7

Doodsridder

 

Het zwaard suisde omlaag.

Vijftig gewapende Ruiters van de Sadharin schreeuwden luid en sloegen met hun stalen strijdhandschoenen op hun borstplaten. Het gebulder weerkaatste tegen het gewelfde plafond van de oude stenen Zaal van Beproeving, en de houten banken rondom de arena van zand beefden onder het geweld.  

Heer Arukes enige nog levende zoon keek neer op de man die hij net had gedood, en kreeg een heel vreemde gedachte: Wat zonde. Hij sloot even zijn ogen om zijn gedachten op een rijtje te zetten, en draaide zich toen langzaam om om het gejuich in ontvangst te nemen.  

Valko van de Camareen, die drie ernstige snijwonden en een ontelbaar aantal blauwe plekken en schrammen had, knikte vier keer, één keer naar elke groep ruiters boven hem langs de vier muren. Toen keek hij neer op de strijder die hij had gedood en knikte nog eens; een rituele erkenning van een goed gevecht. Het was op het nippertje geweest.

Valko wierp een snelle blik op de vader van de gesneuvelde strijder en zag dat die weliswaar juichte, maar zonder veel overtuiging. Heer Kesko's tweede zoon lag aan Valko's voeten. Als de jongen had gewonnen, zou Kesko twee levende zonen hebben gehad, die hem veel eer en een hogere rang in de Langradin hadden opgeleverd. Kesko's enige erkende zoon stond naast zijn vader, en zijn vreugde was wel echt; Valko had een mogelijke concurrent die meedong naar de gunsten van zijn vader uit de weg geruimd.  

Valko draaide zich om en zag dat twee lakeien zijn varnin afmaakten. Het was een gecastreerd mannetje dat hij Kodesko had genoemd, naar de woeste branding langs het meest westelijke deel van zijn vaders landgoederen, waar Kaap Sandos uitstak in de Heplanzee. De varnin van zijn tegenstander was tijdens het gevecht doodgegaan, nadat Valko hem een diepe steek had toegebracht en zijn halsslagader had doorgesneden. Die slag had Valko de overwinning bezorgd, want de wankelende varnin had de aandacht van de ruiter een ogenblik afgeleid, en dat was voldoende voor Valko geweest om zijn tegenstander een wond toe te brengen die uiteindelijk de wedstrijd had beslist.  

Een genezer uit de Zaal van Zorgers - een Meester van de Eerste Rang - kwam aangerend met zijn assistenten en begon Valko's wonden te verzorgen. Valko wist dat hij snel het bewustzijn zou verliezen als ze het bloeden niet stelpten, maar hij wilde geen zwakte tonen in het bijzijn van zijn vader en de verzamelde Ruiters van de Sadharin; hij duwde de Zorger opzij en wendde zich naar zijn vader. Hij zette zijn zware, zwartstalen helm af, haalde diep adem en riep: 'Ik ben Valko, zoon van Aruke van het Huis Camareen!' Het kostte hem al zijn kracht om zijn zwaard met zijn rechterarm boven zijn hoofd te heffen, aangezien hij een wond onder zijn schouder had, maar hij redde het om een aanvaardbaar saluut te brengen voordat hij het wapen weer langs zijn zij liet zakken.  

Zijn vader, Heer van de Camareen, stond op en wees naar zijn zoon, en sloeg toen met een gehandschoende vuist op zijn borstplaat. 'Dit is mijn zoon!' riep hij, zo luid dat alle aanwezigen het zouden verstaan.  

Weer brulden de Ruiters goedkeurend - een kort, diep 'Ha!' - en draaiden zich toen als één om en maakten een buiging voor hun gastheer. Valko wist dat enkelen van de meest vertrouwde onder hen zouden blijven om samen met Aruke en zijn huishouding te eten, maar de anderen zouden snel vertrekken naar hun eigen forten om niet onderweg te worden verrast door rivalen of schurken.  

Terwijl zijn gedachten begonnen af te dwalen, concentreerde Valko zich nog lang genoeg om te roepen: 'Heer Kesko. Dit ding kon geen zoon van u zijn!'  

Heer Kesko maakte een buiging als dank voor het compliment van de overwinnaar. Hij zou Kasteel Camareen als eerste verlaten, want hoewel het geen schande was als je potentiële zoon omkwam in een gevecht, was het ook geen reden voor vreugde.  

De Meesterzorger fluisterde: 'Dat was dapper, jonge heer, maar als we niet snel uw wapenrusting afdoen, ligt u straks naast uw slachtoffer op de uitbeentafel.' Zonder op toestemming te wachten, droeg hij zijn assistenten op om snel de gespen van de leren riemen los te maken en Valko's wapenrusting te verwijderen.  

Het ontging Valko niet dat terwijl ze dat deden, de Zorgers hem subtiel ondersteunden zodat hij overeind kon blijven terwijl zijn vader zich langzaam een weg tussen de ruiters door baande, die nog waren gebleven om hem te feliciteren. De jonge strijder was lang voor zijn ras: een halve kop groter dan zijn vader, die zeker zes voet en zes duim lang was. Zijn jonge lichaam was zeer gespierd en zijn armen waren lang, waardoor hij bij het zwaardvechten een dodelijk groot bereik had, waar hij gebruik van had gemaakt tegen de kleinere tegenstander. Hij was volgens de normen van zijn ras een goed uitziende man, want zijn lange neus was recht en niet te breed, en zijn lippen waren vol zonder er vrouwelijk uit te zien.  

Aruke bleef voor hem staan en zei: 'Zestien keer eerder zijn er jongemannen geweest die aanspraak wilden maken op de naam van mijn huis. Jij bent pas de derde die de uitdaging van het zwaard overleeft. De eerste was Jastmon, die omkwam bij de slag om Trikamaga; de tweede was Dusta, die elf jaar geleden omkwam bij de verdediging van dit fort. Het verheugt me je hun broer te noemen.'

Valko keek zijn vader recht in de ogen, een man die hij tot een week geleden nog nooit had gezien. 'Ik eer de herinnering aan hen,' zei Valko.

'We zullen kamers voor je laten voorbereiden, bij die van mij in de buurt,' zei Aruke. 'Vanaf morgen begin je je opleiding als mijn erfgenaam. Rust tot die tijd uit... mijn zoon.'

'Dank je, vader.' Valko keek onderzoekend in het gezicht van de man en zag er niets in wat hem aan zijn eigen gelaatstrekken herinnerde. Valko's gezicht was lang en had nog geen rimpels, was nobel volgens de normen van zijn volk, maar dat van zijn vader was rond en gerimpeld van ouderdom, met een vreemde verzameling vlekken links op zijn voorhoofd. Had zijn moeder misschien tegen hem gelogen?

Het leek wel alsof Aruke zijn gedachten had gelezen, want hij vroeg: 'Wie was je moeder?'

'Narueen, een Bewerkstelliger uit Cisteen, toegewezen aan het domein van heer Bekar.'

Aruke zweeg even, en toen knikte hij. 'Ik herinner me haar nog. Ik heb haar een week gehad toen ik logeerde in het fort van Bekar.' Hij keek neer op Valko, die alleen gekleed was in een lendendoek terwijl de Zorgers zijn wonden schoonmaakten en verbonden. 'Ze had een mager maar toch aangenaam lichaam. Je lengte komt vast van haar familie. Leeft ze nog?'

'Nee, ze is vier jaar geleden gestorven bij een Zuivering.'

Aruke knikte een keer. Beide mannen wisten dat iedereen die nog buiten was bij het eerste teken van een Zuivering, dom en zwak was, en geen groot verlies. Maar Aruke zei: 1ammer. Ze was niet onaardig, en dit huis zou de hand van een vrouw wel kunnen gebruiken. Maar nu je erkend bent, zullen er snel genoeg ambitieuze vaders komen die proberen je hun dochters op te dringen. We zullen zien wat het lot ons brengt.' Hij wendde zich af en voegde er nog aan toe: 'Ga nu rusten. Ik zie je vanavond aan tafel.'  

Valko redde het nog om een lichte buiging te maken toen zijn vader vertrok. Tegen de Meesterzorger zei hij: 'Schiet op. Breng me naar mijn kamer. Ik wil niet flauwvallen waar de bedienden bij zijn.'

'Ja, jonge heer,' antwoordde de Meesterzorger, en gebaarde naar zijn assistenten om de nieuwe jonge heer van de Camareen naar zijn kamers te brengen.

 

Valko werd wakker toen een bediende zachtjes aan zijn dekens trok, omdat hij niet daadwerkelijk de jonge telg van de Camareen durfde aan te raken. 'Wat is er?'  

De bediende maakte een buiging. 'Meester, uw vader vraagt of u onmiddellijk naar hem toe wilt komen.' Hij gebaarde naar een stoel, waar kleding overheen was gehangen. 'Hij verzoekt u deze kleding te dragen, passend bij uw nieuwe rang.'

Valko stapte uit bed en kon een grimas van pijn amper onderdrukken. Hij keek snel of de bediende zijn teken van zwakte had opgemerkt, en zag een lege blik. De man was jong, misschien iets ouder dan Valko's zeventien jaar, maar hij had duidelijk ervaring als bediende in een groot huis. 'Hoe heet je?'  

'Nolun, meester.'

'Ik zal een lijfknecht nodig hebben. Jij voldoet wel.'

Nolun kwijlde bijna toen hij een buiging maakte. 'Ik dank de jonge meester voor de eer, maar de baljuw zal binnenkort een lijfknecht aan u toewijzen, meester.'

'Dat kan me niet schelen,' zei Valko. 'Jij voldoet wel.'

Weer maakte Nolun een buiging. 'U bewijst me eer, meester.'

'Breng me naar de zaal van mijn vader.'

De bediende opende buigend de deur, liet Valko passeren en haastte zich toen voor hem uit om de weg te wijzen naar de hoofdzaal in het fort van zijn vader. Toen Valko hier aankwam en aanspraak maakte op de naam van zijn vader, was hij rechtstreeks naar het 'armetierige' gebracht, de kamers die waren gereserveerd voor machtslozen en anderen met een zodanige rang dat het niet uitmaakte of je hen beledigde: handige kooplieden, Zorgers, artiesten en heel lage familieleden. Die kamers waren weinig meer dan koude cellen, met stromatrassen en een enkele lantaarn.  

Valko miste zijn nieuwe bed nu al, het zachtste waarop hij ooit had geslapen. In de jaren van Schuilgaan had hij maar zelden geslapen op iets beters dan wat hij in het armetierige had aangetroffen.

Toen ze een hoek omgingen, aarzelde Valko. 'Nolun, wacht.'

De bediende draaide zich om naar zijn jonge meester, die voor een groot raam was blijven staan dat uitkeek op de Heplanzee. Voorbij de stad Camareen en de havens glinsterde het water in de nacht, en de energie van het bewegende water veroorzaakte een spel van kleuren over het oppervlak dat de jongen nog nooit eerder had gezien. Zijn moeder had hem naar de bergen gebracht voor het Schuilgaan, en hij had de oceaan alleen gezien op weg naar de stad, overdag. De afmetingen van de zee waren indrukwekkend geweest vanaf de pieken en passen van de Sneeuwwachters, zoals de bergen werden genoemd, maar niets had hem voorbereid op de schoonheid van de zee bij nacht.  

'Wat zijn die kleine uitbarstingen van kleur daar, en daar?' vroeg hij, wijzend met zijn vinger.

'Een vis die shagra wordt genoemd, jonge heer,' antwoordde Nolun. 'Hij springt vanuit de diepte omhoog, al weet niemand precies waarom - misschien wel gewoon voor de lol - en met die sprong verstoort hij het patroon van de oceaan.'

'Het is... indrukwekkend.' Valko had bijna 'prachtig' gezegd, maar zo'n woord was niet bijzonder mannelijk. Hij besefte dat Nolun naar hem keek. De jongeman was meer dan een voet kleiner dan Valko, maar stevig gebouwd, met een borstkas als een ton, een dikke nek en korte, brede vingers aan enorme handen. 'Vecht je?'

'Als het nodig is, jonge heer.'

'Ben je goed?'

Even flitste er iets op in de blik van de bediende, maar toen boog hij zijn hoofd en zei zachtjes: 'Ik leef nog.'

'Ja,' zei Valko grinnikend. 'Inderdaad. Laten we naar mijn vader gaan.'

Toen ze de grote zaal bereikten, brachten twee gewapende wachters de nieuwe erfgenaam van de mantel van Camareen een saluut. Valko negeerde de pijn in zijn arm, schouder en linkerdij en beende door de zaal tot hij voor zijn vader stond. Aruke zat midden aan een lange tafel voor een enorme open haard. 'Ik ben er, vader.'

Aruke gebaarde naar een lege stoel. 'Dit is jouw plek, mijn zoon.'

Valko liep om de tafel heen en keek naar de anderen die al zaten. De meesten waren, aan hun kleding en insignes te zien, ambtenaren. Links van zijn vader zat een heel mooie vrouw; ongetwijfeld zijn huidige favoriet. Volgens de roddels die Valko de vorige dag had opgevangen, was de vorige metgezel van zijn vader verdwenen, bijna zeker naar een Schuilgaan.

Valko herkende twee mannen, hoewel hij hun namen niet kende; het waren Ruiters van de Sadharin, Doodsridders van de Orde, net als zijn vader. Dit zouden zijn vertrouwde bondgenoten zijn, gebonden door gunstige allianties over en weer en door wederzijds vertrouwen, anders zouden ze allang voor de zon in het westen was ondergegaan uit deze zaal vertrokken zijn.  

'Heet onze gasten welkom: heer Valin en heer Sand,' zei Aruke.

'Welkom aan mijn vaders gasten,' zei Valko, en liep achter hen langs naar zijn stoel. Dat geen van beide mannen zich omdraaide om hem te zien langslopen, was ook een teken van vertrouwen. Een bediende trok de grote houten stoel rechts van heer Aruke naar achteren, en Valko ging zitten.  

'Sand en Valin zijn mijn naaste bondgenoten,' zei de Heer van de Camareen. 'Ze zijn twee van de drie pijlers waarop de macht van de Sadharin rust.'

Valko knikte.

Aruke wuifde met zijn hand en bedienden haastten zich naar voren om de tafel vol te laden met de schatten van hun heer. Een hele kapek, met de kop en hoeven er nog aan, werd binnengedragen aan een spit, met knapperend vet op de taaie huid. De twee stevige bedienden die het gewicht ervan droegen, leken het amper aan te kunnen.  

Toen het gebraad op een grote houten schaal voor hem werd geplaatst, sprak Aruke: 'Vanavond is een goede avond. Een zwakkeling is gestorven, en een sterk man heeft overleefd.'

De anderen aan tafel knikten en mompelden instemmend, maar Valko zei niets. Hij ademde langzaam en probeerde geconcentreerd te blijven. Zijn lichaam deed zeer, de wonden bonsden, en zijn hoofd ook. Hij had liever de hele nacht geslapen, maar hij wist dat zijn acties van vanavond en de volgende paar dagen doorslaggevend zouden zijn. Eén misstap kon betekenen dat hij van de kantelen werd gesmeten in plaats van door te gaan naar de Erfceremonie.  

Tijdens de maaltijd voelde Valko iets van zijn kracht terugkeren. Hij nam maar een klein beetje van de uitstekende Tribiaanse wijn, omdat hij zijn verstand erbij wilde houden en niet in slaap wilde vallen aan tafel. Zoals het gesprek nu ging, zou het wel eens een lange avond vol verhalen kunnen worden.  

Hij wist weinig over deze verzameling strijders. Net als de meeste jongemannen, had hij de eerste zeventien jaar van zijn leven in het Schuilgaan doorgebracht. Zijn moeder had zich goed voorbereid, dus hij twijfelde er niet aan dat ze van plan was geweest de zoon van een machtige edele te baren. Zijn onderwijs had ook bewezen dat ze een vrouw met ambitie was, want Valko kon lezen, rekenen en dingen begrijpen die de meeste strijders aan Bewerkstelligers, Zorgers, Bemiddelaars, Venters, Voorzieners en de andere, lagere kasten overlieten. Ze had ervoor gezorgd dat hij verschillende studies had gevolgd: geschiedenis, taal en zelfs de kunsten. Maar op één ding had ze vooral gehamerd: achter de kracht van de zwaardarm lag de kracht van de geest, en om te slagen had je meer nodig dan enkel een blinde gehoorzaamheid aan de instincten van het ras. Zijn aard hield hem voor dat hij geen genade moest tonen ten opzichte van de zwakken, maar zijn moeder had hem geleerd dat zelfs de zwakken hun nut hadden, en dat het enig voordeel kon hebben om de zwaksten te ondersteunen in plaats van te vernietigen. Ze had meer dan eens gezegd dat de tekarana opperheerser van de twaalf werelden was om slechts één reden: zijn voorouders waren slimmer geweest dan die van alle anderen.  

Zijn moeder had hem vele verhalen verteld over de grote feesten die werden gehouden in de grote zaal van heer Bekar, waar ze door Valko's vader was uitgekozen om zijn bed te warmen. Ze had de letter van de wet gehoorzaamd en had aan de bezoekende edele duidelijk gemaakt dat ze in staat was om nakomelingen te baren en dat haar cyclus zich op dat moment op een vruchtbaar punt bevond. Ze had ervoor gezorgd dat minstens drie getuigen haar naam wisten, en was toen naar Arukes slaapkamer gegaan.  

Plotseling was de maaltijd afgelopen, en Valko besefte dat hij had zitten mijmeren. Een snelle blik op zijn vader stelde hem gerust: het was niet opgemerkt. Je gedachten laten afdwalen was gevaarlijk; je kon iets belangrijks missen of voor onoplettend worden versleten.  

Aruke stond op. 'Ik ben verheugd over deze avond.'

Dit was ongeveer het beste dankwoord dat een strijdheer kon uiten zonder zich zwak te tonen. Heer Sand en heer Valin stonden op, knikten naar hun gastheer en zeiden bijna tegelijkertijd: 'Het was me een genoegen om hier te zijn.'  

De zaal was snel verlaten, op Aruke en Valko en een handjevol bedienden na. Toen de heer van de Camareen Nolun aan Valko's zijde zag staan, vroeg hij: 'Eigen je je deze toe?'  

'Ik eigen me deze toe als lijfbediende,' zei Valko.

Het was een heel lichte uitdaging, die kon dienen als smoes voor een gevecht - en Valko wist dat zijn vader sterk was en jaren ervaring had - maar hij ging er terecht van uit dat zijn vader alleen maar de beleefdheden in acht nam; hij zou een overlevende zoon niet ombrengen om zoiets triviaals.

'Dan erken ik je aanspraak,' zei Aruke. 'Kom met me mee, en laat je ding meekomen. Ik wil met je praten over zaken tussen vader en zoon.'

Aruke keek niet om om te zien of hij gehoorzaamd werd; hij nam aan dat Valko hem op de hielen zou volgen toen hij zich omdraaide en van de tafel naar een grote houten deur in de linkerwand liep. De deur was glanzend opgewreven en in het karige licht zag Valko dat hij pulseerde van energie. Het was een duidelijke waarschuwing: deze deur was voorzien van een magische afweer en alleen bepaalde mensen konden hem openen zonder de kans op letsel of de dood.  

De heer van het kasteel legde zijn hand op de deur, die bij zijn aanraking openging. 'Wacht buiten,' droeg hij Nolun op. Hij pakte een fakkel uit een houder aan de muur en leidde Valko door de deur.

Ze kwamen in een korte gang met aan het eind een volgende deur, ook voorzien van een afweer. Aruke opende de tweede deur en zei: 'Het zou dom zijn om die afweren te verhullen, want ze zijn niet bedoeld als valstrikken. Bovendien vragen de bezweringsventers belachelijke prijzen voor dat soort onzin.'

Bij dat woord, bezweringsventers, voelde Valko een bekende knoop in zijn maag. Hij wist dat het zwak was om angsten uit je kindertijd vast te houden, maar verhalen over kwaadaardige bezweringsventers en de mysterieuze zandtovenaars had hij regelmatig gehoord voor het slapengaan. Zijn moeder had hem een gezond wantrouwen ingepeperd ten opzichte van mensen die dingen vanuit de lucht konden oproepen, door bezweringen uit te voeren en hun vingers te bewegen in mystieke patronen.  

De kamer was eenvoudig maar mooi, als hij dat woord veilig kon gebruiken. Schoonheid was altijd iets waar je wantrouwig tegenover moest staan, had zijn moeder verteld. Het verleidde stommelingen ertoe om niet de werkelijke waarde van iets te zien, want schoonheid vond je vaak in waardeloze dingen... of mensen.

Aruke had deze kamer ingericht met twee stoelen en een kast. De stenen vloer was kaal, en er waren geen bontvellen, kleden of dekens om de kamer wat warmte te geven. Maar het was een mooie ruimte: elk stenen facet glansde en wat voor vreemde steensoort het ook was, het weerkaatste het fakkellicht alsof er een schatkist vol gemalen edelstenen op de wanden was aangebracht. Alle voorstelbare tinten in het zichtbare spectrum schoten over het oppervlak in schitterende vlakken van kleur. Het leek wel een buitenaardse energie.

Aruke leek de gedachten van de jongen gelezen te hebben, want hij zette de fakkel in een beugel en zei: 'Deze kamer heeft maar één doel. Hier bewaar ik dat wat ik het meeste koester.' Hij gebaarde Valko naar de stoel die het dichtst bij het enkele raam stond. 'Ik kom hier om na te denken, en de kleuren van de muren... verfrissen me. En soms kom ik hier met anderen, met wie ik een eerlijk gesprek wil hebben.'

'Ik geloof dat ik het begrijp, vader,' zei Valko.

'Ik wil met je spreken over het feit dat ik je vader ben.' Aruke ging achterover zitten en leek zich te ontspannen.

Valko wist dat het een truc kon zijn, een tactiek om hem over te halen tot een vroegtijdige aanval, want het was niet ongehoord dat een pas benoemde erfgenaam probeerde de macht te grijpen. Ergens begreep Valko dat wel: deze man was dan misschien zijn vader, maar tot een paar dagen geleden was hij een volkomen vreemde geweest, een schimmige figuur die hij zich niet kon voorstellen, zelfs niet na de talloze vragen die hij zijn moeder had gesteld.  

Valko wachtte af.

'Het is ons gebruik om kracht boven alles te waarderen,' zei Aruke. Hij leunde voorover. 'We zijn een gewelddadig volk, en we eren geweld en macht boven alles.'

Valko zei niets.

Aruke keek hem aan. Na een tijdje zei hij: 'Ik kan me je moeder nog goed herinneren.'

Valko zweeg nog altijd.

'Heb jij al een vrouw gehad?'

Valko keek zijn vader schattend aan en probeerde te bepalen of hier een correct antwoord mogelijk was. Uiteindelijk zei hij: 'Nee. Mijn Schuilgaan was op een afgelegen...'

'Ik hoef niet te weten waar,' viel zijn vader hem in de rede. 'Geen enkele vader hoort te weten waar zijn overlevende zoon is grootgebracht. Het zou verleidelijk kunnen zijn om zo'n plek weg te vagen bij de volgende Zuivering.' Toen voegde hij er zachtjes aan toe, met iets wat leek op gegrinnik: 'En als het een plek is waar een sterke zoon is opgevoed, dan zou dat... verspilling kunnen zijn.'  

'Even verspillend als het doden van andermans zoon, die slechts met de kleinste marge is verslagen?' liet Valko zich ontvallen.

Arukes gezicht bleef onpeilbaar, maar hij kneep zijn ogen heel licht samen. 'Zo'n vraag grenst aan godslastering.'

'Ik bedoel het niet respectloos ten opzichte van Zijne Duisternis of zijn Orde, vader. Ik vraag me alleen af: stel dat de jongeling die ik vandaag heb gedood een betere strijder was dan iemand die overwon tijdens een andere wedstrijd, in een ander fort binnen de Orde? Is dat geen verspilling van een goed strijder die de Orde had kunnen dienen?'  

'Zijn wegen zijn ondoorgrondelijk,' zei zijn vader ernstig. 'Dergelijke verstrekkende gedachten horen bij de jeugd. Maar je kunt ze beter voor je houden, of er alleen over spreken met degenen die onder het zegel van zwijgen staan: je priester, een Zorger of...' Hij lachte. 'Of een Bewerkstelliger zoals je moeder.'  

Aruke staarde een tijdje uit het raam naar het kolkende oppervlak van de zee in de verte en naar de flonkering van kleuren op de golven. 'Ik heb gehoord dat er een rijk bestaat waar de zon zo helder schijnt dat een strijder zonder bezwering of afweer binnen een paar uur sterft door de felheid en hitte. En dat degenen die daar wonen niet de pracht kunnen zien die wij zo gewoon vinden.' Hij keek zijn zoon aan. 'Ze zien alleen kleuren, maar niet de hoge tint of de lage tint. Ze horen alleen geluidsgolven in de lucht, maar niet het gezoem van de Godsspraak in de hemel of de trilling van het Geheel onder hun voeten.'  

'Ik heb eens een blinde man gezien, die een Zorger diende.'

Aruke spoog en maakte een ritueel handgebaar. 'Alleen in de zorg van zo iemand zul je dergelijke zwakte zien. Het spijt me dat je zoiets moest zien op zo jonge leeftijd.

Zijne Duisternis weet dat de Zorgers hun nut hebben, en ik zou hier nu niet met je zitten te praten als zij me niet verzorgd hadden na de strijd. Maar dat wat zij hebben ... dat zorgen voor zwakken ... ik walg ervan.'

Valko zei niets. Hij voelde geen walging, maar eerder fascinatie. Hij wilde weten waarom de Zorgers zo iemand in leven hielden. Hij had het zijn moeder gevraagd, maar zij had enkel gezegd: 'Ze vinden hem ongetwijfeld nuttig.' Hoe kon een blinde nu nuttig zijn? Hij besefte dat dit weer zo'n 'verstrekkende gedachte' moest zijn waar zijn vader het net over had gehad, en dat hij maar beter zijn mond kon houden.  

Aruke ging achterover zitten. 'Een vrouw. We moeten je er een bezorgen...' peinsde hij. 'Maar niet vanavond. Je hebt je goed gehouden en me trots gemaakt, maar ik heb genoeg strijdwonden gezien om te weten dat je te veel bloed hebt verloren om vannacht nog iets anders te doen dan slapen. Misschien over een dag of twee.  

Je moeder was degene die...' Hij scheen verzonken te raken in zijn gedachten. 'Ze sprak over dingen. Als we naast elkaar lagen na de copulatie, peinsde ze over... allerlei dingen. Ze had een unieke geest.'

Valko knikte. 'Zelfs de andere Bewerkstelligers die ik tijdens mijn Schuilgaan heb ontmoet, leken helemaal niet op haar. Een van hen zei dat mijn moeder dingen zag die er niet waren.' Aruke zette grote ogen op, en Valko wist dat het nu rampzalig mis kon gaan; de kleinste aanwijzing dat zijn moeder de waanzin had, kon zijn vader ertoe aanzetten Valko onmiddellijk ter dood te laten brengen. Hij voegde er snel aan toe: 'Mogelijkheden.'  

Aruke lachte. 'Ze sprak vaak over mogelijkheden.' Hij keek uit het raam. 'Soms was datgene waar ze over sprak bijna... Nou, laten we zeggen dat het niet best zou zijn geweest als een van de Hiërofanten haar had gehoord. Een Zielspriester zou haar hebben vermaand en hebben gezegd dat ze berouw moest tonen, moest bidden dat haar innerlijke duisternis zich weer zou openbaren, maar er waren aspecten aan haar stemmingen en aard die ik. .. aantrekkelijk vond.' Hij keek neer op zijn ineengeslagen handen. 'Ze vroeg zich eens af wat er zou gebeuren als een kind zou opgroeien in het huis van zijn vader.'  

Valko's mond viel open van verbazing, en hij deed hem snel weer dicht. 'Zulke gedachten zijn verboden,' fluisterde hij.

'Ja.' Aruke glimlachte droevig. 'Maar jij weet meer over je moeder dan ik. Van al degenen met wie ik gecopuleerd heb en die voor getuigen hadden verklaard dat ze me een erfgenaam zouden bezorgen, herinner ik me haar... het vaakst.' Hij stond op. 'Ik heb me vaak afgevraagd hoe jij zou zijn, en of je iets van de aard van je moeder zou hebben.'

Valko stond ook op. 'Ik geef toe dat ze me soms aan het denken zette, op vreemde manieren, maar ik ben nooit afgedwaald van Zijn Leer en... ik heb veel genegeerd van wat zij me probeerde bij te brengen.'  

Aruke lachte. 'Net zoals ik mijn moeder negeerde tijdens mijn Schuilgaan.' Hij legde zijn hand op de schouder van zijn zoon, kneep er stevig in en zei: 'Blijf in leven, zoon van me. Ik heb vierenvijftig winters achter me, en hoewel er nog andere zoons zullen verschijnen in de jaren die komen, zullen het er steeds minder worden. En het zou me niet ontstemmen als jij uiteindelijk degene zou zijn die mijn hoofd nam, net zoals ik dat van mijn vader heb genomen. Ik herinner me nog altijd de trots in zijn ogen toen ik mijn zwaard op zijn nek liet neerkomen terwijl hij op het zand van de kuil lag.'

'Ik zal je niet teleurstellen,' zei Valko. 'Maar ik hoop dat die dag nog ver in de toekomst ligt.'

'Ik ook. Maar eerst moet je in leven blijven.'

'Blijf in leven,' herhaalde Valko op bijna rituele toon. 'Zoals Hij het wil.'

'Zoals Hij het wil,' herhaalde Aruke. 'Wat hier wordt besproken, wordt nooit doorverteld. Begrepen?'  

'Begrepen, vader.'

'Laat je nu door je ding naar je kamers begeleiden en ga slapen. Morgenochtend begin je je opleiding om de toekomstige heer van de Camareen te worden.'  

'Goedenacht, vader.'

'Goedenacht, Valko.'

Valko vertrok en Aruke ging weer in zijn stoel zitten. Hij staarde naar de zee en de sterren, gefascineerd door wat hij ervan wist en nieuwsgierig naar wat hij er niet van wist. Hij zag het sterrenlicht door de dichte lucht van Kosridi dringen. Hij dacht aan zijn derde reis naar de Hoofdstad om zijn zoon aan de karana te presenteren, om hem trouw te laten zweren aan de Orde en de tekarana die op een oeroude troon zat, werelden ver weg. Hij dacht aan de derde keer dat hij de Hiërofanten en hun langdurige bezweringen zou moeten doorstaan, als Valko zich wijdde aan Zijne Duisternis en de Weg.

Toen stond Aruke op en pakte een heel oude schriftrol uit de kast. Hij opende hem en las hem langzaam, want hij was nooit erg goed geweest in lezen. Maar hij kende elk woord ervan uit zijn hoofd. Hij las de woorden op de schriftrol twee keer en legde hem weg, en vroeg zich, net als twee keer eerder, af of deze zoon degene in de profetie was.