10

Zuivering

 

Valko bereidde zich voor op geweld.

De strijder tegenover hem was oud en zijn littekens zagen eruit als eremedailles, maar zijn houding gaf aan dat hij geen oude man was die erop wachtte dat een zoon hem eindelijk naar de dienst van de Duistere God zou promoveren. Deze man had nog vele gevechten te leveren.

Valko stond midden in een grote ruimte, net zo ingedeeld als de vechtruimte in de Zaal van Beproeving in het kasteel van zijn vader, maar dan vele keren groter. Vijfhonderd ruiters konden op de galerij zitten, en er konden minstens tien gevechten tegelijk worden gehouden. Hij keek naar rechts, toen naar links, en zag andere Dasati-jongeren die ook klaar waren voor het gevecht.  

De oude strijder was gekleed in de wapenrusting van de Gesel, bijna gelijk aan die de Sadharin droegen: een donkergrijze helm met een open vizier, een borstplaat, arm- en beenkappen, maar in plaats van de lange pluim die de Sadharin droegen, was zijn helm voorzien van een punt waaraan twee lange, bloedoranje linten hingen. Toen hij sprak, was zijn stem gezaghebbend, hoewel hij die niet verhief. 'Jullie gaan sterven.' Verschillende jongelingen spanden hun spieren en een paar handen grepen naar zwaarden. 'Maar niet vandaag.'  

Hij liep langzaam langs de zestien jonge strijders, die in een halve cirkel opgesteld stonden, en keek elk van hen in de ogen terwijl hij sprak. 'Jullie zijn hier naar me toe gekomen omdat jullie je eerste beproeving hebben overleefd. Overleven is goed. Je kunt de tekarana niet dienen als je dood bent. Je kunt geen sterke zonen en slimme dochters voortbrengen als je niet overleeft. En jullie willen sterke zonen hebben zodat die op een dag hier kunnen staan om met hun opleiding te beginnen, en slimme dochters die jullie kleinzoons zullen verbergen tot zij klaar zijn voor hun beproeving.  

Zo is het gebruik van de Dasati.'

'Zo is het gebruik,' antwoordden de jonge strijders ritueel. 'Het op één na meest glorieuze wat je kunt doen, is dapper sterven voor het rijk, als al het andere heeft gefaald. Het meest glorieuze wat je kunt doen, is zorgen dat de vijanden van het rijk eerder sterven dan wij. Elke idioot kan op een stomme manier sterven. Stommiteit is een zwakte. Er is geen glorie in sterven als een idioot.

Zo is het gebruik van de Dasati.'

'Zo is het gebruik.'

De oude strijder vervolgde: 'Ik ben Hirea, Ruiter van de Gesel. Sommigen van jullie zijn zoons van de Gesel.'

Enkele jonge strijders brulden.

'Maar niet langer,' zei Hirea, die zijn stem net genoeg verhief om zijn ongenoegen over hun gebrul te laten merken. 'Jullie zijn niet langer van de Gesel. Jullie zijn geen zonen meer van de Sadharin. Noch zijn jullie Kalmak, Zwarte Donder, Duistere Ruiter, Bloedvloed of Remalu. Wat jullie ook dachten te zijn toen jullie aankwamen, dat is voorbij. Jullie zijn nu van mij, tot ik bepaal dat jullie terug kunnen naar jullie vaders of dood op het zand liggen.' Hij wees bij wijze van nadruk naar het zand onder hun voeten. 'Hier kunnen jullie je erfgoed opeisen als ware Doodsridders, en jullie vaders of de Duistere God dienen. Ik stuur jullie met evenveel plezier naar beide toe.' Hij liet zijn blik langs alle gezichten gaan. 'Ieder van jullie vormt een team met een ander. Jullie delen ook een kamer. Vanaf dit moment wordt die strijder je broer. Jullie zullen met graagte je leven voor hem geven, en hij voor jou. Als jullie vaders vijanden zijn, maakt dat niet uit. Hij is je broeder. Dat is je eerste les.

Zo.' Hij wees snel naar de twee jonge strijders aan de uiteinden van de halve cirkel. 'Jij en jij, kom naar voren.' Ze gehoorzaamden en hij wees naar hen. 'Je naam!'  

De strijders zeiden hun naam en Hirea vervolgde: 'Jullie zijn nu broers, tot jullie hier vertrekken. Daarna zijn jullie vrij om elkaar te doden, maar tot die tijd zullen jullie voor elkaar sterven als het moet.' Hij gebaarde over zijn schouder. 'Kom achter me staan.'

Hij herhaalde dit proces met de volgende twee jongelingen, en de twee daarna, tot hij bij Valko aankwam. Valko werd gekoppeld aan een zoon van de Remalu, die Seeleth heette, zoon van Silthe, Heer van de Rianta. Valko zei niets toen de andere strijders aan elkaar werden gekoppeld, maar hij had zijn twijfels over zijn nieuwe 'broer'. De Remalu stonden in heel Kosridi bekend als fanatiekelingen. Veel van hun jongelingen gaven de weg van het zwaard op om Doodspriester te worden. Het was een eer om de Duistere God te dienen, en niemand zou iets anders beweren, maar het werd algemeen als een minder mannelijke weg gezien. Priesters stierven van ouderdom en konden hun eventuele zoons nooit erkennen. Een zoon van een priester was gedoemd een Mindere te worden. Een strijder zou liever doodgaan dan een kind te laten overleven en een Mindere te laten worden. Laat de Minderen hun eigen soort maar in stand houden.  

Volgens geruchten waren veel van hen ook lid van de Orde van Doodsmagiërs. Zij waren verwant aan machtige heren op andere werelden, en stonden gelijk aan adviseurs van de tekarana zelf. Onder de families op Kosridi werden de Remalu het meest gehaat, maar ook het meest gevreesd en gewantrouwd.  

'Veel van hen zullen binnenkort sterven, mijn broer,' fluisterde Seeleth.  

Valko zei niets en knikte kort.

Toen er acht paar broers voor hem stonden, wees Hirea naar het eerste stel, en maakte vervolgens een armgebaar toen hij hen allen toesprak. 'Elk van jullie heeft een kamer gekregen met twee bedden erin,' zei Hirea. 'Degenen die links van mij stonden toen ik je aanwees, brengen jullie bezittingen naar de kamer van je broer. Ga eten bij het zenit, en kom dan hier terug voor je eerste gevechtstraining. Lopen!'

De jonge strijders liepen in een ordelijke rij naar buiten, en even later was Valko in zijn kamer terwijl Seeleth zijn schamele bezittingen in een kist aan de voet van het tweede bed stopte. Valko zag dat er een behoorlijk aantal mystieke voorwerpen bij zat, dingen die een zoon van een ongeruste moeder meekreeg. Misschien was Seeleths moeder uit het Schuilgaan gekomen om een ereplaats in te nemen aan het hof van zijn vader, of had ze die hem gegeven voordat hij het Schuilgaan verliet. Maar enkele voorwerpen leken heel wat duisterder dan normaal en hadden een soort magische uitstraling. Afweren? Geluksamuletten?

Seeleth grijnsde naar Valko en ging op zijn bed zitten. Valko vond hem lijken op een hongerige zarkis, de gevreesde nachtelijke jager van de vlakten. 'We gaan grootse dingen doen, Valko,' fluisterde Seeleth.  

'Waarom fluister je?'

'Vertrouw niemand, mijn broer.'

Valko knikte. Als dat zo is, dacht hij, waarom zou ik dan een 'broer' vertrouwen die dat enkel is tot we hier weggaan? Seeleth was kennelijk nogal een apart type. Hoe meer hij erover nadacht, hoe meer Valko vermoedde dat hij het type was dat een Doodspriester zou willen worden. 'Laten we naar het zenitmaal gaan,' zei Valko, en stond op. Seeleth stond ook op, maar stapte naar Valko toe en keek zijn nieuwe 'broer' recht in de ogen. Het was ofwel een teken van vertrouwen, of een uitdaging. Aangezien er geen wapens werden getrokken, nam Valko aan dat Seeleth vertrouwen in hem stelde. 'We gaan grootse dingen doen,' fluisterde Seeleth nog eens. 'Misschien zijn wij wel degenen die de Witte vinden en vernietigen.'  

'De Witte is een mythe,' kaatste Valko terug. 'Nadenken over zulke wezens is... waanzin!'

Seeleth lachte. 'Wat een onrust over een mythe!'

Valko voelde dat hij boos werd. 'We zijn hier om te trainen, bróér. Ik geef niets om de ambities van een zoon van de Remalu, en ik verspil ook geen tijd met nutteloos nadenken over glorieuze tochten; die zijn voor spelende kinderen in het Schuilgaan. Mijn vader heeft me opgedragen hierheen te gaan, dus hier ben ik. Hirea heeft bevolen je mijn broer te noemen en voor je te sterven als het nodig is. Ik gehoorzaam. Maar val me niet lastig met je mentale spelletjes, bróér, want dan dood ik je.'  

Seeleth lachte weer. 'Je antwoordt zoals het een goed Dasatistrijder betaamt,' zei hij, en liep toen de kamer uit in de richting van de eetzaal.  

Valko bleef een tijdje ontdaan staan en vroeg zich af wat er achter dit alles zat. De Witte was een obsceen concept, godslastering zelfs, iets waar niemand over sprak die de harde realiteit van het Dasatileven wilde overleven. Toegeven dat de Witte kon bestaan, was toegeven dat de Duistere niet almachtig was. Maar als zoiets toch bestond, en als een strijder er een eind aan kon maken, zou dat zeker leiden tot grootsheid. Maar hoe kon de Witte bestaan als de Duistere God oppermachtig was? Alleen die vraag al was een belediging van de logica. Was het beledigend genoeg om te rechtvaardigen dat hij Seeleths hoofd afsloeg zonder zich te hoeven verdedigen ten overstaan van Hirea? Als hij een Remalu ombracht, zou hem dat achting van zijn vader opleveren. Hij dacht er even over na, zette het toen van zich af en volgde Seeleth naar het zenitmaal. 

 

Het was maar een kleine vergissing geweest, maar daardoor lag een jonge strijder nu op het zand terwijl het bloed onstuitbaar opwelde tussen zijn vingers, die hij tegen de wond gedrukt hield. Hirea beende naar de gewonde jongen toe en keek op hem neer. De oefenpartner van de jongen keek ook omlaag, zijn gezicht een onpeilbaar masker.

Hirea draaide zich om naar de winnaar van de wedstrijd en zei: 'Ga daar staan.' Hij wees naar de rand van de oefenvloer. Hij zweeg even. Toen vroeg hij de gewonde jongen: 'Wat heb je nodig?'

De gewonde jonge strijder kon amper spreken terwijl hij opgerold op de grond lag, met zijn handen tegen zijn buik gedrukt. Uiteindelijk bracht hij uit: 'Maak er een eind aan.'

Hirea's hand schoot naar het gevest van zijn zwaard, en voor de andere jonge strijders zelfs maar in de gaten hadden wat hij deed, kwam het zwaard omlaag en maakte een einde aan het leven van de jongeman. Verschillende toeschouwers begonnen te lachen over zijn ongeluk, maar Valko en Seeleth deden niet mee.

Hirea keek naar de jongens die lachten en zei: 'Hij was zwak! Maar niet zo zwak dat hij om een Zorger vroeg.' Hij keek omlaag. 'Dit is niet grappig. Het is niets om over te treuren, maar het is ook niet grappig.'  

Hij gebaarde met zijn vrije hand dat het lijk van de jongen moest worden verwijderd. Twee Minderen haastten zich om het nu levenloze ding op te tillen en weg te dragen naar de Doodskamer, waar de Uitbeners alles uit het lichaam zouden halen wat nog nuttig was. De rest zou door het diervoeder worden gemengd; zo kon hij op bescheiden wijze alsnog dienen.  

'Is er hier iemand die het niet begrijpt?' Toen niemand iets zei, vervolgde Hirea: 'Je mag vragen stellen; je leert niet door te zwijgen.'

Een strijder aan de andere kant van de ruimte vroeg: 'Hirea, wat zou je hebben gedaan als hij wel om een Zorger had gevraagd?'  

Hirea stak zijn zwaard weg. 'Ik zou hem langzaam hebben laten doodbloeden. Zijn leed zou een beloning zijn geweest voor zijn aanhoudende zwakte.'

'Dát zou pas grappig zijn geweest,' zei Seeleth.

Hirea hoorde hem en draaide zich om. 'Ja, dát wel.' Hij lachte één keer, een hard, blaffend geluid, en schreeuwde toen: 'Terug naar jullie plaatsen!' Tegen de tegenstander van de dode jongen zei hij: 'Ik zal je partner zijn in deze oefening tot er nog een ander sterft, dan wordt hij die daarbij heeft overwonnen je nieuwe broer.' Hij zweeg even. Toen keek hij de jongeling die zojuist zijn broer een fatale wond had toegebracht in de ogen. 'Goed gedaan.'  

De jongen knikte zonder te glimlachen, en zijn nerveuze gezicht gaf aan dat hij zich nu afvroeg of hij de rest van de training van vandaag wel zou overleven.

 

De jonge strijders werden in het holst van de nacht gewekt door de bedienden. De Minderen maakten de strijders voorzichtig wakker, kwamen heel stilletjes elke kamer binnen, fluisterden naar de jongelui en sprongen dan snel naar achteren voor het geval een plotseling gewekte jonge strijder zijn woede zou koelen op het dichtstbijzijnde doelwit. Maar de boodschap werd gehoorzaamd: Hirea wil dat jullie nu meteen met hem uitrijden.  

De strijders sliepen in donkere nachthemden die gebruikelijk waren bij de Dasati, maar met hun wapens bij de hand. Snel keerden bedienden terug naar alle kamers om de jonge vechters te helpen hun nachthemd uit te doen en ze een eenvoudige lendendoek, voet- en enkelwindsels en een hemd aan te trekken. Toen volgden een gevoerde broek en een lichte jas, en daarna de wapenrusting. Elke strijder die de opleiding overleefde, zou een complete garderobe met kledingstukken voor elke gelegenheid aantreffen wanneer hij thuis terugkeerde, maar tijdens de opleiding was dit het totaal van hun garderobe: strijdkleding en een nachthemd. Zelfs wanneer ze lessen volgden bij Bewerkstelligers en Voorzieners droegen ze hun wapenrusting.  

De jonge strijders liepen snel naar de stal, waar lakeien de wachtende varnins al hadden gezadeld. De rijdieren schraapten met hun hoeven over de grond en snoven in afwachting van een jachtpartij. Valko liep naar zijn rijdier, een jong vrouwtje dat nog geen nakomelingen had voortgebracht, en klopte haar een keer stevig op de hals voor hij in het zadel sprong. De enorme kop van de varnin ging licht op en neer om te erkennen dat haar ruiter er was, en ze snoof toen hij de leidsels pakte en er een keer hard aan trok om haar te laten weten dat hij de baas was. Varnins waren stomme beesten, en je moest ze er constant aan herinneren wie de touwtjes in handen had. Goede ruiters kozen mannelijke dieren vanwege hun agressiviteit, maar de meeste ruiters gebruikten ruinen en jonge vrouwtjesdieren.

Valko wachtte tot de rest van de strijders was opgestegen: nog maar tien van de oorspronkelijke zestien. De zes die waren gestorven, hadden hun lot verdiend, wist Valko, maar iets aan de dood van de laatste, een jongeling die Malka heette, zat hem dwars. Hij was aan het oefenen geweest met Seeleth en had een onbelangrijke wond opgelopen, alleen maar een snee in het vlezige gedeelte van zijn onderarm, en had niet eens zijn zwaard laten vallen. Bij zulke wonden hoorde je de kans te krijgen om ze zelf te verbinden. Valko had hem naar Seeleth zien gebaren dat hij een onderbreking wilde, en Seeleth was achteruitgestapt om hem die pauze te gunnen. Malka verplaatste zijn zwaard van zijn rechter- naar zijn linkerhand en Seeleth had gewacht, maar toen Malka tijdelijk niet in staat was zich te verdedigen, had de zoon van de Remalu toegeslagen met een enkele houw in Malka's nek, waarop de jongeman ogenblikkelijk dood was neergevallen.  

Er was niets gezegd. Valko kon zich niet voorstellen dat Hirea het niet had gezien, want de oude strijder ontging helemaal niets. Maar hij had niets gedaan. Valko had verwacht dat Seeleth wel een reprimande zou krijgen of zelfs door de oude leermeester gedood zou worden omdat hij de regels van het gevecht had geschonden, maar Hirea had zich gewoon omgedraaid alsof hij niets had gezien.  

Valko was verontrust, maar niet genoeg om vragen te stellen. Onverwachte vragen waren gevaarlijk; te veel vragen wezen erop dat een strijder niet zeker van zichzelf was. Een gebrek aan zekerheid was een zwakte. Zwakte betekende de dood.

Toch zat het hem niet lekker; er werden regels geschonden, maar daarop volgde geen straf. Wat zou hier de les van zijn, vroeg Valko zich af. Dat de overwinning belangrijker was dan de naleving van de regels?

Hirea ging in de stijgbeugels staan en richtte zich op boven zijn oude mannelijke rijdier, evenzeer een veteraan vol strijdlittekens als hijzelf. Hij gebaarde, en de ruiters verlieten het stalerf en hielden in bij de poort. Hirea stak zijn hand op om orde te vragen. 'Een strijder moet op elk moment van de dag of de nacht klaar zijn om aan een oproep gehoor te geven. En nu vertrekken we!'  

De jonge strijders volgden hun leermeester, die hen voorging over de lange, kronkelende weg vanaf het oude fort dat nu hun thuis was. Vroeger was de vesting bezit geweest van een hoofdman van een oude stam, maar de naam ervan was alleen bekend bij archivarissen. Het verschuivende zand dat de fundering onder de Dasati-samenleving vormde, had weer een familie opgeslokt. Misschien was een groep families op andere bondgenoten overgestapt en hadden ze een andere familie overgeleverd aan een wreed lot terwijl ze zelf op zoek gingen naar een machtigere beschermheer. Misschien was er een beschermheer verlaten door vazallen die meer macht zochten in nieuwe allianties.  

Valko besefte dat hij het nooit zou weten tot hij de tijd nam om een archivaris op te zoeken, iets waar hij weinig tijd voor en nog minder zin in had. Valko liet zijn zintuigen zich instellen op de nacht. Hij gaf de voorkeur aan de nacht: het gebrek aan zichtbaar licht werd meer dan gecompenseerd door zijn vermogen om warmte te zien en, in mindere mate, beweging te detecteren. Net als alle andere leden van zijn ras kon hij zich gemakkelijk aanpassen aan de meeste omgevingen, zelfs aan diepe, koude tunnels en grotten. Aangezien Valko het grootste deel van zijn leven in het Schuilgaan op die manier had doorgebracht, had hij een buitengewone vaardigheid ontwikkeld in het schatten van afstanden en vormen, hoe vaag ook, door middel van echolokatie.  

Hij nam het landschap in zich op terwijl ze over het pad reden: de verlaten, glooiende akkers; de heuvels in de verte, die alleen zichtbaar waren doordat ze iets donkerder waren dan de lucht eromheen. Alles was een panorama van somberheid, behalve waar kleine warme plekjes de aanwezigheid van knaagdieren en hun jagers verraadden. In de verte zag hij een roedel zarkis achter een snel prooidier aanzitten, misschien een loper of darter. Hoewel ze gevaarlijk waren voor één man, zou een roedel zarkis met een wijde boog om elf ruiters heen gaan. Na jarenlang te zijn bejaagd door de Dasati hadden ze een gezonde angst ontwikkeld voor bewapende ruiters. Maar er waren nog andere nachtelijke roofdieren waar je voor moest oppassen: de keskash, de tweepotige jager van het bos, die plotseling uit zijn schuilplaats sprong en een ruiter van zijn rijdier kon trekken, met kaken die sterk genoeg waren om een wapenrusting aan flarden te scheuren. De huid van die beesten had een laagje vocht dat snel verdampte, waardoor ze verborgen bleven tot ze bijna bij hun prooi waren.  

In de lucht cirkelden de nachtaanvallers, hun piepkleine hersentjes volledig gericht op het berekenen van hun overlevingskansen wanneer ze besloten een prooi aan te vallen, want niets op deze wereld gaf zich zomaar zonder strijd gewonnen. Hun warmtebeelden waren wazig, want hun grote membraanvleugels voerden de warmte snel af waardoor ze minder opvielen, zowel voor de prooi die ze zochten als voor de vliegende klauwen, de machtige vogels die hoog boven hen zweefden. De klauwen bleven doorgaans boven in de atmosfeer, soms mijlenver boven de aarde, tot ze het gas uit hun ingewanden dat hun zweefvermogen gaf lieten ontsnappen en plotseling neerdaalden op een nietsvermoedende prooi in de lucht of op de grond. Hun grote vleugels sloegen met een donderklap open als ze hun duikvlucht omzetten in een glijvlucht en met hun holle, puntige klauwen de prooi vastgrepen, waarna ze met krachtige vleugelslagen weer de lucht in wiekten terwijl ze de sappen uit hun prooi zogen. Voordat ze hun enorme hoogte weer bereikten, lieten ze het uitgedroogde karkas los, dat tollend terug naar de grond viel. Die klauwen waren sterk genoeg om een varnin te grijpen en op te tillen, en konden zonder problemen een borstplaat doorboren. Het was zeldzaam maar niet ongehoord dat een ruiter uit het zadel werd gesleurd en weggevoerd.  

Valko genoot van de nacht. Net als de anderen tijdens deze rit, had hij de meeste tijd in zijn Schuilgaan overdag geslapen en was dan 's nachts op pad gegaan om te stelen wat hij nodig had. Zijn moeder had hem eens verteld dat zodra hij een plek had veroverd aan de rechterhand van zijn vader, hij het daglicht zou gaan waarderen. Hij twijfelde nooit aan zijn moeder; ze was een vrouw met een scherp verstand en inzicht, en hij had nog nooit meegemaakt dat ze zich ergens in vergiste, maar hij wist niet zo zeker of hij zich na de beschutting van de nacht ooit helemaal op zijn gemak zou voelen in het felle daglicht.

Valko vroeg zich af waarom ze deze onverwachte nachtelijke rit maakten, maar wist wel beter dan vragen te stellen. Hirea zou hun vertellen wat ze moesten weten, op het moment dat ze het moesten weten. De gebruiken van de Dasati waren gebaseerd op een ingewikkeld netwerk van relaties, en als het tijd was voor blinde gehoorzaamheid, zou het stellen van een vraag een jonge strijder bijna zeker het leven kosten.  

Zijn varnin hijgde toen ze een volgende heuvel beklommen, want deze wezens werden gefokt om op hoge snelheid kleine afstanden af te leggen, niet voor lange ritten. Maar er waren geen duurvarnins in de stallen bij het oude kasteel. Elke jongeling wist dat die rustigere wezens het slechter deden tijdens de strijd, al hadden ze wel de voorkeur voor langere ritten. Valko concludeerde dat Hirea ofwel uit noodzaak de jonge ruiters had opgetrommeld, of het hem gewoon niet uitmaakte of de dieren werden uitgeput. Het kon Valko weliswaar niet schelen of zijn rijdier leed, maar hij vond het gewoon verspilling om een goed strijdbeest zo af te matten en had geen zin om terug te moeten lopen naar het kasteel als het beest niet meer verder kon.  

Toen ze de heuvel afgingen, liet Hirea hen halt houden. Verschillende varnins stonden te trillen en te puffen met opengesperde neusgaten terwijl ze op adem probeerden te komen. Valko vroeg zich terloops af of de varnins en duurvarnins misschien met elkaar gekruist konden worden, zodat je een vurig strijddier kreeg dat ook uithoudingsvermogen had. Hij besloot zijn vraag te onthouden zodat hij die aan een fokker op het landgoed van zijn vader kon stellen. Zo'n dier zou de Camareen macht verlenen en hun status in de Sadharin vergroten, en hen misschien wel dichter bij het hof van de Karenna en de Lagradin brengen, want zo'n beest zou grote waarde hebben voor het rijk.  

Toen voelde Valko het, even vertrouwd als de stem van zijn moeder: het gevoel dat hij in de buurt was bij een Schuilgaan. Zijn geest liep om van de tegenstrijdige gedachten en gevoelens. Hij zag dat andere jonge ruiters ook opgewonden en verward keken.  

Nog maar enkele weken geleden zou hij zich tussen degenen hebben bevonden die beschutting zochten voor de nachtelijke ruiters en probeerden op te gaan in de omgeving.

Hij dwong zichzelf om na te denken. Waarom zou hier een Schuilgaan zijn, tussen lage heuvels in een plattelandsgebied, vol zarkis, keskash en andere gevaren? Hij zette de tegenstrijdige gedachten - hij wilde zich verbergen en tegelijkertijd verderf zaaien - van zich af. Daar! Hij zag het. Een stroompje dat zo diep in de aarde was weggesleten dat het vanaf de weg niet zichtbaar was. Het leidde van de heuvels omlaag naar het oosten. Wie zich ook hier in de buurt verstopte, was omlaag gedreven vanuit de bergen. Misschien had een plaatselijke heer lucht gekregen van het Schuilgaan op zijn land en had hij een onhandige poging gedaan om de vluchtelingen op te sporen. Of misschien waren de vluchtelingen verhuisd uit gewoonte, zoals zijn moeder vaak had gedaan toen hij nog jong was; hoewel zijn moeder hem en de andere kinderen nooit naar zo'n open plek zou hebben geleid.  

Dasatistrijders hadden van nature de drang om jonge, potentiële mannelijke rivalen of vrouwen die te jong of te oud waren om nakomelingen voort te brengen te doden. Zijn moeder had hem geleerd dat als de strijders te succesvol waren, het ras zou uitsterven. Maar als ze niet hun best deden om de zwakken te elimineren, zou het lot van het ras uiteindelijk ook uitsterving zijn. Zijn moeder was een uitstekend leermeesteres, die Valko altijd onderwerpen gaf om te overpeinzen. Meer dan eens had ze gezegd dat intelligentie geen nuttig geschenk van de Duistere was, dat dieren meer in evenwicht waren met de natuurlijke orde en beter waren in overleven dan de Dasati. Slechts één op de vijf kinderen haalde de volwassenheid, en daarom was er :w'n aandrang om nakomelingen voort te brengen. Zelfs zijn abstracte gedachten over de voortplanting, midden tijdens een jacht, bezorgden Valko pijn in heel zijn lichaam. Als er een geschikt fokvrouwtje in de buurt was, zou hij haar vanavond nog nemen, zelfs als ze een Mindere was! Het waren die onduikende verlangens die zijn moeder hadden gedwongen hem naar zijn vader te sturen, want zodra hij in staat was zich voort te planten, was hij klaar voor de beproeving; bovendien was hij vanaf dat ogenblik een dodelijk gevaar voor elke onvolwassen Dasati in het Schuilgaan. Valko vroeg zich af waar zijn moeder was. Hij wist dat zodra hij vertrokken was, zij en de andere moeders in het Schuilgaan meteen naar een andere veilige plek waren gegaan, misschien naar een van de dorpen van Minderen in de hoge bergen.  

Valko schudde zijn hoofd. Het was waanzin, nadenken over het verleden terwijl er een Zuivering begon! Hij zag dat Hirea naar hem keek. Hij aarzelde niet, maar spoorde zijn nog altijd vermoeide varnin aan en stuurde hem naar het riviertje. Zoals hij had vermoed, zaten er personen ineengedoken onder een beschuttende rotspunt. Zodra de hoeven van zijn varnin het water raakten, gingen ze ervandoor.

Hij zag in het donker weinig duidelijke gelaatstrekken, maar toen ze bewogen, viel de modder van hun bovenlichamen af en werd het door het rivierwater weggespoeld van hun benen en dijen. Het waren zes jongeren en drie volwassen vrouwen. Valko trok zijn zwaard en stormde op hen af. Een van de vrouwen duwde de jongeren voor zich uit, terwijl de andere twee zich omdraaiden om Valko tegen te houden. Plotseling wenste hij dat het dag was, want hij kon aan hun warmtebeeld niet zien of ze bewapend waren. Hij wist dat de wanhopige vrouwen de jongeren met hand en tand zouden beschermen als het moest, en een jonge strijder moest twee volwassen Dasati-vrouwen niet onderschatten.  

Hij wilde graag doden. Het verlangen naar bloed op zijn zwaard bonsde in zijn oren als een oeroud gezang, en hij besefte dat hij het geluid van zijn eigen hart hoorde.

Het zou overhaast zijn om meteen naar voren te stormen en de eerste vrouw met zijn varnin aan te vallen terwijl hij met zijn zwaard uithaalde naar de tweede. En hij wist dat wie van de twee hij ook aanviel, de ander bijna zeker op hem af zou springen om hem uit het zadel te sleuren.

De twee vrouwen, die zich instinctief leken te groeperen, gingen op ruime afstand van elkaar staan, zodat hij een van hen beiden moest kiezen. Op het laatste moment stuurde Valko zijn varnin naar de oeverrand, buiten het bereik van beide vrouwen. Hij verspilde geen tijd met een poging de dichtstbijzijnde vrouw met een neerwaartse slag te raken, want hij wist dat ze bijna zeker onder zijn zwaard door zou duiken en zou proberen zijn laars te grijpen om hem van zijn rijdier te trekken. Hij maakte een schijnbeweging met zijn zwaard, en toen ze bukte, schopte hij haar in het gezicht. Hij sprong van zijn rijdier en landde met de hak van zijn laars op haar keel, die daardoor verpletterd werd. Hij was dichtbij genoeg om de dodelijke grauw te horen van de tweede vrouw, die ongetwijfeld wist dat ze op het punt stond te sterven, maar dat met graagte zou doen om haar nakomelingen te redden. Ze dook ineen, met een mes in haar rechterhand.  

Valko hoorde eindelijk andere ruiters de oever afkomen, en wist dat ze zo meteen langs hem zouden stuiven om te proberen de andere vrouwen de jongeren in te halen. Zijn woede dat hij geen deel zou uitmaken van het doden van de kinderen, wakkerde zijn toch al aanzienlijke moordlust aan, dus haalde hij loom uit naar haar hoofd alsof het hem niet kon schelen hoe gevaarlijk ze kon zijn met haar dolk. Zoals hij had verwacht, dook ze gemakkelijk onder zijn slag door en haalde met haar dolk uit naar de plek waar zijn hals niet beschermd werd door zijn borstplaat; maar hij had alleen maar een schijnbeweging gemaakt. Op het laatste moment draaide hij zijn wapen omlaag en raakte de vrouw op haar schouder, en in plaats van geweld te gebruiken om haar hals te doorklieven, trok hij het wapen gewoon met een ruk achteruit. Hij maakte een diepe wond in haar nek, waar een straal bloed uit spoot. Ze zette wankelend een stap naar hem toe, maar viel toen op haar knieën. Zonder te wachten tot ze de grond raakte, liep hij om haar heen. Andere ruiters haalden hem in. Hij bereikte zijn varnin, steeg op en wilde het dier net aansporen toen Hirea riep: 'Valko! Wacht!'  

De jonge strijder draaide zijn rijdier bij, de behoefte om te doden nog altijd bonzend in zijn borst. Hij trilde in zijn zadel, maar gehoorzaamde toen Hirea herhaalde: 'Wachten.'

Hirea kwam naar hem toe en draaide zijn rijdier met de kop naar Valko's dier zodat ze elkaar in de ogen konden kijken. 'Hoe wist je het?'

Valko was nog niet op adem gekomen en zweeg.

'Diep, langzaam ademhalen, en zet het moorden uit je gedachten. Je bent geen beest. Je bent een Dasati.'  

Valko had het er moeilijk mee. Hij wilde niets liever dan achter de anderen aangaan, de jongeren in het Schuilgaan opsporen en dan hakken en slaan tot de rivier oranje was van hun bloed. Hij knarsetandde.  

'Denk na!' schreeuwde Hirea, een van de zeldzame keren dat hij zijn stem verhief. 'Laat geen enkel deel van jezelf je geest overstemmen! Je geest, Valko! Altijd eerst de geest. Je bent geen beest. Denk na!'

Valko richtte zijn aandacht geforceerd op de hand waarmee hij de leidsels van de varnin vasthield. Toen richtte hij zich op het trillen van de leidsels terwijl het dier wachtte op haar volgende bevel, klaar om de roep om te jagen te beantwoorden, opgewonden door de geur van bloed in de lucht. Valko voelde dat zijn geest uitdijde vanuit de aandacht die hij richtte op het dier, het riviertje, hun omgeving, naar Hirea zelf. Uiteindelijk stak hij langzaam zijn zwaard weg.  

'We hadden een bericht ontvangen van een handelaar dat hij bij zonsondergang rook had gezien,' zei Hirea. 'Ik moest dus gokken waar ze zich waarschijnlijk zouden verbergen, op basis van dat beetje informatie. Maar jij vond de precieze plek. We hadden erlangs moeten rijden, en dan hadden zij dat bos in de verte bereikt. Hoe wist je het?'

Valko sprak langzaam, zijn stem gesmoord van emotie: 'Ik wist dat ze daar waren.'  

'Maar hoe dan? Ik heb ze niet geroken, want de modder maskeerde hun geur, en ik kon ze niet zien.'

'Daar zou ik me verstopt hebben,' zei Valko. 'Dat zou ik ook hebben gedaan.'

Hirea's oude ogen keken onderzoekend in het jonge gezicht, zagen de gelaatstrekken niet duidelijk maar detecteerden het patroon van het bloed dat pulseerde onder de huid. Valko wist dat zijn gezicht er moest hebben uitgezien als een gloeiend masker toen Hirea even daarvoor naar hem toe was gekomen.

'Je was overstelpt door het conflict tussen de neiging om je te verstoppen en je verlangen om te doden, maar je hebt er sneller controle over gekregen dan elke andere jongeling die ik heb opgeleid.'

Valko haalde zijn schouders op. 'Het ging vanzelf.'

'Ah,' zei Hirea. Hij boog zich naar voren en zei: 'Luister, jonge heer van de Camareen. De Gesel maakt zich niet erg druk om de jongelingen van de Sadharin, maar jij hebt... potentieel. Het is niet in jouw belang of dat van je familie om dat potentieel zo vroeg in je leven al te algemeen bekend te laten raken. Je moet leren wandelen op de smalle grens tussen kracht en zwakte, het evenwicht dat je in leven zal houden tot je je eigen plek vindt in de orde van de Dasati.  

Je hebt vannacht twee tegenstanders gedood, allebei volwassen vrouwen in de kracht van hun leven. Dat is geen geringe prestatie voor een jongeling. Het siert je. Maar als je de anderen zou hebben ingehaald en nog meer slachtoffers had gemaakt, zou dat... opmerkelijk zijn geweest. En op dit moment wil je liever niet te veel worden opgemerkt.' Hirea draaide zijn rijdier een stukje bij en gebaarde naar Valko dat hij met hem mee moest rijden. 'Kom, we gaan kijken hoe de anderen het doen.'  

Valko gehoorzaamde zijn leermeester.

'Ik ruik de moord- en foklust in je, jonge Camareen. Als ik het niet mis heb, zul je snel weer terug zijn in het kasteel van je vader.' Hij boog zich wat opzij en sprak zachtjes: 'Maar niet te snel, want dat zou ook opmerkelijk zijn.' Hij wees voor zich uit. 'De anderen zijn daar. Als er iemand van die kinderen is ontkomen, zal ik ze terug laten lopen naar het fort met hun rijdier aan de hand, en als ze dan tegen een roedel zarkis moeten vechten, dan hebben ze pech.

Ik wil je belonen,' zei Hirea. 'Ik stuur een vrouwelijke Mindere naar je kamer als we terug zijn. Je stinkt naar de behoefte om je voort te planten. Ik zal haar je het Spel van Tong en Hand laten leren, maar copuleer niet met haar: je vader zal ontstemd zijn als je al begint te fokken, zelfs met niet-erkende Minderen, voordat ik vind dat je klaar bent voor een plek in zijn huis.  

Maar je verdient erkenning omdat je de eerste was die het Schuilgaan ontdekte, en voor de eerste dode. Deel de vrouw met je broer als je wilt, maar denk eraan: wat je vannacht hebt gedaan was opmerkelijk.'

Valko knikte, en besefte dat hij deze oude man binnenkort misschien wel moest doden.