8
Nieuwe richtlijnen
Puc wachtte af.
Na een tijdje zei de handelaar: 'Nee, maar je zit niet ver bezijden de waarheid.' Hij wenkte Puc naar een tafeltje en twee stoelen waar zowel mensen als hijzelf gemakkelijk konden zitten. Toen hij had plaatsgenomen, vervolgde Vordam: 'Een begrijpelijke misvatting, want wij van de Ipiliac zijn verwant aan de Dasati.' Puc was er niet zeker van of hij de gezichtsuitdrukking van de buitenaardse handelaar kon peilen, maar hij dacht dat hij iets van verrassing op diens gezicht zag. 'Ik moet toegeven dat ik nooit had verwacht dat iemand hier in de herberg ooit zou hebben gehoord van de Dasati, laat staan in staat zou zijn er een te herkennen.'
'Ik heb er een goede beschrijving van gehoord,' zei Puc, die besloot te verzwijgen dat hij het verschil kon voelen tussen de vibraties hier en in de rest van Eerlijke Jan. 'Om redenen waar ik op dit moment niet op in wil gaan, vertel ik liever niet waarom ik informatie nodig heb, alleen dát ik informatie nodig heb.'
'Informatie is altijd een zeer gewaardeerd handelsgoed.' De handelaar verstrengelde zijn vingers en leunde op zeer menselijke wijze naar voren. 'Wat de reden van je verzoek aangaat, dat is jouw zaak, maar ik vind wel dat ik je moet laten weten dat ik gebonden ben aan diverse geloften van privilege betreffende de zaken die ik doe met klanten hier in de Galerij.' Hij knikte kort. 'Dat is essentieel om in zaken te blijven, begrijp je.'
'Wat doe je eigenlijk?'
'Ik vind moeilijk te verkrijgen voorwerpen en andere... dingen: zeldzame artefacten, unieke toestellen, vermiste mensen, informatie. Als je iets goedkoops zoekt, ben ik bijna zeker niet je eerste keus. Als je iets wanhopig graag wilt vinden, ben ik bijna zeker je uiteindelijke keus.' Hij keek Puc aan en de magiër ontdekte dat hij de gezichtsuitdrukkingen van de Ipiliac begon te herkennen. De handelaar was nieuwsgierig.
'Ik heb een gids nodig.'
'Er zijn veel gidsen, zelfs veel goede. Je moet wel een bijzondere gids nodig hebben, dat je bij mij komt. Waar wil je naartoe?'
'Kosridi,' zei Puc.
Puc twijfelde er nu niet aan dat de uitdrukking op Vordams gezicht er een van verbazing was, want de ogen van de handelaar werden groot en zijn mond hing een stukje open.
'Dat kun je niet menen.'
'Jawel.'
Lange tijd nam de handelaar hem schattend op. 'Mag ik vragen hoe je heet?'
'Puc van Midkemia.'
Een langzame hoofdknik. 'Dan is het misschien...' Vordam overwoog zijn woorden en zei toen: 'Misschien is het mogelijk. Je reputatie in de Galerij is gegroeid, jonge magiër.'
Puc glimlachte. Het was al enige jaren geleden dat iemand hem 'jong' had genoemd.
'Ik heb je mentor Macros gekend.'
Puc kneep zijn ogen tot spleetjes. Wat er ook in zijn leven gebeurde, hij vond altijd tekenen dat zijn schoonvader er de hand in had gehad. 'Echt waar?'
'Ja, hij had eens wat zaken met me te doen, enkele eeuwen geleden. Toen jij voor het eerst in de Galerij aankwam, in zijn gezelschap en met twee anderen, is je verschijning niet onopgemerkt gebleven. Tomas van Elvandar heeft nogal wat opschudding veroorzaakt, begrijp je, aangezien hij op het eerste gezicht een teruggekeerde Valheru leek, een potentiële oorzaak van veel leed hij verschillende rassen op vele werelden. De jonge vrouw, hoewel ze in alle opzichten opmerkelijk was, was en is nog altijd een onbekende voor ons.'
Puc dacht niet dat ze onderweg nog iemand anders waren tegengekomen toen ze door de Galerij terug waren gereisd naar Midkemia, nadat ze Macros hadden gered uit de Tuin in de Eeuwige Stad. 'Blijkbaar heb je bijzonder accurate informatiebronnen,' zei Puc. 'Kende je Macros goed?'
De handelaar ging nog wat verder onderuitzitten en legde zijn linkerarm in een ontspannen houding over de rugleuning van zijn stoel. 'Is er wel iemand die dat kan beweren? Ik heb echter nooit meer zo iemand als hij ontmoet.'
Puc besefte dat de handelaar iets achterhield, iets wat hij waarschijnlijk pas zou vertellen als hij er klaar voor was, dus richtte hij zich op de reden van zijn bezoek. 'De gids?'
Even zweeg de handelaar. Toen zei hij: 'Het is heel lastig.'
'Wat is lastig?'
'Voor een wezen van dit niveau om naar het Dasatirijk te reizen.'
'Maar jij bent hier en zegt dat je verwant bent aan de Dasati.'
Vordam knikte, en keek toen naar de deur alsof hij iemand verwachtte. Langzaam zei hij: 'Begrijp wel... grote denkers en filosofen van talloze werelden hebben geworsteld met de aard van de realiteit. Hoe moet je het bestaan verklaren van zoveel werelden, zoveel intelligente rassen, zoveel goden en godinnen en, bovenal, zoveel mysteries?' Hij keek Puc recht in de ogen. 'Jij bent geen man die ik de aard van nieuwsgierigheid hoef uit te leggen. Dus ik twijfel er niet aan dat je vaak over deze en andere lastige vraagstukken hebt nagedacht.'
'Inderdaad.'
'Zie alles, en dan bedoel ik echt álles, als een ui. Elke laag die je afpelt, onthult een volgende laag eronder. Of als je vanuit het midden kon beginnen, zou elke laag bedekt zijn met een volgende laag. Alleen is het geen bol, dit "alles", maar, nou ja... álles.
Ik weet dat je een scherpzinnig man bent, Puc van Midkemia, dus vergeef me als ik klink als een saaie leermeester, maar er zijn dingen die je móét begrijpen voordat je een reis naar het Dasatirijk zelfs maar overweegt. Boven en onder dit universum dat wij bewonen, bestaan discrete realiteiten, waar we alleen indirect kennis van hebben. Veel van wat we weten is gefilterd door mystiek en geloof, maar de meeste wetenschappers, theologen en f1losofen houden het erop dat er andere dimensies zijn, de zeven hogere en lagere niveaus.'
'De Zeven Hellen en de Zeven Hemelen?'
'Zo noemen veel rassen ze,' antwoordde Vordam. 'Er zijn er waarschijnlijk nog veel meer, maar tegen de tijd dat je het zevende niveau van de Hemel of de Hel bereikt, zijn daar voorbij geen referentiekaders meer die... wel, die voldoende begrijpelijk zijn. De Zevende Hemel moet een zo genadig, vreugdevol rijk zijn, dat sterfelijke geesten het concept ervan niet eens kunnen bevatten. De Zesde Hemel wordt bevolkt door wezens die zo stralend en mooi zijn dat we van verwondering en vreugde zouden sterven, overstelpt door gelukzaligheid, als we zelfs maar bij ze in de buurt zouden komen.
Volgens sommige verslagen,' zei Vordam, 'heb jij te maken gehad met demonen uit de Vijfde Cirkel, de Vijfde Hel.'
'Eén ervan,' zei Puc grimmig. 'Het kostte me bijna mijn leven.'
'De Vijfde Hemel is het tegenovergestelde daarvan. Die wezens houden zich bezig met zaken die wij niet kunnen bevatten, maar ze wensen ons geen kwaad toe. Het is desalniettemin toch extreem gevaarlijk om ze te zien, omdat hun bestaanstoestand zo intens is.' Hij zweeg even. 'Voorbij de zogenoemde Sferen, of Niveaus, ligt de Leegte.'
'Waarin de drochten vertoeven,' merkte Puc op.
'Aha,' zei Vordam. 'Je reputatie is niet overdreven.'
'Ik heb te maken gehad met de drochten.'
'En je kunt het navertellen. Mijn respect voor je vaardigheden neemt steeds meer toe. De drochten zijn een gruwel voor zowel de Hemelen als de Hellen, aangezien de Leegte hen omringt !en hen zou opslokken als dat kon.'
'Je spreekt alsof de Leegte bewustzijn heeft.'
'Is dat niet zo, dan?' vroeg Vordam retorisch. 'Direct boven ons, bij wijze van spreken, is de Eerste Hemel, net zoals de Eerste Hel zich zeg maar direct onder ons bevindt.' Hij keek Puc in de ogen. 'En om misverstanden te voorkomen, Puc: dat is waar je naartoe wilt reizen. Dat is het Dasatirijk waar je het over hebt. Je vraagt om een gids die je naar de Hel moet brengen.'
Puc knikte. 'Ik geloof dat ik het begrijp.' Op zijn gezicht was een mengeling van nieuwsgierigheid en bezorgdheid te zien. 'In abstracte zin tenminste.'
'Laat me je dan een wat minder abstract beeld geven. Je kunt de lucht daar niet lang ademen of het water drinken. De lucht is een soort bijtend gas en het water lijkt op zuur. Dat is een analogie, hoewel de waarheid waarschijnlijk veel subtieler is, want hun lucht is misschien niet bijtend en hun water niet zuur.'
'Dat begrijp ik niet,' gaf Puc toe.
'Denk aan water dat de heuvel afstroomt. Hoe hoger we door de niveaus opklimmen, van de laagste hel tot de hoogste hemel... hoe feller, heter en sterker alle energie, licht, warmte en magie worden; en dus vloeien alle energieën omlaag van het hoogste naar het laagste. De lucht en het water op Kosridi zouden letterlijk alle energie uit je lichaam opslorpen: je zou als een handvol stro zijn die op een smeulend vuur wordt gegooid. Het zou een tijdje fel branden, dan doven.
De inwoners van dat rijk hebben het even moeilijk in jouw wereld, hoewel hun problemen anders zouden zijn; ze zouden aanvankelijk verheugd alle rijkdom van de omringende energie in zich opnemen. Na een tijdje zouden ze echter gaan lijken op mensen die te veel hebben gedronken en gegeten, en overstelpt worden door dronkenschap en vraatzucht, nauwelijks in staat zich te bewegen tot ze van de overdaad zouden sterven.'
'Hoe kun jij, als je verwant bent aan de Dasati, dan hier in de Galerij leven?'
'Voor ik dat uitleg, lijkt het me beter dat je de metgezellen uitzoekt die je mee wilt nemen, en dan samen met hen hier terugkeert.'
'Metgezellen?' vroeg Puc.
'Je bent misschien bereid om naar de Dasatiwereld te gaan, maar alleen een gek zou daar in zijn eentje naartoe gaan.' De handelaar keek Puc aan met een blik die hij alleen kon omschrijven als berekenend. 'Ik stel een kleine groep voor, maar wel een sterke.' Hij stond op. 'Ik leg de rest van dit alles uit zodra zij er zijn. Terwijl je weg bent, zal ik op zoek gaan naar een gids, die jullie ook zal onderwijzen.'
'Onderwijzen?' vroeg Puc.
Met een glimlach - een uitdrukking die een ander zou aanzien voor een angstaanjagende grimas - zei Vordam: 'Kom hier over een week volgens jouw kalender terug, dan is alles gereed voor jullie instructie.'
'Wat voor instructie, vader?' vroeg Valko.
Aruke ging achterover zitten in zijn stoel. Ze waren weer in de kamer waar hij zijn zoon mee naartoe had genomen na hun eerste maaltijd samen. 'Er is een plek, die wordt onderhouden door het rijk, waar we onze zonen opleiden.'
'Opleiden? Ik dacht dat jij me zou opleiden,' zei Valko, die liever bij het raam bleef staan dan tegenover zijn vader te gaan zitten. 'Je bent een uitstekend strijder, iemand die al zevenentwintig winters over zijn huis regeert.'
'Er komt meer bij regeren kijken dan het vermogen om koppen af te hakken, mijn zoon.'
'Ik begrijp het niet.'
Aruke had twee kruiken wijn meegebracht naar de kamer. Die van Valko stond onaangeroerd op de vloer naast zijn stoel. De heer van de Camareen dronk uit de zijne. 'Ik herinner me nog hoe ik uit mijn Schuilgaan kwam. Ik was in het nadeel vergeleken bij jou, want mijn moeder was niet zo slim als die van jou. Ik... kon vechten - niemand overleeft het Schuilgaan zonder dat te kunnen. Maar de vaardigheid om iemand neer te knuppelen en te pakken wat je nodig hebt, is er maar een deel van.' Hij keek zijn zoon onderzoekend aan. In de paar dagen dat hij hier nu woonde, had Aruke een gevoel van plezierige verwachting ontwikkeld als hij de jongen zag. Ze waren twee dagen geleden zelfs op jacht gegaan en hij had ontdekt dat de jongen vaardig was, al was hij wat ongepolijst. Maar hij had zonder angst tegenover een aanvallend tugashzwijn gestaan die zijn zeug en jongen verdedigde, en had het dier onthoofd met een snelle houw; Aruke had toen een vreemd idee gekregen: dat als het beest Valko had gedood, hij dat als een verlies zou hebben gevoeld. Hij vroeg zich af waar die buitenissige emotie vandaan was gekomen, en of het een teken van die zwakte was die met de jaren kwam: sentiment.
'Die plek noemen we een school. Het is niet ver hier vandaan, zodat je af en toe nog op bezoek zult kunnen komen. Het is een plek waar Voorzieners en Bewerkstelligers je de dingen leren die je moet weten voor later, als je mijn hoofd neemt en na mij regeert.'
'Dat duurt nog jaren, vader, en ik hoop dat je het op dat moment zult verwelkomen.'
'Als je me zwakte bespaart en bewijst dat mijn geslacht sterk is, dan is dat alles wat ik me wensen kan, mijn zoon.'
'Maar wat leer ik daar dan?'
'Ten eerste het vermogen om te leren. Het is een moeilijk concept: urenlang zitten luisteren naar Bewerkstelligers en kijken naar Voorzieners, kan de geest verdoven. Ten tweede om je strijdvaardigheden aan te scherpen. Ik weet nog hoe ik het als kind heb geleerd, aanvankelijk met houten stokken, vechtend tegen de andere jongens in het Schuilgaan. Daarna de nachtelijke uitstapjes naar een naburig dorp om te stelen wat we nodig hadden, en uiteindelijk de ruilhandel met Voorzieners voor genoeg goud om een wapenrusting te kopen bij een venter.' Hij zuchtte. 'Het lijkt zo lang geleden.
Maar hoe vaak je ook worstelt met oudere jongens, zelfs je overwinning op Kesko's zoon, het betekent alleen dat je een vaardig strijder bent. Je hebt een ongepolijst talent, maar het moet verfijnd worden voordat je geschikt bent om te rijden met de Sadharin.' Aruke ging achterover zitten, nam een slok wijn en voegde eraan toe: 'En, hoe onplezierig het ook klinkt, een heerser moet weten hoe hij moet omgaan met de Minderen.'
'Met ze omgaan? Dat begrijp ik niet. Je pakt wat je nodig hebt, en anders vermoord je ze.'
'Zo simpel is het niet. De Bewerkstelligers zullen je leren hoe complex het leven kan zijn. Maar maak je geen zorgen; je lijkt me intelligent genoeg om het te begrijpen. En de Voorzieners zullen je laten zien hoe je moet toepassen wat de Bewerkstelligers je hebben geleerd.'
'Wanneer ga ik naar die school, vader?'
'Morgen. Je vertrekt onder volledig geleide, zoals past bij de erfgenaam van de Camareen. Ga nu en laat me nadenken.'
Valko stond op en liet zijn onaangeroerde wijn bij de stoel staan. Toen de deur dichtging, vroeg Aruke zich af of de jongen op de een of andere manier had geraden dat de wijn vergiftigd was, of dat hij gewoon geen dorst had gehad. Hij zou hem natuurlijk nooit zo vroeg in zijn opleiding hebben laten sterven, maar een beetje afgrijselijke pijn was een goede manier om aandacht te trekken, en bovendien was er een Zorger in de buurt om het tegengif toe te dienen.
Toen de deur achter hem dichtviel, glimlachte Valko lichtjes. Hij wist dat zijn vader zich op dit moment zou afvragen of hij had geweten dat de wijn vergiftigd was. Zijn glimlach werd breder. Morgen begon de serieuze scholing waar zijn moeder hem over had verteld. Hij keek uit naar de dag dat hij haar kon laten halen en haar kon vertellen dat alles wat ze hem had geleerd niet voor niets was geweest. Wat ze hem over zijn vader had verteld, was waar geweest, en wat ze hem over school had verteld, zou zeker ook waar zijn. Misschien zou ze hem dan ook vertellen waarom ze hem tegen Aruke liet liegen over haar dood. Hij zette die gedachte van zich af en dacht in plaats daarvan aan haar afscheidswoorden: Zorg dat ze je altijd onderschatten. Laat ze maar denken dat ze slimmer zijn dan jij. Dat wordt hun ondergang.
'Instructie?' vroeg Jommy. 'Waarom?'
'Dáárom,' antwoordde Caleb, die net was teruggekeerd van Tovenaarseiland.
'Puc zegt dat jullie het nodig hebben,' voegde Claudius Haviks eraan toe.
Tad en Zane keken elkaar aan. Ze wisten dat Jommy in een opstandige bui was en als dat zo was, was hij koppig als een ezel waarvan de hoeven aan de vloer vast waren gespijkerd. De jongens hadden lange tijd in de stad geleefd, en ze waren allemaal opgetogen geweest over de afleiding en het vermaak dat Opardum bood, de hoofdstad van het hertogdom Olasko, nu onderdeel van het koninkrijk Roldem.
Ze zaten in de verlaten eetzaal van het Rivierhuis, het restaurant dat Claudius had geopend nadat hij was teruggekeerd naar Opardum. De onderneming was zo succesvol-mensen wachtten uren op een tafel- dat hij gedwongen was geweest om uit te breiden. Hij had net het gebouw ernaast gekocht, waardoor hij uiteindelijk anderhalf keer zoveel gasten zou kunnen ontvangen. Lucien, die Claus' persoonlijke kok in Roldem was geweest voordat hij zich bij Claus aansloot in Opardum, had besloten dat hij zichzelf chef wilde noemen, een Bas-Tyraans woord voor een meesterkok. Hij en zijn vrouw Magary waren beroemd in heel Olasko. De jongens werkten als afwassers in de keuken en hielpen af en toe in de bediening. Het beste aan het werk was het eten: er waren allerlei heerlijke gerechten, en aan het einde van de dag hield Magary vaak wat bijzondere desserts of andere lekkernijen voor hen apart, die jongens van hun stand normaal nooit zouden proeven.
De jongens waren Claudius gaan zien als een soort oom; de oom die je leuke dingen liet doen die je van je vader niet mocht. Maar hun stiefvader, Caleb, was de vorige avond aangekomen nadat hij een paar weken alleen had doorgebracht met de moeder van Tad en Zane, en nog een week waarin hij iets voor zijn vader moest doen.
En de jongen die een soort van neef voor hem was geworden, zat er rustig bij en probeerde zijn naam niet waar te maken. Lachende Ogen Haviks, een bijzonder voorlijke zevenjarige, faalde er jammerlijk in zijn pret te onderdrukken. De jongen was vernoemd naar zijn grootvader en was de oudste van Haviks' twee kinderen. Zijn tweede kind was een prachtig pasgeboren meisje dat Zonsondergang op de Pieken heette.
Jommy keek de jongen duister aan, en dat deed de balans doorslaan: Lachende Ogen kon zijn vermaak niet langer verbergen. 'Wat is er zo grappig, Lachie?' vroeg Jommy.
'Je gaat naar school!' Lachende Ogen schaterde het uit. Hij had zijn moeders rossige haar en de trekken van zijn vader, en zijn ogen glinsterden vals terwijl hij naar Jommy grijnsde.
Uiteindelijk stak Tad zijn hand op. 'Het is misschien een stomme vraag, maar wat is school voor iets?'
'Stomme vragen bestaan niet,' antwoordde Caleb. 'Géén vragen stellen is pas stom. Een school is een plek waar studenten naartoe gaan om te leren van een leermeester. Zie het maar als een leermeester die een heleboel meisjes en jongens tegelijk onderwijst.'
'Ah,' zei Zane, alsof hij het begreep. Wat duidelijk niet het geval was.
'In Roldem hebben ze ook scholen,' zei Claus. 'Een heleboel, meestal onder leiding van de verschillende gilden. Het is anders dan in het Koninkrijk of Kesh of hier in Opardum.' Hij keek naar Jommy en voegde eraan toe: 'En heel anders dan wat jij hebt gezien daar in Novindus.'
'We hebben heus wel scholen waar ik vandaan kom,' zei Jommy met iets van opstandigheid in zijn stem, wat duidelijk maakte dat hij nog nooit van zijn leven van een school had gehoord. 'Ik heb er alleen nog nooit een gezien, dat is alles.'
Sinds ze in het Rivierhuis waren aangekomen, hadden ze hun tijd gelijkelijk verdeeld met hard werken, wat niemand van hen erg vond, en ontspanning. In de tijd dat de drie jongens nu bij elkaar waren, had er zich een broederlijke band tussen hen gevormd, waardoor ze constant op het randje van de problemen zaten. Als ze taken voor het Conclaaf uitvoerden, was dat meestal onder leiding van hun stiefvader of een van Pucs agenten. Maar als ze aan zichzelf werden overgelaten, had het gebrek aan toezicht meteen gevolgen. Meer dan eens had Claus voor hen moeten bemiddelen bij stadsambtenaars.
'Het zal goed voor jullie zijn,' zei Caleb. 'Claus vertelde me dat jullie plattelandsjongens wat te veel problemen tegenkomen in de stad. Dus vanaf morgen werken jullie niet langer hier, maar zijn jullie studenten aan de Universiteit van Roldem. We zorgen er wel voor dat het tuig en die meiden waar jullie mee omgaan denken dat jullie per schip vertrekken, maar later vanavond zal Magnus jullie naar Roldem brengen, zodat ze daar denken dat jullie voor zonsopgang op een schip zijn aangekomen.'
'Roldem!' zei Tad, plotseling enthousiast. Claudius had gezegd dat het de meest beschaafde stad ter wereld was, en aangezien hij hen de laatste maand had onderwezen, was zijn mening erg belangrijk voor de jongens.
'Ik dacht dat je zei dat we naar een school gingen,' zei Jommy, die zijn verwarring nu niet meer onder stoelen of banken stak.
Claus lachte. 'Het is ook een school. Het is een school waar ze proberen alles te bestuderen, vandaar de naam. Je zult leren naast de zoons van de adel van Roldem en leerlingen uit andere landen rondom de Koninkrijkszee.'
'Zoons?' vroeg Tad. 'Geen dochters?'
Claus schudde meelevend zijn hoofd.
'Vaders idee over onderwijs aan vrouwen is... apart, misschien wel uniek,' zei Caleb. 'Nee, jullie worden ondergebracht tussen jongens, de meesten een paar jaar jonger dan jullie, maar ook enkelen van jullie leeftijd.'
'Ondergebracht?'
'Ja, jullie wonen aan de universiteit samen met andere studenten, onder toezicht van de monniken.'
'Monniken?' vroeg Zane, en zijn toon gaf aan wat de anderen met hun gezicht uitdrukten. 'Welke monniken?'
Haviks deed alsof hij moest hoesten om zijn lach te verbergen. 'Nou, de Broeders van La-Timsa.'
'La-Timsa!' schreeuwde Tad. 'Die zijn...'
'Streng?' stelde Caleb voor.
'Ja, dat zijn ze,' vond ook Claudius.
'Heel streng,' antwoordde Caleb met een blik op zijn vriend.
'Volgens sommige mensen misschien een beetje te streng, hoewel ik nog nooit heb gehoord dat er een student is doodgegaan aan te veel discipline,' zei Claus.
'Ze drinken niks anders dan water,' jammerde Zane. 'Ze eten donker brood en harde kaas en ... ze kóken hun rundvlees.' Hij wierp een verlangende blik op de keukendeur.
'Wie is La-Timsa?' vroeg Jommy. 'Ik raak in de war van al die verschillende namen.'
'Ik weet niet welke naam ze in Novindus gebruiken ... ' zei Claus. Hij keek Caleb aan en haalde zijn schouders op.
'Durga,' zei Caleb.
'Durga!' schreeuwde Jommy. 'Die zijn celibatair! Ze slaan elkaar met stokken, als boetedoening! Ze leggen zwijggeloften af die jaren duren! Ze zijn celibatair!'
Claus barstte in lachen uit, en zijn zoontje gierde met hem mee.
'Pak alles wat je denkt nodig te hebben in, en dan hebben jullie nog een uur om de deur uit te gaan en afscheid te nemen van jullie vrienden,' zei Caleb, die met de anderen mee lachte. Toen werd hij serieus. 'Ik zeg dit nu maar, voor de duidelijkheid. Er komt een dag dat jullie staan waar Claudius en ik nu staan, in het hart van het Conclaaf. Jullie worden geen soldaten, maar generaals. Daarom gaan jullie.'
Hij vertrok, en de jongens keken elkaar met een gelaten blik aan. Na een tijdje zei Tad: 'Nou ja, het is wél Roldem.'
'En ze kunnen ons toch niet constant in die universiteit opgesloten houden?' vroeg Zane.
Jommy's lege ogen lichtten plotseling op, en hij grijnsde. 'Nou, ze kunnen het proberen, toch?' Hij sloeg Tad op zijn schouder. 'Kom mee, we moeten onze spullen pakken, en er is nog een meisje van wie ik afscheid wil nemen.'
'Shera?' vroeg Zane.
'Nee,' zei Jommy.
'Ruth,' opperde Tad.
'Nee.' Jommy liep in de richting van de keuken, waarachter hun kamers en spullen lagen.
'Milandra?'
'Nee,' zei Jommy terwijl hij de deur doorliep.
Zane greep Tads arm. 'Hoe doet hij dat toch?'
'Weet ik niet,' zei zijn pleegbroer, 'maar het houdt wel op als we in Roldem zijn.'
Zane zuchtte. 'Ik mis Opardum nu al.'
Tad opende de deur en merkte droog op: 'Je bedoelt dat je het eten mist.'