19

Kosridi

 

Martuch stak zijn hand op.  

Alle ogen richtten zich op hem. De vier mensen en de Dasatistrijder stonden midden in een grote, gewelfde ruimte, op een plek die in Pucs ogen veel leek op zijn Academie op Sterrewerf, een plek om te studeren en leren. Hij was de afgelopen dagen hier en in het archief geweest om zo veel mogelijk te leren over de Dasati. Dat bleek overigens wel tegen te vallen, want het grootste deel van de Ipiliac-geschiedenis begon bij het punt waarop het volk op Delecordia was aangekomen.  

De dingen die hij gelezen had, waren niet hoopgevend, want de Ipiliac bekeken de Dasati zoals je zou verwachten van een verslagen volk dat sprak over zijn onderdrukkers. Toch had Puc het gevoel dat ze zich nauwelijks beter hadden kunnen voorbereiden op deze ongelooflijke reis.  

De ruimte was een zaal die werd gebruikt voor vergaderingen en sociale bijeenkomsten en zo groot dat ze dit afgezonderd en zonder afleiding konden doen, had de Ipiliacmagiër verteld die hen bij deze reis naar het tweede niveau hielp. Puc, Magnus en Nakur hadden gretig geluisterd naar de tovenaar toen hij vertelde wat er zou gaan gebeuren, maar zelfs Puc kon zich amper voorstellen welke kunsten daaraan te pas zouden komen.  

'Zo meteen begint de overgang,' zei Martuch. 'Jullie hebben nog nooit zoiets ervaren, als jullie geluk hebben. Ikheb deze overgang al een keer of tien gemaakt, en telkens zweer ik dat ik het niet nog eens zal doen. Zijn jullie klaar?'  

Puc stond met een arm door die van Nakur gehaakt, die zijn arm om die van Bek had geslagen. Magnus stond aan de andere kant en hield zijn vader en Martuch vast. Martuch had gewaarschuwd dat ze gingen reizen door een rijk dat hij alleen maar 'het grijs' noemde, en dat al hun zintuigen daardoor van slag zouden raken. Die overgang duurde maar heel even, maar ze zouden het gevoel hebben alsof de tijd stilstond.

De Ipiliacmagiër die was opgeroepen om hun overgang te begeleiden, had veel moeite gedaan om Puc, Nakur en Magnus te laten weten wat ze konden verwachten. Bek maakte zich geen zorgen en negeerde de waarschuwingen. Hij stond te springen om eindelijk naar 'die volgende plek' te gaan.  

Puc haalde diep adem en zei: 'Klaar.'

Martuch knikte eenmaal naar de tovenaar, die zijn staf boven zijn hoofd hief voor het laatste deel van een bezwering waarmee hij bijna een uur eerder begonnen was.

Plotseling verdween de ruimte rondom hen. Puc probeerde adem te halen, maar hij wist dat hier geen lucht was, want hij herkende deze plek! Hij was weer in de ruimte tussenin! Hier had Macros de Zwarte hem mee naartoe genomen toen hij de eerste scheuring van Tsurani afsloot, aan het eind van de Oorlog van de Grote Scheuring. Hij wist precies waarom Martuch hem had gewaarschuwd. Puc tastte rond met zijn gedachten en beschutte snel zijn medereizigers, zoals Macros hem toen had beschut. Vader,hoorde hij Magnus in zijn hoofd vragen. Waar zijn we? 

We zijn in een ruimte tussen momenten, zoon. We bevinden ons in de materie van het universum zelf, tussen die draden die Nakur 'spul' noemt, in de leegte zelf. 

'Je kunt wel spreken,' zei Nakur. 'Hoewel ik niets kan zien.' Plotseling werden Puc en de anderen zichtbaar, en Martuch vroeg:'Hoe....?' 

'Ik ben hier eerder geweest,' legde Puc uit. Hij wendde zich tot Magnus. 'Je grootvader heeft me mee hiernaartoe genomen. Dit is het rijk van de leegte, waar de goden streden tijdens de Chaosoorlog.'  

'Het heeft nog nooit zo lang geduurd...' zei Martuch.

'Misschien omdat we met ons vijven zijn,' opperde Bek, die kennelijk gefascineerd was door het totale gebrek aan referentiepunten om hen heen. De leegte was een uitgestrekt niets: geen licht, geen geluid, geen gevoel.

'Dank je hiervoor, Puc,' zei Martuch. 'De overgang is altijd koud en pijnlijk geweest.'

'Het zal niet plezierig zijn als we aankomen,' antwoordde de magiër. Zijn uitspraak werd meteen bevestigd, want de overgang naar het tweede niveau van de realiteit was verscheurend. Het leek wel alsof elk deeltje van hun lichaam en geest uit elkaar werd gereten. Toen Puc voelde dat hij de Dasatiwereld in werd getrokken, flitste er iets door zijn gezichtsveld. Hij probeerde de beweging te volgen, maar werd fysiek uit de leegte gerukt, en plotseling stond hij op een stenen vloer in een ruimte van zwarte steen. Hij was op Kosridi. 

 

De pijn schoot op en neer door elke zenuw van Pucs lichaam, en hij bleef staan hijgen alsof hij een hardloopwedstrijd achter de rug had. Iedereen was er, met hun armen in elkaar gehaakt zoals ze vanaf Delecordia waren vertrokken.

Puc wankelde lichtjes toen hij de armen van Nakur en Magnus losliet. 'Er was...' begon hij.

'Wat is er?' vroeg Nakur, zijn gezicht ongebruikelijk ongerust.

'Iets...' zei Puc. 'Ik vertel het later wel.'

Hij richtte zijn aandacht op zijn omgeving en moest een paar keer knipperen, alsof er iets mis was met zijn ogen. Toen besefte hij, nog meer dan op Delecordia, dat hij dingen zag waar de menselijke geest niet op was ingesteld. Overal waren kleurtinten en pulserende energieën te zien. De ruimte waarin ze verschenen waren, was afgewerkt met het zwarte steen dat hij ook op Delecordia had gezien, maar hier leek het constant van kleur te veranderen. Het effect was bijna te veel voor hem. '  

Op dat ogenblik besefte hij dat ze niet alleen waren. In de ruimte wachtten twee gestalten, een man en een vrouw: Puc kon de vrouw alleen omschrijven als koninklijk. Haar hoge voorhoofd en rechte neus maakten haar bijzonder mooi, ondanks haar buitenaardse gelaatstrekken. Haar ogen waren bijna katachtig van vorm, en ze had volle lippen.

De man droeg de wapenrusting van een strijder, hoewel iets aan zijn gezicht Puc het idee gaf dat hij nog jong was. De vrouw keek naar Magnus en trok haar wenkbrauwen een stukje op. Ze zei: 'Die daar lijkt bijna een Dasati, mijn zoon. Hij is zelfs knap. Jammer dat hij geen strijder is.'

Puc keek naar zijn zoon en besefte dat er een betovering over hen lag. Hij zag zowel de Magnus die hij kende als de Magnus die eruitzag als een Dasati, alsof de twee beelden over elkaar heen waren gelegd. Hij begreep waardoor Magnus met zijn lengte, zijn slanke gezicht en zijn lange neus in de ogen van dit volk aantrekkelijk was.

De jongeman stapte naar voren en zei: 'Ik ben heer Valko. Dit is mijn huis. Jullie zijn welkom, hoewel ik toegeef dat ik me moet inhouden om jullie niet te doden. De aanwezigheid van buitenaardsen hier zit me gewoon niet lekker, maar ik zal proberen mijn walging te onderdrukken.'

Puc keek naar Martuch, die tegen hem zei: 'Zie dat maar als de meest beleefde ontvangst die je ooit zult krijgen op een Dasati-landgoed, mijn vriend.' Hij wendde zich tot Valko. 'Ik ben Martuch, heer van de Setwala. Ik rijd met de Sadharin.'

'Welkom, Ruiter van de Sadharin!' zei Valko, volgens Puc een oprecht warme begroeting. Ze omhelsden elkaar met veel klappen op de rug en omvatten met de rechterhand elkaars pols. Toen richtte de jonge heer van het kasteel zijn blik op Bek.

Ralan Bek stond met zijn hoofd omlaag en keek vanonder zijn zware, zwarte wenkbrauwen naar Valko. Zijn ogen brandden als kooltjes in de weerschijn van het haardvuur, en zijn gezichtsuitdrukking kon niet anders worden omschreven dan hongerig. Toen vroeg hij: 'Martuch, mag ik hem doden?' Bek was gekleed als een Dasatistrijder en had zijn rol geoefend.

Martuch schudde zijn hoofd. 'Hij is onze gastheer, Bek.'

Toen schreeuwde Ralan, alsof hij al heel zijn leven niet anders deed: 'Ik ben Bek! Ik dien Martuch van de Setwala en rijd met de Sadharin!' Hij grijnsde als een waanzinnige wolf en wees naar Valko. 'Mijn meester zegt dat ik je niet mag doden, of die vrouw achter je mag nemen. Ik zal zijn wensen respecteren en mijn verlangens onderdrukken.'

'Is hij gek?' vroeg Valko.

Zijn moeder grinnikte. 'Hij heeft geen manieren, maar hij speelt de rol van een jonge Dasatistrijder goed.' Ze klopte Valko op de schouder. 'De meeste jongemannen in het Schuilgaan hadden mij niet als leermeesteres. Zijn gedrag zal deze... personen goed helpen.'

Puc begreep haar woordkeus. Dasati betekende 'mensen', maar het woord dat zij gebruikte was vager. Ze waren niet echt Minderen, maar ook zeker geen Dasati.

'Het is midden in de nacht,' zei Valko. 'Hebben jullie rust nodig?'

'Nee,' antwoordde Martuch, 'maar wel informatie. Er staat hier veel meer op het spel dan we hadden gedacht.'

Puc nam aan dat hij de talnoy bedoelde. Er was niet verder over het creatuur gesproken, en toen hij had geprobeerd het onderwerp aan te snijden, had hij de kous op de kop gekregen. 

'Laten we naar een rustige kamer gaan, waar we alles kunnen bespreken wat ter tafel moet komen,' zei de vrouw. 

Valko keek onbehaaglijk, en Puc stond ervan te kijken hoe snel hij de gezichtsuitdrukkingen van de Dasati had leren duiden. Hij wist dat hij dat deels te danken had aan de opleiding op Delecordia, maar de rest was het resultaat van de kunstige bezweringen die de Ipiliacmagiër had gebruikt.  

De jonge heer van de Camareen zei: 'Maar weet je... ze zien eruit als Minderen, maar ik moet ze behandelen als gasten!'

Hij zei het op zo'n manier dat Puc plotseling de verholen belediging begreep. De moeder van de jongeling antwoordde echter: 'Laat je niet bedotten door hun uiterlijk. Elk van deze... personen is een meester met zeer veel macht, anders zouden ze hier niet zijn. Elk van hen is machtiger dan de meest hoogstaande Doodspriester. Denk daaraan.'

Zonder nog een woord te zeggen, draaide Valko zich om en liep weg, alsof hij verwachtte dat iedereen hem gewoon zou volgen. Puc keek Martuch aan, die aangaf dat hij zou volgen met Bek achter zich, en dan de vrouwe van het kasteel. Puc begreep dat ze snel hun nieuwe rollen in deze samenleving moesten gaan spelen. Hij bad in stilte, tot welke goden hem dan ook konden horen, dat ze deze reis allemaal mochten overleven.

 

Niets wat ze op Delecordia hadden gedaan, had Puc en zijn metgezellen voorbereid op de ervaringen op Kosridi. Zelfs in het relatief beschutte kasteel van heer Valko was het buitenaardse gevoel van deze realiteit bijna overstelpend. Puc streek met zijn hand over een tafel en verwonderde zich erover hoe die onder zijn vingers aanvoelde; het was hout, gewoon een soort donker hout met een fijne nerf dat een meubelmaker in Midkemia ook zou kunnen gebruiken, maar het was geen hout op een manier die echt was voor Puc. Het was het vlees van iets wat hetzelfde nut had als een boom in deze realiteit, net als de stenen leken op graniet en veldspaat, donker gevlekt met kleuren, maar hier bevatte het steen nog gevangen energieën, alsof de creatie ervan, diep onder de korst van deze wereld, nooit helemaal was voltooid. En het hongerde. Toen Puc de tafel aanraakte, voelde hij dat die via zijn vingertoppen de energie uit zijn lichaam wilde zuigen.  

'Ongelooflijk,' zei hij zachtjes terwijl ze in de ruimte wachtten die door heer Valko en zijn moeder aan hen was toegewezen.

'Ja, zo ongeveer reageerde ik ook toen ik voor het eerst naar Delecordia ging,' zei Martuch. 'Toen ik mijn eerste wereld bezocht via de Galerij, kon ik me bijna niet verroeren van verwondering. Vanuit ons oogpunt, Puc, is jullie realiteit zo vreselijk fel en warm. Het is bijna te veel als je niet het vermogen hebt om je goed te concentreren. Het kan net zoiets zijn als proberen te luisteren naar één gesprek in een grote zaal waar iedereen met elkaar praat. Het is mogelijk, door je sterk te concentreren, en daarna wordt het makkelijker.'  

'Martuch,' vroeg Nakur, 'waarom zou iemand van deze wereld het eerste niveau willen binnenvallen?'

'Waarom doet wie dan ook - een persoon, een volk, een natie - iets wat wij waanzinnig vinden?' Hij haalde zijn schouders op. 'Ze hebben hun redenen. Is dat waarom jullie hier zijn? Vrees je een invasie van de Dasati op jullie wereld?'

'Misschien,' zei Puc. 'Die zorg is deels wat ons drijft. We zouden liever ontdekken dat we het mis hebben en dat je ras geen bedreiging voor mijn wereld is.'

'Misschien is het tijd voor wat meer klare taal,' zei de Dasatistrijder. Hij zat op een kruk, nog altijd gekleed in zijn wapenrusting, terwijl de anderen op een stel divans vol kussens zaten. Bek staarde uit het raam alsof hij niet genoeg kon krijgen van het uitzicht. Puc begreep zijn fascinatie. De veranderende tinten van de nacht die overging in de dag, vormden een constant spel van energieën dat de blik trok. Zelfs het kleinste detail van dit niveau kon de verbeelding meevoeren. Eerder had Puc gemerkt dat hij zelf ook geboeid was door het uitzicht. Op een geheel eigen, buitenaardse manier was het prachtig, maar Puc moest zich er constant aan herinneren dat hun aanpassing aan het bestaansniveau van de Dasati een illusie was, en dat zelfs het gewoonste ding wat ze tegenkwamen gevaarlijk, zelfs dodelijk kon zijn.  

Puc richtte zijn aandacht weer op Martuch. 'Ja, graag.'

'Ten eerste,' zei Martuch, 'moet je tegen niemand op deze wereld over de talnoy spreken tot je de Tuinier ontmoet.'

'De Tuinier?' vroeg Magnus. 'Is dat een naam, of een titel? Op onze wereld staat dat woord voor iemand die zorgt voor... planten, in een tuin.'

'Zo is het hier ook,' zei Martuch. 'Het is een naam die wij hem hebben gegeven opdat anderen niet weten wie hij echt is.'

'Wie is hij dan?' vroeg Nakur ter zake.

'Hij is onze leider, bij gebrek aan een beter woord, maar Narueen kan jullie meer over hem vertellen; zij heeft hem ontmoet. Ik niet.'

'Hij is jullie leider, maar je hebt hem nooit ontmoet?'

'Het ligt ingewikkeld. Jarenlang zijn er personen onder de Dasati geweest die zich er niet toe konden brengen de leerstellingen van Zijne Duisternis te aanvaarden als het totaal van alle kennis. Onder jullie mensen zijn er neem ik aan ook die zich tegen autoriteit verzetten en de conventies uitdagen.'

'Absoluut,' zei Puc, met een blik op zijn zoon. 'Het. komt regelmatig voor aan het einde van de kindertijd. Je kunt het elke menselijke ouder vragen.'

Magnus glimlachte lichtjes. Hij was even koppig geweest als zijn moeder toen hij nog klein was, en toen hij aan zijn opleiding bij zijn vader was begonnen, hadden ze vaak ruzie gehad voordat Magnus de wijsheid en kennis van zijn vader begon in te Zien.

'Wij hebben geen kindertijd zoals jullie,' zei Martuch, 'dus ik zal maar aannemen dat je snapt wat ik bedoel. Degenen die de leerstellingen van de Duistere in twijfel trekken, worden ter dood gebracht, dus mensen met twijfels leren heel snel hun mond te houden.

Maar er zijn al heel lang facties in onze samenleving, waarvan de Zusterschap van de Bloedheksen het meest... "notoir" of "berucht" was, zoals jullie zouden zeggen, en die facties waren eeuwenlang rivalen van de Doodspriesters, en hadden elk hun eigen invloedssfeer. Er was een evenwicht.

Toen begonnen de Hiërofanten en priesters de Zusterschap te vrezen, en lieten ze vervolgens met de zegen van de tekarana tot afvalligen verklaren, opjagen en vernietigen. Enkelen van hen ontkwamen en hielden de oude leer in leven, en nu zijn ze weer onder ons, hoewel ze voor de meeste mensen wezens uit oude mythes en legenden blijven.  

En er zijn mannen geweest, zoals ik, die geen reden hadden om de orde van de wereld in twijfel te trekken, maar dat toch deden.' Martuch keek uit het raam, langs Bek heen. 'Dit is een vreemde plek voor jullie, vrienden, maar voor mij is het thuis. Hier is alles zoals het moet zijn, terwijl jullie werelden... vreemd en exotisch zijn. Maar ook al is dit mijn thuis, ik voelde toch dat er iets mis was, iets uit evenwicht was. Het toeval heeft me gemaakt tot wie ik nu ben.'

Martuch keerde terug naar zijn kruk en ging zitten. 'Ik heb werelden op het eerste niveau gezien, Puc. Ik heb mannen op insecten zien trappen, zonder nadenken, een gewoonte misschien, of een diep ingesleten afkeer van ongedierte. Beter kan ik je eigenlijk niet uitleggen hoe wij Dasati-mannen reageren als we kinderen zien. Toen ik voor het eerst mannen en vrouwen van andere rassen hun kinderen zag dragen, vasthouden, hen aan de hand mee zag voeren over drukke markten, kon ik mijn ogen nauwelijks geloven.

Ik weet niet hoe ik het duidelijker kan uitleggen, maar het was voor mij even walgelijk als wanneer jij iets in het openbaar zou zien wat je vreselijk pervers vindt. Een moeder die haar kind uitscheldt omdat het wegloopt in de drukte, dat kon ik begrijpen, want onze moeders verdedigen ons met hun leven tijdens het Schuilgaan.' Hij zweeg even. 'Maar toen ik een vader zijn kind zag optillen, gewoon om het aan het lachen te maken...' Hij zuchtte. 'Dat zat me meer dwars dan jij ooit kunt begrijpen. Mijn maag draaide zich om.

Ik denk dat je het zou begrijpen als je plotseling op magische wijze naar een plek werd gebracht waar je getuige kon zijn van een Zuivering. Volwassen mannen in wapenrusting rijden door de nacht, stuiven door de struiken in het bos, galopperen door kampen vol angstige kinderen en woedende moeders, van wie er veel zich op speerpunten en zwaarden werpen om hun kleintjes een kans op overleven te geven, en ... wel, die strijders lachen en maken grappen terwijl de baby's sterven... Wat jij zou voelen als je dat zag, zo voelde ik me als ik een man de wang van een zuigeling zag kussen.

En toch, diep van binnen, wist ik dat het verkeerde daaraan niet bij die vader en zijn kind lag, maar in mij en mijn ras.'

'Hoe kwam je aan dat inzicht?' vroeg Nakur. 'En hoe ben je voor het eerst naar de eerste cirkel gekomen?'

Martuch keek Nakur glimlachend aan. 'Alles op z'n tijd, mijn vriend.' Hij stond weer op en ijsbeerde door de kamer alsof hij zijn gedachten wilde ordenen. 'De eerste keer dat ik het gevoel had dat er iets niet klopte, zoals ik het zie, was tijdens een grote Zuivering.

De Ruiters van de Sadharin hadden bericht gekregen dat een Voorziener - een handelaar dus - bij zonsondergang in een dicht bos rook had gezien, slechts een halve dag rijden van dit kasteel vandaan. De bergen ten oosten van hier beginnen als uitlopers, en er zijn daar veel grotten en oude mijnen. Een georganiseerde groep zou ze in één jaar tijd nog niet allemaal kunnen verkennen, laat staan dat ze kampen met vrouwen en kinderen zouden kunnen vinden die zich constant verplaatsen.  

We vertrokken bij zonsondergang, zodat we het kamp midden in de nacht konden aanvallen. Tegen de tijd dat we daar aankwamen, roken we houtrook in de lucht en hoorden we het zachte geluid van moeders die tegen hun nakomelingen kirden.

We werden vervuld van bloeddorst en wilden niets liever dan hakken en scheuren en die dingen onder de hoeven van onze varnins vertrappen. Een van de vrouwen was kennelijk alert, want we hoorden een waarschuwingskreet net voordat we het kamp bestormden. Onze vrouwen zijn intelligent, en bijzonder gevaarlijk als ze hun kinderen beschermen. Verschillenden van hen trokken met hun blote handen strijders uit het zadel, en stierven om hun kinderen te redden. Een van die vrouwen beet een strijder zijn strot af.

Ik heb die nacht drie vrouwen gedood om mijn broer de kans te geven zijn rijdier terug te vinden, en toen hij weer in het zadel zat, was het kamp verlaten. In het donker hoorde ik overal om me heen geschreeuw en gegil en het gejammer van kinderen, dat eindigde met het geluid van zwaarden die zich in vlees boorden.

Ik voelde mijn hart bonzen in mijn oren, en ik hijgde. Het is ongeveer hetzelfde gevoel dat we krijgen als we klaar zijn om te copuleren. In mijn beleving is het plezier gelijk: leven maken of leven nemen.

Ik reed de struiken rondom het kamp in, en toen voelde ik ineens iets. Ik keek omlaag en daar, ineengedoken onder een laaghangende tak, zat een vrouw met haar zoontje in haar armen. Ik zou haar nooit hebben gezien als ik door was gereden of niet op precies dat moment omlaag had gekeken. Dan had die vrouw bijna zeker kunnen ontkomen naar de vrijheid en veiligheid.'

Martuch hield op met ijsberen en keek Puc aan. 'Maar toen gebeurde er iets ongelooflijks. Ik hief mijn zwaard op om de vrouw te doden - zij was het gevaarlijkst - en dan de jongen. Maar in plaats van dat ze opsprong om haar kind af te schermen, hield ze hem stevig tegen zich aangedrukt en keek me in mijn ogen, Puc. Ze staarde me aan en zei "alsjeblieft".'

'Ik begrijp dat dat nogal... onverwacht was,' zei Puc.

'Ongehoord,' zei Martuch, die weer op zijn kruk was gaan zitten. '''Alsjeblieft'' is een woord dat een Dasati maar zelden hoort, behalve van een Mindere die je iets aanreikt. Maar nooit als smeekbede, nee, dat is niet ons gebruik.

Maar iets in de ogen van die vrouw... Er lag kracht en vaardigheid in: dit was geen gejammer van een zwakke vrouw, maar een smeekbede aan iets diepers dan gedachteloos doden.'  

'Wat deed je toen?' vroeg Magnus.

'Ik liet ze gaan,' zei Martuch. 'Ik stopte mijn zwaard weg en reed door.'

'Ik denk niet dat ik kan begrijpen hoe dat moet hebben gevoeld,' zei Puc.

'Ik begreep het zelf amper,' zei Martuch. 'Ik reed achter de anderen aan, en tegen zonsopgang waren er dertien vrouwen en een stuk of twintig kinderen afgeslacht. De andere ruiters lachten en kletsten onderweg terug naar de grote zaal van de Sadharin, maar ik hield mijn mond.

Ik had geen gevoel van trots, of dat ik iets had gepresteerd. Ik besefte op dat moment dat ik van binnen was veranderd, en dat er niets glorieus was aan het afslachten van degenen die zich niet goed kunnen verdedigen.

Een vrouw met een mes moet je met respect behandelen, maar ik zat in het zadel van een voor de strijd opgeleide varnin, in volledige wapenrusting, met een zwaard en een dolk en een strijdboog aan mijn zadel. En dan moest ik het als een prestatie zien dat ik haar had gedood? Ik moest triomf voelen bij het afslachten van een kind dat zich alleen met nagels en tanden kon verdedigen?' Hij schudde zijn hoofd. 'Nee, ik wist dat er iets vreselijk mis was. Maar net als velen die dit inzicht krijgen, nam ik aan dat dat verkeerde binnen in mij zat, dat ik de waarheid van Zijne Duisternis uit het oog was verloren, dus ging ik naar een Doodspriester toe om raad te vragen.' Martuch keek Puc met een scheve glimlach aan. 'Het lot konkelde en bracht me bij een man die Juwon heette, een Doodspriester van de hoogste rang buiten de Binnentempel, een Hogepriester, iemand die jurisdictie had over deze hele regio van het rijk.

Hij luisterde naar mijn verhaal en vertrouwde me later toe dat het standaardbevel van de Duistere is dat iedereen die komt met de twijfels die ik uitsprak, meteen moet worden gearresteerd, ondervraagd, en dan ter dood gebracht. Ik had alleen toevallig de hoogst geplaatste prelaat in de streek in vertrouwen genomen die ook in het geheim voor de Witte werkte.

Hij luisterde, zei me dat ik er mijn mond over moest houden tegen anderen, maar vroeg me om terug te komen. We hebben elkaar in de maanden daarna vaak gesproken, soms urenlang, voordat hij me terzijde nam en zei dat het mijn roeping was om de Witte te dienen.

Tegen de tijd dat hij me dat vertelde, was ik al tot de conclusie gekomen dat hier veel meer achter zat dan mijn simpele aarzeling over het doden van één vrouwen één kind. Sindsdien heb ik vele keren met hem gesproken, en ook met Narueen en andere wijze mannen en vrouwen - priesters, Bloedheksen en anderen. Ik ben zoveel meer gaan begrijpen dan me als kind is geleerd.' Martuch boog zich naar voren. 'En zo ben ik de Witte gaan dienen. Sterker nog, ik ben van de Witte gaan houden en alles aan Zijne Duisternis gaan haten.'  

'Hoe ben je naar het eerste niveau van de realiteit gekomen?' vroeg Nakur.

'Ik werd gestuurd door de Tuinier.'

'Waarom?' vroeg Puc.

'Hij is degene die het nauwst samenwerkt met de Witte,' zei een vrouwenstem bij de deur. 'We trekken zijn bevelen niet in twijfel. Als hij ons opdraagt naar een andere realiteit te gaan, dan gaat Martuch, of ik, of een ander die de Witte dient.'

Puc draaide zich om en ging meteen staan, met zijn ogen op de vloer gericht. Magnus en Nakur volgden zijn voorbeeld.  

'Dat moet sneller,' zei Narueen terwijl ze de kamer binnenliep. 'Bij de geringste aarzeling val je al op. Minderen die opvallen zijn dode Minderen. Denk eraan: Zorgers zijn nuttig, maar worden ook geminacht omdat ze anderen willen helpen.'

Puc bleef roerloos staan, en ze nam zijn plaats op de divan in. 'Kom naast me zitten,' zei ze tegen hem. Toen liet ze de anderen weten: 'Jullie kunnen ophouden met acteren. Het zal bijna zeker de laatste keer zijn dat jullie de kans hebben vragen te stellen, en we moeten nog veel bespreken voordat jullie vertrekken.'  

'Zo snel al?' vroeg Puc.  

'Ja,' zei Narueen. 'Ik heb bericht ontvangen dat er mogelijk iets buitengewoons gaande is op Omadrabar. Hogepriester Juwon is naar het Hof van Zijne Duisternis geroepen, en als ze de priesters uit de buitenstreken oproepen, dan is dat voor een belangrijke vergadering.'

'Enig idee waarom?' vroeg Martuch.

'Als een Opperprelaat sterft en er een opvolger moet worden gezalfd, dan is een oproep van deze soort gebruikelijk; maar ik heb niet gehoord dat hij ziek was. Bovendien zou er met zo'n bevel nieuws zijn meegestuurd over zijn vroegtijdige dood. In het verleden riep de Opperprelaat nog wel eens zo'n vergadering bijeen om een nieuwe leerstelling bekend te maken; maar Juwon zou op de hoogte zijn van zo'n theologische beweging in de hiërarchie van de kerk.' Ze schudde licht haar hoofd; een heel menselijk gebaar. 'Nee, het moet iets anders zijn.' Ze keek Puc aan. 'We zijn altijd bang om ontdekt te worden. Maar één voordeel dat wij hebben, is dat de dienaren van de Duistere liever niet willen dat het volk weet dat we geen mythe zijn, dat we echt bestaan.'  

'Als je zegt "wij",' zei Puc, 'bedoel je dan de Bloedheksen of de Witte?'

'Allebei,' antwoordde ze, 'want in mijn beleving zijn de Zusterschap van de Bloedheksen en de Witte al vele jaren één, al lang voordat we beseften dat we de kracht dienen die tegenovergesteld is aan de Duistere.'  

'Martuch vertelde ons hoe hij ooit een vrouwen haar kind heeft gespaard. Ken je dat verhaal?' vroeg Nakur.

Narueen knikte met een open blik, die meer emotie bevatte dan Puc tot nu toe bij haar had gezien. 'Ik ken het verhaal goed, want ik was die vrouw, en Valko was het kind in mijn armen. We waren een eindje van de grotten weggegaan om te koken. Onze vuren waren natuurlijk te vroeg aangestoken. De kinderen waren onrustig, Valko kreeg tandjes en was chagrijnig. De verkoelende avondbries kalmeerde hem.'

'Waarom heb je alleen maar "alsjeblieft" gezegd?' vroeg Magnus.

Ze zuchtte. 'Dat weet ik eigenlijk niet. Een instinct waardoor ik iets in hem zag. Hij was een sterke krijger, het soort man dat vrouwen willen als vader van hun kinderen, en in de kracht van zijn leven. Hij was doordrongen van moordlust en wilde doden, maar hij had een ... blik, iets in zijn ogen onder die angstaanjagende zwarte helm, waardoor ik hem gewoon vroeg om ons te sparen.'

'En zo neemt het leven een andere wending,' zei Martuch. 'Valko kent dit verhaal niet, en ik zou het op prijs stellen als jullie het hem nog niet vertellen. Hij zal er snel genoeg achterkomen. Wat jullie moeten weten, is dat onze jonge heer van de Camareen zijn positie pas sinds deze week heeft. Hij heeft zijn vader pas zes dagen voor jullie aankwamen onthoofd. De viering van zijn nieuwe positie vond eergisteren plaats. Als we toen waren aangekomen, waren de meesten van ons nu waarschijnlijk dood geweest.'

'Ik verwonder me vaak over die kleine schijnbaar willekeurige gebeurtenissen in het leven,' zei Puc. 'Dat iets alleen maar toeval lijkt, maar uiteindelijk zo belangrijk blijkt te zijn.'

Nakur was ongebruikelijk stil geweest tijdens het gesprek en had zich tevredengesteld met kijken en luisteren. Nu reikte hij in zijn buidel en haalde er een sinaasappel uit.

Puc zette grote ogen op. 'Hoe deed je dat?' Nakurs altijd aanwezige buidel had binnenin een permanente scheuring naar twee kanten, waardoor hij er zijn hand door kon steken en sinaasappelen en andere dingen van een tafel in een groentewinkel in Kesh kon pakken. Maar voor zover Puc iets van magie wist, kon dat hier onmogelijk werken.

Nakur grijnsde alleen maar. 'Andere buidel. Ziet er hetzelfde uit, maar is het niet. Ik heb er gewoon een paar sinaasappels in gestopt. Dit is de laatste.'

Hij stak zijn duim door de schil, pelde de sinaasappel en nam toen een hap. Hij trok een vies gezicht en zei: 'Afgrijselijk. Ik geloof dat onze smaak ook is veranderd.' Hij stopte de sinaasappel terug in zijn buidel. 'Ik denk dat ik deze onderweg beter ergens kan weggooien.'

'Ja,' zei Martuch, die opstond en zijn hand uitstak. 'Ik zorg er wel voor.' Het is beter als je niet aan een Doodspriester hoeft uit te leggen hoe je aan fruit van het eerste bestaansniveau komt.' Nakur gaf hem de sinaasappel en keek naar Bek, die rustig uit het raam zat te kijken. 'Wat vind je zo fascinerend, Ralan?'

Zonder zich om te draaien antwoordde Bek: 'Ik vind het hier gewoon heel fijn, Nakur. Ik wil blijven.' Hij draaide zich om en zijn ogen glansden van emotie. 'Ik wil dat je rechtzet wat je met me hebt gedaan, die dag bij de grotten, omdat ik denk dat ik hier... gelukkig kan zijn. Dit is een goede plek, Nakur. Ik kan hier doden en mensen aan het huilen maken, en iedereen vindt dat grappig.' Hij keek weer uit het raam. 'En het is de mooiste plek die ik ooit heb gezien.'

Nakur liep naar het raam en keek naar buiten. 'Het is ongebruikelijk helder vandaag...'

Door de manier waarop hij zijn stem liet dalen, keken Puc en de anderen hem bevreemd aan. 'Wat is er?' vroeg Puc.

'Kom hierheen,' zei Nakur.

Puc keek langs zijn twee vrienden naar buiten. Ze hadden even moeten wennen aan het daglicht van Kosridi, aangezien er weinig zicht was volgens Midkemiaanse normen, maar Puc had gemerkt dat toen zijn ogen gewend waren aan een veel breder spectrum - wat Nakur 'de kleuren voorbij violet, en onder het rood' had genoemd - hij een duidelijk verschil kon zien tussen nacht en dag. Als de zon boven hem stond, zag hij warmte en energie en veel meer details dan 's nachts. Maar zelfs in het donker zag hij veel meer met zijn 'Dasati-ogen' dan hij ooit voor mogelijk had gehouden. En hij begreep waarom hij geen duidelijke bewegwijzering had gezien op Delecordia of hier: het had even geduurd voor hij de energiesignaturen had gezien die op de stenen boven deuren waren aangebracht om het doel van een gebouw aan te geven.

Vandaag was het 'helder' omdat het onbewolkt was en de zon scheen. Puc zag het stadje voorbij het kasteel en de oceaan daarachter. Toen viel hem op dat er iets bekends was aan wat hij zag.

'Ik ben maar één keer eerder naar een plek als deze geweest,' zei Nakur. 'Jaren geleden, toen prins Valentijn achter...' 

Puc onderbrak hem. 'Het is Schreiborg,' zei hij zachtjes.

'Het lijkt heel veel op Schreiborg,' zei Nakur.

Puc wees naar het zuidwesten. 'Daar zijn de Zes Zusters.'

'Zo heten die eilandjes inderdaad,' zei Narueen.

Puc herhaalde: 'We zijn in Schreiborg.' Hij keek weer naar buiten. 'Dit stadje is gebouwd... wel, op Dasati-wijze, als een reeks gekoppelde gebouwen zoals bij de Ipiliac, maar daar, die landtong die uitsteekt ten noorden van de haven... dat is Langpunt!'

'Wat betekent dat?' vroeg Magnus.

Puc draaide zich om en ging in het vensterkozijn naast Bek zitten, die nog altijd naar buiten staarde. 'Dat weet ik niet. Op een bepaalde manier betekent het denk ik dat we thuis zijn, alleen op een ander niveau van de realiteit.'

Puc begon Narueen en Martuch vragen te stellen over de geografie van het gebied en begreep al snel dat Kosridi Midkemia was, maar dan op het tweede niveau van de realiteit. Na bijna een halfuur vroeg Puc: 'Waarom zou al het andere anders zijn, maar de fysieke omgeving hetzelfde?'

'Dat is een vraag voor filosofen,' zei Nakur. Hij grijnsde. 'Maar ik hou evenveel van goede vragen als van goede antwoorden.'  

'Zoveel mysteries,' zei Magnus.

'We vertrekken morgen met paard-en-wagen naar Kosridi Stad,' zei Martuch.

Puc dacht dat de hoofdstad van deze wereld ruwweg op dezelfde plek lag als Sterrewerf op Midkemia, en vroeg: 'Zou het per schip niet sneller gaan?'

'Ja,' antwoordde Martuch, 'als de wind uit de goede richting kwam, maar in deze tijd van het jaar hebben we die de hele weg tegen. Bovendien zijn er een stuk of wat gevaarlijke plekken langs de kust - ik ben geen zeeman, dus ik weet niet hoe je die noemt - rotsen onder het water, waar je ze niet kunt zien.'

'Riffen,' zei Puc, 'in onze taal.'

'Hoe dan ook,' zei Narueen, 'zodra we Ladsnawe bereiken, nemen we een snel schip over de Diamantzee naar de rivier die tot in Kosridi stroomt.'

Puc dacht hierover na en besefte dat de Bitterzee inderdaad min of meer diamantvormig was. 'Dus hoe lang?' vroeg hij.

'Drie weken, als alles probleemloos gaat. We hebben al snelle boodschappers op pad gestuurd om te melden dat we komen, dus we zullen elke avond onderweg een veilig toevluchtsoord hebben.'

'We hebben nog zoveel te bespreken,' zei Puc.

'Daar is nog wel tijd voor. Alles wat we doen, wordt begeleid door de Tuinier. Jullie reizen met een geleide van mensen die jullie geheimen zullen beschermen, ook al weten ze zelf niet wat die geheimen zijn. Speel je rol, dan komt alles in orde. We hebben nog tijd, meer dan genoeg tijd, geloof me.'

Narueen stond op en wees naar Magnus. 'Jij komt met mij mee.'  

Magnus leek even verscheurd te worden tussen nieuwsgierigheid en de wens om zich voor te doen als gehoorzame dienaar. Toen stond hij op, boog zijn hoofd en volgde Valko's moeder. Puc keek Martuch aan, die licht glimlachte. 'Wat is hier gaande?' vroeg hij.

'Ze neemt hem vanavond mee naar bed,' zei Martuch. 'Hij is heel knap voor een Dasati. Veel vrouwen zullen met hem willen copuleren. Ik besef wel dat onze gebruiken voor jullie nogal bot en... ach, wat is toch dat woord dat jullie mensen gebruiken om afwijkend gedrag te verklaren?'

'Moreel?' opperde Nakur.

'Dat is het,' zei Martuch. 'We hebben geen moreel als het op voortplanting aankomt.'

'Maar kan hij...?' 

'Ik ben geen deskundige,' zei Martuch, 'maar ik denk dat de grondbeginselen min of meer hetzelfde zijn, en terwijl Narueen zich wat gratis genoegen bezorgt, zorgt ze er ook voor dat je zoon niet dood is voor we ons doel bereiken.

Ik overdrijf niet. Hij is heel knap en veel vrouwen zullen zijn gezelschap willen. En ook wel een paar mannen, verwacht ik. Als hij zijn rol niet begrijpt - hoe hij moet gehoorzamen, hoe hij kan weigeren of wat hij kan verwachten - zien jullie hem misschien nooit terug.' Hij wees naar Bek. 'Net zoals hij vanavond een Mindere in zijn bed zal aantreffen.' Hij liet zijn stem dalen en voegde eraan toe: 'Ik denk dat hij er geen moeite mee zal hebben een Dasativrouw ervan te overtuigen dat hij een strijder is.'

'Ik ben getrouwd,' zei Puc snel.

Martuch lachte. 'Maak je geen zorgen, mijn vriend Puc. In Dasati-ogen ben jij veel te klein en gewoontjes om dat soort aandacht te trekken.'

'Ik val op meisjes,' zei Nakur.

Martuch lachte nog harder, schudde zijn hoofd en liep de kamer uit.