13
Verandering
Valko sloeg hard toe.
Zijn tegenstander was uit zijn evenwicht gebracht en stapte struikelend achteruit, en Valko viel aan. Hij sloeg beide armen rond het middel van de andere strijder, tilde hem op, zette twee snelle stappen naar voren en ramde hem tegen de muur, waarbij hij zijn schouder in de maag van de hulpeloze man dreef. De lucht werd uit de longen van de trainer geperst en Valko dacht dat hij ook ribben hoorde kraken.
Hij liet los en stapte achteruit. Toen zijn tegenstander door de knieën begon te zakken, bracht hij zijn rechterknie hard omhoog en raakte hem er vol mee in het gezicht, waarmee hij de toch al bloederige neus nog verder verbrijzelde.
'Genoeg!' schreeuwde Hirea.
Valko bleef staan en onderdrukte de neiging om op de keel van zijn tegenstander te gaan staan, die te verpulveren en het leven van de jongeman te beëindigen. Hij keek naar de andere strijders, die hem koel opnamen. Hij wist wat ze stuk voor stuk dachten, zelfs zijn 'broer' Seeleth: Hou die Valko in de gaten; misschien moet je hem op een dag doden. Het was een inspannend gevecht geweest, hoewel de uitkomst al vanaf het begin af aan duidelijk was; Valko had geweten dat hij sneller en sterker was, en na de eerste minuut had hij ook geweten dat hij slimmer was. Heel even voelde hij zich plotseling buitensporig moe, niet in verhouding met de inspanning die hij had geleverd.
Hirea kwam naast hem staan. 'Dit is een training, niet de arena. Hij kan dan wel op dit moment een vashta zijn, maar hij is een ervaren vechter en kan de meesten van jullie nog wel het een en ander leren.' Hirea keek naar de andere negen ruiters, die elk op hun beurt wachtten om met hun gekozen tegenstander te vechten. 'Zo is het genoeg voor vandaag. Ga terug naar jullie kamers en overdenk je fouten. Schep geen genoegen in je successen. Jullie zijn nog kinderen.'
De overige negen strijders kwamen overeind van hun knielende positie rondom het gevechtsterrein. Toen Valko naar hen toe liep, zei Hirea: 'Wacht even, Valko.'
Nadat de anderen vertrokken waren, zei hij: 'Toen Faroon zijn hand op je bovenarm legde, deed je iets om zijn greep af te schudden. Laat het me zien.'
Valko knikte en wachtte af. Hirea greep de jonge strijder onzachtzinnig bij zijn linkerarm, en zonder nadenken stak Valko zijn linkerhand omhoog, pakte een zeer pijnlijke handvol huid aan de achterkant van Hirea's rechterarm vast en trok daar hard aan. Met zijn rechterhand vormde Valko een dolk van vingers en ramde daarmee tegen de rechterkant van Hirea's nek, stapte met zijn eigen been achter het linkerbeen van Hirea, en plotseling lag de oude instructeur op het zand, opkijkend naar een gebalde vuist voor zijn gezicht. 'Stop!' riep hij.
Valko stapte achteruit.
'Er is nog nooit een nieuwe strijder naar ons toe gekomen met kennis van snelle handvechttechnieken,' zei Hirea. 'Zelfs degenen die ik jarenlang heb opgeleid in de Gesel, kunnen dat wat jij deed niet zo snel en gemakkelijk.' De oude strijder stond op. 'Wie heeft je dat geleerd?'
'Mijn moeder,' zei Valko. 'Ze zei dat het me kon helpen tijdens het Schuilgaan als een strijder me vond terwijl ik niets had om me mee te verdedigen, behalve mijn blote handen.'
Plotseling trok Hirea zijn zwaard en maakte een wijde, bovenhandse beweging die Valko's hoofd van zijn schouders zou hebben gescheiden als de jonge strijder niet een stap naar voren had gedaan. Als hij achteruit was gestapt of had geprobeerd te hukken, dan zou de slag zijn schouder of hoofd hebhen verbrijzeld. Valko haakte zijn linkerarm om Hirea's schouder, stapte achter diens rechterbeen en sloeg zo hard mogelijk met zijn handpalm tegen de keel van de oudere strijder, waardoor die achterover viel. Valko knielde neer toen Hirea neerging en op het laatste moment, toen zijn knie het zand raakte, stond hij op en zette zijn linkervoet op Hirea's zwaardhand. Met zijn rechterhand stond hij klaar om de keel van de oude man te pletten.
'Stop!' wist Hirea met opgestoken hand uit te brengen, zijn handpalm omhoog als teken van onderwerping.
Valko dwong zich kalm te spreken, al siste hij bijna. 'Waarom? Er is een verschil tussen trainen en doden, oude man. Waarom zou ik je hoofd nu niet nemen? Ben je zwak? Smeek je om genáde?' Hij spuwde dat laatste woord bijna uit.
'Nee,' zei de oude man. 'Maar als je wilt blijven leven, luister dan naar me.'
Valko stak zijn hand uit en pakte Hirea zijn zwaard af. Hij zette de punt ervan tegen de keel van de oude man en gebaarde hem met zijn andere hand dat hij moest opstaan.
'Er zijn er maar een paar die kunnen wat jij net deed. Zeg me de naam van je moeder.'
'Narueen. Een Cisteense Bewerkstelliger.'
Hirea negeerde het wapen tegen zijn keel. 'Nee, dat was ze niet.' Hij keek om zich heen om er zeker van te zijn dat niemand hen kon horen. 'Wat ik je nu vertel, kost ons allebei het leven als iemand ons hoort. Je moeder, hoe ze in het echt ook heette, was een Bloedheks. Slechts een handjevol mensen kan iemand leren wat jij hebt geleerd, en maar één groep vrouwen in de Twaalf Werelden hoort daarbij: de Oranje Zusterschap.'
'Die zijn een mythe.' Valko keek de oude man onderzoekend aan en voegde er toen aan toe: 'Net als de Witte.'
'Achter mythes gaan veel waarheden schuil, jonge strijder.' Hirea keek nog eens om zich heen. 'Luister nu goed naar me. Spreek hier met niemand over. Er zijn geheimen waarvan je misschien niet eens weet dat je ze kent, en er zijn mensen die je huid in repen van je lijf zouden trekken om die geheimen aan de weet te komen. Ik stuur je binnenkort naar je vader - je had vandaag mijn hoofd kunnen afhakken; ik kan je niets meer leren - maar we moeten hier nog een keer over praten voordat je vertrekt. Er zijn dingen die ik je moet vragen, en dingen die ik je moet vertellen.' Hij draaide zich om en negeerde nog altijd het zwaard tegen zijn keel. 'Als iemand, vooral Seeleth, je vraagt waarom ik je langer liet blijven, zeg dan maar gewoon dat we een onvolkomenheid in je voethaak moesten corrigeren. Ga nu naar je kamer en was je.' Hij wees naar de stille gestalte van zijn nog altijd bewusteloze gevechtsassistent en zei: 'Paroon is dan misschien zo stom als een vashta, maar jij stinkt ernaar.'
Valko draaide het zwaard om en gaf het aan zijn leermeester terug. 'Ik zal hier niets over zeggen. Maar het viel niet mee om je hoofd op je schouders te laten zitten, oude man.'
Hirea lachte. 'Misschien krijg je de kans nog wel. Ik heb geen levende zoon, en op een dag, misschien wel binnenkort, zal ik je vragen een einde aan mijn leven te maken. Mijn beenderen krijgen last van de kou en mijn zicht is niet meer zo scherp als toen ik jong was. En nu wegwezen!'
Valko deed wat hem was opgedragen. Hirea had vandaag zijn slachtoffer kunnen zijn, maar hij was nog altijd zijn leermeester en moest dus gehoorzaamd worden. Maar wat hij had gezegd, verontrustte de jonge strijder, die langzaam terugliep naar zijn kamer en zich afvroeg of de oude man gelijk had gehad over zijn moeder. Ze was zeker niet zoals andere vrouwen, en veel dingen waar ze onder vier ogen over hadden gesproken, waren verboden onderwerpen. Was ze inderdaad een Bloedheks geweest? Die fabelachtige zusterschap was verboden door de tekarana zelf. Elk lid ervan was volgens zeggen opgespoord en ter plekke terechtgesteld. De hogepriesters van Zijne Duisternis noemden de vrouwen godslasteraars en hun leermeesteressen waren bestempeld tot een gruwel.
Plotseling voelde Valko zich heel erg moe. Moeder, wat heb je gedaan?
'Caleb, wat heb je ons nu toch weer geflikt?' riep Tad terwijl ze zich vastklampten aan de klifwand.
'Ik geloof niet dat hij ons kan horen,' schreeuwde Jommy om de wind te overstemmen.
Zane zei niets. Hij klappertandde en hield zich vast aan Tads tuniek om niet te vallen.
'Doorlopen!' schreeuwde Servan. 'Je moet eerst naar boven, dan naar beneden!'
Jommy knikte en zei, zo zacht dat alleen Tad en Zane het konden verstaan: 'Ik vind het rot om te moeten zeggen, maar hij heeft gelijk.'
'Nou, hou op je daar druk over te maken. Denk liever na over hoe we Grandy naar beneden moeten krijgen,' zei Tad.
Jommy knikte, klom op de smalle richel over Tad heen en kwam tussen hem en Zane terecht, die iets opzij schoof om hem ruimte te geven.
De zes jongens bevonden zich op een berg, een halve dag rijden vanaf Roldem. De oefening was bedoeld om hun te leren onder moeilijke omstandigheden als groep samen te werken, in dit geval door een klim naar een rotspunt zonder touwen of andere hulpmiddelen. Ze waren nog maar een paar meter van de top verwijderd, toen er plotseling een noorderstorm was opgestoken met stromende regen en felle windvlagen.
Vijf van de zes jongens hadden zich in veiligheid kunnen brengen, in elkaar gedoken tegen de rotswand, waar ze konden wachten tot de storm over een uur of wat ging liggen, maar Grandy zat in moeilijkheden.
De kleinere jongen was bijna van de richel geblazen door een plotselinge windvlaag toen ze probeerden de berg weer af te komen. Hij was naar een rotspunt een paar meter onder de anderen gegleden, en nu klampte hij zich daar uit alle macht vast, met verkrampte vingers en een vastberadenheid die voortkwam uit doodsangst.
Servan begon de anderen bevelen te geven. 'Jommy, ga plat tegen de rotswand liggen. Zane, Tad en Godfrey gaan je omlaag laten zakken zodat Grandy je handen kan vastgrijpen!'
'Waarom ben jij de enige die niks uitvoert?' schreeuwde Jommy.
'Omdat ik van ons vieren de zwakste ben,' antwoordde Servan, en dat was waar. Hij was een heel goed zwaardvechter, maar had niet de fysieke kracht van zelfs maar Godfrey, die een stuk minder sterk was dan de drie stevige jonge knapen van Tovenaars eiland.
Jommy had geen reden meer tot klagen: Servan was eerlijk en zette zijn eigen ijdelheid opzij om Grandy in veiligheid te brengen.
Honderd voet onder hen probeerden twee monniken wanhopig tegen de natte rotswand op te klimmen om de jongens te helpen, maar gehinderd door hun sandalen en lange mantels hadden ze nog minder succes dan de zes jongens.
De anderen lieten Jommy zakken langs de rots, die hem geen enkel houvast bood doordat er constant water overheen spoelde. 'Hou stevig vast!' schreeuwde hij tegen Tad en Godfrey.
Godfrey en Tad hielden ieder een been van Jommy vast, terwijl Zane, de stevigste en sterkste van de drie, hun tunieken in zijn vuisten klemde en met zijn volle gewicht achterover leunde. Jommy stak een hand uit, kreeg vat op Grandy's hemd en schreeuwde: 'Ik trek je omhoog!'
'Nee!' schreeuwde Servan. 'Hou hem alleen stevig vast. Wij trekken jóu op!'
De vreemde keten van jongens kroop langzaam terug de berghelling op, maar Grandy raakte ineens in paniek en probeerde tegen Jommy's arm omhoog te klimmen. Jommy voelde zijn greep op het hemd van de jongen wegglippen en wilde zich omdraaien, maar besefte niet dat Godfrey en Tad hem maar amper konden houden. Hun greep op zijn benen begon te verslappen, en toen lieten ze los; eerst Tad, toen Godfrey. Binnen een tel klom Grandy omhoog naar een relatief veilige plek, terwijl Jommy voorover tuimelde, een koprol maakte en plotseling langs de rotswand naar beneden begon te glijden, met zijn voeten vooruit, klauwend naar houvast.
Servan liet zich op zijn achterwerk vallen en gleed achter Jommy aan. Toen rolde hij zich op zijn buik, de scherpe punten van de rotsen negerend, en draaide met zijn hoofd naar voren, waardoor hij bijna van de rotswand af dook. Hij kreeg het voor elkaar om Jommy bij de kraag van zijn tuniek te grijpen en diens val te stuiten.
Zane klauterde snel achter het tweetal aan en kreeg een van Servans benen te pakken. De jongen gaf een kreet van pijn toen zijn heup bijna uit de kom werd gerukt door Zanes ingreep. Jommy stak niets ziend een hand uit en voelde dat Servan die vastpakte. 'Niet loslaten!' schreeuwde hij.
'Geen zorgen!' zei Servan.
Jommy dwong zichzelf kalm te blijven en riep naar Servan: 'Wat nu?'
De neef van de koning grimaste van pijn, maar bleef naar Jommy kijken. 'Ik kan me niet bewegen. Klim over me heen naar boven.'
Jommy gebruikte alle kracht in zijn linkerarm om zich op te trekken. Hij stak zijn rechterhand uit en greep Servans broekriem vast. Rondtastend met zijn voet kreeg hij een teen in een ondiepe holte in de rots en duwde zich op. Toen liet hij met zijn linkerhand los en pakte een stevige handvol van Servans rechterdij beet, trok nog een keer en voelde Godfreys handen op zijn schouders, die hem op de richel hielpen.
Zodra hij veilig was, draaide Jommy zich om en hielp Zane om Servan weer op de richel te trekken. De zes jongens hijgden van inspanning, schrik en pijn. Ze hadden het ijskoud in de stortregen op de richel. Jommy keek Servan aan. 'Je bent gek, maat, weet je dat?'
'Ik mag je niet, maar dat betekent nog niet dat ik je dood wil zien,' antwoordde Servan.
'Ik mag jou ook niet,' zei Jommy. Servans gezicht zat vol schrammen, zijn ene wang was dik en zijn rechterschouder was mogelijk uit de kom geschoten. Nu de regen in vlagen neerkwam, kon Jommy er niet zeker van zijn, maar hij dacht dat Servans ogen opgezwollen waren van de tranen, waarschijnlijk van pijn. 'Maar ik ben je mijn leven verschuldigd.'
Servan glimlachte scheefJes. 'Een beetje een lastige situatie, hè?'
'Dat hoeft niet,' zei Jommy. 'Ik weet niet waarom je de behoefte had om de baas over ons te spelen toen we aankwamen, en op dit moment kan me dat ook niet schelen. Je hebt mijn leven gered: ik ging die berg af, en ik had niet kunnen stoppen tot ik beneden was. Dus als iemand het vraagt, zal ik de eerste zijn die zegt dat je geen lafaard bent. Gek, misschien, maar geen lafaard.'
Plotseling glimlachte Servan. 'Nou, ik kon je moeilijk te pletter laten vallen nadat je je eigen nek had gewaagd om mijn neefje te redden.'
'Neefje?' vroeg Tad. Hij keek naar Grandy. 'Is hij je neef?'
Grandy klappertandde van de kou. 'Ja. Had ik dat niet gezegd?'
'Dus jij bent ook een neefje van de koning?' vroeg Tad.
'Nee,' antwoordde Servan. 'Hij is de zoon van de koning. Grandy's oudere broer is kroonprins Constantine van Roldem. Wat betekent dat hij op een dag het broertje van de koning zal zijn.'
'Krijg nou wat!' zei Jommy. 'Soms ontmoet je toch mensen...'
Plotseling begon Servan te lachen. Het was zo'n oprecht geluid - een uitlaatklep voor alle spanning en angst - dat de andere jongens niet anders konden dan meelachen.
Broeder Thaddeus, de monnik die hen probeerde te bereiken, vond een veilige rotsrichel een tiental meter onder hen en schreeuwde: 'Blijf daar! Broeder Malcolm rent terug naar de universiteit. Hij haalt broeder Micah op. Blijf waar jullie zijn en hou vol!'
De jongens kropen dicht tegen elkaar aan in de regen. Micah was niet echt een monnik van de Orde, maar een magiër van het Mindere Pad die op het universiteitsterrein woonde. Een van zijn vele talenten was dat hij controle had over het weer.
Tegen de tijd dat Micah aankwam, voelden de jongens zich behoorlijk ellendig. Ze rilden onophoudelijk en konden zich nog nauwelijks bewegen. Micah zong een bezwering om de kracht van de storm af te zwakken, waardoor er een grote ruimte met milder weer rondom de jongens ontstond. De bol van de bezwering was bijna honderd meter in doorsnee, en daarbinnen viel de regen enkel nog maar zoals tijdens een zacht lentebuitje.
Nu de regen een paar minuten op afstand werd gehouden, klom broeder Thaddeus tegen de rotswand op zodat hij de jongens kon helpen naar een bredere richel eronder te komen. Van daaraf voerde een smal pad naar de voet van de berg, onder normale omstandigheden slechts drie uur lopen. Terwijl ze zich een weg zochten over het glibberige paadje, draaide Jommy zich om naar Grandy en vroeg: 'Waarom heb je nooit gezegd dat je een zoon van de koning was?'
Grandy huiverde; hij was behoorlijk aangedaan door zijn ervaringen. 'Ik weet niet of je het gemerkt hebt, maar niemand aan de universiteit praat veel over zijn familie. Dat doe je gewoon niet. We zijn allemaal studenten.'
Jommy knikte, hoewel hij het niet begreep. Gedurende de tijd dat hij nu aan de La-Timsaanse universiteit was, waren er wel wat opmerkingen gemaakt over dat die student of die student de zoon van een edele of rijke koopman was, maar hij besefte dat hij niemand had horen zeggen over wie ze het nu precies hadden. Grandy was een uitzondering geweest, toen hij zei dat Servan een neef was van de koning.
Jommy was verward. Uitgeput, gehavend en volslagen verward. En aan de blik op de gezichten van zijn pleegbroers te zien, waren Tad en Zane er niet veel beter aan toe.
Er stonden paarden te wachten onder aan het pad. Gelukkig hoefden ze niet terug te lopen naar de stad. En als ze daar eenmaal waren, zouden er droge kleren en warm eten op hen wachten.
Het pad werd gemakkelijker begaanbaar en ze maakten meer snelheid. Toen ze dicht genoeg genaderd waren om vochtig paardenhaar en de doordringende geur van de regenachtige bossen te ruiken, keek Jommy nog eens naar Servan. Hij was nu niet in de stemming om er precies achter te komen wat voor kerel die jonge neef van de koning was, maar hij was vastbesloten dat het niet meer zo zou worden als voorheen. Jommy zag dat Godfrey hinkte en hield zonder een woord te zeggen zijn pas een beetje in, ging naast hem lopen en legde de arm van de jongen over zijn schouder om wat gewicht van zijn gekwetste enkel af te nemen.
Valko voegde zich zwijgend bij de andere negen nog levende jonge strijders toen Hirea en een andere oudere strijder de jongelingen gebaarden dat ze in een rij moesten gaan staan. Toen iedereen op zijn plek stond, zei Hirea: 'Er is meer nodig dan hersenloos doden om eer en glorie te brengen aan je rijk, je samenleving en de naam van je vader.
Goed doden is een kunst en niets is plezieriger dan een vaardig strijder zich te zien ontdoen van een zwakkeling. Niets behalve de kunst van het paren, althans.'
Een paar jongemannen lachten.
'Ik heb het niet over naar bed gaan met een vrouw; jullie stomme tavaks!' zei Hirea. Tavaks waren grazende dieren die bekendstonden om zowel hun seksuele drang als hun ongelooflijke domheid.
Nu keken verscheidene jonge strijders verward. Enkelen van hen hadden vrouwen gehad in het Schuilgaan. Het was een van de tekenen dat een jongeman de tijd van zijn beproeving naderde. Wanneer de concurrentie onder de jongens in het Schuilgaan te heftig werd, probeerden hun moeders hen terug te krijgen naar het domein van hun vaders.
Hirea lachte. 'Bij wie van jullie is je moeder mee teruggegaan naar het fort, kasteel of landgoed van je vader?'
Twee jonge strijders staken een hand op.
Hij wees naar die twee. 'Zij hebben geluk. Ze hebben slimme moeders en sterke vaders. Hun moeders waren onvergetelijk. Hun vaders wilden dat ze terugkeerden, misschien om nog een zoon te baren.
Sommigen van jullie hebben je vader eraan moeten herinneren wie je moeder ook alweer was.' Hij schudde zijn hoofd en keek omlaag. 'Door de aard van de Dasati zijn ideale paren zeldzaam, maar ze zijn wel wenselijk, niet alleen vanwege de kans op superieure nakomelingen, maar omdat een ideale partner het leven van een man draaglijker en plezieriger maakt.'
Hij gebaarde naar de man die naast hem stond. 'Dit is Unkarlin, een ruiter van de Bloedwacht.' Hij wendde zich tot hem en vroeg: 'Hoeveel nog levende zoons en dochters zijn er in jouw huis?'
'Ik ben de derde zoon, en de vijfde van zeven kinderen.'
'Van dezelfde moeder?'
Unkarlin knikte instemmend, en enkele jonge strijders slaakten verbaasde kreten. Twee of zelfs drie nakomelingen van dezelfde ouders waren niet ongehoord, maar zeven! Dat was heldhaftig!
'Zo worden dynastieën geboren!' schreeuwde Hirea. 'Als je zoons hun vijanden doden en hun bezittingen opeisen, vervolgens hun rijkdommen, dan hun landgoederen en Minderen, zodat er steeds meer ruiters bij de familie komen! De familie van deze man is mede verantwoordelijk voor de macht en het succes van de Bloedwacht. Denk aan je vader en aan hoeveel verwanten er met hem meerijden. Hoeveel ooms en neven heb jij in de Sadharin, Valko?'
In de weken die hij met zijn vader had doorgebracht voordat hij voor zijn opleiding naar Hirea was gekomen, had Valko al die details geleerd. 'Mijn vader is de oudste van de Sadharin, Hirea. Hij heeft een jongere broer en vier lagere neven bij de ruiters. Via hen heb ik zevenentwintig neven en zestien Mindere neven.'
'Hoeveel ruiters in de Sadharin?'
'Zevenennegentig.'
'Van de vijftig heren van de Sadharin, zijn er negenenveertig verwant aan Valko!' Hirea keek rond. 'Sterkere banden zijn nauwelijks mogelijk! Maar om dat soort kracht voort te brengen, dat soort macht te krijgen, moet je verstandig kiezen wie je naar je bed haalt, jonge dwazen! Je zult vrouwen tegenkomen die je zo graag wilt bezitten dat je lijf er pijn van doet, maar ze zijn een verspilling van je tijd en je zaad. Zelfs als je een sterke zoon krijgt van een Mindere, blijft hij een Mindere. Als je een zoon krijgt van een strijdfamilie, maar het is een zwakke familie zonder machtige beschermheren of bloedbanden, wat heb je daar dan aan? Niks. Zij winnen erbij om zich bij je geslacht aan te sluiten, maar het haalt jou omlaag.
Je moet gelijken zoeken of, als je slim genoeg bent, als je iets unieks hebt,' - hier leek hij direct naar Valko te staren - 'dan grijp je hoger. Als je een van de vrouwelijke familieleden van de karana in je bed kunt krijgen, al is het de lelijkste vrouw die je ooit hebt gezien, dan moet je dat doen, en als je haar houdt tot ze in verwachting is, bid dan maar dat dat kind een strijder van naam wordt, want dan smeed je banden die je vijanden doen beven als ze zelfs maar aan je denken. Dan kun je de politiek van je natie overstijgen, zelfs de politiek van je wereld, en een macht worden binnen de Twaalf Werelden.'
Hij zweeg even toen hij zag dat de jonge strijders stuk voor stuk aan zijn lippen hingen, en vervolgde: 'Maar het begint allemaal met de wetenschap dat paren een kunst is.'
Nu waren de strijders klaar om iets te gaan begrijpen van wat hun volgende taak zou worden, dacht Valko. Hij had gedaan alsof hij even belangstellend was als de anderen, maar niets wat Hirea had gezegd was nieuw voor hem. Zijn moeder had urenlang met hem over dergelijke dingen gesproken.
Hij wist dat tijd verspillen aan een vrouw met een lagere rang ongelooflijk dom was, behalve als het diende om een vazal aan je te binden, misschien een heer zonder levende zonen, want land en vee hadden meer waarde dan zonen van lagere huizen. Maar hij zou zich erop richten zijn status te verhogen. Hij wist dat zijn moeder van hem verwachtte dat hij snel vooruitgang zou boeken en over tien jaar heer van de Camareen zou zijn, en dat hij over twintig jaar sterke zoons en banden met machtige huizen zou hebben.
Valko begreep maar een deel van het plan van zijn moeder. Dat ze een plan hád, daar twijfelde hij niet aan, want ze had geen domme zoon grootgebracht. Hij wist dat ergens, op een bepaald moment, ze weer naar hem toe zou komen, en dan zou hij ontdekken wat er precies achter zijn training had gezeten.
'En nu,' zei Hirea, 'gaan we naar een feest, in de stad Okora.
Daar ontmoeten jullie dochters en huisvrouwen van rijke en machtige mannen. Kies verstandig, jonge strijders, want dit zullen de eersten zijn die jullie zoons zullen sturen, zoons die in de loop van de tijd terug zullen keren naar het huis van jullie vaders. Wie die zoons zullen zijn, dat is aan jullie.'
In stilte dacht Valko: En dat is dan ook het enige. Daarna is het de moeder die het kind vormt.
Puc verzette zich tegen de impuls om iets te doen, wat dan ook, maar hield zich zo roerloos mogelijk. Ze zaten in een kring, Magnus rechts van hem, Nakur links, Bek naast Nakur, en tegenover Puc zat de Dasati die Martuch heette.
Martuch had de afgelopen twee dagen verschillende keren met Puc en Nakur gesproken en daarbij vragen gesteld die overduidelijk op deze onderneming betrekking hadden, maar tevens over schijnbaar heel gewone dingen. Aspecten van het menselijk bestaan fascineerden hem, net zoals alles aan de Dasati Puc en Nakur fascineerde; maar zonder referentiekader was het lastig voor Puc om zijn gevoelens ten opzichte van hun instructeur te benoemen. Hij neigde ernaar hem een aardige kerel te vinden.
'Zit stil, vrienden,' zei Martuch, 'dan gaat het beter. Hoe meer je beweegt, hoe onplezieriger de verandering is.'
Ze waren nu al twee weken in de stad Shusar om hun magie te oefenen. Martuch was kennelijk een man die over veel vaardigheden beschikte, en magie hoorde daarbij. Hij legde uit dat op de Dasatiwerelden 'bezweringsventers' werden gezien als gewone kooplieden, niet verhevener dan een smid of timmerman. Maar hij had ze ervan verzekerd dat zodra ze hun kunsten hadden vervolmaakt op Delecordia, hun magie ook op de Dasatiwerelden zou werken.
Hij had er nog altijd niet in toegestemd hun gids te zijn. Hij had gezegd dat hij hun zijn besluit zou meedelen als de tijd daar was, maar tot nu toe had hij nog geen ja of nee gezegd. Wat hij wilde weten van Puc en zijn metgezellen was niet duidelijk, en hij scheen niet echt haast te hebben om een beslissing te nemen.
'Jullie moeten geduld hebben,' zei Martuch. 'Als dit proces voltooid is, zullen jullie in staat zijn de lucht te ademen, het water te drinken, het voedsel van de Dasati te eten, en in alle opzichten op Dasati te lijken. We zullen een bezwering toepassen waardoor jullie een van ons lijken te zijn, hoewel je waarschijnlijk wel vreemde blikken zult trekken van een Doodspriester als je er eentje tegenkomt. Dat zou ik dus maar vermijden als ik jullie was. Maar jullie hebben één voordeel: de Ipiliacmagiërs zijn superieur aan Doodspriesters doordat hun magie niet geheel afhankelijk is van doodsbezwering. Door verschillende aardse middelen kunnen we ervoor zorgen dat jullie vermomming ook bij nader onderzoek voldoet.
Maar dat is wel de minste van jullie zorgen. Want jullie temperament en aard is even buitenaards voor de Dasati als zij voor jullie zijn, en er zijn duizenden manieren om je te gedragen, naar het leven te kijken en alledaagse dingen te doen die jullie niet zullen begrijpen. Sommige leren jullie misschien snel, maar andere zullen je altijd blijven ontgaan.'
Hij keek hen om beurten aan. 'We zijn een ras van strijders, en dat zeg ik zonder pochen. We zijn niet het enige strijdlustige ras dat bestaat, maar wel een ras dat leeft voor de strijd. We doden onze jongetjes, wisten jullie dat?'
Puc herinnerde zich een opmerking van Kaspar. 'Ik had zoiets gehoord.'
'Elke jongen kan later een bedreiging vormen, een rivaal worden, en daarom moet hij worden gedood voordat het zover is.'
Nakur leek hierdoor gefascineerd. 'Hoe houden jullie dan stand als ras?'
'Door gevaarlijk te zijn, zelfs als kind al. Door wispelturig te zijn. Door moeders te hebben die hun kinderen verstoppen tot ze oud genoeg zijn om zichzelf te beschermen. Jullie zullen nog meer leren over het Schuilgaan en andere dingen die heel normaal zijn bij mijn volk, maar niet allemaal tegelijk. Laten we ons er nu maar op richten hoe we jullie meer dan een uur in leven
kunnen houden nadat jullie voet zetten op een van de Twaalf Werelden.'
'Maar toch niet ieder lid van je volk kan een strijder zijn?' vroeg Magnus.
'Nee, er zijn strijders en hun consorten, en hun kinderen en Mindere broers en zusters. Die rang is niet duidelijk bepaald, net zoals je de burgers in jouw land ziet als "normaal", terwijl alle anderen die je ontmoet "anders" zijn.' Hij keek hen weer om beurten aan. 'Op mijn wereld zijn jullie die anderen, dus is het het beste als we een rol voor jullie vinden die de Dasati toch al met enige argwaan bekijken. Hebben jullie geneeskundige vaardigheden?'
'Ik heb wat kruidenkennis en kan wonden verbinden,' zei Nakur.
'Op mijn wereld,' zei Puc, 'worden mensen genezen door chirurgen en geestelijken, maar ik heb wel wat basiskennis.'
'Dan worden jullie leden van het Gilde van Zorgers.'
'Zorgers?' vroeg Magnus.
'Iedereen die geen lid is van de heersende klasse, staat bekend als een ''Mindere'',' zei Martuch. 'Vooral Zorgers worden geminacht, omdat ze een impuls hebben om te zorgen voor anderen dan hun naaste familie.'
'Maar jullie tolereren hen wel?' vroeg Puc.
'Ja,' zei Nakur. 'Omdat ze nuttig zijn!'
Martuch glimlachte, en even had Puc het gevoel dat hij nog iets anders zag achter dat strenge uiterlijk. 'Ja. Je hebt het door. Degene die je vreest, die stem je mild. Degenen die een dreiging kunnen zijn, die vernietig je. Maar degenen die noch vreeswekkend noch bedreigend zijn, maar die mogelijk nuttig zijn, die hou je in de buurt. Je maakt ze tot je vazallen en beschermt ze tegen andere heersers die het in hun hoofd zouden kunnen halen om ze af te slachten.' Martuch beschreef met zijn hand een cirkel in de lucht. 'Voorbij deze muren ligt een stad die veel meer gemeen heeft met jullie wereld dan met die van mij. Hoewel de mensen hier verre verwanten van me zijn, hebben ze zo lang op deze verwrongen plek gewoond, deze plek halverwege het eerste en het tweede niveau, dat ze veel van onze... gebruiken zijn vergeten.
Hier zijn handelaars en kooplieden en artiesten, ongeveer net zoals op jullie wereld. Volgens onze normen zijn die verre neven van ons zorgeloos op het waanzinnige af... maar degenen op jullie wereld zijn zeker knettergek.'
'Zoveel te leren,' zei Puc.
Bek zei eindelijk ook iets. 'Ik begrijp hier helemaal niks van. Ik wil gewoon iets dóén.'
'Binnenkort,' zei Nakur om de ongedurige jongeman gerust te stellen.
'Bek, we zijn voorlopig klaar,' zei Martuch. 'Ga maar buiten een luchtje scheppen.'
Bek keek Nakur aan, die knikte, en toen de jongeman vertrokken was, vroeg Nakur: 'Waarom wilde je dat hij wegging?'
'Omdat zoveel hiervan hem ontgaat, maar op veel manieren lijkt hij meer op een Dasati dan jullie je kunnen voorstellen.' Hij keek Nakur aan. 'Hij volgt jou?'
'Hij doet wat ik hem opdraag, voorlopig tenminste nog wel.'
'Hou hem in de gaten.' Aan Puc vroeg hij: 'Waarom heb je hem meegebracht?'
'Dat was me opgedragen,' antwoordde Puc.
Martuch knikte, alsof dat alles was wat hij hoefde te weten. 'Hij kan wel eens belangrijk zijn.'
Nakur keek Magnus even aan en zei toen: 'Ik moet je iets vragen, Martuch.'
'Wat dan?'
'Waarom help je ons zonder dat je onze bedoelingen kent?'
'Ik weet meer dan je beseft, Nakur de Isalani,' zei Martuch. 'jullie komst was min of meer aangekondigd. We kregen maanden geleden al het nieuws dat iemand van het eerste niveau van de realiteit toegang zou zoeken tot mijn wereld.'
'Nieuws?' vroeg Puc. 'Van wie?'
'Ik heb alleen een naam,' zei de gids. 'Kalkin.'
Puc was met stomheid geslagen. Zelfs Nakur zette grote ogen op. Magnus was de eerste die zijn stem hervond. 'Dat betekent niet dat het Kalkin wás, of Banath. Het kan ook gewoon iemand zijn die die naam gebruikte.'
'Maar wie zou het weten?' vroeg Puc. 'Wie buiten de binnenste kring van het Conclaaf weet zelfs maar af van Kaspars visioen op het dak van het Paviljoen van de Goden?'
'En dat, mijn vrienden,' zei Martuch, , is waarom ik jullie mag helpen, als jullie bewezen hebben dat jullie kunnen doorstaan wat nodig is om jullie naar de Dasatiwerelden te krijgen. Want of jullie het nu beseffen of niet, we spelen een Spel van Goden, en de inzet is veel groter dan jullie je kunnen voorstellen. Het is niet alleen jullie wereld die in de waagschaal ligt, maar mijn wereld ook. Er waart een enorm gevaar rond, en hele naties kunnen sterven.'