4

Nachtraven

 

De soldaten verplaatsten zich snel.

Erik von Zwartheide, hertog van Krondor, Ridder-Maarschalk van het Leger van de Koning in het Westen en Beheerder van de Westelijke Moerassen, stond achter een grote rotspunt en observeerde zijn mannen, die langzaam stelling innamen. Ze vormden zwijgende silhouetten tegen de rotsen, die in diepe schaduwen werden gehuld door de ondergaande zon. Het was een speciale eenheid van de Huiswacht van de prins. Erik had persoonlijk hun opleiding vormgegeven terwijl hij opklom door de rangen van het leger, eerst als kapitein in het leger van de prins, toen als Commandant van het Garnizoen in Krondor, en uiteindelijk als Ridder-Maarschalk.  

De mannen hadden ooit deel uitgemaakt van de Koninklijke Krondoriaanse Padvinders, een compagnie van spoorzoekers en verkenners, afstammelingen van de legendarische Keizerlijke Keshische Gidsen, maar nu werd deze kleinere elitecompagnie eenvoudig de 'Prinselijke Wacht' genoemd. Het waren soldaten die Erik in bijzondere omstandigheden inschakelde, zoals voor wat hen vanavond te wachten stond. Hun uniformen waren opvallend: donkergrijze, korte tabberds met het blazoen van Krondor - een zwevende adelaar boven een piek, in ingetogen kleuren - en een zwarte broek met een rode bies langs de pijp. Ze droegen zware laarzen, die geschikt waren om mee te marcheren, te rijden of, zoals nu, om tegen rotsige hellingen op te klimmen. Elke man droeg een eenvoudige, donkere helm met een open vizier en korte wapens: een zwaard dat nauwelijks lang genoeg was om een zwaard genoemd te worden en een estoc, een lange dolk. Ze waren stuk voor stuk getraind in een bepaalde reeks vaardigheden, en op dit moment leidden Eriks twee beste rots klimmers de aanval.

Erik verplaatste zijn blik naar de top van de kliffen tegenover zijn positie. Hoog boven hen stond het oeroude Kasteel Cavell, dat uitkeek op een pad dat zich afsplitste van de hoofdweg, een pad dat bekendstond als de Cavellweg. Een watervalletje sierde de rotshelling vlak bij het kasteel, landde in een poel op een uitstekende punt halverwege het klif, en viel dan verder naar de stroom waar de oorspronkelijke weg had gelegen. Zoals dat ging met zulke dingen, was de koers van het stroompje door de jaren heen veranderd en een of andere gebeurtenis, geologisch of door mensen veroorzaakt, had het water naar de andere kant van de hoofdweg gedwongen, waardoor de oorspronkelijke rivierbedding nu droog en stoffig was. De poel was hun bestemming, want als de inlichtingen die Erik van bijna honderd jaar geleden had nog klopten, lag er achter die poel een geheime toegang, de oorspronkelijke vluchtweg vanuit het kasteel.  

Erik had zijn soldaten voor zonsopgang naar het dorp Cavell gebracht en zo goed mogelijk verstopt, een lastige taak in zo'n klein dorpje, maar tegen de middag gingen de burgers voor zover mogelijk hun eigen gang, terwijl er in elk tweede gebouw gewapende mannen verstopt zaten. Erik maakte zich geen zorgen over spionnen van de Nachtraven in het dorp, want niemand mocht vandaag uit Cavell vertrekken; zijn enige zorg was dat iemand hen misschien vanaf een hoger punt observeerde, vanuit de heuvels boven het dorp. Hij was er echter van overtuigd dat hij alle mogelijke voorzorgsmaatregelen had genomen.  

Magnus had geholpen met een illusie bezwering, en tenzij een toeschouwer een goed opgeleide magiër was, waren ze in die paar minuten die het kostte om honderd man het dorp in te krijgen onopgemerkt gebleven. Bij zonsondergang had Magnus zijn bezwering nog eens gebruikt en hadden de mannen zich snel opgesplitst in twee compagnieën, een ervan onderweg naar de hoofdingang boven aan de Cavellweg, en de andere onder persoonlijk toezicht van Erik onderweg naar de achterzijde van het kasteel.  

De oude soldaat stond doodstil, zijn aandacht gericht op de positionering van zijn mannen. Hij was bijna vijfentachtig jaar oud, maar dankzij een drankje dat Nakur hem had gegeven, leek hij wel dertig jaar jonger. Toen hij zich ervan had overtuigd dat alles ging zoals het hoorde, wendde hij zich tot zijn metgezellen, Nakur en Magnus, die in de buurt stonden. De persoonlijke lijfwacht van de Ridder-Maarschalk stond onbehaaglijk aan de zijkant; ze waren er niet helemaal gerust op dat hun commandant hen afstand liet houden, aangezien het hun persoonlijke missie was om hem tegen elke prijs te beschermen.  

'Nu?' vroeg Nakur.

'We wachten,' zei Erik. 'Als ze zich zorgen maken dat iemand hun citadel nadert, hebben ze ons al zien aankomen, en dan zullen ze ofwel iets onaardigs doen of proberen te vluchten via de andere ontsnappingsweg.'

'Wat denk jij?' vroeg Magnus.

Erik zuchtte. 'Ik zou dekking zoeken en doen alsof er niemand thuis was. Als dat niet werkte, zou ik een heel akelige ontvangst verzinnen voor iedereen die het kasteel probeerde binnen te komen.' Hij wuifde afwezig met zijn hand. 'We hebben oude documenten, die zelfs toen al niet helemaal klopten, maar wat we wel weten is dat het een wirwar is in Kasteel Cavell, en dat er vele plaatsen zijn waar je in hinderlaag kunt liggen of waar je nare valstrikken kunt plaatsen. Het zal geen kalm wandelingetje zijn daarbinnen.'  

Nakur haalde zijn schouders op. 'Je hebt goeie kerels.'

'De beste,' zei Erik. 'Zelf uitgekozen en opgeleid voor dit soort dingen, maar ik stel ze nog altijd liever niet nodeloos aan risico's bloot.'

'Het is nodig, Erik,' zei Nakur zachtjes.

'Daar ben ik van overtuigd, Nakur,' zei de oude soldaat. 'Anders zou ik hier niet zijn.'  

'Wat vindt de hertog van Salador daarvan?' vroeg Nakur.

'Hij weet niet dat ik hier ben.' Erik keek Nakur aan. 'Je hebt wel een rotmoment uitgekozen om me met deze toestand op te zadelen, oude vriend.'

Nakur haalde zijn schouders op. 'Maar die momenten laten ze ons nooit zelf kiezen, hè?'

'Ik denk wel eens dat ik misschien beter af was geweest als Bobby de Loungville en Caelis me zo lang geleden op die koude, bittere ochtend hadden opgehangen.' Hij staarde in de verte naar waar de zon achter de rotsen verdween. Toen wendde hij zich tot Nakur. 'Maar soms denk ik dat ook niet. Als dit voorbij is, weet ik misschien zeker hoe ik erover denk.' De oude man glimlachte. 'Kom, we gaan terug om een tijdje te wachten.'  

Hij ging Magnus en Nakur voor over een smal pad tussen hoge rotswanden, langs rijen soldaten die stilletjes wachtten tot ze het kasteel op de rotsen moesten aanvallen. Achter hen stonden verzorgers klaar met de paarden, en in de achterhoede wachtten wagens met proviand. Erik wuifde naar zijn persoonlijke lijfknecht, die was achtergebleven bij de bagagejongens.  

De lijfknecht haalde een paar bekers tevoorschijn en vulde ze met wijn vanuit een wijnzak. Nakur pakte er met opgetrokken wenkbrauwen een aan. 'Drink je wijn voor een strijd?'  

'Waarom niet?' zei de hertog, die een grote slok nam. Hij veegde met de rug van zijn handschoen zijn mond af. 'Alsof ik al niet genoeg zorgen aan mijn hoofd had, stuur jij me het halve koninkrijk door om een stel moordenaars uit te graven.'

Nakur haalde zijn schouders op. 'Iemand moet het doen, Erik.'

De oude strijder schudde zijn hoofd. 'Ik heb lang geleefd, Nakur, en mijn leven was interessanter dan dat van de meeste mensen. Ik zou liegen als ik zei dat ik de dood zou verwelkomen, maar ik zou zeker blij zijn om van mijn last ontdaan te zijn.' Hij keek Nakur met samengeknepen ogen aan. 'Ik dacht dat dat ook ging gebeuren, tot jij die avond verscheen.'  

'We hebben je nodig,' zei de Isalani eenvoudig.

'Mijn koning heeft me nodig,' kaatste Erik terug.

'De wereld heeft je nodig,' zei Nakur, zo zachtjes dat de anderen in de buurt het niet konden horen. 'Jij bent de enige met een zekere rang in het koninkrijk die Puc nog vertrouwt.'

Erik knikte. 'Ik begrijp wel waarom hij besloot zich af te scheiden van de Kroon.' Hij nam nog een slok wijn en gaf de lege beker aan zijn lijfknecht. Toen de jongeman de beker weer wilde vullen, wuifde Erik hem weg. 'Maar moest hij daarbij het koninklijke personage van de prins van Krondor beschamen? In het openbaar? In het bijzijn van het leger van Groot Kesh?'

'Ouwe koeien, Erik.'

'Was het maar waar,' zei Erik. Hij sprak nu nog zachter. 'Ik weet niet of je dit al wist, maar prins Robert is teruggeroepen.'

'Dat is niet best,' zei Nakur knikkend.

'We hebben drie prinsen gehad in Krondor sinds ik mijn rang kreeg, en ik ben alleen nog maar hertog omdat koning Ryan heer James met zich meenam naar Rillanon. Mijn tijdelijke positie duurt nu al negen jaar, en als ik lang genoeg leef, hou ik hem waarschijnlijk nog wel negen jaar.'

'Waarom is prins Robert teruggeroepen?'

'Jij hebt meer kans om de waarheid te achterhalen dan ik,' zei Erik. Na een lange stilte, waarin de avondlucht steeds donkerder werd, zei de hertog: 'Politiek. Prins Robert is nooit populair geweest bij de Raad der Heren. Heer James is een edele uit het westen, wat veel mensen dwars zit die de eerste onder de raadgevers van de koning wilden worden; James is een sluw man, bijna even sluw als zijn grootvader.' Hij keek Nakur aan. 'Dat was nog eens een naam waarmee je dingen voor elkaar kreeg: hertog Robert van Krondor.'  

Nakur grijnsde. 'Robbie was een hele handvol voordat hij hertog werd. Dat weet ik.' Hij keek op naar de soldaten, die nu klaar waren en wachtten op zijn signaal om hun klim te beginnen. 'Maar toch zijn we geneigd de grootse dingen te onthouden en de minpunten te vergeten, en Robbie heeft ook fouten gemaakt. Als prins Robert niet wil dienen, wie dan wel?'  

'Er zijn nog andere neven van de koning die vaardiger zijn...' Hij keek Nakur bedroefd aan. 'Het kan tot een burgeroorlog komen als de koning niet oppast. Hij stamt rechtstreeks af van koning Borric, maar hij heeft zelf geen zoons en er zijn vele neven, de meesten ervan met een geldige aanspraak op de troon als hij geen erfgenaam krijgt.'

Nakur haalde zijn schouders op. 'Ik heb lang geleefd, Erik. Ik heb koningen in verschillende landen zien komen en gaan. Het land overleeft het wel.'

'Maar tegen welke prijs, oude vriend?'

'Wie moet de nieuwe prins van Krondor worden?'

'Ja, dat is de vraag, hè?' zei de hertog, die opstond en naar zijn mannen gebaarde dat ze zich klaar moesten houden. Het was nu donker genoeg; het werd tijd om de aanval op het kasteel te beginnen. 'Prins Edward is populair, intelligent, een goed soldaat en iemand die een consensus zou weten te bereiken in de Raad.'

'En dus benoemt de koning iemand anders,' zei Nakur grinnikend terwijl Erik naar voren liep over de weg.  

Erik zei niets, maar gebaarde één keer, waarop twee mannen vanachter de rotsen onder het kasteel tevoorschijn kwamen, allebei met lussen touw over hun schouder. Ze begonnen tegen de rotswand op te klimmen, met alleen hun handen en voeten.

Nakur keek geboeid toe terwijl de twee mannen in de duisternis verdwenen. Ze bewogen geruisloos als spinnen die tegen een muur opkruipen. Nakur wist hoe gevaarlijk die klim was, maar hij wist ook dat het de enige manier was om een touw te laten zakken voor de soldaten beneden.  

Erik wendde zich tot Nakur. 'Ik denk dat prins Henry de goedkeuring krijgt, want hij kan eenvoudig genoeg worden vervangen als koningin Anne een zoon baart. Als Edward een tijdlang in Krondor zit, zal de koning hem misschien niet over een paar jaar kunnen vervangen door een zoon...' Hij liet zijn stem wegsterven toen hij de mannen de rand van de poel zag bereiken.  

'Vreemde plek voor een nooduitgang, meer dan honderd voet boven de grond,' zei Nakur.

'Ik neem aan dat de Nachtraven hier een paar jaar geleden wat werk hebben verricht. Mijn mannen vertelden dat ze sporen van gereedschapsgebruik op de rotswand hebben gezien. Er was waarschijnlijk een pad naar de oude bedding, dat is verwoest.' Hij zuchtte. 'Het is tijd. Waar is je man?'  

Nakur maakte een hoofdbeweging naar achteren. 'Hij slaapt onder de kar.'

'Haal hem dan,' zei Erik von Zwartheide.

Nakur haastte zich terug naar de bagagekar, waar de twee jongens die op de proviand uit het dorp pasten, zaten te wachten. Ze spraken op gedempte toon, want ze begrepen hoe gevaarlijk deze missie was; toch waren het nog maar jongens, en ze waren rusteloos van het wachten. Onder de wagen lag een eenzame gestalte, die wakker schrok toen Nakur hem tegen zijn laarzen schopte.  

Ralan Bek wurmde zich onder de kar uit en stond op, tot hij met zijn lange gestalte boven Nakur uittorende. De jongen was zes voet en zes duim lang, en zette de kleine gokker in de schaduw; Nakur wist dat hij was bezeten door een aspect van de God van het Kwaad, een 'splintertje' zoals Nakur het zag; een ongelooflijk klein deeltje van de god zelf, en dat maakte Bek buitengewoon gevaarlijk. Het enige voordeel dat Nakur had, was zijn jarenlange ervaring en wat hij zag als zijn 'trucs'.  

'Tijd?'

Nakur knikte. 'Ze komen er zo aan. Je weet wat je moet doen.'

Bek knikte. Hij reikte omlaag en pakte zijn hoed op, die hij zich als overwinningstrofee had toegeëigend van een man die hij voor de ogen van Nakur had gedood, en die hij droeg alsof het een eremedaille was. De breedgerande zwartvilten hoed, met een enkele lange adelaarsveer in de hoofdband, gaf de jongeling bijna het air van een verleider, maar Nakur wist dat er onder het vriendelijke uiterlijk van de jongeman een kwaad potentieel sluimerde, en ook een bovennatuurlijke kracht en snelheid.

Bek draafde naar de klifwand en wachtte. Geruisloos kwam er een eind touw omlaag, even later gevolgd door nog een stuk touw. Snel bonden soldaten zwaardere touwen aan de lijnen, en die werden omhooggetrokken. Toen het eerste touw vastzat, maakte Ralan Bek zijn riemschede los en bond die over zijn schouder, zodat zijn zwaard nu op zijn rug hing. Met gespierd gemak trok hij zich op aan het touw, zijn voeten stevig tegen de rotswand alsof hij al heel zijn leven zo klom. Andere soldaten volgden, maar Beks snelheid was niet te evenaren.

Erik staarde hem na terwijl hij in de duisternis verdween. 'Waarom drong je er zo op aan dat hij als eerste moest gaan, Nakur?'

'Hij is misschien niet onkwetsbaar, Erik, maar hij is een stuk lastiger te doden dan jouw mensen. Magnus houdt een oogje op de mannen die de hoofdingang van het kasteel bewaken, maar als er magie op de achterdeur zit, heeft Bek de beste kans om het te overleven.'

'Er was een tijd dat ik als eerste naar boven zou zijn geklommen.'  

Nakur greep de arm van zijn vriend vast. 'Ik ben blij te zien dat je met de jaren slimmer bent geworden, Erik.'

'Ik zie dat jij je ook niet vrijwillig meldt om daar naar boven te gaan.'

Nakur grijnsde alleen maar.

 

Bek wachtte af en streek intussen met zijn handen over de omtrek van de deur. Het was een rots, net als de andere, en in het donker kon hij de spleet niet zien die er volgens zijn vingertoppen wel zat, die de rand van de nooduitgang aangaf. Hij liet zijn zintuigen rondtasten, want hij had al vroeg geleerd dat hij soms dingen kon voelen aankomen; een hinderlaag, een onverwachte bocht in een pad, de stemming van een paard of de worp van de dobbelstenen. Hij dacht eraan als zijn 'mazzelgevoel'.  

Ja, dacht hij, er was iets net voorbij deze deur, iets heel interessants. Ralan Bek wist niet wat angst was. Zoals Nakur had gezegd, was er iets heel anders, zelfs buitenaards, aan de jongeman uit Novindus. Hij keek omlaag naar waar de kleine man samen met de oude soldaat stond te wachten, en ontdekte dat hij ze in het donker nauwelijks kon ontwaren. 'Lantaarn,' fluisterde hij, en een soldaat achter hem gaf hem een speciaal gemaakt lantaarntje met luiken aan. Hij richtte het op Nakur en Erik, en opende en sloot het luikje toen een keer snel. Dat was het afgesproken signaal, dat betekende dat ze voorzichtig verder konden komen.  

Niet dat Ralan echt begreep wat voorzichtigheid inhield. Het was hem even vreemd als angst. Hij probeerde wel te begrijpen waarover Nakur tegen hem sprak, maar soms knikte hij alleen en deed hij alsof hij die vreemde kleine man begreep, zodat die zich niet eindeloos bleef herhalen.

Ralan liet zijn vingers verder strijken over de kier, tot hij ervan overtuigd was dat deze deur alleen van binnenuit kon worden geopend. Hij haalde zijn schouders op. 'IJzer,' beval hij, en een soldaat stapte langs hem heen en duwde een breekijzer in de spleet op de plek waar Ralan naar wees. De soldaat worstelde er een tijdje mee, tot Bek zei: 'Laat mij maar.'  

Met bovenmenselijke kracht maakte hij de gleuf groter, en plotseling zwaaide de deur wijd open. Er klonk een protesterend gekrijs van verwrongen metaal toen er een ijzeren balk uit de beugels achter de deur werd gerukt. Met een luide knal viel de balk op de stenen, en meteen stapte Bek met getrokken zwaard door de deur naar binnen. Hij maakte zich geen zorgen over het lawaai maar draaide zich om naar de soldaten en stak een hand op. 'Wacht!' zei hij zachtjes, en liep naar binnen.  

De soldaten kenden hun bevelen. Bek zou als eerste naar binnen gaan en zij zouden volgen als hij het bevel gaf, of anders in ieder geval na tien minuten. Een van de soldaten keerde een zandloper om waar rode streepjes op waren aangebracht op afstanden van tien minuten. Eriks eigenhandig geselecteerde mannen hurkten voor de ingang, langs de rand van de poel, en luisterden naar het geklater van de waterval in de duisternis.

 

Bek liep voorzichtig door en negeerde het feit dat hij niets zag. Hij plaatste zijn voeten heel lichtjes en zette er zijn volle gewicht pas op als hij zeker wist dat er geen put voor hem lag en dat hij niet per ongeluk een of andere val in werking zette. Hij wist dat hij heel veel kon hebben - hij was verschillende keren gewond geraakt in zijn korte leven - maar hij vond verwondingen even vervelend als ieder ander. Bovendien zou er, als wat Nakur zei waar was, verderop lol te beleven moeten zijn.

Bij de gedachte aan de kleine man bleef Bek even stilstaan. Bek mocht hem niet; maar hij mocht immers niemand, en had ook aan niemand een hekel. Zijn gevoelens ten opzichte van andere mensen waren vrij voorspelbaar: ze waren bondgenoten of tegenstanders, of ze deden er niet toe, zoals een paard of ander dier, soms handig, maar meestal niet de moeite waard. Maar de kleine man had vreemde gevoelens in Bek wakker gemaakt, gevoelens die hij niet kon benoemen. Hij wist niet of het vertrouwdheid was, of plezier, of wat dan ook. Zijn plezier haalde hij meestal uit intense dingen: toekijken hoe een man bloedde en jammerde; of ruwe gemeenschap met vrouwen. Hij wist dat hij van vechten hield. Het gekletter van staal, het geschreeuw, het bloed en... de dood. Hij hield ervan om dingen te zien sterven, had hij enige tijd eerder geconcludeerd. Het fascineerde hem om te zien dat een dier of mens het ene moment nog leefde, bewust was, zich bewoog, en het volgende moment gewoon roerloos lag als een stuk vlees. En zelfs niet eens nuttig vlees als het een mens was.  

Bek verwachtte een paar heel gevaarlijke kerels te gaan doden, en hij keek ernaar uit.  

Door een zacht geluid een eindje verderop vergat hij Nakur en zijn verwarring over de vreemde dingen die de gokker steeds zei. Er liep iemand aan het uiteinde van de tunnel, en Beks hele lichaam spande zich bij het vooruitzicht.

Hij moest eigenlijk teruggaan, maar hij was zijn besef van tijd kwijt; hoelang duurden tien minuten eigenlijk? De andere soldaten zouden hem vanzelf volgen, en bovendien stond Bek te springen om wat mensen af te slachten. Het was al heel lang geleden dat hij een goed gevecht had gehad. Nakur had iets met hem gedaan, en vaak kreeg hij hoofdpijn als hij over dingen probeerde na te denken. Maar Nakur had gezegd dat het goed was als hij de mensen doodde die zich hier in het oude kasteel verstopten, op de manschappen van de oude soldaat na dan, die van de andere kant konden komen.

Ralan Bek merkte dat zijn hoofd omliep, dus met een grom zette hij alle gedachten van zich af behalve zijn aandacht voor degene die hij dat geluid had horen maken in het donker. Hij versnelde zijn pas en viel bijna voorover in een put. Alleen zijn mazzelgevoel zorgde ervoor dat hij op het laatste moment achteruitstapte.  

Hij pakte een kokertje dat Nakur hem had gegeven en trok de dop eraf. Er zat een bundel stokjes in, waar hij er een van pakte. Hij deed de dop weer op de koker, stopte hem terug achter zijn tuniek en zwaaide toen snel met het stokje door de lucht. Na een paar tellen ontsprong er een vlammetje aan het uiteinde. Zoals Nakur hem had beloofd, was hij verrast over de hoeveelheid licht die het brandende stokje gaf na de totale duisternis in de tunnels.

Bek keek naar de put die voor zijn voeten gaapte, en kon de bodem ervan niet zien. Hij was blij dat hij er niet in gevallen was, niet omdat hij letsel vreesde, maar omdat hij daar dan had moeten wachten tot de strijders van de oude soldaat hem hadden ingehaald. Hij wist niet of ze de put zelfs maar zouden opmerken tot een van hen erin viel, en hij vond het geen prettig idee dat een van die kerels dan boven op hem zou zijn beland. Misschien hadden ze bovendien niet eens genoeg touw bij zich om hem eruit te trekken.  

De jongeman zette twee stappen achteruit, nam een aanloop en sprong met gemak over de put heen, die een tiental voet breed was. Hij liet het brandende stokje op de grond vallen en trapte het met de hak van zijn laars uit.

Bek wachtte even om er zeker van te zijn dat niemand hem gehoord had, en toen hij ervan overtuigd was dat hij niet was opgemerkt, liep hij verder door de gang. Even vroeg hij zich af of hij iets had moeten achterlaten om de soldaten achter zich te waarschuwen voor die put. Toen vroeg hij zich af waar die gedachte vandaan was gekomen; waarom zou hij zich er druk over moeten maken als een van de mannen van die oude soldaat in de put viel? Dit was nu echter veel te lastig om over na te denken. Het was iets wat Nakur wel zou begrijpen, maar hij had geen tijd om erbij stil te staan.

Voor zich hoorde hij zachte stemmen, en hij wist dat de hel nu ieder moment kon losbreken.

 

Magnus keek naar de hemel en besloot dat het tijd was om in beweging te komen, dus gebaarde hij naar twee wachters dat ze met hem mee moesten lopen over de lange toegangsweg naar het kasteel. De weg was schijnbaar al jaren niet gebruikt, maar Magnus had hem bij zonsopgang in het geheim geïnspecteerd en had aan kleine tekens gezien dat dat 'onbruik' zorgvuldig in scène was gezet. Iemand had deze weg pas nog gebruikt, maar had moeite gedaan om dat feit te verhullen. Dat overtuigde hem er voor de zoveelste keer van dat zijn vaders vertrouwen in Joval Delan, de ingehuurde gedachtelezer, niet misplaatst was geweest. Een plaatselijke bandiet, smokkelaar of bende losgeslagen jongeren zou niet de middelen of de neiging hebben gehad om zulk grondig werk te verrichten.  

De soldaten waren het pad op geslopen dat de Cavellweg werd genoemd, de enige duidelijke toegang tot het oude kasteel. Magnus had niet zoveel verstand van militaire zaken als zijn vader en broer, maar zelfs hij kon zich voorstellen hoe dodelijk het zou kunnen zijn om dit kasteel te bestormen. Alleen door de geruchten van demonische bezetenheid en een vloek, gevolgd door bijna een eeuw van vrede in de regio, was dit duidelijk zo strategisch gelegen gebouw ongebruikt gebleven.  

Toch had hij nog andere dingen aan zijn hoofd. Hij moest er in de eerste plaats voor zorgen dat de mannen die met hem meegingen zo lang mogelijk onontdekt bleven. Magnus was nog jong vergeleken bij de machtigste beoefenaars van de magie, maar hij had bepaalde vaardigheden geërfd van allebei zijn ouders. Zijn moeder had altijd een beter instinct gehad voor het detecteren van magie dan zijn vader, hoewel Puc beter in staat was om de aard van een gevonden bezwering of toestel te achterhalen. Magnus had het geluk dat hij die beide vaardigheden had geërfd. En zo bespeurde hij minstens vier magische vallen die zich tussen de weg en de oude poort boven aan de helling bevonden.  

Met de snelle bewegingen van een meester in zijn vak maakte Magnus snel alle bezweringen ongedaan, zodat de soldaten onder Eriks bevel geruisloos verder konden. Als er een uitkijkpost boven stond, zou hij moeite hebben om de snel sluipende grijze gestalten te zien die in het donker voorovergebogen langs de zijkant van het pad liepen. De kleine maan kwam pas over een uur op en het licht daarvan was zelfs op heldere nachten karig. En vannacht was het bewolkt.  

Met handsignalen gebaarde de officier die de leiding had dat zijn mannen zich gereed moesten maken. Er had ooit een oude ophaalbrug gelegen over de kloof tussen het uiteinde van de weg en de poort van het kasteel. Nu hing die brug nog maar aan één ketting nutteloos te bungelen aan de overkant van de kloof, een open ruimte die te breed was om overheen te springen. Er werden signalen uitgewisseld en twee mannen kwamen naar voren met ladders, die dienst zouden doen als bruggen over de kloof. Magnus gebruikte zijn vaardigheden om de kloof over te zweven.

Hij keek toe terwijl de mannen rustig over de sporten van de ladder liepen en zich niets aantrokken van de gapende leegte onder hun voeten. Eén misstap en ze zouden hun dood tegemoet vallen. Magnus bewonderde hun discipline.  

Nu tastte Magnus met zijn zintuigen naar voren, op zoek naar meer magische valstrikken of lokkertjes, maar hij vond niets. De beheerder van dit kasteel had zich tevredengesteld met valstrikken langs de weg om het de bewoners te laten weten wanneer er ongewenst bezoek aankwam. Hij beende verder zonder te letten op fysiek gevaar, want hij voelde iets in de verte waardoor het haar op zijn armen en achter in zijn nek rechtop ging staan.

Magnus stak zijn hand op en liet een lichte gloed ontspruiten aan zijn handpalm, waarmee hij de grond verlichtte tussen de nu gevallen buitenpoort, waar ooit een ophaalbrug en een valhek de eerste barrière hadden gevormd, en de binnendeuren die dicht waren en, zo nam Magnus aan, van binnenuit gebarricadeerd. De soldaten achter hem verzamelden zich geruisloos. In de spookachtig mystieke verlichting gaven Magnus' lichte haar en zijn lengte hem een bijna bovennatuurlijk aanzien, maar als de soldaten zich al slecht op hun gemak voelden omdat ze onder bevel stonden van een tovenaar, was daar niets van te merken terwijl ze wachtten op zijn instructies.  

Magnus sloot zijn ogen om zich beter te kunnen concentreren en zich de hoge houten deuren voor de geest te halen. Hij tastte met zijn zintuigen en liet mentale vingers over het hout glijden, en duwde toen langzaam door tot hij de andere kant kon voelen. Daarbij kreeg hij een beeld dat even duidelijk was als wanneer hij zijn ogen had gebruikt, en hij zag de dikke houten balk die in twee houten beugels hing. Na een grondige inspectie met behulp van zijn mentale vaardigheden, opende hij zijn ogen en stapte achteruit. 'Daar is een val,' zei hij zachtjes tegen de officier rechts van hem.  

'Wat stelt u voor?' vroeg de jonge Ridder-Luitenant.

'Een weg door die deur vinden zonder de grendel op te tillen,' zei Magnus.

Hij stak zijn hand uit en er werd een licht gezoem hoorbaar voor degenen die het dichtst bij hem stonden. Plotseling zat er een gat onder in de poort, zo groot dat een man er op handen en knieën door kon kruipen. 'Een voor een,' zei Magnus, 'en laat niemand de poort of de muren aan weerszijden aanraken.'

De officier gaf het door en al snel gingen de mannen om beurten door de poort. Magnus maakte zich klaar om de magie te bedwingen die zou vrijkomen als een van hen een fout maakte, maar dat bleek niet nodig. Ze deden precies wat hun was opgedragen.  

Toen was Magnus aan de beurt, en hij kroop onhandig door het gat, waarbij zijn mantel hem onverwacht dwarszat. Halverwege door het gat moest hij eerst zijn ene knie optillen en toen de andere en de stof voor zich uit trekken, zodat hij erdoor kon komen zonder op zijn gezicht te vallen.

Hij stond grinnikend op. 'Er zijn momenten, en dit is er een van, dat ik de behoefte krijg om mijn vader te vragen waarom magiërs altijd een lange mantel moeten dragen.'

De luitenant bleek over een vrij karig gevoel voor humor te beschikken, want hij keek Magnus verwonderd aan. 'Heer?'

Magnus zuchtte. 'Laat maar.' Hij keek de soldaten aan. 'Blijf achter me behalve als ik je zeg naar voren te komen, want er zijn hier krachten die zelfs de moedigste man niet aankan zonder mijn hulp.

Iedereen die je ziet en die niet Ralan Bek of een van je eigen collega's is, die dood je meteen.'

Toen draaide hij zich om en liep verder door het duister, waarbij het licht vanaf zijn hand meedeinde als een zwaaiende lantaarn.

 

Bek liep verder alsof hij over straat slenterde en trok zich niets aan van de duisternis. Er kwam licht uit een paar kamers aan het einde van een tunnel die de weg die hij had gekozen kruiste, maar hij negeerde het en liep rechtdoor. Hij wist niet hoe hij het wist, maar hij voelde aan dat hij vanaf de geheime ingang achter in het kasteel rechtdoor moest om de binnenste ruimte, waarschijnlijk een grote oude zaal of troonzaal, te bereiken.  

Ralan was opgetogen over het vooruitzicht van een gevecht. Sommige dingen die Nakur hem liet doen vond hij wel leuk, maar hij had al veel te lang niet meer gevochten. Bek had in een paar taveernes wel wat schedels ingeslagen, maar er was geen serieus bloedvergieten meer aan te pas gekomen sinds hij een jaar eerder voor Nakur die keizer had gedood. Dat was leuk geweest. Hij lachte bijna hardop toen hij zich de stomverbaasde gezichten herinnerde van iedereen die naar hem staarde toen hij zijn zwaard recht door de rug van die oude kerel had gestoken.

Een man in een zwarte wapenrusting maar zonder helm liep een hoek om, en voor hij kon stilstaan, had Ralan Bek zijn zwaardpunt in de keel van de man geramd, die onbeschermd was boven zijn kuras. De man viel neer met een vrij luide plof, maar dat kon Bek niet schelen. Minder dan honderd voet verderop wenkte het licht, en hij kon niet wachten om wat chaos te veroorzaken.  

Hij beende door het laatste stuk van de schemerige gang en kwam uit in een ruimte met een hoog plafond. Het was een ouderwetse kasteelzaal, waar tijdens de koudste nachten van de winter de familie en vertrouwde personeelsleden van de oorspronkelijke regent van Kasteel Cavell zouden hebben geslapen. Ooit was de grote zaal prachtig geweest, maar nu was hij vervallen en verwaarloosd.  

Het gewelfde dak werd nog steeds ondersteund door enorme houten balken, die zo oud waren dat ze zo hard als staal waren geworden, maar de ooit witbepleisterde muren waren nu donkergrijs en hoog in de duisternis erboven hoorde Bek vleermuizen fladderen. Er hingen geen wandtapijten aan de muren om de bewoners tegen de winterkou te beschermen die van de stenen afstraalde, en er lagen ook geen kleden op de vloer. Maar in de enorme haard links van de deur waardoor hij binnenkwam, brandde een vuur. Met getrokken zwaard en een maniakale grijns op zijn gezicht bekeek hij de vierentwintig man die voor het vuur waren geschaard.  

Midden in de groep zaten twee mannen, allebei in grote, ouderwetse stoelen: een U-vorm van hout boven op zo'n zelfde vorm, maar dan omgekeerd, die de poten vormde, met een houten rugleuning tegen de bovenste helft gespijkerd en met kussens of bontvellen erin. De anderen zaten op kampkrukken of op zwarte mantels die ze op de vloer hadden uitgespreid. Ze droegen allemaal een zwarte wapenrusting, het kenmerk van de Nachtraven, behalve de twee mannen in het midden. Een van hen droeg een tuniek van fijn geweven linnen en een broek en laarzen die geschikt waren voor een hoge edele, hoewel zijn kleren los om zijn lijf hingen alsof hij pas behoorlijk was afgevallen; de ander was gekleed in de zwarte mantel van een klerk of magiër. De man in de tuniek had een zware, gouden amulet om zijn hals, gelijk aan de zwarte amulet die Nakur aan Bek had laten zien. De man in de mantel droeg helemaal geen versierselen. Hij was mager en zijn gezicht en hoofd waren volkomen haarloos.  

Een tel nadat Bek was verschenen, stonden de achttien mannen die hadden gezeten overeind, en bliezen twee van hen op beenderfluitjes die een schril alarm door het kasteel verspreidden. De man met het goud om zijn hals zag er vijandig uit, en zijn ogen werden groot toen hij naar Bek wees en krijste: 'Dood hem!'  

Toen de eerste wachter zijn zwaard omhoog bracht, greep Bek zijn eigen wapen met beide handen vast en kneep zijn ogen tot spleetjes, terwijl hij zich opgewonden concentreerde op de komende slachtpartij. Maar de man in de mantel riep: 'Nee! Halt!' Zijn ogen richtten zich verwonderd op die van Bek.

Iedereen, ook Bek, verstijfde toen de man tussen de zwaardvechters doorliep. Hij passeerde de man die het dichtst bij Ralan Bek stond en liep recht op de jonge strijder af. Bek voelde een vreemd soort macht in die man, en zijn mazzelgevoel vertelde hem dat er iets ongebruikelijks te gebeuren stond. Hij aarzelde, en maakte toen aanstalten om uit te halen naar de man in de mantel.  

De man stak zijn hand op, niet om zich te verdedigen, maar smekend. 'Wacht,' zei hij. Bek weifelde. De man stak langzaam, bijna teder zijn hand uit en legde die op Beks borstkas, terwijl hij nog eens zei: 'Wacht.' Toen liet hij zich langzaam op zijn knieën zakken en sprak met een stem die nauwelijks meer was dan een fluistering: 'Wat draagt onze meester ons op?'

De man met de amulet keek in stomme verbazing toe, maar toen liet ook hij zich op zijn knieën zakken, even later gevolgd door alle anderen in de kamer. Er kwamen nog zes mannen de zaal in gerend uit andere delen van het kasteel; ze hadden de alarmfluit gehoord. Toen ze hun broeders met neergeslagen ogen op de knieën zagen liggen, volgden ze hun voorbeeld.

Bek liet zijn zwaard een stukje zakken. 'Hè?'

'Wat draagt onze meester ons op?' vroeg de man in de mantel nog eens.  

Bek probeerde te bedenken wat hij moest zeggen, op basis van wat hij Nakur, Puc en de anderen had horen vertellen op Tovenaarseiland. Uiteindelijk zei hij: 'Varen is weg. Hij is naar een andere wereld gevlucht.'

'Toch niet Varen?' zei de man in de mantel. 'Hij was de hoogste onder de dienaren van onze meester.' De man stak langzaam zijn hand uit en raakte Beks borst weer aan. 'Ik voel onze meester, daar, binnen in jou. Hij leeft binnen in jou; hij spreekt door jou.' Hij keek Bek weer aan en vroeg nog eens: 'Wat draagt onze meester ons op?'

Bek was voorbereid geweest op een gevecht, en dit ging zijn begrip te boven. Langzaam keek hij rond in de zaal. De toenemende frustratie klonk door in zijn stem toen hij antwoordde: 'Dat weet ik niet...' Hij hief plotseling zijn zwaard en liet het neersuizen. 'Dat weet ik niet!'  

 

Enkele minuten later rende Magnus de ruimte in, met een compagnie soldaten van Erik achter zich aan, en andere soldaten van het koninkrijk kwamen via dezelfde deur binnen als Bek. Ze bleven allemaal staan toen ze het tafereel voor zich zagen. Er lagen zesentwintig lijken op de vloer, maar er was geen teken te zien van een gevecht. Zesentwintig onthoofde lijken lagen in een enorme plas bloed en er rolden nog hoofden over de scharlakenrode stenen en met bloed doordrenkte mantels.  

Het haardvuur knapperde. Bek stond ernaast, besmeurd met bloed. Zijn armen waren rood tot aan de ellebogen en zijn gezicht zat ook onder. Hij stond daar als een demon die was bezeten door waanzin. Magnus kon het in zijn ogen zien. De jonge strijder trilde zo hevig dat hij er bijna van schokte.

Uiteindelijk gooide Ralan Bek zijn hoofd in zijn nek en gaf een brul die weerkaatste tegen de stenen hoog boven hen. Het was een primitieve uitbarsting van woede en frustratie, en toen de echo's van het geluid waren weggestorven, keek hij rond in de kamer en vervolgens recht in Magnus' ogen. Als een opstandig kind wees hij naar de lijken en zei: 'Dit was niet leuk!'  

Hij veegde zijn zwaard schoon aan de tuniek van een lijk en stopte het weg. Toen pakte hij een emmer water die bij de haard stond, gooide die leeg over zijn hoofd zonder zelfs de moeite nemen zijn hoed af te zetten, en greep een relatief schone mantel om als handdoek te gebruiken. Terwijl hij zichzelf zo goed en kwaad als dat ging opknapte, zei Bek op iets beheerstere toon: 'Het is niet leuk als ze niet terugvechten, Magnus.' Hij keek de kamer rond. 'Ik heb honger. Heeft er iemand iets te eten?'