12

Vijanden

 

Miranda smeet een vaas van zich af.  

Haar ergernis werd groter dan haar zelfbeheersing en ze moest haar frustratie kwijt. Ze had er meteen spijt van - ze hield van eenvoudig maar stevig aardewerk - en reikte met haar geest naar de vaas, net voordat die de tegenoverliggende muur bereikte en aan gruzelementen zou gaan. Ze haalde hem met haar wil terug en zette hem weer op de tafel waar ze hem vanaf had gegrepen.  

Caleb kwam net op tijd binnen om haar uitbarsting te zien. 'Vader?' vroeg hij.

Miranda knikte. 'Ik mis hem, en daardoor ben ik...'

Caleb grijnsde, en even zag ze de glimlach van haar man bij hem. 'Ongeduldig?' opperde hij.

'Een wijze woordkeus,' zei ze. 'Is er nieuws?'

'Nee, niet van vader of Magnus, en dat verwacht ik ook niet binnenkort. Maar we hebben wel een boodschap van de Assemblee. Ze vragen of je zo snel mogelijk kunt komen.'  

Miranda maakte een snelle berekening in haar hoofd en besefte dat het op allebei de werelden halverwege de ochtend was; door het verschil in daglengte was het soms lange tijd halverwege de middag op de ene wereld en midden in de nacht op de andere. 'Ik ga nu meteen,' zei ze tegen Caleb. 'Jij hebt de leiding tot ik terug ben.'  

Caleb stak zijn handen op. 'Je weet dat veel van de...'

'...magiërs het niet leuk vinden als jij de leiding hebt,' maakte ze zijn zin voor hem af. 'Dat weet ik. En het kan me niet schelen. Dit eiland is van je vader en van mij, en dus is het jouw eiland als wij er niet zijn. Bovendien is Rosenvar nog in Novindus bij de talnoy, Nakur en je broer zijn met je vader mee, dus dat betekent dat je maar moet zien om te gaan met kinderlijke ergernissen die de kop opsteken. Als er een geschil ontstaat, regel het dan, of stel het in ieder geval uit tot een van ons terug is. Bovendien hoef ik waarschijnlijk niet lang op Kelewan te blijven.'  

'Dat hoop ik dan maar,' zei Caleb.

Toen zijn moeder wegliep, draaide ze zich om en vroeg: 'Heb je al iets gehoord van de jongens?'

Caleb haalde zijn schouders op. 'Ze hebben niet het vermogen om snel te communiceren, moeder. Ik heb een paar van onze agenten in Roldem gevraagd om een oogje op ze te houden, maar hoe kunnen ze nu in de nesten zitten met een hele universiteit vol La-Timsaanse monniken om hen heen?' 

 

'Jij zit goed in de nesten,' zei Zane.

'Behoorlijk,' beaamde Tad.

Jommy keek hen allebei duister aan terwijl hij de oefenvloer op stapte. De studenten waren aan het oefenen met zwaarden. Jommy wist hoe hij een man moest neerslaan met een zwaardgevest, hem de keel moest afsnijden na een knietje in het kruis en alle andere smerige trucjes die Caleb hem had kunnen leren, maar dit was een toernooigevecht met regels en een Zwaardmeester die in de gaten hield of ze opgevolgd werden. Bovendien was zijn tegenstander Godfrey, Servans naaste bondgenoot, en aan de manier waarop hij zijn wapen vasthield te zien, had hij hier ervaring mee. Jommy trok de kraag van zijn jas wat losser terwijl de Zwaardmeester de twee tegenstanders wenkte om samen midden op de vloer te komen staan. De rest van de klas keek zwijgend toe, onder het toeziend oog van een stuk of zes monniken.  

De Zwaardmeester sprak net luid genoeg zodat zijn stem hoven het geroezemoes van de jongens uit hoorhaar was: 'Deze oefening dient ter demonstratie van de tegenaanval.' Hij wendde zich tot Jommy. 'Aangezien Godfrey de meeste ervaring heeft met het zwaard, ben jij de aanvaller. Je mag elke lijn kiezen, hoog, midden of laag, maar je mag uitsluitend licht of helemaal geen contact maken. Is dat duidelijk?'  

Jommy knikte en liep terug naar zijn pleegbroers. Tad gaf hem de helm aan, een mandvormig gelaatsmasker dat op een stoffen achterkant was vastgezet. Hij liet het masker over zijn hoofd zakken en nam de beginhouding aan.

'Start!' beval de Meester.

Jommy aarzelde maar begon toen met een hoge slag, in een poging om zo goed mogelijk volgens de regels Godfreys hoofd af te hakken. Godfrey sloeg zijn uithaal met gemak opzij, strekte zijn arm en gaf een harde por tegen Jommy's borst; toen hij het zwaard terugtrok, raakte hij met een snelle pols beweging het enige onbedekte deel van Jommy's lichaam, de rug van zijn hand.  

'Au!' schreeuwde Jommy. Hij liet zijn zwaard vallen, tot groot vermaak van de andere studenten, die in lachen uitbarstten.

'Pak je zwaard op,' zei de Meester.

'Dat deed hij expres,' zei Jommy beschuldigend terwijl hij knielde om zijn wapen op te pakken.

Godfrey zette zijn helm af en grijnsde vol minachting naar Jommy.

Op misprijzende toon zei de Zwaardmeester: 'Alleen een slecht zwaardvechter beschuldigt zijn tegenstander om zijn eigen tekortkomingen te verhullen.'  

Jommy staarde de Zwaardmeester lange tijd aan. 'Goed dan. Laten we het nog eens doen.'

Hij liep naar Zane toe om hem zijn masker even vast te laten houden, haalde zijn hand door zijn vochtige haren en knikte eenmaal toen hij zijn masker weer terugnam. Hij zette het weer op en draaide zich om naar Godfrey.

'Die blik bevalt me niet,' zei Tad.

'Weet je nog wat er gebeurde, de vorige keer dat we die blik zagen?'

'Die taveerne in Kesh?'

'Ja, waar die soldaat die opmerking maakte tegen dat meisje...'

'Dat meisje dat Jommy leuk vond?' zei Tad.

'Die, ja.'

'Dat was niet best.'

'Nee, zeker niet,' stemde Zane in.

'Dit kan dus ook niet best zijn.'

'Bepaald niet,' vond Zane ook.

Jommy liep naar het midden. De Meester zei: 'Nog eens,' en dirigeerde de twee vechters naar hun posities. 'Bij de laatste uithaal,' zei hij tegen de toekijkende studenten, 'heeft deze jongen' - hij wees naar Jommy - 'zich overstrekt, waardoor hij uit balans werd gebracht, uit zijn midden, en zijn tegenstander hem simpel kon aanvallen, waardoor hij nog verder uit evenwicht raakte en kwetsbaar was voor de tegenaanval.' Hij keek naar de twee jongelingen en zei: 'Begin!'  

Jommy kwam naar voren, precies zoals de vorige keer, en herhaalde al zijn bewegingen tot het moment waarop Godfrey zijn zwaard opzij had geslagen. In plaats van zijn arm volledig te strekken, draaide Jommy nu met zijn kling rond die van Godfrey zodat het gevest zich binnen dat van de andere jongen bevond, en Godfrey gedwongen was zelf een cirkelende beweging te maken om Jommy's kling te grijpen en weer naar buiten te drukken.  

Maar in plaats van nog eens rond te gaan, stak Jommy zijn wapen omhoog alsof hij een saluut bracht, een onverwachte beweging waardoor Godfrey aarzelde. Meer tijd had Jommy niet nodig. Hij zette nu geen stap achteruit om ruimte voor zichzelf te scheppen en voorrang te nemen, wat nodig was voordat er een punt kon worden gescoord, maar boog alleen zijn elleboog en sloeg zo hard mogelijk met zijn zwaardgevest op Godfreys gezicht.

De oefenmaskers waren bedoeld om een zwaardpunt of -rand af te ketsen, en waren niet bestand tegen een harde stomp van een boze jongeling met veel spierkracht.

Het gelaatsrooster boog door en Godfrey viel op zijn knieën terwijl er bloed onder het masker uit droop.

'Fout!' riep de Zwaardmeester.

'Waarschijnlijk wel,' zei Jommy. 'Maar ik heb wel erger gezien in gevechten.'

De Zwaardmeester keek naar de hoogste monnik die toezicht hield, broeder Samuel, die het op de een of andere manier voor elkaar kreeg om zijn lachen in te houden. Samuel was soldaat geweest in het leger van Roldem voordat hij zijn roeping kreeg en La-Timsa ging dienen, en had de leiding over de gevechtstraining van de studenten. Jommy, Tad en Zane hadden de man meteen gemogen, en hij scheen hun ruwe benadering van het onderwerp wel op prijs te stellen. Hoewel de drie jongens ver op de anderen achterlagen wat geschiedenis, literatuur, filosofie en de kunsten betrof, was duidelijk dat hun vorige 'educatie' ook uit behoorlijk wat hand- en zwaardgevechten had bestaan. Ze waren dan misschien geen duelleerders, maar ze konden goed vechten. Broeder Samuel hield zijn hoofd schuin en trok zijn wenkbrauwen op, alsof hij tegen de Zwaardmeester wilde zeggen: 'Jij hebt de leiding: regel het maar.'  

'Dit is het Mééstershof!' zei hij, alsof dat alles verklaarde. 'Deze lessen dienen ter perfectionering van de kunst van het zwaardvechten.'

'Dan heb ik gewonnen,' zei Jommy.

'Hè?' De Zwaardmeester keek hem ongelovig aan.

'Dat staat vast,' zei Jommy, die zijn masker onder zijn rechterarm stak zodat hij met zijn linker kon gebaren.  

'Dat is belachelijk!' schreeuwde Servan.

Jommy haalde diep adem en sprak toen op een toon alsof hij het tegen kleine kinderen of heel domme volwassenen had: 'Ik wist wel dat jij het niet zou begrijpen, Servan.' Hij wendde zich tot de Zwaardmeester en zei: 'Mijn tegenstander probeerde een aanvalslijn te beginnen waardoor ik achteruit moest stappen om zijn zwaard van dat van mij los te krijgen, toch?'

De Zwaardmeester kon alleen maar knikken.

'Dus als ik dat had gedaan, dan zou hij mijn zwaard opzij hebben geduwd en me hebben aangevallen, en als ik niet veel sneller was dan hij - wat ik niet ben - dan zou hij een punt hebben gescoord en had ik verloren. Of hij had mijn zwaard naar binnen geduwd, een snelle volgende slag gemaakt om zijn lijn weer op te pakken en waarschijnlijk voorrang te krijgen, en nog een punt gescoord. Met nog een punt had hij dan de wedstrijd gewonnen. Maar aangezien ik hem in zijn gezicht heb gestompt, en hij niet kan winnen na een fout, moeten we opnieuw beginnen, en misschien win ik dan.'  

'Dit is...' De Zwaardmeester kon kennelijk geen woorden vinden.

Jommy keek in de ruimte rond. 'Wat is er? Is dat dan niet hoe het hoort te gaan na een fout?'

De Zwaardmeester schudde zijn hoofd en zei: 'De wedstrijd is voorbij. Ik roep Godfrey uit tot winnaar.'

Met zijn bloedneus leek Godfrey niet veel op een winnaar.

Hij keek woest naar Jommy, die alleen maar schouderophalend naar hem glimlachte.

Broeder Samuel droeg de jongens op hun uniformen weer aan te trekken; de les van vandaag was afgelopen. Servan fluisterde iets in Godfreys oor terwijl de gewonde jongen woest naar Jommy bleef kijken.  

Broeder Samuel liep langs de jongens om elk van hen iets te zeggen over diens vechtstijl. Toen hij bij de drie jongens van Tovenaarseiland kwam, zei hij: 'Tad, goed gedaan. Snelheid is een groot voordeel in het gevecht. Maar wees wat voorzichtiger bij het inschatten van de volgende slag van je tegenstander.' Hij keek Zane aan en zei: 'Jij moet meer anticiperen. Je bent te voorzichtig.' Toen keek hij Jommy aan. 'Ik zou je nooit meenemen naar een toernooi, jongen, maar je mag altijd links van mij op de muur staan.' Hij knipoogde en liep weg.  

Jommy glimlachte naar zijn pleegbroers. 'Nou, het is fijn te weten dat tenminste iemand mijn betere kwaliteiten op prijs stelt.'

Zane keek langs Jommy naar Servan en Godfrey. 'Hij is misschien wel de enige.' Hij sprak zachtjes. 'Je maakt zo heel machtige vijanden, Jommy. We zullen niet altijd hier aan de universiteit blijven, en een familielid van de koning heeft waarschijnlijk heel lange armen.'  

Jommy zuchtte. 'Je hebt gelijk, maar ik kan er niks aan doen. Het is net als met die bakkersjongens in Kesh: bij rotzakken krijg ik zin om wat koppen in elkaar te timmeren. Komt waarschijnlijk doordat ik de kleinste was in mijn familie.'  

Tad zette grote ogen op. 'Jij was de kleinste?'

'Een onderkruipsel,' zei Jommy terwijl hij zijn uniformtuniek over zijn hoofd aantrok. 'Mijn oudere broers, dát zijn grote, sterke kerels.'  

Zane keek Tad aan. 'Onvoorstelbaar.'

'Kom mee,' zei Jommy toen hij zich had aangekleed. 'We moeten terug naar de anderen.'

De studenten volgden broeder Samuel terug naar de universiteit, waar ze weer andere lessen hadden. Voor de drie jongens van Tovenaarseiland betekende dat dat ze teruggingen naar de bescheiden studiekamer die voor hen was gereserveerd. Daar zou hun leermeester broeder Jeremy naartoe komen, die probeerde hun de basis beginselen van de wiskunde bij te brengen. Zane pakte het snel op en begreep niet waarom Jommy en Tad zo'n moeite schenen te hebben met iets wat hij zo gemakkelijk vond.  

Na twee uur wiskundeles was het tijd voor het avondmaal, een maaltijd die zich voltrok in stilte aangezien de studenten aten bij de monniken en soms een priester van La-Timsa. Het ontbijt en middagmaal waren luidruchtig en levendig, zoals te verwachten was in een zaal vol jongens, maar de enige geluiden die je tijdens het avondmaal hoorde, waren die van borden die werden verschoven en van bestek dat tegen het aardewerk kletterde.  

Jommy mocht niet praten, maar hij gaf Zane een por, die op zijn beurt Tad er ook een gaf. Jommy beduidde met een lichte hoofdknik dat er een bijzonder iemand aan de hoofdtafel zat. Het was een lange, oudere geestelijke - aan zijn mantel te zien een priester van hoge rang. Zijn blik leek gefixeerd te zijn op de drie jongens van Tovenaarseiland. Het gestaar van de geestelijke maakte Jommy heel onbehaaglijk, en hij keek snel weer naar zijn bord.  

Na afloop van de maaltijd hadden alle studenten bepaalde taken tot aan hun vrije uur voor ze naar bed gingen, maar voordat de jongens naar de keuken konden gaan, waar ze deze week moesten werken, werden ze benaderd door broeder Stephen. 'Kom met mij mee,' zei hij. Hij draaide zich om en liep weg zonder te kijken of ze hem volgden.  

De jongens volgden de Proctor naar zijn kantoor. Toen ze binnenliepen, zagen ze daar de geestelijke die aan de hoofdtafel had gezeten. Hij gebaarde dat ze de deur moesten sluiten; toen ging hij aan broeder Stephens bureau zitten. Hij nam hen stuk voor stuk op en zei uiteindelijk: 'Ik ben vader Elias, de Abt hier aan de universiteit. Hoewel het misschien niet zo lijkt, is deze school in feite wel een abdij.

Jullie drie hebben het op de een of andere manier voor elkaar gekregen om een paar heel machtige mensen boos te maken. Ik heb vele vragen over jullie moeten beantwoorden, waaronder die van een afgevaardigde van de koning zelf. Men wil weten waarom jullie hier zijn, en waarom een Keshisch edele met aanzienlijke invloed bij de keizer en zijn broer jullie steunt, en nog een heleboel andere lastige en ongemakkelijke vragen. Laten we zeggen dat ik een paar bijzonder vervelende briefwisselingen heb gevoerd in de paar weken sinds jullie hier zijn.'  

Jommy leek op het punt te staan iets te zeggen, maar herinnerde zich toen dat dat niet mocht zonder toestemming. De Abt zag het en vroeg: 'Heb je iets te zeggen?'  

'Ja, vader.' Hij zweeg.

'Zeg het dan, jongen.'

'O, nou, dan...' begon Jommy. 'Vader, we zijn hier niet gekomen om problemen te veroorzaken. Die wachtten ons al op toen we hier aankwamen. Ik weet niet of het gewoon een van die dingen is die nu eenmaal gebeuren, of dat iemand besloot dat hij ons wel te grazen kon nemen voordat we zelfs maar voet in dit gebouw hadden gezet, maar eerlijk gezegd waren we liever gewoon naar binnen gelopen om ons te melden bij broeder Kynan, en hadden ons dan zo goed mogelijk aan de regels gehouden. Maar Servan heeft besloten er zijn levenswerk van te maken om de tijd die we hier moeten doorbrengen - en hoe lang dat is mag de hemel weten - zo ellendig mogelijk voor ons te maken. En hoewel ik normaal heel ontspannen ben, weet ik gewoon niet hoe lang ik dat getreiter van hem nog kan verdragen.'  

'Hoe lang jullie hier blijven, is een van de dingen waar we het over gaan hebben.' De Abt kneep zijn donkere ogen lichtjes samen terwijl hij hen aankeek. 'Zeg me eens wat je verteld is over wat je hier kon verwachten,' zei hij.

'Vader,' zei Jommy, 'eigenlijk hebben we niet veel gehoord, alleen dat we hierheen moesten gaan vanuit...'

'Ik weet dat jullie uit Olasko komen, ondanks dat kleurrijke verhaal over die karavaan uit het Dromendal. Ik weet ook dat jullie niet per schip zijn gekomen.'

'...vanuit Olasko,' vervolgde Jommy. 'Er is ons alleen verteld dat we ons moesten voorbereiden, hierheen gaan en dan onthouden wat ons geleerd werd.'  

De Abt zweeg een tijdje en trommelde afwezig met zijn vingers op tafel, een gebaar dat Jommy op zijn zenuwen werkte. Uiteindelijk zei vader Elias: 'We hebben een bijzondere relatie met jullie... mentors.' Opnieuw keek hij hen onderzoekend aan. 'Hoewel we er niet geheel van overtuigd zijn dat al hun doelstellingen overeenstemmen met die van ons, vinden we wel dat ze voor het goede werken, en dat ze als zodanig zeer veel vertrouwen van ons waard zijn.' Hij ging achteroverzitten en hield op met trommelen, waar Jommy dankbaar voor was. 'Ik vermoed dat als ik de naam Puc noemde, jullie nog nooit van hem gehoord zouden hebben.'  

Tad schudde zijn hoofd, net als Zane, en Jommy zei: 'Nee, dat zegt me niets, vader.'

De Abt glimlachte. 'Goed dan. We gaan door met ons toneelspel, maar net als zoveel dingen die te maken hebben met die man van wie jullie nog nooit gehoord hebben - die naar ik meen jullie adoptie- of pleegvader is, als ik goed ben ingelicht - zullen we de feiten in schaduw gehuld laten. Maar ik zal je vertellen wat hij je had moeten vertellen, of wat althans Turgan Bey jullie had moeten vertellen: dit is het beste instituut van zijn soort ter wereld, op vele manieren uniek, en hier leiden we de zoons van Roldem, en de rest van de wereld, op tot leiders. De meesten van onze jongemannen gaan naar de marine - we zijn immers eilanders - maar sommigen gaan in dienst in ons leger of bekleden andere functies. We discrimineren geen jongens die niet uit Roldem komen. Enkelen van de intelligentste geesten die naties dienen die ooit onze vijanden waren, hebben hier gestudeerd. We onderwijzen hen omdat mensen dingen die ze kennen niet vrezen. We zijn er zeker van dat door de jaren heen machtige mannen sympathie hadden voor Roldem omdat ze hier opgeleid waren, en dat heeft de balans in ons voordeel doen doorslaan als het om oorlog ging, of hen gewoon eerder bereid gemaakt naar ons te luisteren.  

Met dat doel krijgen jullie hetzelfde onderwijs als de andere jongens, en hoe lang jullie hier ook zijn - een week, een maand, een jaar - jullie zullen elke dag nieuwe dingen leren. Het is zaak dat jullie die eindeloze vijandelijkheden met andere jongens staken. Dus breng ik wat veranderingen aan. Jullie gaan allemaal naar de vertrekken van de oudere jongens. Daar is drie jongens op een kamer de standaardregel.'

Dit nieuws kwam als een verrassing. De oudere jongens waren degenen van wie werd verwacht dat ze binnen het jaar hun opleiding voltooid hadden, aangevuld met veelbelovende jongere jongens zoals Grandy, van wie men dacht dat het gunstig voor ze zou zijn om tijd door te brengen in het gezelschap van oudere studenten. De pleegbroers grijnsden naar elkaar, maar hun vreugde was van korte duur.  

'Jullie twee,' zei vader Elias tegen Tad en Zane, 'gaan een kamer delen met Grandy.'

Zane en Tad wisselden een blik.

'En jij, Jommy,' vervolgde de Abt, 'deelt een kamer met Servan en Godfrey.'  

Jommy kon een gekreun amper onderdrukken. 'Vader, waarom hangt u me niet meteen op?'  

De Abt glimlachte lichtjes. 'Je went er wel aan. Jullie allemaal, want vanaf vandaag gaat het zo: als een van jullie straf verdient, krijgen jullie alle zes straf. Als een van jullie stokslagen krijgt, krijgen jullie die allemaal. Is dat duidelijk?'

Jommy kon geen woord uitbrengen van verbazing. Hij knikte alleen.  

'Mooi, wegwezen dan. Ga je spullen verhuizen. Jullie nieuwe taken worden door broeder Kynan uitgedeeld, en hij houdt er niet van als je laat bent.'

De drie jongens knikten, zeiden 'Ja, vader,' en vertrokken. In de gang zette Jommy twee lange passen, bleef staan, stak zijn handen op en rolde met zijn ogen. Toen slaakte hij een kreet van pure ontsteltenis. 'Argghhh!'

 

Jommy duwde de deur open en zag drie gezichten verrast opkijken. Grandy grijnsde, Godfrey keek boos, en Servan sprong als door een adder gebeten op en zei: 'Waar denk jij dat je mee bezig bent?'  

Met een brutale grijns antwoordde Jommy: 'Kijken of dit de goeie kamer is.' Hij keek demonstratief rond. 'Ja, dit is 'm.'

Grandy keek naar de twee oudere jongens en grijnsde nog breder toen hij hun onthutsing over deze indringer zag. 'Hallo, Jommy. Wat ben je van plan?'

'Hier intrekken,' zei Jommy, die zich omdraaide en zijn kist naar binnen sleepte. 'Jij verhuist naar de kamer van Tad en Zane. Ik zou maar opschieten als ik jou was.'

'Echt waar?' vroeg Grandy.

'Wie heeft dat bepaald?' schreeuwde Servan.

Jommy trok zijn kist over de drempel. 'Vader Elias heet hij, geloof ik. Ken je hem? Hij is hier de baas.'

'Wie?' vroeg Servan.

'Vader Elias, de Abt van dit...'

'Ik weet wie hij is!' schreeuwde Servan, die met vooruitgestoken kin op Jommy af beende.  

'Rustig,' zei Jommy, en stak zijn rechterhand op. 'Denk aan de vorige keer.'

Servan aarzelde en bleef staan. 'Ik ga dit navragen.'

'Veel plezier,' zei Jommy vrolijk toen de jonge edele zich langs zijn nieuwe kamergenoot perste. 'Schiet maar op,' zei hij tegen Grandy.

'Wacht,' beval Godfrey.

Grandy aarzelde, maar Jommy zei: 'Toe maar. Het is in orde.'

Grandy wilde opstaan en zijn kist pakken, maar Godfrey hield hem tegen. 'Ik zei dat je moest blijven zitten!'

Jommy zette een dreigende stap naar Godfrey toe. 'En ik zei dat het in orde was!'

Godfrey ging met grote ogen zitten.

Grandy sleepte zijn kist van de voet van het bed naar de deur, en Jommy zette zijn eigen kist op de nu lege plek. Toen keek hij Godfrey aan. 'Dus je mag in deze kamer op je bed zitten?' Godfrey sprong op alsof hij zich gebrand had. 'Alleen als de deur dicht is!'

Jommy grijnsde. Een stilte van enkele minuten werd verbroken doordat Servan terugkeerde. Hij beende langs Jommy en zei tegen Godfrey: 'We zitten met hem opgescheept.'  

Jommy deed de deur dicht, liep naar wat nu zijn bed was, ging zitten en zei: 'Zo. Waar zullen we het eens over hebben?'

 

Miranda beende doelgericht door de gang en negeerde de Tsuranimagiërs die schrokken toen ze langskwam. Ze kwam bij de deur naar de ruimte waar de talnoy werd onderzocht, liep naar binnen en trof daar vier Grootheden van het rijk aan die het toestel bestudeerden.  

'Hebben jullie hem kapotgemaakt?' vroeg ze zonder omhaal.

Alenca draaide zich met een glimlach om. 'Miranda! Wat zie je er prachtig uit.'

'Hebben jullie hem kapotgemaakt?' herhaalde ze.

Hij wuifde lichtjes met zijn handen. 'Nee, we hebben hem niet kapotgemaakt. In mijn boodschap stond alleen dat hij het plotsc1ing niet meer deed.'

Miranda liep langs de oude magiër en zijn drie metgezellen naar de verhoging waarop de talnoy lag. Ze hoefde hem niet aan te raken om te weten dat er iets aan veranderd was. Het was een subtiele verandering, onmerkbaar voor mensen zonder diep magisch inzicht, maar het leek wel... alsof er iets ontbrak.

'Hij is leeg,' zei ze. 'Wat er ook binnenin heeft gezeten, het is nu ... weg.'

'Dat was onze conclusie ook,' zei Wyntakata. Hij gebaarde met een hand terwijl hij met de andere zijn staf vasthield. 'We hebben een nieuw stel afweren uitgeprobeerd - gemaakt door de meest begaafde magiërs van het Mindere Pad in het rijk - en het wezen een eenvoudige instructie gegeven, zodat we konden zien of hij door de afweer werd afgeschermd... en hij bewoog niet. Elke test die we hebben uitgevoerd, bewijst dat wát het ook was dat hem eerst in beweging bracht, het er nu niet meer is.'

'De ziel is er eindelijk uit,' zei Miranda zachtjes.

Alenca trok een weifelend gezicht. 'Als het ding inderdaad werd aangedreven door een ziel, dan is die nu weg.'

Miranda zei niets over de andere talnoy die nog bewegingloos in een grot in Novindus lagen. Ze zuchtte alsof ze teleurgesteld was. 'Nou, één voordeel: ik vermoed dat we ons nu niet meer druk hoeven maken over scheuringen vanaf de Dasatiwereld naar hier.'  

'Was dat maar waar,' zei Alenca.

Een magiër die Miranda alleen van gezicht kende – Lodar - zei: 'We hebben vanmorgen een melding binnengekregen, nadat we ontdekten dat de talnoy bewegingloos was, en we hebben twee van onze leden op onderzoek uitgestuurd, zoals we gewoonlijk doen.'  

'Ze vertelden dat ze iets vreselijks hadden gezien,' zei Alenca. 'Een deel van het bos was ... kaal. Alles wat leefde was in een pas ontstane scheuring gezogen. We hebben Matemoso en Gilbaran moeten sturen om hem te sluiten. Het kostte ze al hun krachten om de scheuring dicht te krijgen. Maar het meest verontrustende was dat het een scheuring was naar de Dasatiwereld, en de energie die door de scheuring - die ongeveer zo groot was als jij - werd gezogen, was een zo sterke wind dat een volwassen man er amper in overeind kon blijven.'  

'Nee,' zei Miranda langzaam, 'dat is niet het meest verontrustende. Wat verontrustend is, is hoe er een scheuring van hier naar de Dasatiwereld open kon gaan. Want de andere komt meestal van daar naar hier, niet andersom. Dat betekent dat het twee helften van een stel zijn...' Ze draaide zich om en greep Alenca bij de schouder. 'Er is er nog een die je nog niet gevonden hebt, ergens daarbuiten. Je moet hem vinden!'