3
Nasleep
Kaspar hield zijn paard in.
Hij onderdrukte zijn bezorgdheid. Dit was een wreed land, en hij voelde een steek van ongerustheid over wat hem misschien te wachten stond. In de maanden na zijn verbanning naar dit land was hij het boerderijtje gaan zien als iets wat leek op een thuis, en Jojanna en haar zoon Jorgen waren meer familie van hem geweest dan iedereen die hij ooit had gekend.
In één oogopslag had hij gezien dat de boerderij al een tijd niet meer bewoond werd, minstens een jaar zo te zien. De wei was overwoekerd en het hek was op verschillende plaatsen kapot. Voordat Jojanna's echtgenoot Bandamin was verdwenen, hadden ze een paar ossen gefokt voor de plaatselijke herbergier. Het maïsveld en een klein tarweveldje waren allebei overgroeid met onkruid en de gewassen waren verpieterd.
Kaspar steeg af en bond zijn paard vast aan een dood boompje. Die boom was geplant nadat hij was vertrokken, maar was sindsdien bezweken door verwaarlozing. Hij keek uit gewoonte om zich heen; als hij vermoedde dat er problemen konden ontstaan, vormde hij zich altijd een goed beeld van zijn omgeving en zocht naar plaatsen waar een hinderlaag mogelijk was en naar ontsnappingsroutes. Hij besefte dat er waarschijnlijk binnen een dag lopen in een willekeurige richting geen ander mens in de buurt was.
Toen hij het huisje binnenging, was hij opgelucht te zien dat er geen tekenen van een worsteling of geweld te zien waren. Alle persoonlijke bezittingen van Jojanna en Jorgen, hoe weinig ook, waren weg. Ze waren gewoon vertrokken. Hij had gevreesd dat bandieten of zwervende nomaden zijn... vrienden iets hadden aangedaan.
Kaspars leven was vervuld geweest van privileges en macht, en veel mensen hadden hem opgezocht om gunsten te vragen of om zijn bescherming te smeken, maar totdat hij door Magnus in dit afgelegen land was neergezet, had de voormalige hertog van Olasko weinig mensen gekend die hij 'vriend' kon noemen, zelfs niet als kind.
Jojanna en Jorgen hadden twee dagen doodsangsten uitgestaan voordat ze begrepen dat Kaspar niet naar het boerderijtje was gekomen om ze iets aan te doen; hij was alleen een vreemdeling die voedsel en onderdak nodig had, en had hard gewerkt voor de kost. Kaspar had een gunstigere overeenkomst met een plaatselijke koopman voor hen weten te regelen en had ze in betere omstandigheden achtergelaten dan hij ze had aangetroffen. Toen hij vertrok op zijn lange reis naar huis, dacht hij aan hen als vrienden; misschien zelfs wel meer dan vrienden ...
En nu, drie jaar later, was Kaspar weer terug in Novindus. Hij had de geheime bergplaats van de talnoy bewaakt, als schild tegen aardse dreigingen voor de tienduizend schijnbaar slapende moordmachines - als een machine al sliep. Twee magiërs - een oudere man die Rosenvar heette en een jongeling die luisterde naar de naam Jacob - onderzochten een of ander aspect van hun aard, naar aanleiding van instructies die door Puc en Nakur waren achtergelaten.
Nakur was kort teruggekeerd met zijn metgezel Bek, om de magiërs te vertellen dat het nog wat langer zou duren voor hij zich weer met zijn geliefde onderneming bezig kon houden: een veilige manier vinden om het leger van talnoy te besturen. Kaspar vond het magische aspect van die gesprekken stomvervelend, maar hij had het nieuws van de ophanden zijnde vernietiging van de Nachtraven met vreugde begroet.
Toen Nakur zich klaarmaakte voor vertrek, verzocht Kaspar hem om iemand anders te vragen de twee wetenschappers te bewaken, aangezien hij iets persoonlijks in Novindus had af te handelen voordat hij terugkeerde naar Tovenaarseiland. Nakur had ermee ingestemd, en zodra er iemand was gehaald om de magiërs te bewaken, was Kaspar aan zijn reis naar het zuiden begonnen. Omdat hij niet de beschikking had over de magische toestellen die de andere leden van het Conclaaf gebruikten, had Kaspar twee weken moeten reizen. Het dichtstbijzijnde stadje bij de grotten waar de talnoy waren verstopt, was Malabra, en van daaraf was de weg naar het zuiden beter begaanbaar. Hij putte zijn paarden bijna uit, en ruilde twee keer zijn paard om in de dorpjes onderweg. Twee keer had hij bandieten moeten zien voor te blijven, en drie keer was hij aangehouden door plaatselijke soldaten, waarbij hij twee keer smeergeld had moeten betalen.
Nu voelde hij een soort hopeloosheid. Hij had gehoopt Jojanna en Jorgen te vinden, hoewel hij eigenlijk niet zeker wist wat hij zou doen zodra hij ze vond. Hij was verbannen naar Novindus als straf voor zijn aandeel in de vernietiging van het volk van de Orosini en zijn complotten tegen naburige landen. Sindsdien had hij zich ietwat gebeterd in de ogen van zijn voormalige vijanden door nieuws over de talnoy aan het Conclaaf over te brengen, en hun volledige vergeving gekregen na zijn rol in het verijdelen van het complot van de Nachtraven tegen de troon van het Keizerrijk Groot Kesh. Maar hij voelde nog altijd een zekere verplichting ten opzichte van Jojanna en Jorgen, en voor Kaspar was een onafgeloste schuld een kankergezwel dat almaar doorwoekerde. Hij wilde zich ervan vergewissen dat die twee veilig waren, en ze genoeg geld geven om te zorgen dat ze er de rest van hun leven warmpjes bijzaten.
Het buideltje met munten dat hij bij zich droeg, maakte hem in dit land een rijk man. Hij had al eerder over de wegen van het Oostland gereisd, te voet en per wagen, en had de omstandigheden gezien na de grote oorlog van de Smaragden Koningin. Het land was nog altijd bezig zich te herstellen, zelfs dertig jaar na de oorlog nog. Koperen munten waren zeldzaam, zilver zag je bijna nooit, en zelfs een enkele gouden munt was het leven van een man waard. Kaspar had genoeg goud bij zich om een legertje in te huren en zich ergens te vestigen als edele.
Hij verliet het huisje en overwoog wat hij nu moest doen. Hij was onderweg naar de boerderij door het dorpje Heslagnam gereden, en het lag ook weer op zijn weg terug naar de grot met de talnoy. Hij zou er na zonsondergang aankomen - de vorige keer had het hem twee dagen en een halve ochtend gekost om er vanaf de boerderij heen te lopen - en hoewel de herberg niet veel voorstelde, had Kaspar de afgelopen drie jaar wel op slechtere plekken geslapen.
Hij spoorde zijn paard aan en arriveerde kort nadat het donker werd in Heslagnam. De gammele houten herberg was nog net zoals hij hem zich herinnerde, al leek het erop dat er een nieuwe laag witsel op was aangebracht; het was moeilijk te zien in het donker.
Toen er niemand verscheen nadat hij de stalhof was opgereden, zadelde hij zijn paard af en wreef het droog. Tegen de tijd dat hij klaar was, was hij moe, geërgerd en dringend toe aan wat dan ook in dit deel van de wereld voor een borrel doorging.
Kaspar liep om naar de voordeur van de herberg en duwde hem open. Er was bijna niemand binnen, behalve twee dorpelingen aan een tafel bij de haard en de waard zelf, een man met een dikke nek die Sagrin heette, die achter de toog stond. Kaspar liep naar de man met de stierennek toe, die hem nauwlettend in ogenschouw nam.
'Ik vergeet nooit een gezicht, ook al herinner ik me geen namen, en jou heb ik eerder gezien,' zei Sagrin.
'Kaspar,' antwoordde de voormalige hertog terwijl hij zijn handschoenen uittrok. 'Ik heb een paard achter staan. Waar is je staljongen?'
'Heb ik niet,' antwoordde Sagrin. 'Geen jongens in het dorp. Allemaal geronseld voor de oorlog.'
'Welke oorlog?'
'Wie weet? Er is altijd wel ergens een oorlog, toch?' Hij wees met zijn duim over zijn schouder, in de richting van de stal. 'Je kunt je paard gratis stallen, aangezien ik niemand heb om ervoor te zorgen, maar je zult morgenochtend je eigen voer moeten kopen bij Kelpita's winkel aan de overkant.'
'Ik heb haver bij me. Ik zorg wel voor het paard voor ik naar bed ga. Wat heb je te drinken?'
'Bier en wijn. Als je verstand hebt van wijn, neem je bier,' zei de waard.
'Bier, dus.'
Het bier werd ingeschonken en Sagrin tuurde naar Kaspar.
'Jij was hier zo'n eh ... twee jaar geleden?'
'Eerder drie.'
'Ik kan je niet helemaal plaatsen...'
'Als je op de grond gaat zitten en naar me opkijkt, schiet het je misschien te binnen,' zei Kaspar. Hij nam een slok. Het bier was precies zoals hij zich herinnerde, waterig en niet bijzonder lekker, maar het was koud en nat.
'Ah,' zei Sagrin. 'Jij bent die vent die hier kwam met Jojanna en haar zoon. Je kleedt je behoorlijk wat beter tegenwoordig.'
'Inderdaad,' zei Kaspar. 'Zijn ze in de buurt?'
Sagrin haalde zijn schouders op. 'Ik heb Jojanna al meer dan een jaar niet gezien.' Hij leunde naar voren. 'Die jongen liep van huis weg en zij ging half in paniek naar hem op zoek, geloof ik. Heeft haar vee en muilezel verkocht aan Kelpita, en kwam toen een handelaar tegen die naar het zuiden ging. Hij zei dat hij haar zou aannemen.' Sagrin haalde zijn schouders op, maar zijn stem klonk spijtig. 'Ze ligt waarschijnlijk onder een stel stenen begraven, een dag of twee rijden ten zuiden van hier.'
'Is Jorgen weggelopen?' vroeg Kaspar. Hij kende Jojanna en haar zoon goed genoeg om te weten dat die jongen dol was op zijn moeder, en hij kon zich niet indenken waarom Jorgen van huis zou weglopen.
'Er kwam een groep kerels langs, en bij de boerderij kregen ze het nieuws dat de vader van de jongen diende bij een compagnie soldaten uit Higara. Bandamin heeft zich laten ronselen door een stel... Nou, het waren slavenhandelaars, hoe ze zich ook noemden, maar aangezien ze hun gevangenen verkochten aan het leger van Muboya, noemden ze zich "rekruteerders".'
Kaspar herinnerde zich een vrij plezierig avondmaal met een generaal die een neef was van de Raj van Muboya. Als Kaspar hem kon vinden, kon hij... Tja. Misschien regelen dat Bandamin ontslagen werd?
'Hoe gaat die oorlog?' vroeg Kaspar.
'Het laatste wat ik gehoord heb, is dat Muboya Sasbataba zover heeft gekregen te capituleren, en nu in gevecht is met een of andere bandietenleider die Okanala heet om het bestuur over het volgende stukkie land dat hij wil hebben.
Maar ik moet het die jonge Raj nageven: als zijn leger weg is, is het in het land dat achterblijft bijna even rustig als voor de oorlog van de Smaragden Koningin. Ik wou dat hij een stel van zijn jongens hierheen stuurde om de boel tussen hier en het Heetland wat te sussen.' Toen hij zag dat Kaspars kroes leeg was, vroeg Sagrin: 'Nog eentje?'
Kaspar zette zich af van de toog. 'Straks. Ik ga eerst even mijn paard voeren en zorgen dat hij voldoende water heeft.'
'Blijf je hier?'
Kaspar knikte. 'Ik zal een kamer nodig hebben.'
'Kies er maar een uit,' zei Sagrin. 'Ik heb lam aan het spit, en het brood is van gisteren.'
'Dat is prima,' zei Kaspar. Hij verliet de gelagkamer.
Buiten was het koel; het was winter in dit land, maar het lag zo ver naar het noorden en dicht bij het Heetland, dat het er nooit echt koud werd. Hij liep naar de stal en pakte een emmer, vulde die bij de put en zorgde dat de trog vol zat. Hij deed het paard een voederzak om en nam even de tijd om het dier te onderzoeken. Hij had het behoorlijk aangespoord en wilde er zeker van zijn dat de ruin niets mankeerde. Op een plank naast wat waardeloze oude hoofdstellen lag een roskam, en hij gebruikte die om het paard te borstelen.
Tijdens het roskammen liet Kaspar zijn gedachten de vrije loop. Een deel van hem had hier terug willen keren om een persoonlijk rijk op te bouwen, maar tegenwoordig roerde de ambitie zich niet meer zozeer in zijn hart. Al was het nooit helemaal weg. Welk effect de invloed van de waanzinnige tovenaar Leso Varen ook op Kaspar had gehad, de voormalige heerser van Olasko was in wezen nog altijd ambitieus.
De mannen die orde schepten uit chaos, waren mensen met visie en verlangen. Macht omwille van de macht zelf was het hoogtepunt van inhaligheid; macht ter wille van anderen had een meer edele aard, die hij pas begon te waarderen toen hij naar mannen zoals Puc, Magnus en N akur keek; mensen die tot ongelooflijke dingen in staat waren maar die enkel van de wereld een veiligere plek voor iedereen wilden maken.
Hij schudde zijn hoofd bij die gedachte en besefte dat hij geen wettelijke of ethische basis had om hier een rijk op te bouwen; hij zou gewoon een zelfverheerlijkende bandietenheer zijn die zijn eigen koninkrijkje wilde hebben.
Kaspar legde zuchtend de roskam weg. Hij kon beter op zoek gaan naar generaal Alenburga en aanmonsteren in dienst van de Raj. Kaspar twijfelde er niet aan dat hij snel bevorderd zou worden en dan een eigen leger onder zijn bevel zou krijgen. Maar kon hij ooit dienst nemen in het leger van iemand anders?
Hij keek even voor zich uit en begon toen te lachen. Wat deed hij nu dan? Hij diende het Conclaaf, ook al had hij nooit een formele eed aan een van hen afgelegd. Sinds Kaspar Puc en zijn metgezellen nieuws had gebracht over de talnoy en de dreiging van de Dasatiwereld, die Kalkin hem had laten zien, had hij doorlopend hand- en spandiensten en missies uitgevoerd voor het Conclaaf.
Nog altijd grinnikend toen hij bij de deur van de herberg aankwam, besloot Kaspar dat hij dit land en de rest van de wereld diende, en dat zijn dagen als heerser voorbij waren. Terwijl hij de deur openduwde, dacht hij eraan dat het leven in ieder geval interessant was.
Tien dagen later liep Kaspar met zijn paard aan de hand door de drukke straten van Higara. Het dorp was de afgelopen drie jaar veranderd; overal zag hij tekenen van welvaart. Door de nieuwe gebouwen leek het dorp nu meer op een klein stadje. Toen hij de laatste keer door Higara was gereden, was het een basis geweest van het leger van de Raj van Muboya, dat zich klaarmaakte voor een offensief in het zuiden. Nu waren de enige mannen in uniform die hij zag de wetshandhavers van het dorp. Kaspar zag dat ze kleuren droegen die leken op die van het gewone leger, een duidelijke indicatie dat Higara nu deel uitmaakte van Muboya, wat de vroegere bondgenootschappen ook waren.
Kaspar vond dezelfde herberg terug waar hij drie jaar eerder met generaal Alenburga had gesproken, en zag dat het gebouw weer terug was in zijn voormalige, rustige staat. In plaats van dat er overal soldaten liepen, rende er een jongen de stal uit om Kaspars paard van hem over te nemen. De jongen had ongeveer dezelfde leeftijd als Jorgen toen Kaspar hem voor het laatst had gezien, en dat herinnerde hem eraan waarom hij deze reis maakte. Kaspar zette zijn toenemende gevoel van hopeloosheid over zijn zoektocht naar één jongen en zijn moeder in dit uitgestrekte land van zich af, en gaf de staljongen een koperen munt. 'Spoel het stof van hem af en borstel hem,' droeg hij hem op. De knul grijnsde, stak de munt in zijn zak en beloofde dat te doen.
Kaspar liep de herberg binnen en keek om zich heen. Het was druk; de gelagkamer zat vol kooplieden die hun middagmaal hier gebruikten en anderen die waren gekleed op een reis. Kaspar liep naar de toog en de waard knikte. 'Meneer?'
'Bier,' zei Kaspar.
Toen de kroes voor hem stond, haalde Kaspar nog een koperen munt tevoorschijn en schoof die naar de waard toe. De man pakte hem op, woog hem, haalde snel een toetssteen tevoorschijn en sloeg er met de munt tegenaan. Toen zei hij: 'Dit is genoeg voor twee.'
'Neem er zelf ook eentje,' zei de voormalige hertog.
De waard glimlachte. 'Een beetje vroeg voor mij. Misschien straks. Bedankt.'
Kaspar knikte. 'Waar bevindt het plaatselijke garnizoen zich tegenwoordig?'
'Hebben we niet,' zei de waard. Hij wees ongeveer in de richting van de weg naar het zuiden. 'Er is een garnizoen in Dondia, een goeie dag rijden. Ze hebben alle soldaten hier weggehaald toen Sasbataba zich overgaf. We krijgen eenmaal per week een patrouille, en er is een compagnie van de dorpsmilitie om de wetshandhavers te helpen als het nodig is, maar eigenlijk, vreemdeling, is het hier zo rustig dat het regelrecht vredig is.'
'Dat moet een welkome verandering zijn,' zei Kaspar.
'Dat valt niet te betwisten,' zei de waard.
'Heb je een kamer voor me?'
De waard knikte en pakte een sleutel. 'Boven aan de trap, laatste deur links. Met een raam.'
Kaspar pakte de sleutel aan. 'Waar is het kantoor van de drost?'
De waard wees Kaspar de weg en nadat hij zijn bier en een saai middagmaal van koud rundvlees en lauwe groenten op had, liep Kaspar naar het kantoor van de drost. Tijdens de korte wandeling werd hij overspoeld door de geluiden en taferelen van een druk handelscentrum. Wat de vorige status van Higara ook was geweest, het was nu duidelijk een regionaal kruispunt in het zich uitbreidende territorium. Even voelde Kaspar iets van spijt; Flynn en de andere kooplieden uit het Koninkrijk zouden hier de rijkdom hebben kunnen vinden die ze zochten. De vier kooplieden van het Koninkrijk der Eilanden hadden gezorgd dat Kaspar de talnoy in zijn bezit had gekregen, en elk van hen was gestorven zonder te weten welke rol hij had gespeeld.
Denkend aan dat helse ding vroeg Kaspar zich af of hij zichzelf een limiet moest opleggen voor hoelang hij naar Jojanna en Jorgen zou blijven zoeken.
Het kantoor van de drost was gemakkelijk te vinden, en hij duwde de deur open. Een jongeman in een tuniek met een speld erop keek op van een tafel die dienstdeed als bureau. Met dat air van belangrijkheid die alleen een jongen die pas verantwoordelijkheid had gekregen kon uitstralen, zei hij: 'Wat kan ik voor u doen?'
'Ik zoek iemand. Een soldaat die Bandamin heet.'
De jongen, knap, met lichtbruin haar en sproeten op zijn wangen, trok een nadenkend gezicht. Na een tijdje zei hij: 'Ik ken die naam niet. In welke compagnie zit hij?'
Kaspar betwijfelde of de jongen enig idee zou hebben waar Bandamin was, zelfs als Kaspar wist bij welke compagnie hij zat. 'Weet ik niet. Hij woonde buiten het dorp, aan de noordkant, en is geronseld.'
'Geronseld, hè?' zei de jongeman. 'Dan is hij waarschijnlijk bij de infanterie ten zuiden van hier.'
'En een jongen? Zo'n elf jaar oud.' Kaspar probeerde in te schatten hoeveel Jorgen gegroeid zou zijn sinds hij hem voor het laatst had gezien, en hield zijn hand op. 'Waarschijnlijk zó groot. Blond haar.'
De jonge drost haalde zijn schouders op. 'Er komen constant jongens door de stad, kokshulpjes van karavanen, bagageratten, dakloze jongens, weglopers. We proberen ze zo veel mogelijk van de straat te houden, want sommigen sluiten zich aan bij bendes.'
'Waar zou ik zo'n bende kunnen vinden?'
De jongeman keek Kaspar aan met wat de voormalige hertog vermoedde dat een argwanende uitdrukking moest voorstellen, maar hij zag er alleen maar belachelijk uit. 'Waarom zoekt u die jongen?'
'Zijn vader is geronseld voor het leger; de jongen was naar hem op zoek. En zijn moeder zoekt hen allebei.'
'En zoekt u de moeder ook?'
'Ja,' zei Kaspar. 'Het zijn vrienden.'
De jongeman haalde zijn schouders op. 'Het spijt me, maar we letten alleen op degenen die overlast veroorzaken.'
'En die jongensbendes?'
'Die zijn meestal te vinden in de buurt van de karavanserai of de markt. Als het er te veel worden, jagen we ze weg, maar dan verzamelen ze zich gewoon ergens anders.'
Kaspar bedankte de jonge drost en liep het kantoor uit. Hij keek langs de drukke straat, op zoek naar inspiratie, en voelde zich als een man die over een slagveld kruipt op zoek naar één specifieke pijl tussen de tienduizenden die zijn gevallen. Hij keek naar de hemel en schatte dat het ongeveer halverwege de middag was. Hij wist dat de markten hier de hele dag druk bezocht werden, zonder middagonderbreking zoals in de warmere delen van Groot Kesh. Hier wemelde het op de markten tot kort voor zonsondergang van de kopers en verkopers, waarna het weer een drukte van belang was terwijl de kooplieden hun spullen opruimden. Hij had ongeveer tweeënhalf uur voor de zon onderging.
Eenmaal op de markt aangekomen, keek hij om zich heen. Het was een losjes georganiseerde markt op een uitgestrekt plein, die meer toevallig dan met opzet was ontstaan. Kaspar nam aan dat er oorspronkelijk een hoofdweg door het dorp had gelopen - de weg van noord naar zuid die door de hele streek liep. Ergens in de afgelopen jaren was de route door omstandigheden een meter of honderd naar het oosten verschoven, en op dat punt waren overal gebouwen neergezet. Het resultaat ervan was dat er een stuk of zes smallere straatjes en een handvol stegen wegleidden van dit gedeelte; de lege ruimte in het midden bood plaats aan de markt.
Kaspar zag een behoorlijk aantal kinderen; de meesten hielpen hun familie bij de kramen en tenten. Er was weinig orde op de markt in Higara, behalve dat er schijnbaar was afgesproken dat niemand een tent, stal of tafel midden op het plein mocht zetten. Daar stond één lantaarnpaal, op het kruis van de zijstraten die het plein vormden. Hij liep ernaartoe en zag dat er een bruikbare lantaarn aan hing, dus hij nam aan dat die elke avond door iemand werd aangestoken, misschien door een van de drosten. Dit was de enige lantaarnpaal die hij had gezien in Higara, wat hem deed vermoeden dat er waarschijnlijk niemand was die speciaal de functie van lantaarnaansteker had. Hij ontwaarde een vaag opschrift op de paal: ergens in een ver verleden had een regent besloten dat hier een richtingaanwijzer moest staan. Kaspar liet zijn hand over het oude hout gaan en vroeg zich af welke geheimen deze paal allemaal had horen fluisteren. Leunend tegen de paal nam hij zijn omgeving in ogenschouw. Ervaren jager die hij was, merkte hij kleine dingen op die de meeste anderen zouden ontgaan. Twee jongens hingen rond bij de ingang van een steegje, schijnbaar in gesprek, maar duidelijk rondkijkend. Uitkijkposten, concludeerde Kaspar. Maar waarvoor stonden ze op de uitkijk?
Na bijna een halfuur observeren had Kaspar wel enig idee. Af en toe kwam er een jongen of een stel jongens uit de steeg of liep er naar binnen. Als iemand anders te dicht in de buurt kwam, werd er een signaal gegeven; Kaspar nam aan dat het een fluitsignaal was of een codewoord, maar hij was te ver weg om het te horen. Als de potentiële dreiging voorbij was, werd er weer een ander signaal gegeven.
Uiteindelijk stak Kaspar de markt over en liep naar het steegje, evenzeer uit nieuwsgierigheid als uit de wens om informatie te vergaren over Jorgen en zijn moeder. Hij naderde, maar bleef net voor het punt staan waar hij de uitkijkposten had gezien.
Kaspar wachtte, observeerde, en wachtte nog wat langer. Hij had het gevoel dat er iets te gebeuren stond, en dat was ook zo.
Als ratten die uit een overlopend riool vluchtten bij een plotselinge stortbui, kwamen de jongens het steegje uitgerend. De twee uitkijkposten renden gewoon weg, in schijnbaar willekeurige richtingen, maar de stuk of tien jongens achter hen droegen allemaal broden; iemand moest een manier hebben gevonden om via de achterdeur een bakkerij binnen te komen en zo veel mogelijk vers brood te stelen voordat de bakker alarm kon slaan. Even later werd er geschreeuwd op het plein, toen kooplieden zich ervan bewust werden dat er een overtreding aan de gang was.
Een jongen van niet ouder dan tien jaar rende recht langs Kaspar heen, die zijn hand uitstak en hem bij de kraag van zijn vuile tuniek greep. De jongen liet meteen zijn brood los en stak zijn handen recht omhoog, en Kaspar besefte dat de kleine schurk van plan was zich uit zijn voddige hemd te wurmen.
Kaspar greep hem in plaats daarvan vast bij zijn vettige, lange zwarte haren. Het knulletje schreeuwde: 'Laat me losl'
Kaspar trok hem mee naar een ander steegje. Toen hij uit het zicht van de mensen op de markt was, draaide hij de jongen om en bestudeerde hem. De jongen schopte om zich heen en probeerde hem met verrassend veel kracht te bijten en te slaan, maar Kaspar had heel zijn leven met diverse wilde dieren gevochten, waaronder een onvergetelijke en bijna rampzalige ontmoeting met een kwade veelvraat. Kaspar had de nek van het beest in een ijzeren greep moeten nemen en tegelijkertijd de staart in bedwang moeten houden om niet uitgebeend te worden, tot zijn vaders jachtmeester bij hem was om het dier uit te schakelen. Hij droeg nog steeds verscheidene littekens van die ontmoeting.
'Hou op met vechten, dan zet ik je neer, maar dan moet je wel een paar vragen beantwoorden.'
'Laat me los!' schreeuwde de vuile jongen. 'Helpl'
'Wil je dat de drost met je komt babbelen?' vroeg Kaspar terwijl hij zijn worstelende prooi zo hoog hield dat de jongen alleen nog op zijn tenen kon staan.
Het straatschoffie hield zich meteen rustig. 'Niet echt.'
'Goed. Beantwoord dan wat vragen, dan laat ik je los.'
'Beloof je dat?'
'Beloofd,' antwoordde Kaspar.
'Zweer het op Kalkin,' zei de jongen.
'Ik zweer het op de god van de dieven, leugenaars en valsspelers: ik laat je gaan zodra je mijn vragen hebt beantwoord.' De jongen verzette zich niet langer, maar Kaspar hield hem toch vast. 'Ik zoek een jongen, ongeveer van jouw leeftijd denk ik.'
Het diefje keek Kaspar aan en vroeg op behoedzame toon: 'Wat voor soort jongen had je precies in gedachten?'
'Geen soort jongen, maar een jongen in het bijzonder. Hij heet Jorgen. Als hij hier is geweest, zal dat ongeveer een jaar geleden zijn.'
De jongen ontspande zich. 'Ik ken hem. Ik bedoel, ik kende hem. Blond, zongebruind, boerenjongen; kwam uit het noorden op zoek naar zijn pa, zei hij. Bijna verhongerd, maar we hebben hem het een en ander geleerd. Hij is een tijdje bij ons gebleven. Hij was niet zo goed in stelen, maar was dapper in een gevecht. Hij kon zich goed redden.'
'"We"?' vroeg Kaspar.
'De jongens en ik, mijn maten. We helpen elkaar allemaal.'
Er kwamen een paar burgers de steeg inlopen, dus Kaspar zette de jongen neer, maar hij hield zijn arm stevig vast. 'Waar is hij naartoe gegaan?'
'Naar het zuiden, naar Kadera. De Raj is daar in oorlog, en daar ging Jorgens pa naartoe.'
'Is Jorgens moeder achter hem aangekomen?' Kaspar beschreef Jojanna, en liet toen de arm van de jongen los.
'Nee. Nooit gezien,' zei de jongen; voor Kaspar nog kon reageren, spurtte hij weg.
Kaspar haalde diep adem en liep weer terug naar de markt. Hij keek uit naar een goede nachtrust, want morgen zou hij verder trekken naar het zuiden.
Na nog een week liet Kaspar de relatieve welvaart achter zich van wat, zo had hij vernomen, nu het koninkrijk Muboya werd genoemd. En de jonge Raj had de titel Maharadja, of 'grote koning' aangenomen. Opnieuw reed Kaspar door oorlogsgebied, en verscheidene keren was hij staande gehouden en ondervraagd. Deze keer ondervond hij weinig last, omdat hij bij elk oponthoud gewoon zei dat hij op zoek was naar generaal Alenburga. Zijn duidelijke rijkdom, mooie kleding en goede paard gaven aan dat hij een 'belangrijk iemand' was, en hij werd doorgewuifd zonder dat hem nog vragen werden gesteld.
Het dorp, zo hoorde hij, heette Timbe, en het was drie keer aangevallen, waarvan twee keer door de troepen van Muboya. Het lag een halve dag rijden ten zuiden van Kadera, de zuidelijke commandobasis van de Maharadja. Nadat Kaspar bij zonsopgang was aangekomen, had hij gehoord dat de generaal naar dit dorp was gekomen voor een inspectie na het bloedbad dat tijdens het laatste offensief was aangericht.
Het enige waardoor Kaspar ervan overtuigd was dat het leger van Muboya niet was verslagen, was dat hij geen soldaten zag die zich terugtrokken. Maar door de toestand van de nog op het veld resterende troepen en de overal zichtbare verwoesting, was Kaspar ervan overtuigd dat het offensief van de Maharadja tot staan was gebracht. In het beste geval had de Maharadja een patstelling behaald. In het slechtste geval zou hier over een dag of twee een tegenoffensief plaatsvinden.
Kaspar had weinig moeite om de commandotent te vinden, aangezien die boven op een heuvel stond met uitzicht op wat waarschijnlijk het slagveld was. Terwijl hij de helling opreed, zag hij dat de posities in het zuiden werden versterkt, en tegen de tijd dat hij werd benaderd door twee wachters, twijfelde hij niet meer over de tactische situatie van dit conflict.
Een officier en een wachter wenkten Kaspar, en de officier vroeg: 'Wat wenst u?'
'Een momentje met generaal Alenburga.' Kaspat steeg af.
'Wie bent u?' vroeg de officier, een vuile en moe uitziende jongeman. Zijn witte tulband was bijna beige van het stof en er zaten bloedspetters op zijn broek en laarzen. De donkerblauwe tunieken van beide mannen konden de dieprode bloedvlekken niet goed verhullen.
'Van naam, Kaspar van Olasko. Als de generaal een slecht geheugen heeft vanwege het conflict beneden, herinner hem dan maar aan de vreemdeling die hem aanraadde bij Higara zijn boogschutters achter zich te houden.'
De officier had gekeken alsof hij Kaspar meteen weer wilde wegsturen, maar nu zei hij: 'Ik was bij de cavalerie die naar het noorden reed om die boogschutters te flankeren. Ik weet nog dat ze zeiden dat een buitenlander dat de generaal had aangeraden.'
'Het verheugt me dat men zich mij nog herinnert.'
De officier wendde zich tot de wachter. 'Ga kijken of de generaal even tijd heeft voor... een oude kennis.'
Even later werd Kaspar uitgenodigd de hoofdtent binnen te gaan. Hij gaf zijn leidsels over aan de wachter en volgde de officier naar binnen.
De generaal zager tien jaar ouder uit in plaats van drie, maar hij glimlachte toen hij opkeek. Zijn donkere haren waren nu grotendeels grijs en achter zijn oren gekamd. Hij droeg geen hoed. 'Teruggekomen voor nog een schaakspelletje, Kaspar?' Hij stond op en stak zijn hand uit.
Kaspar drukte die. 'Ik had niet verwacht dat iemand me nog kende.'
'Er zijn niet veel mensen die me eerst een briljant tactisch plan aan de hand doen en me vervolgens verslaan bij het schaken.' Hij gebaarde Kaspar naar een canvas stoel bij een tafel waar een kaart op lag. Toen droeg de generaal zijn assistent op om iets te drinken te halen. 'Ik had je de afgelopen tijd een paar keer goed kunnen gebruiken, Kaspar. Je hebt een beter oog voor gevechtssituaties dan de meesten van mijn onderbevelhebbers.'
Kaspar boog zijn hoofd bij het compliment, en pakte toen een gekoelde beker bier aan. 'Waar hebt u hier ijs gevonden?' vroeg hij toen hij een slok had genomen.
'De terugtrekkende troepen van onze vijand, de koning van Okanala zoals hij zichzelf noemt, had een ijshuis in het dorp dat we een paar dagen geleden hebben bevrijd. Ze hebben het voor elkaar gekregen alle voorraden mee te slepen en al het andere waar wij iets aan hadden kunnen hebben te vernietigen, maar ik denk dat ze geen snelle manier konden bedenken om al het ijs te laten smelten.' Hij glimlachte toen hij een slok nam. 'En daar ben ik blij om.' De generaal zette zijn beker neer. 'De vorige keer dat ik je zag, bracht je een overleden vriend naar huis om hem te begraven. Wat brengt je deze keer hierheen?'
Kaspar besloot niet in te gaan op wat er allemaal was gebeurd na de vorige keer dat ze elkaar hadden ontmoet. 'De kist met inhoud is gekomen waar hij zijn moest, en sindsdien heb ik andere dingen te doen gehad. Ik ben hier op zoek naar vrienden.'
'Werkelijk?' zei de generaal. 'Ik dacht dat je de vorige keer zei dat jullie kooplieden waren. En nu heb je vrienden zo ver naar het zuiden?'
Kaspar begreep de argwanende geest van een generaal die zojuist een grote slag had verloren. 'Ze komen eigenlijk uit het noorden. Een man genaamd Bandamin werd voor het leger geronseld, een behoorlijk eind naar het noorden; ik geloof eigenlijk dat hij door slavenhandelaars is meegenomen, die waarschijnlijk illegale zaken deden met uw voorhoede bij Muboya.'
'Dat zou niet voor het eerst zijn,' zei de generaal. 'In een oorlog is het moeilijker dan normaal om de fatsoensnormen in acht te nemen.'
'Hij had een vrouwen zoon, en de zoon kreeg te horen dat zijn vader bij uw leger was, dus kwam hij naar het zuiden om hem te zoeken. De moeder ging achter de jongen aan.'
'En jij bent de moeder gevolgd,' zei Alenburga.
'Ik wil haar en de jongen graag weer veilig naar huis brengen.'
'En de man?' vroeg de generaal.
'Hem ook, als het kan. Is er een afkoopsom?'
De generaal lachte. 'Als we de mannen zich zouden laten uitkopen, zouden we een heel pover leger hebben, want de slimsten zouden altijd wel een manier vinden om aan geld te komen. Nee, hij moet vijf jaar dienstdoen, hoe hij ook is aangemonsterd.'
Kaspar knikte. 'Dat verbaast me niet echt.'
'Ga gerust op zoek naar de jongen en zijn moeder. De jongens van de bagage-karavaan zijn aan de voet van de heuvel ten westen van hier, bij een riviertje. De meeste vrouwen - echtgenotes en kampvolgelingen - zijn hier in de buurt.'
Kaspar dronk zijn kroes leeg en stond op. 'Dan zal ik u niet langer ophouden, generaal. U bent zeer gul geweest.'
Toen hij zich omdraaide om te vertrekken, vroeg de generaal: 'Wat denk je?'
Kaspar aarzelde, en draaide zich toen weer naar de man om. 'De oorlog is voorbij. Het wordt tijd om te werken aan vrede.'
Alenburga ging achterover zitten en wreef met wijsvinger en duim over zijn kaak, waarbij hij lichtjes aan zijn baard trok. 'Waarom zeg je dat?'
'U hebt alle fitte mannen gerekruteerd die driehonderd mijl in de omtrek te vinden zijn, generaal. Ik ben onderweg hiernaartoe door twee steden, een stuk of zes stadjes en twintig dorpjes gereden. Er zijn alleen nog mannen ouder dan veertig en jongens onder de vijftien over. Elke potentiële soldaat is al in uw dienst.
Ik zie dat jullie richting het zuiden gaan; u verwacht van daaraf een tegenaanval. Maar als Okanala nog reserves heeft die de moeite waard zijn, breekt hij links van u door, rolt u op en drijft u terug naar het riviertje. Uw beste kans is om terug te gaan naar het stadje en u daar te verschansen.
Generaal, dit zal dan de komende vijf jaar uw front blijven, eerder tien jaar zelfs. Het wordt tijd om een eind aan deze oorlog te maken.'
De generaal knikte. 'Maar onze Maharadja heeft een visie en wil optrekken naar het zuiden tot we dicht genoeg bij de Stad aan de Serpentrivier zijn, zodat hij kan beweren dat het vrede is in het gehele Oostland.'
'Ik denk dat uw ambitieuze jonge meester zelfs denkt dat hij op een dag de stad kan innemen en die bij Muboya kan inlijven,' opperde Kaspar.
'Misschien,' zei Alenburga. 'Maar op alle andere punten heb je gelijk. Mijn verkenners melden dat Okanala zich ook ingraaft. We zijn allebei uitgespeeld.'
'Ik weet niets van de politiek hier,' zei Kaspar, 'maar soms is een wapenstilstand een gebaar dat beide partijen het gezicht kan redden en soms, als het nodig is, het enige alternatief voor een volslagen nederlaag. De overwinning is gevlogen, en aan alle kanten ligt de nederlaag. Laat uw Maharadja een van zijn familieleden met iemand uit de familie van de koning trouwen, en sluit het af.'
De generaal stond op en stak zijn hand uit. 'Als je je vrienden vindt en ze naar huis hebt gebracht, Kaspar van Olasko, ben je altijd welkom in mijn tent. Als je terugkomt, benoem ik je tot generaal en als de tijd daar is, rukken we samen op naar de zee.'
'Ik? Generaal?' vroeg Kaspar grijnzend.
'Jazeker. Ik was zelf commandant van een brigade toen we elkaar de vorige keer zagen,' zei de generaal, die teruggrijnsde. 'Nu heb ik het bevel over het leger. Mijn neef weet succes op waarde te schatten.'
'Ah,' zei Kaspar terwijl hij hem de hand schudde. 'Als de ambitie me grijpt, weet ik u te vinden.' 'Veel geluk, Kaspar van Olasko.'
'Veel geluk, generaal.'
Kaspar liep de tent uit en klom op zijn paard. Hij stuurde de ruin de helling af, naar een valleitje verderop waar een vrij breed riviertje doorheen kronkelde. Hij voelde een toenemende onrust terwijl hij de bagagekarren naderde, want overal om zich heen zag hij tekenen dat hier gevochten was. Volgens de tradities van de oorlog viel je geen bagagejongens of vrouwen die het leger volgden aan, maar soms werden dergelijke regels genegeerd of werden de buitenstaanders gewoon meegesleurd in de eb en vloed van een conflict.
Verschillende jongens die hij zag waren gewond, sommigen licht, anderen ernstig, en veel van hen droegen verband. Enkelen lagen op vlonders onder de karren te slapen, door hun verwondingen uitgeschakeld en niet in staat om te werken. Kaspar reed naar een kar waarop een gedrongen man in een bloedige tuniek zat te huilen. Er lagen een metalen kuras en een helm met een pluim op de bok naast hem, en hij staarde nietsziend voor zich uit. 'Bent u de bagagerneester?' vroeg Kaspar.
De man knikte enkel, terwijl de tranen langzaam over zijn wangen biggelden.
'Ik zoek een jongen, hij heet Jorgen.'
De kaak van de man verstrakte en hij kwam langzaam van de kar. Toen hij voor Kaspar stond, zei hij: 'Kom mee.'
Hij leidde Kaspar over een heuveltje naar waar een compagnie soldaten bezig was een enorme greppel te graven, terwijl jongens er hout en emmers olie naartoe droegen. Er zouden geen afzonderlijke brandstapels voor de doden worden opgericht; dit zou een massaverbranding worden.
De doden lagen op een rij aan de andere kant van de greppel. Ze zouden, als alles voorbereid was, op het hout worden gelegd, met olie worden overgoten en met fakkels aangestoken. De man bleef op een derde van de rij staan. Kaspar keek omlaag en zag drie lijken dicht bij elkaar liggen.
'Hij was zo'n goeie jongen,' zei de bagagerneester, zijn stem hees van het schreeuwen, het stof, de hitte van de dag en zijn verstikte emoties. Jorgen lag naast Jojanna, en naast haar lag een man in soldatenkleding. Dat moest Bandamin zijn, want hij leek wel wat op de jongen.
'Hij kwam hier bijna een jaar geleden, op zoek naar zijn vader, en... zijn moeder kwam kort daarna. Hij werkte hard, zonder te klagen, en zijn moeder zorgde voor alle jongens alsof het haar eigen kinderen waren. Als hun vader er kans toe had, was hij bij hen en ze waren een fijn gezin. Midden tussen dit alles' - hij maakte een weids handgebaar om zich heen - 'vonden ze het geluk door gewoon bij elkaar te zijn. Toen...' Hij zweeg even en er welden weer tranen op in zijn ogen. 'Ik had gevraagd of... de vader kon worden ingedeeld bij de bagage. Ik dacht dat ik hun een plezier deed. Ik had nooit verwacht dat de strijd ook de bagage-karavaan zou treffen. Dat is tegen alle oorlogsregels! Ze hebben de jongens en de vrouwen vermoord! Dat hoort niet!'
Kaspar keek een tijdlang op de drie neer, herenigd door het lot en voorbeschikt om samen te sterven, heel ver van huis. Bandamin had een enorme borstwond, misschien van een bijl, maar zijn gezicht was nog gaaf. Hij droeg een tabberd in het blauw-en-geel van Muboya. Het kledingstuk was verkleurd, vuil en hier en daar gescheurd. Kaspar zag de man die Jorgen zou zijn geworden in het gezicht van zijn vader. Hij had het gezicht van een eerlijk man, een hardwerkend man. Kaspar vermoedde dat Bandamin bij leven veel had gelachen. Hij lag met zijn ogen dicht, alsof hij sliep.
Aan Jojanna was niets te zien, dus Kaspar vermoedde dat ze door een pijl of speerpunt in haar rug was geraakt, misschien terwijl ze de jongens wilde beschermen. Jorgens haar zat vol geronnen bloed en zijn hoofd lag in een vreemde hoek. Kaspar voelde enige mate van opluchting omdat het een snelle dood moest zijn geweest en de jongen waarschijnlijk niets had gevoeld. Hij voelde een vreemde, onverwachtse steek van spijt; het kind was nog zo jong.
Kaspar staarde naar de drie, die gewoon een gezin leken dat samen lag te slapen. Hij wist dat de wereld doordraaide en dat niemand behalve hij, en misschien een of twee mensen in het verre noorden, zou malen om het overlijden van Bandamin en zijn gezin. Jorgen, de laatste loot van een obscure familie-stamboom, was dood, en met hem was dat geslacht voor altijd ten einde gekomen.
De bagagemeester keek Kaspar aan alsof hij verwachtte dat hij iets ging zeggen. Kaspar keek nog een tijdje langer neer op de drie doden, drukte toen zijn hielen in de flanken van het paard, draaide de ruin bij en begon aan zijn lange rit naar het noorden.
Terwijl hij van het slagveld weg draafde, voelde Kaspar iets binnen in hem koud en hard worden. Het zou zo gemakkelijk zijn om Okanala te haten omdat hij de regels van de 'beschaafde' oorlogsvoering aan zijn laars had gelapt. Het zou zo gemakkelijk zijn om Muboya te haten omdat hij een man van zijn familie had ingelijfd. Het zou zo gemakkelijk zijn om alles en iedereen te haten. Maar Kaspar wist dat hij door de jaren heen ook bepaalde bevelen had verstrekt waardoor honderden Bandamins van huis waren weggehaald en honderden Jojanna's en Jorgens het zwaar hadden gehad of zelfs waren omgekomen.
Met een zucht die aanvoelde alsof hij van diep uit zijn ziel kwam, vroeg Kaspar zich af of er wel een gelukkig doel was in het leven, iets anders dan leed en uiteindelijk de dood. En zelfs als dat het geval mocht zijn, zou hij op dit moment de grootste moeite hebben om aan te wijzen wat dat dan was.