam uit de sociale en politieke structuren die deze cultuur zijn samenhang verleende.

Puc wendde zich tot de anderen en zei zachtjes: 'Zullen we die wezens ooit begrijpen?'

Nakur grijnsde, en ondanks zijn Dasati-vermomming was duidelijk te zien dat hij het allemaal prachtig vond. 'Waarschijnlijk niet, maar we zouden wellicht een tot wederzijds voordeel strekkende regeling kunnen treffen als we contact kunnen krijgen met de juiste personen.'

'En wie zijn dat?' fluisterde Magnus.

Nakur haalde zijn schouders op. 'Degenen waar we nu bij zijn, hopen we maar.'

Vanaf de Sterrenbrug waren ze naar een wachtende wagen gelopen, begeleid door vier geselecteerde strijders uit Martuchs genootschap, de Sadharin. Zelfs op deze buitenaardse wereld hoefde niemand Puc te vertellen dat er iets belangrijks gaande was. Overal waar ze gingen, waren grote aantallen gewapende mannen, Doodspriesters en wagens in beweging. Het leek wel alsof deze stad zich voorbereidde op een invasie, maar dat was onmogelijk. Dit was de thuiswereld van de Dasati, en er bestonden voor hen geen vijanden binnen afzienbare afstand.

Ja, Puc wist door zijn ervaringen tijdens de Oorlog van de Grote Scheuring en de Slangenoorlog dat invallende legers met de juiste magie overal konden komen, maar om nu te proberen deze wereld binnen te vallen... Dit was geen miljoenenwereld zoals Kelewan; het was een miljardenwereld.

Bovendien waren ze Dasati, een ras waarin de strijdersklasse bestond uit overlevenden, de taaiste, gevaarlijkste mannen van deze wereld; elk ervan was al herhaaldelijk op de proef gesteld tegen de tijd dat hij vijftien jaar oud was, en er waren er zoveel. Deze stad alleen al herbergde volgens Martuch zeven miljoen mensen, meer dan een miljoen daarvan strijders, leden van duizenden strijdgenootschappen. Dat was meer dan de totale bevolking van het Koninkrijk der Eilanden, en bijna evenveel zielen als er in heel Groot Kesh woonden.

Zielen,vroeg Puc zich af. Hebben Dasati die?Als hij die briefjes niet aan zichzelf had gestuurd, die hem zeiden hierheen te gaan, zou Puc zich volkomen overdonderd hebben gevoeld. Hij reed met zijn zoon en Nakur in een wagen, op een wereld die werd bevolkt door miljoenen wezens die hem zonder pardon zouden doden alsof het de normaalste zaak van de wereld was, en hij had geen idee wat hij hier deed. Ergens op deze wereld lag een antwoord, ook al wist Puc op dit moment niet eens wat de vraag was.  

Eén ding wat hij wel graag zou willen weten, was waarom er kennelijk zo'n mobilisatie gaande was op Omadrabar. Van wat Puc had gehoord en gezien van de Twaalf Werelden, hadden de Dasati geen vijanden meer over. Een van de mandaten die de tekarana de orde van Hiërofanten had gegeven, was op zoek te gaan naar meer werelden om te veroveren. Martuch en Puc hadden diverse keren gesproken over de toestand in het Dasatirijk, maar er was niets gezegd over plannen voor een massale uittocht.  

Ze gingen binnen door een grote poort en kwamen op een vrij klein plein waar een gebouw stond - in feite een volgend bouwsel van muren en bruggen, zoals Puc het zag - dat Martuchs huis op Omadrabar was.

Puc wachtte terwijl Martuch zijn mannen opdroeg om te kijken of het huis veilig was, hoewel hij er niet zeker van was of het wel een 'huis' genoemd kon worden. Het was eerder een reeks grote appartementen, ingebed in de muur van de stad. Of eigenlijk een van de vele muren in de stad.

Pucs hoofd liep om. Van alle werelden die hij had bezocht, was er niet een zo buitenaards als Omadrabar. Delecordia had wel wat elementen gemeen met het eerste niveau van de realiteit, en de mensen waren er vrij vredig. Kosridi was een echo van Midkemia, en dat had hem een vertrouwd gevoel gegeven.

Maar deze plek was anders. De schaal van alles, het tempo van het leven, het totale gebrek aan alles wat hij kende; hij had nergens een referentiekader voor. Hij had gedacht dat zijn introductie in de Tsuranicultuur, in de slavenkampen in het Grote Moeras van de provincie Szetac, moeilijk was geweest. Maar de Tsurani waren tenminste nog menselijk en hadden gezinnen waar ze van hielden. Ze stelden prijs op moed, loyaliteit en opofferingsgezindheid. De Dasati daarentegen hadden misschien niet eens woorden voor die concepten. Hij probeerde de achterliggende ideeën op een andere manier te omschrijven, en kon niets anders bedenken dan heldhaftigheid, trouwen onzelfzuchtigheid.  

Puc, Nakur en Magnus kregen een kamer waarin ze moesten wachten, en Martuch maakte de Minderen in de huishouding duidelijk dat ze de gasten moesten negeren. Niemand mocht met hen praten of hun taken geven.

De uren kropen voorbij en uiteindelijk werden ze naar Martuchs privévertrekken geroepen, een enorme reeks vertrekken die uitkeken over het middenplein in dit deel van de stad. Ze liepen de kamer in waar Martuch met drie anderen wachtte. Narueen en Valko stonden bij de deur, en de jonge strijder zag er nu anders uit dan Puc hem ooit had gezien: aarzelend, onzeker, misschien zelfs geïntimideerd.  

Degene die naast Martuch stond was lang, met donker haar en een baard. Hij leek op een Dasati, maar er was iets aan hem... Puc voelde zijn wereld plotseling samentrekken, alsof zijn zintuigen hem bedrogen. Voor hem stond een wezen dat onmogelijk kon bestaan. Hij was een Dasati, maar ook iemand die Puc goed kende.

De man stapte naar voren en sprak de Koningstaal, met een heel bekende stem. 'Hier word ik de Tuinier genoemd.' Hij liep voor de drie bezoekers langs. Als eerste keek hij naar Puc. Toen hij bij Nakur aankwam, knikte hij eenmaal, maar Nakur stond hem alleen maar met open mond aan te gapen.

Toen ging hij voor Magnus staan.' Is dit mijn kleinzoon?' vroeg hij.

Puc keek op in dat Dasati-gezicht en fluisterde: 'Macros...'