5
Voorbereiding
Miranda schreeuwde.
'Ben je gek geworden?' riep ze, veel luider dan nodig was in de kleine ruimte.
Magnus keek met verholen amusement naar zijn moeder terwijl ze in de kleine werkkamer zo ver mogelijk van het bureau van haar man weg beende en zich toen met een theatrale frons omdraaide. Ze gaf vaak luidkeels haar mening over zaken die uiteindelijk precies zo werden gedaan als zijn vader het wilde. Maar Puc was door de jaren heen gaan begrijpen dat de vaak opvliegende aard van zijn vrouw nu eenmaal een fysieke uitdrukking van haar frustraties nodig had.
'Ben je helemaal gek geworden?' gilde Miranda nog eens.
'Niet gekker dan jij toen je bijna een halfjaar lang het leger van de Smaragden Koningin schaduwde in Novindus,' zei Puc kalmpjes terwijl hij opstond van zijn bureau.
'Dat was anders!' schreeuwde Miranda, nog niet klaar met haar tirade. 'Er was geen Pantathische slangenpriester die me kon vinden, laat staan uitdagen, en ik ben degene die zich kan verplaatsen zonder Tsuranese bol, weet je nog wel?'
Magnus zag zijn vader zijn mond opendoen om iets te zeggen - waarschijnlijk dat Nakur, Puc en Magnus zich allemaal in die vaardigheid aan het bekwamen waren - maar zich toen bedenken en er het zwijgen toe doen terwijl Miranda verder tierde.
'Je hebt het over een bezoek aan een buitenaardse wereld! Niet alleen een buitenaardse wereld, maar een op een heel ander realiteitsniveau! Wie weet welke krachten je daar hebt, als je die al hebt?' Ze wees naar Puc. je weet niet eens hoe je daar moet komen, en zeg me niet dat je de talnoy op Kelewan gaat gebruiken om daar een scheuring te verankeren. Ik heb genoeg verstand van scheuringen om te weten dat je dan kunt belanden op de bodem van een of andere giftige zee, of midden op een slagveld, of weet ik veel wat voor dodelijke plek! Je gaat er blind naar binnen!'
'Ik ga niet blind naar binnen,' zei Puc, die smekend zijn handen opstak. 'Alsjeblieft, we moeten meer te weten komen over de Dasati.'
'Waarom?' wilde Miranda weten.
'Omdat ik het Orakel heb gesproken.' Hij hoefde zijn vrouw of zoon niet te vertellen over welk orakel hij het had.
Miranda's woede ebde weg toen haar nieuwsgierigheid het won. 'Wat zei ze?'
'Ze komen eraan. Er zijn nu nog te veel onzekerheden en meer kon ze niet zeggen, maar ik ga later naar haar terug, als de tijd nadert. Voorlopig moeten we gewoon meer te weten komen over dat volk.'
'Maar de talnoy in Novindus zijn voorzien van afweren, even roerloos en verstoken van magische aanwezigheid als tijdens de talloze jaren die ze verborgen hebben gelegen,' wierp Miranda tegen. 'Als er een afweer overheen ligt, hoe moeten de Dasati ons dan vinden?'
Puc kon enkel zijn hoofd schudden. 'Dat weet ik niet. Het Orakel heeft het maar zelden mis als ze spreekt over zekerheden.'
Magnus voelde dat dit gesprek tot een ruzie zou leiden en veranderde snel van onderwerp. 'En weer vraag ik, net als vele keren eerder,' zei hij als een geduldige schoolmeester, 'wie heeft ze daar neergelegd?'
Puc wist dat het een retorische vraag was, aangezien ze verschillende theorieën hadden en geen feiten, maar hij bedankte zijn zoon in stilte omdat die een bliksemafleider bood voor de woede van zijn vrouw. Hun eerste ingeving was geweest dat een van de Valheru, een Drakenheerser uit de fabelachtige oudheid, de talnoy met zich mee terug had genomen, maar daar was geen bewijs voor. Tomas, Pucs jeugdvriend, was doordrongen van de herinneringen van een lid van de oude Drakenhorde, en kon zich niet herinneren dat een van zijn broeders van hun gedoemde aanval op de Dasatiwereld was teruggekeerd met ook maar een enkele talnoy als trofee. Ze hadden het te druk gehad om die demonische schepsels ervan te weerhouden hen te vernietigen; verschillende drakenruiters waren gesneuveld tijdens hun uitstapje naar het Dasatirijk. Uiteindelijk was er maar één onontkoombare conclusie.
'Macros.'
Miranda knikte instemmend. Haar vader, Macros de Zwarte, was een agent geweest van de verloren God van de Magie. 'We kunnen geen stap verzetten of we stuiten op een van mijn vaders plannetjes.' Ze sloeg haar armen over elkaar en kreeg een afwezige blik in haar ogen terwijl ze blijkbaar aan iets terugdacht. 'Ik herinner me een keer...' Ze keek naar de vloer en er trokken emoties over haar gezicht die aangaven dat dit een pijnlijke herinnering voor haar was. 'Ik ben vele jaren kwaad op hem geweest omdat hij me in de steek had gelaten...'
Puc knikte meelevend. Hij was bij zijn vrouw geweest toen ze de laatste keer met haar vader herenigd werd, en herinnerde zich haar nauwelijks verholen woede toen ze hem na jaren van vervreemding weer zag. Hij herinnerde zich ook haar verdriet toen hij was opgeslokt door de scheuring die zich rondom hem sloot terwijl hij de Demonenheer Maarg vasthield, en zijn leven opofferde in een wanhopige daad waarmee hij deze wereld redde.
Miranda zette die herinneringen van zich af en vermande zich. 'Maar we zitten weer mooi met de puinhopen, hè?' In haar stem was iets van liefdevolle humor te horen, maar ook wat bitterheid.
Voor zijn moeder weer in een duistere stemming kon komen door zijn grootvader, kwam Magnus tussenbeide. 'We weten dat grootvader zich bezig heeft gehouden met het leggen van afweren rond de Dasatischeuringen voor die ene talnoy die we hebben gevonden, en zijn afweren liggen nog steeds om de andere heen.'
Beide ouders keken hun oudste zoon aan en Miranda zei: 'Dat weten we allemaal, Magnus. Wat wil je daarmee zeggen?'
'Grootvader deed nooit iets zonder reden, en alles wat jullie me over hem hebben verteld, leidt me tot de conclusie dat hij op de een of andere manier wist dat jullie op een dag de talnoy zouden ontdekken. En dat geeft me vervolgens het idee dat hij ook wist dat er een confrontatie met de Dasati zou komen.'
Puc zuchtte. 'Je vader,' zei hij tegen zijn vrouw, 'wist meer over tijdreizen dan wie ook. Alle goden, allemaal samen weten we waarschijnlijk maar een honderdste van wat hij wist; wat hij met Tomas en de oude Valheru Asschen-Sukar deed, zijn vermogen om de tijdval te begrijpen die de Pantathiërs bij de Eeuwige Stad voor ons hadden gezet, en de rest. Ik heb mijn best gedaan om zo veel mogelijk te ontdekken van wat hij heeft gedaan, maar het meeste blijft een mysterie. Op dit punt ben ik het echter met Magnus eens. Hij heeft die dingen in Novindus zo achtergelaten met een reden, en ik denk dat die reden met het Conclaaf te maken heeft.'
Miranda keek niet overtuigd, maar ze zei niets.
'Moeder,' zei Magnus, 'als grootvader niet wilde dat de talnoy werden gevonden, zou hij genoeg magie hebben gebruikt om die grot te begraven onder een berg en zouden ze duizenden jaren niet zijn gevonden. Er is iets heel groots en gevaarlijks gaande daarbuiten.' Hij maakte een weids armgebaar. 'En het gáát komen, wat we ook doen.'
'Wat wij kunnen doen, is proberen de aard van de vijand te begrijpen, zijn gezicht te zien,' zei Puc.
'Nou, ik ben het er nog steeds niet mee eens dat dit een goed plan is,' zei Miranda. 'Maar het is me duidelijk dat jullie vastberaden zijn. Dus hoe stel je voor dat je naar de Dasatiwereld komt, blijft leven en die informatie mee terugneemt, of zijn dat te pietluttige details om je druk over te maken?'
Puc moest wel lachen. 'Nauwelijks pietluttig, lieve. Ik ben van plan om iemand op te zoeken die naar dat rijk is geweest en ons daar misschien naartoe kan gidsen.'
'En waar verwacht je zo iemand te vinden?' wilde Miranda weten. 'Is er wel iemand op deze wereld die de tweede cirkel van de realiteit heeft bezocht?'
'Waarschijnlijk niet,' zei Puc. 'Maar ik ga ook niet zoeken op deze wereld. Ik ben van plan een bezoekje te brengen aan Eerlijke Jan.'
Miranda verstijfde even toen hij het etablissement in het hart van de Galerij der Werelden noemde. Toen knikte ze kort. 'Als er ergens zo iemand te vinden is, zou ik ook daar beginnen met zoeken.'
'Wie gaan er met je mee, vader?' vroeg Magnus.
Puc keek zijn zoon waarschuwend aan, wetend dat dit ongetwijfeld weer zou leiden tot protesten van Miranda, die haar echtgenoot nu nieuwsgierig aankeek. Puc haalde diep adem en zei: 'Jij, Nakur en Bek.'
Miranda ontstak gek genoeg niet in woede. 'Waarom?'
'Magnus omdat hij er klaar voor is en omdat ik iemand nodig heb die even machtig is als ik. Jij moet hier blijven om de zaken van het Conclaaf te behartigen, en naar de Assemblee gaan om te zien hoe ze vorderen met de talnoy.' Hij zweeg even. Toen ze niets zei, vervolgde hij: 'Bek omdat ik... het gevoel heb dat hij belangrijk is, en Nakur omdat hij de enige is die Bek in bedwang kan houden. Bovendien, als iemand ons uit een onmogelijke situatie kan redden, is het Nakur wel.'
'Je hebt het allemaal al uitgestippeld, dus ik neem aan dat het geen zin heeft om erover te blijven ruziën. Ik weet niet eens zeker of je wel een veilige manier kunt vinden om naar het tweede niveau te gaan,' zei Miranda.
'Toch moeten we het proberen.'
'Wanneer vertrek je?'
'Naar de Galerij? Morgen. Ik moet hier nog een paar dingetjes doen voordat ik ga.' Tegen Magnus zei hij: 'Waarom ga je niet kijken hoe het de jongens vergaat in Roldem? En kom dan morgen terug om je schoonzus te laten weten hoe het met haar kinderen gaat.'
Magnus knikte. 'En de talnoy in Novindus?'
Puc bleef bij de deur van zijn werkkamer staan. 'Rosenvar en Jacob zullen er een oogje op houden. Als er iets ongewoons gebeurt, kunnen Nakur of ik hier snel genoeg terug zijn. Het zal wel even duren voor we naar de Dasatiwereld vertrekken. Ik ga nog een kort bezoekje brengen aan Kelewan om te zien of daar enig spoor is van Varens aanwezigheid.'
'Denk je dat hij dom genoeg zou zijn om zich bloot te geven?' vroeg Magnus.
'Hij is een slimme kerel,' zei Puc. 'Briljant, op een zieke manier, maar hij is ook gedreven. Zijn waanzin heeft hem in de loop van de jaren impulsiever gemaakt. De tijd tussen zijn aanvallen wordt steeds korter. Hij zal ofwel daar iets overhaasts doen, of hij komt terug naar Midkemia. Hoe dan ook, uiteindelijk zullen we hem opsporen, en deze keer heeft hij geen gemakkelijke manier om een nieuw lichaam te grijpen.'
'En een moeilijke manier?' vroeg Miranda.
'Hoe bedoel je?'
'Je zei dat er geen gemakkelijke manier was om een nieuw lichaam over te nemen. Dat begrijp ik, aangezien je zijn zielskruik hebt vernietigd, maar hij heeft nog altijd de kennis over hoe hij een ander lichaam binnen moet gaan. Kunnen er geen andere manieren zijn om dat te doen, misschien minder handig maar even effectief?'
'Daar had ik niet aan gedacht,' zei Puc.
Miranda kon een zelfingenomen glimlach nauwelijks onderdrukken.
'Dan moeten we zowel grondig als steels zijn,' zei Puc, die de superieure blik van zijn vrouw negeerde. 'Ik zal wat rondvragen bij minder dan hooggeboren bronnen in Kelewan, terwijl jij kijkt wat je kunt ontdekken in de Assemblee als ik naar de Galerij ga. Vertrouw alleen Alenca.'
'Hoe kan ik wie dan ook vertrouwen?' vroeg Miranda. 'Nadat Varen bezit heeft genomen van de keizer van Kesh, denk ik dat we kunnen aannemen dat hij iedereen op Kelewan wel kan zijn, inclusief hun keizer.'
'Ik denk van niet,' zei Puc. 'Vergeet niet dat hij zijn zielskruik in het riool vlak bij het paleis van de keizer had verstopt. Ik vermoed dat de locatie veel te maken heeft met wie hij kan bereiken. Hoe dan ook denk ik dat hij zonder de kruik gedwongen was de sprong blind te maken en het dichtstbijzijnde lichaam heeft moeten nemen, van wie dat ook was. Aangezien zijn "doodsscheuring" zich op veel manieren hetzelfde gedroeg als een normale scheuring, verwacht ik dat hij op een punt in de buurt van de Assemblee is beland, misschien wel erbinnen. Aangezien hij een geest zonder lichaam was, zouden de gebruikelijke beveiligingen van de Assemblee daar nutteloos tegen zijn; dat is trouwens ook waarom ik denk dat het onwaarschijnlijk is dat hij ooit een hogere geestelijke zou kunnen overnemen op een van beide werelden. Afweren tegen geesten zijn normaal in tempels.'
'Goed dan,' zei Miranda. 'Ik zal met Alenca praten. Nog één vraagje.'
'Ja?' zei Puc, die duidelijk stond te springen om te vertrekken.
'Als je naar Kelewan wilt zonder dat de Assemblee daarvan op de hoogte is, hoe denk je dan door de scheuring te komen zonder te worden opgemerkt?'
Puc glimlachte en er vielen jaren van zijn gezicht af. 'Een truc, zoals Nakur het zou noemen.'
Hij liep de kamer uit en Magnus begon te lachen over de consternatie op het gezicht van zijn moeder.
Miranda keek haar oudere zoon woest aan. 'Dat irritante mannetje heeft hier zo'n slechte invloed!'
Magnus lachte nog harder.
Puc sloop door een zijstraat, zijn gezicht verborgen onder een diepe kap. Baarden waren zeldzaam bij vrije lieden in het Tsuranirijk, en werden meestal alleen gedragen door mannen die op Midkemia waren geboren en een paar rebelse jongelingen. Als je laat op de avond nog op straat liep met gezichtsbeharing, was de kans groot dat je werd aangehouden door de patrouillerende stadswachters. Hoewel zijn rang als lid van de Assemblee van Magiërs betekende dat elke soldaat of drost hem meteen zou gehoorzamen, wilde Puc liever geen aandacht trekken bij zijn clandestiene bezoek.
Het woonhuis dat hij zocht was klein en lag aan een zijstraat in de stad Jamar, in een wijk die slechts een fractie beter was dan de sloppenwijken en het havengebied. De huizen hier waren bescheiden, de witte bepleistering, die traditioneel was voor Tsuranihuizen, werd enigszins schoongehouden, en de straten lagen niet al te vol met afval. Er stond zelfs een straatlantaarn een stukje achter hem.
Puc bereikte het huis dat hij zocht en klopte luid op de houten deur. Binnen klonk een stem. 'Kom binnen, Milamber.' Puc duwde de deur naar het huisje open, amper meer dan een hut met één kamer. 'Gegroet, Sinboya.'
De oude man zat op een biezenmat op de vloer achter een klein, laag tafeltje met een lamp die het vertrek schamel verlichtte. Een hout-oventje in de hoek leverde warmte om te koken; in het rijk werd het maar zelden koud genoeg om je zorgen te maken over het verwarmen van je huis. Een gordijn scheidde een gedeelte van de kamer af voor een slaapvlonder, en een achterdeur leidde naar buiten, waar zich een kleine moestuin en een privaat bevonden.
De oude man aan de tafel was graatmager en leek geen minuut jonger dan zijn ruim tachtig jaar. Zijn vlassige haren waren wit en zijn blauwe ogen bedekt met een witte laag, maar Puc wist dat zijn verstand nog even scherp was als dertig jaar geleden, toen ze elkaar voor het eerst hadden ontmoet.
'Wist je dat ik kwam?' vroeg Puc.
'Ik heb misschien niet jouw wonderbaarlijke krachten, Milamber,' zei hij, nogmaals Pucs Tsuraninaam gebruikend, 'maar ik ben een meester op mijn eigen vakgebied, en mijn afweerbezweringen zijn ongeëvenaard. Ik kan zowel vriend als vijand voelen naderen.' Er stonden twee porseleinen kommen op tafel, en hij schonk er heet water in uit een kostbare metalen pot. 'Chocha?'
'Dank je,' antwoordde Puc.
'Ga toch zitten.'
Puc ging op de vloer zitten en schikte zijn reis kleding, een onopvallend lichtblauw gewaad waarover hij een mantel met kap had aangetrokken.
Het zicht van de oude man was slecht, maar nog altijd goed genoeg om te zien hoe Puc zich kleedde. 'Reis je incognito?'
'Ik wil niet dat anderen van de Assemblee weten dat ik hier ben,' antwoordde Puc.
De getaande tovenaar grinnikte. 'Je hebt een kleurrijke geschiedenis bij de Assemblee. Was je niet ooit zelfs uitgebannen en bestempeld tot verrader van het rijk?'
'Zo extreem is het niet, maar er is een zaak van grote ernst die me in het nadeel stelt bij de Assemblee. Kortom: ik kan geen enkel lid ervan vertrouwen.'
'Wat kan ik voor je doen, oude vriend?'
'Er is in het rijk momenteel een vluchteling van mijn wereld op vrije voeten, een magiër die ongelooflijk sluw en gevaarlijk is, en misschien wel onmogelijk te vinden.'
'Je schetst wel een grimmig beeld,' zei Sinboya. 'Als jij hem niet kunt vinden, moet hij wel heel ongrijpbaar zijn.'
Puc knikte en nam een slok van de warme drank. In de vier jaar die hij bij de Assemblee had doorgebracht om te worden opgeleid tot Grootheid van het rijk, had hij een voorliefde gekregen voor het brouwsel, dat eigenlijk smaakte als een bittere thee uit N ovindus. 'Hij heeft het vermogen om het lichaam van iemand anders over te nemen, en dat is zelfs voor degenen die de gastheer het meest na staan nauwelijks te detecteren.'
'Ah, een bezitter. Ik heb daar wel een en ander over gehoord, maar zoals zo vaak zijn dergelijke vertelsels niet meer dan dat: verhalen zonder kern van waarheid.' Sinboya was een magiër van het Mindere Pad, ongeveer zoals Pucs eerste leermeester Kulgan, een soort magie die Puc met zijn temperament pas begon te liggen toen hij veel verder was in zijn opleiding. Puc was thuis in alle vormen van magie, maar in tegenstelling tot Sinboya was hij geen specialist op dit gebied. 'Ik neem aan dat dit bezoekje niet zozeer draait om het genoegen van mijn gezelschap, maar om een toestel of handigheidje dat ik voor je kan maken?'
'Het spijt me dat ik geen contact met je heb gehouden.'
'Dat geeft niet. Als maar de helft van de geruchten die ik over je hoor waar is, ben je iemand die twee keer zoveel uren in een dag nodig heeft als de rest van ons.'
'Ik heb iets nodig om doodsbezweringen mee te detecteren,' zei Puc.
De oude magiër bleef even zwijgend zitten. 'Dat is verboden, zoals je weet.'
'Ja, dat weet ik, maar sommige mensen worden gedreven door veel meer dan de angst voor ontdekking.'
'De verlokking van de duistere kunsten kan inderdaad sterk zijn. Het animeren en beheersen van de doden, het gebruiken van de levens energie van anderen en het creëren van vals leven, dat zijn allemaal verschrikkingen in de ogen van elke tempel; en in de tijd waarin de Assemblee werd opgericht, vreesden de magiërs mannen die een dergelijk pad volgden.' Hij grinnikte. 'Je zult een Grootheid van de Tsurani dit nooit horen toegeven, maar lieden van mijn "mindere" roeping kunnen angstaanjagende krachtsniveaus bereiken. Het kost tijd om je welk pad dan ook eigen te maken, maar het Hogere Pad is de snellere weg naar macht. Wat weinig mensen weten, is dat het Mindere Pad de langzamere weg is naar grotere macht. Ik kan, als ik genoeg tijd en materiaal heb, toestellen maken waarmee dingen mogelijk zijn die niemand van het Hogere Pad - met jou als mogelijke uitzondering, Milamber - kan dupliceren. Geef me wat ik nodig heb, dan kan ik een kist bouwen die woeste stormen vasthoudt tot hij wordt geopend, of een fluit die duizend dieren tegelijk tot gehoorzaamheid kan dwingen. Er zijn vele dingen die wij van het Mindere Pad kunnen bereiken, maar die vaak over het hoofd worden gezien door de Assemblee.'
Hij zweeg even en vroeg toen: 'Wat moet dit toestel doen?'
'Ik heb iets nodig wat iedere belangrijke manifestatie van doods bezwering detecteert. Alles in orde van grootte van het grijpen van een ziel of het animeren van de doden.'
De oude man zweeg een paar minuten. 'Lastig,' zei hij uiteindelijk. 'Dat zijn subtiele manifestaties: een enkel leven dat wordt gegrepen of een enkel lichaam dat wordt geanimeerd.'
'Maar is het mogelijk?'
Sinboya peinsde. 'Natuurlijk is het mogelijk, maar het zal tijd kosten en ik zal hulp nodig hebben.'
Puc stond op. 'Ik zal binnen een dag iemand contact met je op laten nemen, en hij zal je alles leveren wat je nodig hebt. Bepaal je prijs voor het werk, en er zit ook nog een beloning voor je aan vast. De man die ik zoek, kan wel eens de brenger zijn van het grootste gevaar dat het rijk in zijn lange geschiedenis heeft gekend.'
De oude man grinnikte. 'Met alle respect, mijn vriend, maar er zijn vele grote gevaren in onze geschiedenis geweest.'
Puc boog zich naar hem toe. 'Dit weet ik zeker, want wij van het Hogere Pad bestuderen tijdens onze opleiding de geschiedenis van het rijk. Ik overdrijf niet, Sinboya. Dit kan gaan om het ontketenen van de Zielenvreter.'
De oude man bleef zwijgend zitten toen zijn gast vertrok. De Zielenvreter was een wezen met ongelooflijk veel macht, een van de ontstaans-mythen van de Tsuranireligie. In tempelgeschriften werd voorspeld dat in de laatste dagen, voor de vernietiging van de wereld van Kelewan, een wezen dat de Zielenvreter werd genoemd zou verschijnen om de onwaardigen te oogsten, voordat de goden hun laatste oorlog in de hemelen ontketenden. Toen de deur achter Puc dichtviel, voelde Sinboya plotseling de behoefte om de tempel van de Goede God Chochocan te bezoeken, om een gebed te zeggen en een offer te brengen, een impuls die hij in vijftig jaar niet had gehad.
Terwijl Puc Sinboya's bescheiden huisje verliet, ervoer hij een vreemd, bekend gevoel, een soort déjà vu. Hij weifelde en keek snel om zich heen, maar zag niets vreemds in de duisternis en haastte zich verder.
Hij had een scheuring geopend vanaf een verlaten plek op Tovenaarseiland, naar een plek die hij kende in de buurt van de Stad op de Vlakte, waar bijna een eeuw eerder de oorspronkelijke Tsuranischeuring naar Midkemia was geweest. Daarbij had hij een truc gebruikt die hij jaren daarvoor had geleerd, toen hij naar de Eldar onder de ijskap op de pool van Kelewan ging: hij had zich eenvoudigweg verplaatst via een zichtlijn, een methode die tijdrovend kon zijn, maar wel effectief was.
Hij had zo'n truc niet nodig om terug te keren naar Midkemia, alleen maar een verlaten plek waar hij ongezien kon vertrekken. Hij liep snel over de donkere straat en zocht naar een steegje waarin hij kon verdwijnen.
Om de hoek stapte een gestalte uit de diepe schaduwen en keek toe terwijl Puc uit het zicht verdween. De gedrongen man in de zwarte mantel wachtte even en zuchtte toen. 'Wat deed je in dat huisje, Puc?' mompelde hij binnensmonds. 'Nou, daar kan ik maar beter achter zien te komen, hè?' De man liep doelgericht, met een lange staf die wat van zijn gewicht overnam als hij zijn rechterbeen gebruikte. Hij had een tijdje terug zijn knie bezeerd, en zijn wandelstok bood hem hulp.
Zonder te kloppen duwde hij de deur open en stapte naar binnen.