15

De witte

 

Valko stak zijn zwaard in de lucht.

Vanaf de borstwering van het familiekasteel verderop beantwoorde zijn vader zijn saluut en verwelkomde een overlevende zoon terug van zijn opleiding. Hirea reed naast Valko. Nu de opleiding voltooid was, had hij eenvoudig aan de zoon van de Camareen meegedeeld dat hij met hem mee zou reizen naar het landgoed van zijn vader, en dan door zou rijden naar zijn eigen huis in Talidan, een dorp dat dichter bij de bergen in het oosten lag. Op gepaste afstand achter hen reden Hirea's twee assistenten. Tijdens hun rit samen had Hirea gezegd: 'Het is tijd voor klare taal, jonge Valko.'  

'Dat gesprek waar je het die middag op het oefenterrein over had,' zei de jonge strijder, 'dat gesprek waar ik tevergeefs op heb gewacht?'

'Dat is de aard van de tijd en de omstandigheden,' antwoordde de oude leermeester. 'Ik heb weinig te zeggen, en je vader zal je uitgebreider inlichten. Laat me je voorlopig vertellen dat je moeder dingen voor je verborgen heeft gehouden om te voorkomen dat je haar of jezelf zou verraden. Ik heb haar ontmoet, en ze is een opmerkelijke vrouw. Dit is wat je moet weten: alles wat je moeder je heeft geleerd, is waar; alles wat je hebt gezien sinds je uit het Schuilgaan kwam, is vals.'  

Valko draaide abrupt zijn hoofd om en staarde de oude man aan. 'Wat...?'

'De bloeddorst die we soms voelen, de neiging om jongelingen te doden, dat is allemaal vals. Dat alles is ons opgedrongen, maar het is niet het ware gebruik van de Dasati.'

Valko's mond hing open. Geen wonder dat de oude strijder hem dit niet in het openbaar kon vertellen. Zijn hart ging tekeer.

'Je vader zal je binnenkort meer vertellen. Spreek met niemand over wat ik heb gezegd, en stel me geen vragen,' zei de oude leermeester. 'Hier scheiden onze wegen, maar geloof me als ik je zeg dat de komende dag cruciaal is voor je overleven. Als we elkaar weer ontmoeten, zul je begrijpen waarom ik zo vaag ben geweest.' Hij wuifde een keer naar het kasteel in de verte, een saluut aan Valko's vader, draaide toen zijn varnin van de weg naar het kasteel af en wenkte zijn twee assistenten hem te volgen, zodat Valko alleen achterbleef.  

Valko keek hen onthutst na. Hij dacht aan de onheilspellende dingen die Hirea had gezegd, De komende dag is cruciaal voor je overleven, en vroeg zich af wat dat betekende. Een terugkerende zoon, beproefd en geheel opgeleid, kon zeker gevaarlijk zijn voor zijn vader, en Valko was waarschijnlijk een gevaarlijker tegenstander dan zijn vader in jaren tegenover zich had gehad, maar hij wist ook dat zijn vader waarschijnlijk de gevaarlijkste vijand was die hij in de nabije toekomst zou hebben. Hirea was dan misschien een goede leermeester, maar zijn hoogtijdagen waren voorbij; Aruke daarentegen was nog steeds een zwaardvechter die respect afdwong.  

Valko reed rustig verder, omdat hij niet te gretig wilde lijken. Hij bereikte de ingang van het kasteel en zag dat beide poorten wijd open waren gezet voor zijn terugkeer. Hij waardeerde het gebaar. Meestal werd er maar één deur opengedaan voor een enkele ruiter.

Op het binnenplein van het kasteel zag hij zijn vader op het balkon staan en op hem neerkijken. Een Mindere, de opziener van zijn vader, naderde met neergeslagen ogen en zei: 'Meester Valko, uw vader wil graag dat u zich terugtrekt om te rusten. Hij ontvangt u in zijn privévertrek nadat u hebt gegeten.'

Valko steeg af en vroeg: 'Eet ik vanavond niet samen met hem?'

'Nee, meester,' zei de man met een lichte grimas, alsof hij straf verwachtte omdat hij mogelijk slecht nieuws bracht. 'Hij heeft andere verplichtingen, maar wil u graag zien zodra de omstandigheden dat toelaten. Er zal voedsel naar uw kamer worden gebracht.'

Valko besloot de bediende er niet verder mee lastig te vallen. Hij had geen zin om alleen te eten: door zijn tijd samen met de andere negen strijders in opleiding was hij prijs gaan stellen op gezelschap, iets wat hij het grootste deel van zijn jeugd niet had gehad.

Hij liet de Minderen zijn rijdier meenemen en liep langzaam het kasteel van zijn vader in. Net als bij alles wat Dasati was, was aan de architectuurstijl te zien dat groter hier sterker betekende. Hij besefte dat er jarenlang was bijgebouwd en dat de buitenmuur was verbreed om extra woningen voor assistenten en Minderen te creëren, en onderkomens voor de andere ruiters van de Sadharin als die hier waren, waardoor er nu een moeilijk te verdedigen positie was ontstaan. Toen hij door de grote dubbele deuren liep die het plein beneden domineerden, besefte hij dat hij minstens drie goede plannen kon verzinnen om zijn vaders landgoed te bestormen of belegeren.  

Zodra hij hier regeerde, zou hij het tot zijn eerste taak maken om die onvolkomenheden en tekortkomingen in het ontwerp te corrigeren.

Valko liep door de enorme gangen en overal zag hij niets dan traditionele zaken: hoge, onelegante pilaren, gladde muren met precies passende stenen zonder schutsbressen die zich uitstrekten zover het oog reikte, wat betekende dat er vele blinde plekken langs de muren waren. Het zou geenszins makkelijk zijn om dit oude kasteel te veroveren, maar het was verre van onmogelijk. Terwijl hij de trap naar de familiekamers beklom, besloot hij dat het het beste zou zijn om gewoon meer wachtposten en uitkijkposten op strategische plekken op de muren te stationeren.  

Valko kwam bij zijn eigen vertrekken aan en vroeg zich af of elke zoon het kasteel van zijn vader zag als zowel een toevluchtsoord als een buit die hij moest zien te bemachtigen. Hij duwde de deur open en zag dat zijn vader zijn kamers opnieuw had laten inrichten. Het eenvoudige bed waar hij de vorige keer in had geslapen, was vervangen door een groot bed, vol gestapeld met bontvellen, dat de kamer domineerde. Waar een eenvoudige kast had gestaan voor zijn wapenrusting, stonden nu een sierlijk bewerkte zwarthouten kist en een pop waarop hij zijn wapenrusting kon hangen. Felgekleurde kleden hingen aan de muren om voor warmte voor het lichaam en het oog te zorgen.  

Minderen haastten zich om de jonge strijder te helpen zijn wapenrusting af te leggen, en anderen droegen een groot bad naar binnen. Hij trok snel zijn wapenrusting uit toen hij besefte dat hij spierpijn had, moe was en behoefte had aan een bad.

Toen hij zich in het warme water had laten zakken, begonnen bedienden meteen zoet geurende oliën in zijn haren te wrijven en zijn lichaam te wassen met zachte doeken. Valko was nog nooit van zijn leven zo behandeld en wist niet goed hoe hij moest reageren.  

Nadat hij in bad was geweest, kon hij kiezen uit vele prachtige badmantels, en hij koos een donkerblauwe met witte biezen en abstracte vormen in gouddraad die hij heel mooi vond.  

De badkuip werd naar buiten gedragen, waarop vier andere mannelijke Minderen een grote tafel binnendroegen met een keur aan voedsel, wijn en bier erop.

Valko was uitgehongerd na de lange rit en viel er meteen op aan. Terwijl hij at, trokken de bedienden zich terug, op eentje na: een jonge vrouw die opmerkelijk mooi was en die zwijgend en geduldig toekeek. Na een tijdje zei ze zachtjes: 'Ik ben hier voor het genoegen van de jonge heer. Er is me opgedragen me niet bekend te maken aan getuigen zodat, mocht ik in verwachting raken, het kind geen recht zal hebben om verwantschap op te eisen.'  

Valko keek de jonge vrouw onderzoekend aan en besefte dat, hoe graag hij ook met haar wilde copuleren, hij het vreemde gedrag van zijn vader en Hirea's waarschuwing niet uit zijn gedachten kon zetten. Uiteindelijk zei hij: 'Niet vanavond... Hoe heet je?'

'Naila, heer.'

'Misschien laat ik je morgenavond halen, maar nu heb ik rust nodig.'

'Zoals de jonge heer wenst.' Ze maakte een buiging en vroeg: 'Wilt u dat ik vertrek, of hebt u liever dat ik blijf?'

'Blijf tot ik klaar ben met eten en vertel me over de huishouding van mijn vader. Wat is er gebeurd tijdens mijn afwezigheid?'  

'Ik weet zeker dat anderen u dat beter kunnen vertellen dan ik.'

'Daar twijfel ik niet aan,' zei Valko, die met een klopje van zijn hand aangaf dat het meisje naast hem moest komen zitten. 'Maar tot die tijd luister ik liever naar jou. Je hebt toch ogen om te zien en oren om te horen? Wat heb je gezien terwijl ik weg was?'

De Mindere wist niet helemaal zeker hoe ze moest antwoorden, dus begon ze een lange lijst op te sommen van kasteelroddels, geruchten en speculatie, het meeste ervan slaapverwekkend en saai. Maar af en toe zei ze iets wat zijn belangstelling wekte, en na een paar vragen kwam ze met enkele nuttige feiten.  

Al met al, besloot hij, was dit een veel zinnigere tijdsbesteding dan copuleren. Hij negeerde het verlangen in zijn lichaam om het meisje te bezitten en bleef haar tot laat in de nacht vragen stellen, lang nadat hij klaar was met eten.  

 

Midden in de nacht werd er aangeklopt. Jommy was als eerste wakker toen de deur openging en broeder Kynan binnenkwam. 'Kleed je aan en hou je mond,' droeg hij de drie jongemannen op.

Jommy keek naar Servan, die zijn schouders ophaalde. Godfrey knipperde met zijn ogen als iemand die bijkwam uit een verdoving.  

Tegen de tijd dat ze aangekleed waren, troffen ze Tad, Zane en Grandy aan, die zwijgend op de gang stonden te wachten onder het toeziend oog van de monnik. Kynan legde een vinger op zijn lippen en gebaarde dat de zes studenten hem moesten volgen.

Ze kwamen zonder een woord te zeggen op hun bestemming aan, het kantoor van de Proctor, maar eenmaal binnen kon Godfrey zich niet meer inhouden. 'Hoe laat is het?' fluisterde hij naar Servan.  

Servan zette waarschuwend grote ogen op, maar een stem vanuit de donkere kamer zei: 'Een uur na middernacht, geloof ik.'

Vader Elias opende een lantaarn met een luikje ervoor en liet zich zien. Hij zat achter het bureau van de Proctor. 'Wacht buiten, broeder, alstublieft,' zei hij tegen broeder Kynan.

Kynan knikte en verliet de kamer.

De Abt stond op en zei: 'Ik heb gehoord dat jullie zes je ruzie hebben bijgelegd. Is dat waar?'

Jommy keek Servan aan en knikte toen eenmaal, en Servan antwoordde: Ja, vader. We hebben een... regeling getroffen.' 

'Mooi. Ik hoopte op vriendschap, maar ik neem genoegen met een respectvolle wapenstilstand. Jullie zijn hierheen gehaald zodat ik afscheid kan nemen.'  

De jongens keken elkaar aan en Jommy vroeg: 'Vader, gaat u weg?'

'Nee, jullie gaan weg,' zei de Abt. 'Er zijn dingen die ik jullie niet mag vertellen, maar dit kan ik nu wel zeggen: jullie zes zijn ridders van het Roldeemse Hof, en als zodanig hebben jullie bepaalde plichten, net zoals er privileges bij jullie rang horen. Jullie zijn tevens zes begaafde jongemannen met een mooie toekomst.'

Tegen Grandy zei hij: 'Vooral u, mijn prins, hebt een grotere verantwoordelijkheid en een hogere plicht.'

Jommy begon ongemakkelijk te kijken en dat ontging de Abt niet. Hij glimlachte. 'Geen angst, jonge Jonathan. Ik heb gesprekken gehad met Turgan Bey over uw toekomst. Hij heeft ingestemd met jullie volgende opdracht.'  

Bij het woord 'opdracht' spanden Jommy, Tad en Zane meteen hun spieren. De Abt had niet met zoveel woorden gezegd dat die instructies van het Conclaaf kwamen, maar dat hoefde ook niet.

'Jullie gaan een tijdje het leger in.'

De studenten vertoonden verschillende gradaties van ongeloof.  

'Het leger?' vroeg Grandy.

'Uw vader heeft al twee zoons bij de marine, jonge prins. Roldem heeft evenzeer behoefte aan generaals als aan admiraals, en u hebt het goed gedaan.' Tegen Jommy, Tad en Zane zei hij: 'Jullie drie hebben bijzonder goed werk verricht in jullie korte tijd hier, ondanks jullie gebrek aan vooropleiding.  

We hoefden jullie niet in geleerden te veranderen, we moesten alleen zorgen dat jullie ons wat verfijnder verlieten dan toen jullie aankwamen. Jullie tijd in het leger maakt deel uit van jullie voortgezette opleiding. Daar zullen jullie leren denken als militairen en leiderschap leren herkennen.  

Met dat doel worden jullie allemaal junior-luitenanten in het Eerste Leger, de Koninklijke Wacht. Er staat buiten een wagen te wachten om jullie naar de haven te brengen, waar een schip klaarligt om jullie naar Inaska te brengen. Schijnbaar is een of andere roofbaron of iemand anders van Bardacs Houvast Aranor binnengevallen om misbruik te maken van de nogal chaotische situatie daar sinds we Olasko in het koninkrijk hebben ingelijfd.  

Jullie zullen prima jonge officieren worden en gaan generaal Bertrand helpen die schurken terug de grens over te drijven.' Hij boog zijn hoofd. 'Moge La-Timsa jullie behoeden. Lang leve Roldem.'

'Lang leve Roldem,' antwoordden Servan, Godfrey en Grandy, even later zwakjes bijgestaan door de drie jongens van Tovenaarseiland.  

Buiten wachtte broeder Kynan op hen. Hij ging hen door de gang voor naar het stalerf, waar een wagen stond.

'En onze spullen dan?' vroeg Servan.

'Jullie worden voorzien van alles wat je nodig hebt,' antwoordde de onverstoorbare monnik, en toen de zes jongens op de wagen zaten, gebaarde hij naar de menner dat hij kon vertrekken.  

 

Puc schrok wakker in het kleine kamertje achter Kastors winkel. Er was iets veranderd ... Iets buiten? Hij hoorde geen geluiden waarvan hij wakker zou kunnen zijn geworden. Het was donker en niemand anders bewoog zich, hoewel Bek af en toe woelde in zijn slaap vanwege dromen die hij zich later nooit kon herinneren.  

Toen besefte Puc dat dat andere wat hij voelde niet van buiten kwam, maar van binnen. Van binnen in zichzelf. Hij was veranderd. Hij stond op, liep naar het raam en keek naar buiten.

Plotseling zag hij deze wereld zoals een Dasati die zou zien! Puc had geen woorden om te beschrijven wat hij zag. Hij zag kleuren die buiten het spectrum van violet en rood lagen, glinsterende energieën die nu zichtbaar waren; het was adembenemend.  

In de nachthemel zag hij sterren die menselijke ogen niet zouden kunnen zien, hun aanwezigheid onthuld door energieën die een mens van Midkemia niet kon begrijpen. Ze gaven geen licht maar hij kon hun warmte zien, op een onpeilbaar grote afstand.  

Plotseling zei een stem achter hem: 'Ongelooflijk, hè?'

Puc had niet gehoord dat Ralan Bek zich had bewogen, laat staan dat hij wakker was geworden en naast hem was komen staan. Het verontruste Puc dat hij de aanwezigheid van de jongeman niet meer kon bespeuren. Hij hield zijn verbazing verborgen en zei: 'Ja, het is onvoorstelbaar.'  

'Ik ga niet terug,' zei de jonge strijder.

'Waar naartoe?'

'Naar onze wereld, naar Midkemia. Ik... hoor daar niet.'

'Hoor je dan hier?'

Bek zei een tijdje niets, staarde op naar de hemel, maar antwoordde uiteindelijk: 'Nee. Ook niet hier. Ik hoor op de volgende plek, waar we naartoe gaan.'  

'Hoe weet je dat?' vroeg Puc.

'Geen idee,' antwoordde Bek. 'Ik weet het gewoon.'

Puc zweeg. Hij keek nog een tijdje naar Bek die opstaarde naar de hemel, en keerde toen terug naar zijn slaapvlonder. Terwijl hij daar in het donker lag en Bek uit het raam keek, had Puc zijn bedenkingen over zijn eigen waanzinnige plan. Hij wist dat het zijn eigen plan was, want die boodschappen waren allemaal in zijn eigen handschrift geschreven, en in bijna vijftig jaar tijd had hij zichzelf nooit slecht advies gegeven.  

Af en toe vroeg hij zich af waarom hij zo'n cryptische stijl gebruikte, waarom hij zo weinig informatie verstrekte en alleen maar simpele opmerkingen of instructies opschreef. Hij wist dat hij in de toekomst ongetwijfeld een goede reden zou hebben om cryptisch te zijn, ook al frustreerde het hem nu ... maar hij voelde de neiging om hardop te kreunen. Tijdparadoxen maakten hem duizelig.  

Hij bleef tot het ochtendgloren in bed liggen worstelen met honderd verschillende twijfels en nog honderd andere geestelijke demonen.  

 

Valko werd wakker. Iemand zei iets, op zachte toon en zonder dreiging. Hij draaide zich om en ontdekte dat het Naila was. Ze was niet van zijn zijde geweken maar had met hem gepraat, was naast hem gaan liggen toen hij in slaap viel en had hem vastgehouden zoals zijn moeder altijd deed toen hij nog klein was. Hij had het een verrassend fijne en geruststellende ervaring gevonden. 'Uw vader vraagt naar u,' zei ze zachtjes.  

Hij trok zijn mantel aan en volgde haar, tot ze bleef staan voor de deur naar de privékamer van zijn vader. Ze klopte eenmaal aan en haastte zich toen, zonder toestemming van Valko te vragen, weg door de gang alsof haar dat was opgedragen.  

De deur ging open, maar in plaats van zijn vader stond er een andere man. Valko's hand ging automatisch naar zijn middel, maar zijn wapenrusting en wapens hingen nog over de pop in zijn kamer: hij was dood als deze man een vijand bleek te zijn.

Maar de man bij de deur maakte geen dreigende gebaren. Hij wuifde Valko alleen naar binnen en zei: 'Je vader wacht op je.'

Valko wist dat hij geen andere keus had dan naar binnen te gaan. Als het voorbestemd was dat hij hier en nu zou sterven, dan kon hij niets doen om het onvermijdelijke uit te stellen.

In de kamer waren vier stoelen tegenover een enkele stoel in een halve cirkel gezet. Drie van de stoelen waren bezet, en Aruke zat in de stoel direct tegenover de apart gezette stoel. Naast hem zat een man in de kleding van een Doodspriester. Aan zijn markeringen te zien was het een man met een hoge rang. Aan de andere kant van Valko's vader zat Hirea, die heel licht glimlachte toen Valko's gezicht zijn verrassing verried. De man bij de deur kende hij niet, maar hij was net als Valko's vader als strijder gekleed in wapenrusting en met een zwaard.

'Ga zitten,' beval zijn vader, wijzend naar de lege stoel tegenover zich.  

Valko deed zwijgend wat hem werd opgedragen. De andere strijder nam de overgebleven stoel en uiteindelijk sprak Aruke: 'Je staat op een kruispunt, mijn zoon.' Langzaam trok hij zijn zwaard en legde het over zijn knieën. 'Een van ons zal vanavond sterven.'

Valko sprong op uit de stoel en pakte die op, bereid om het onhandige wapen te gebruiken als het moest. De Doodspriester wuifde met zijn hand, en plotseling voelde Valko zijn kracht wegebben. Binnen een paar tellen kon hij de stoel niet meer houden en viel die uit zijn handen. Toen de Doodspriester een ander gebaar maakte, kwam Valko's kracht weer terug.  

'Je kunt ons niet weerstaan, mochten we je doodwensen, jonge strijder. Maar je moet weten dat we oprecht hopen dat je in leven blijft.'

'Hoe kan dat?' vroeg Valko, die op de rugleuning van zijn stoel steunde terwijl hij wachtte tot zijn kracht weer volledig terug was. 'Mijn vader zegt dat een van ons vanavond gaat sterven. Hij kan niet bedoelen dat hij zijn leeftijd voelt en nu al naar een eerbare dood verlangt.'

'Dat is precies wat hij bedoelt,' zei de Doodspriester.

Aruke wuifde weer naar Valko dat hij moest gaan zitten, en met tegenzin nam de jonge strijder plaats. 'Wat je vanavond zult horen, is eeuwen geleden begonnen,' zei Aruke. 'Op een dag niet veel anders dan deze werd mijn overgrootvader door zijn vader naar deze zelfde kamer gehaald, waar vier mannen zaten, net zoals nu. Er werden hem dingen verteld die hij amper kon geloven, maar toen de nacht plaats maakte voor het ochtendgloren, leefde hij nog en geloofde hij alles wat hem geleerd was. Zo is het generaties lang gegaan, want vroeg in de geschiedenis van de Camareen ligt een geheim. Het is een geheim dat je ofwel zult bewaren in de jaren die komen gaan, of vanavond met je mee het graf in neemt.  

Ik zat vele jaren geleden waar jij nu zit, net als mijn vader en zijn vader voor hem hadden gedaan. We zaten daar, we luisterden, we konden onze oren niet geloven, maar toen alles achter de rug was, gingen we het begrijpen. En toen we het begrepen, waren onze levens voor altijd veranderd.  

Bovendien heeft ieder van ons, van die voorvader tot mijzelf, een eed afgelegd en is vertrokken op een reis. Mijn reis duurt nog altijd voort.'

'Reis?' vroeg Valko. 'Waarheen?'

'Naar een plek binnen in de ziel,' zei de Doodspriester.

Valko's hersens begonnen meteen op volle toeren te werken.

Zijn moeder had hem gewaarschuwd dat hij niet naar Doodspriesters moest luisteren, want zij stonden na de tekarana het hoogst in de achting van de Duistere. Als zodanig konden zij elke afwijking van het geaccepteerde gedrag bestempelen als godslastering en je onmiddellijke vernietiging bevelen; hoewel zijn moeder hem ook op het hart had gedrukt dat dergelijke beschuldigingen vaak meer te maken hadden met bezittingen, rangen, een oude bloedvete of een vrouw die van voordeel was voor een bondgenootschap, en weinig met de leer.  

De Doodspriester las kennelijk iets in Valko's gezichtsuitdrukking, want hij zei: 'Ik weet dat je moeder je heeft gewaarschuwd niet naar leden van onze broederschap te luisteren. Maar zet alles wat je nu denkt te weten opzij, en luister.'  

'Hoe weet u waar mijn moeder me voor gewaarschuwd heeft?' vroeg Valko geschrokken.

Aruke lachte. 'Omdat je moeder een van ons is, en als ze kon, zou ze in de vijfde stoel zitten. Maar ze is in gedachten bij ons.'  

Valko begreep het niet, maar hij wist tot in het diepst van zijn beenderen dat de komende paar minuten zijn leven in de waagschaal lag.  

Aruke keek eerst naar de ene kant, toen naar de andere, en de drie mannen bij hem knikten allemaal. 'Mijn zoon, allang voordat jij verwekt werd, zijn er zaken in gang gezet waarvoor nodig was dat zo iemand als jij werd gecreëerd.'

Valko vroeg zich af waarom zijn vader het woord 'gecreëerd' gebruikte, maar hield zijn mond.

'Net als mijn vader voor mij, ben ik opgevoed met één enkel doel, een doel waarvan ik hoop dat het vanavond wordt vervuld.' Hij zweeg, ofwel om zijn zoon de gelegenheid te geven iets te zeggen of te vragen, ofwel om gewoon zijn gedachten te ordenen. 'Je zult het begrijpen of niet, en van jouw begrip hangt ons beider toekomst af. Alles wat je weet over ons volk, de Dasati, is vals.'  

Nu kon Valko zijn drang om te spreken niet meer onderdrukken. 'Vals? Hoe bedoel je? In welk opzicht?'  

'In alle opzichten,' zei zijn vader.

De Doodspriester was de volgende die het woord nam. 'Ik ben vader Juwon. Als kind wist ik dat ik een roeping had die anders was dan die van de strijders. Toen ik terug was op het landgoed van mijn vader en iedereen had verslagen die hij naar me toestuurde om me te beproeven, vertrok ik, op zoek naar de dichtstbijzijnde abdij.

Daar werd ik opgeleid tot ik werd verheven tot de rang van lector, en toen tot deken. Uiteindelijk betrad ik het priesterambt, en nu ben ik Hogepriester van de Westelijke Landen. Maar vanaf het begin wist ik dat mijn roeping niet van de Duistere kwam, maar van elders.'  

De haartjes in Valko's nek kwamen overeind, want hoe was het mogelijk dat deze hooggeplaatste Doodspriester zo godslasterlijk sprak? Er was behalve de Duistere geen andere bron van een roeping. Dat was wat iedereen die hij ooit gekend had altijd zei ... iedereen behalve zijn moeder.

Valko zweeg.

De man in wapenrusting zei: 'Ik ben Denob van de Jadmundier. Ik ben samen met je vader en Hirea opgeleid. Wij drieën waren door het lot uitverkoren om broeders te worden, hoewel ons dat niet meteen duidelijk was.' Hij keek Hirea aan.  

'Ik heb binnen in je gekeken, jonge Valko,' zei de oude leermeester, 'dieper dan je denkt. Ik heb ook je moeder gesproken, en zij vertelde me waar ik in je geest naar op zoek moest gaan. Je hebt me niet teleurgesteld.'  

'Toen we vochten en ik je met blote handen versloeg, waarom dan die misleiding?' riep Valko. 'Waarom deed je alsof je mijn moeder niet kende, en vertelde je me toen dat ze een Bloedheks was?'  

Hirea glimlachte. 'Heb je nagedacht over wat ik zei?'

'Ja,' zei Valko.

'En je conclusie?' vroeg de Doodspriester.

Valko zweeg een tijdje. Toen sprak hij zachtjes. 'Ik geloof dat mijn moeder inderdaad een Bloedheks is.'

'Dan heb je je eerste stap gezet,' zei zijn vader. 'Allang voordat je moeder en ik elkaar leerden kennen en we uiteindelijk copuleerden, was bepaald dat we een buitengewoon kind zouden verwekken. Generaties van Dasati en hun nakomelingen na hen zijn gericht gekoppeld, zodat jij op een dag in die stoel zou zitten.'  

'Voorspellingen en voortekenen hebben ons allemaal jaren geleden op dit pad gezet,' zei vader Juwon. Hij boog zich naar voren en keek Valko recht in de ogen - onder alle andere omstandigheden een provocatie. 'Jij bent dat buitengewone kind, en de profetie is begonnen.'  

'Welke profetie?' vroeg Valko.

De Doodspriester ging achterover zitten en begon te spreken alsof hij een vertrouwde, oude liturgie opzei. 'In het begin was er een evenwicht, en binnen in dat evenwicht bestonden alle dingen. Er was plezier en pijn, hoop en wanhoop, overwinning en nederlaag, het begin en het einde, en daarin leefden alle dingen, plantten zich voort en stierven, en alles voltrok zich zoals het hoorde.

Maar op een dag begon er een strijd, en na epische veldslagen en vreselijke offers werd het evenwicht vernietigd.'  

'Ik begrijp het niet,' zei Valko. 'Over welk evenwicht hebt u het?'

'Het evenwicht tussen goed en kwaad,' zei de Doodspriester.

Valko knipperde met zijn ogen. 'Die woorden zeggen me niets.'

'De woorden zijn verloren gegaan omdat de onderliggende concepten verloren zijn gegaan,' zei Aruke. 'Zeg eens: waarom denk je dat Zorgers zich met genezing bezighouden?'

Valko haalde zijn schouders op. 'Ze zijn zwak. Ze zijn .. .' Hij liet zijn stem wegsterven, want eigenlijk begreep hij helemaal niet waarom Zorgers kozen voor de levens die ze leidden.

'Waarom zou een intelligent wezen ervoor kiezen een leven te leiden dat hem de minachting oplevert van degenen die hij dient?' vroeg Hirea. 'Ze hadden ook Venters, Voorzieners of Bewerkstelligers kunnen worden. Maar in plaats daarvan kiezen ze een vak dat, hoewel het nuttig is, constante minachting oplevert. Waarom?'  

Weer kon Valko geen reden bedenken. Hij had alleen wel diep van binnen het gevoel dat er iets niet klopte.

'Ze doorstaan wat ze doorstaan omdat het goede mensen zijn,' zei vader Juwon. 'Ze zijn goed omdat ze ervoor kiezen anderen te helpen, gewoon voor de voldoening van het genezen, het helpen, het herstellen van schade, omdat ze de behoeften van anderen boven die van zichzelf plaatsen.'  

'Ik begrijp het niet,' zei Valko, maar in plaats van opstandig, klonk zijn stem zacht en peinzend, alsof hij echt wilde begrijpen wat hem werd verteld. En diep van binnen wist hij dat hij het begon te begrijpen.  

'In vroeger tijden,' zei de Doodspriester, 'waren er twee drijvende krachten binnen in elke man, vrouwen kind: de impuls om te nemen wat je wenste, wat het een ander ook kostte, te zien en te grijpen, te verlangen en te doden, te leven zonder rekening te houden met anderen. In zo'n soort leven kon er geen vooruitgang zijn, geen groei, niets anders dan eindeloos bloedvergieten en strijd.'

'Maar zo is het altijd geweest,' zei Valko.

'Nee!' zei Aruke tegen zijn zoon. 'Wij vier hier zijn het levende bewijs dat het niet altijd zo is. Elk van ons is bereid zijn leven te geven voor de andere drie.'  

'Maar waarom?' vroeg Valko. 'Hij is een Jadmundier.' Hij wees naar Denob. 'Hirea is van de Gesel, en hij' - Valko wees naar vader Juwon - 'is een Doodspriester. Jullie hebben geen band met elkaar, geen loyaliteit aan elkaar, geen sociale bondgenootschappen, geen pacten of verplichtingen.'  

'Dat is niet waar,' antwoordde zijn vader. 'Hoewel de Gesel naast de Sadharin kan vechten, of tegen de Jadmundier, zijn wij drie als broers.'

'Dat is de andere drijvende kracht,' zei vader Juwon. 'De impuls om samen te werken, lasten te delen en elkaar te helpen; precies wat men nu minacht. Maar sommigen van ons voelen het nog altijd, anders zou niemand Zorger of Voorziener worden. Waarom zou je een leven kiezen waardoor je spot en haat over je afroept?'  

Valko keek verslagen. 'Ik begrijp het niet.'

'Dat noemen ze "verlicht eigenbelang", mijn zoon,' zei Aruke. 'Daarom kunnen strijders hun verschillen terzijde schuiven en elkaar helpen, omdat het tot wederzijds voordeel is. En wij vier hier in deze kamer zijn maar enkelen van de velen die zijn gaan inzien dat ons volk verloren is geraakt zonder die tweede drijvende kracht, de impuls om voor anderen te zorgen. De enige plek in ons volk waar die impuls nog altijd puur is, is bij een moeder en haar kind. Overdenk maar eens dat je moeder al die jaren in het Schuilgaan voor je gezorgd heeft, en vraag je af waarom dat de enige tijd is waarin wij Dasati die eigenschap laten zien.'  

'Maar jullie vier hebben het gevonden?' vroeg Valko.

'Wij hebben een hogere roeping,' zei Aruke. 'Wij dienen een andere meester dan de Duistere.'

'Wie dan?' riep Valko, die op het puntje van zijn stoel was gaan zitten.

'Wij dienen de Witte,' zei Aruke.

 

Valko was met stomheid geslagen. De Witte was een verhaaltje dat moeders vertelden om hun kinderen bang te maken. Maar deze vier mannen - drie strijders en een Doodspriester - zaten voor hem en zeiden dat ze een mythe dienden.

De stilte hield aan, tot Aruke zei: 'Je zwijgt.'

Valko koos zijn woorden zorgvuldig. 'Wat mijn moeder me boven alles heeft geleerd, is dat ik overal vraagtekens bij moet plaatsen.' Hij verschoof in zijn stoel, alsof hij het zichzelf gemakkelijker wilde maken zodat hij beter over dit moeilijke onderwerp kon nadenken. 'Tot dit moment zou ik, als je het gevraagd had, gezegd hebben wat ik aanneem dat elke strijder van de Dasati zou zeggen: de Witte is een mythe. Het is een verhaaltje dat Doodspriesters hebben bedacht om de gelovigen op het rechte pad te houden, of een fabeltje van de voorouders van de tekarana om gewicht te verlenen aan de bewering dat zijn geslacht was uitverkoren door de Duistere om het volk te beschermen tegen het felste licht. Of misschien gewoon een verhaaltje dat is overgeleverd door onze voorvaderen en dat niets betekent. Ze zeggen dat de Witte een wezen is dat de ongelovigen naar de waanzin lokt en zorgt dat de zwakke irrationele dingen doet waardoor hij opvalt, zodat alle Dasati zijn besmetting kunnen zien. Ze zeggen dat het gevaarlijk is om zelfs maar te lang over de Witte na te denken. Voor mij was de Witte altijd synoniem aan waanzin.  

Tot deze avond zou ik niet hebben geloofd dat zoiets als de Witte echt bestond. Maar hier zitten jullie, en jullie zweren van wel. Dus zou ik moeten aannemen dat jullie vier waanzinnig zijn, aangezien jullie beweren iets te dienen wat alleen maar een mythe is. Maar niets wat ik in Hirea heb gezien, duidt op irrationaliteit, en in jou ook niet, vader. Dus ben ik gedwongen aan te nemen dat de Witte echt is en dat de wereld niet is zoals me is geleerd.'

Aruke leunde achterover en straalde van trots. Hij keek naar vader Juwon, die zei: 'Dat heb je goed beredeneerd, jonge Valko. Neem maar aan dat de Witte echt is. Wat denk jij dat het is?'  

Valko schudde zijn hoofd. 'Ik denk dat ik dat niet eens kan raden.'  

'Raad toch maar eens,' beval zijn vader.

'De Witte is geen wezen,' begon Valko langzaam. 'Anders zouden er wel meer... geloofwaardige verhalen over zijn. Getuigenissen, observaties en dergelijke. Het zou onsterfelijk moeten zijn, want de legende bestaat al eeuwen. Ik heb nog nooit gehoord van iemand die zelfs maar iemand kende die een manifestatie van de Witte heeft gezien, dus kan het geen persoon of wezen zijn.'  

Vader Juwon knikte goedkeurend.

'Dus,' vervolgde Valko, 'moet het iets abstracts zijn.' Hij keek de vier mannen aan. 'Misschien een genootschap, zoals de Sadharin of de Gesel.'  

Aruke knikte. 'Dat is ook zo, maar het is meer.' Hij keek Hirea aan.

'Ik heb je in de gaten gehouden, jonge Valko,' zei Hirea, 'en ik heb je zien doden, maar je schept er geen genoegen in.'

Valko haalde zijn schouders op. 'Ik... Nee. Dat doe ik ook niet. Ik voel dan...'

'Wat voel je dan?' vroeg Denob.

'Het voelt als... verspilling,' antwoordde Valko. 'Zelfs wanneer ik woest word, of ernaar honger om bloed te vergieten, dan voel ik daarna... een leegte.' Hij keek zijn vader aan. 'De jonge strijder tegen wie ik vocht op de dag van mijn beproeving, de zoon van heer Kesko... Ik heb anderen gezien die niet van hem hadden kunnen winnen op het oefenterrein. Door het toeval kwam hij tegenover mij te staan. Als hij tegen een ander had gestreden, zou hij nu dit huis en de Sadharin dienen. Er is geen voordeel, alleen maar toeval, en toeval... dat vindt uiteindelijk een evenwicht, hè?'  

Vader Juwon knikte. 'Inderdaad. We raken veel prima jonge strijders kwijt aan het toeval, terwijl mindere strijders in leven blijven.'

'Het is verspilling,' herhaalde Valko.

'Het is verkeerd,' zei Aruke. 'Als je dit kunt begrijpen, dan zal ik vanavond tevreden sterven.'

'Waarom wil je vanavond sterven?' vroeg Valko. 'Waarom moet een van ons dood? Komt het door dat... geheim dat je bij je draagt? Ik kan het nauwelijks geloven, maar als jij zegt dat je de Witte dient, dan zal ik samen met jou dienen. Je hebt me nog zoveel te leren, vader, en het duurt nog vele jaren voor ik je hoofd neem.'

'Nee, je moet vanavond mijn hoofd nemen.'

'Maar waarom?'

'Zodat jij bij het ochtendgloren heer van de Camareen zult zijn. Je moet je moeder hierheen halen als voornaamste vrouw van dit huis en beginnen om zonen te verwekken. Je moeder zal de vrouwen uitkiezen die je sterke zonen met goede banden zullen bezorgen. En je moet vele dingen gaan begrijpen die ik je niet kan leren. Je moeder ook; want we staan voor een tijd van verandering, en je moet vele j aren heer van de Camareen blijven en je lot volledig gaan begrijpen.'

'Wat is mijn lot?' vroeg Valko. 'Dat ik dit moet aanhoren en... geloven?'

'Je moeder zal je alles vertellen; ze komt hier binnen twee dagen aan,' zei Aruke. 'Maar voordat ik ga, is het mijn genoegen om je te vertellen wat je moet weten. Je bouwt een bondgenootschap op dat niet meer is gezien sinds de Dagen van het Smeden. Jij of je erfgenaam moet met dat bondgenootschap over de Sterrenbrug rijden naar Omadrabar, en daar moet je iets doen wat nog nooit is gedaan in de geschiedenis van de Dasati. Je moet het hoofd van de tekarana nemen. Je moet het rijk van de Twaalf Werelden vernietigen en de Dasati redden van de Duistere.'