2

Orakel

 

De gevangene keek opstandig en woest om zich heen.

Jomo Ketlami hing aan een stel boeien aan de stenen muur. Zijn kleren waren van hem afgesneden om hem van zijn waardigheid te ontdoen, maar Puc had het vooral nodig gevonden omdat zijn donkere lichaam was getatoeëerd met magische symbolen - zwart, wit, rood en geel - waarvan sommige afweren waren.

Hij was een gespierde man. De drie jongens achter in de ruimte hadden de indruk dat hij misschien wel sterk genoeg was om de ijzeren ringen uit de muur te trekken. Zijn hoofd was volledig kaalgeschoren en glansde van het zweet. Hij had de nek en schouders van een worstelaar en zijn blote borst was een en al spier. Zijn zwarte ogen toonden geen spoor van angst. Ketlami grauwde toen hij zijn gevangen nemers tegenover zich zag.  

Zes bewakers waren voor de deur gestationeerd en Magnus stond binnen op wacht, voor het geval iemand een magische aanval beraamde om Ketlami te redden of hem het zwijgen op te leggen. Caleb en de jongens stonden tegen de andere muur, zodat ze niemand voor de voeten liepen. Twee mannen kwamen de kamer binnen.  

Het waren Puc en Nakur.

'Waar is Bek?' vroeg Magnus.

'Buiten, voor als ik hem nodig heb,' zei Nakur. 'Hij hoeft dit niet te zien.'

In Magnus' blik op zijn broer was een stilzwijgende vraag te zien: Maar deze jongens wel? Caleb knikte eenmaal. Magnus keek zijn broer onderzoekend aan en knikte toen een keer terug. De jongens hadden zich tot nu toe bewezen, door een ijzeren wil aan de dag te leggen als het nodig was. De roekeloosheid die bij de jeugd hoorde, werd ondertussen al snel vervangen door een nuchterdere kijk op de werkelijke gevaren waar ze tegenover stonden, en Magnus en Caleb zagen dat hun jeugdige overmoed plaats begon te maken voor werkelijke moed. Maar een gevecht was iets anders dan een marteling.  

Een tijdlang sprak niemand, maar toen schreeuwde Ketlami tegen Puc: 'Je kunt me net zo goed meteen vermoorden, tovenaar! Ik heb gezworen dat ik de geheimen van het Gilde meeneem naar Lims-Kragma!'  

Puc zei niets maar draaide zich om naar de deur toen nog twee mannen het kleine vertrek binnenkwamen. De jongens schoven naar de linkerkant van de achterste muur om de nieuwkomers de ruimte te geven.  

Een van de mannen droeg een zwartleren kap en een vale tuniek vol oude vlekken. Tad keek naar zijn twee metgezellen en wist meteen dat ook zij zagen wat voor vlekken dat waren. De folteraar liep door naar de gevangene, en de tweede man ging naast Puc staan.

De man naast Puc was onopvallend en had een gemiddelde lengte, bruin haar, en droeg een hemd en broek zoals die van een handelaar of boer. Aan zijn voeten droeg hij bescheiden leren laarzen. Hij staarde naar de gevangene, die zich plotseling omdraaide en zijn blik met hem kruiste. Ketlami's ogen werden groot. Even later sloot hij zijn ogen en trok er een blik van pijn over zijn gezicht. Er verschenen nog meer zweetdruppeltjes op zijn voorhoofd en hij bracht een dierlijk soort grom uit, half pijn, half ergernis. 'Ga uit mijn kop!' schreeuwde hij. Toen, met een triomfantelijk gezicht, lachte hij en zei tegen de nieuwkomer: 'Je zult wat beters moeten verzinnen!'  

Puc keek de andere man aan met een onuitgesproken vraag. De onopvallende man knikte een keer en richtte zijn blik toen weer op Ketlami. 'Begin,' zei Puc.

De folteraar zette een snelle stap vooruit en ramde zijn vuist in Ketlami's maag. Hij stapte achteruit toen de gevangene een kreet slaakte en de tranen hem in de ogen sprongen. Even later haalde Ketlami diep adem en vroeg: 'Een pak rammel? Goh, en nu? Hete poken en tangen?'

De beul sloeg Ketlami nog eens in zijn buik, maar deze keer gaf hij twee snelle stompen, waarna plotseling de maaginhoud van het lijdend voorwerp op de vloer lag.

Jommy's gezicht stond grimmig toen hij naar zijn vrienden keek. Alle drie de jongens waren getraind in handgevechten, en een van hun eerste lessen was geweest dat ze twee snelle slagen op de maag moesten richten. Een sterke man kon één klap best aan, maar met twee snelle stompen, waarbij de tweede kwam voordat de maagspieren zich helemaal konden herstellen van de eerste, sloeg hij dubbel en kwam zijn laatste maaltijd weer boven.  

Magnus, Caleb, Puc en Nakur keken onverstoorbaar naar de brakende Ketlami. De eerste vernedering was maar een begin om de man langzaam te breken en te ontdekken wat ze moesten weten: de schuilplaats van de grootmeester van de Nachtraven.

Iedereen zweeg toen de beul Ketlami met de rug van zijn hand in het gezicht sloeg. Het was meer een beledigende klap dan een schadelijke, die enkel wat meer tranen in de ogen van de gevangene bracht en hem nog opstandiger maakte. Caleb draaide zich om en fluisterde tegen de jongens: 'Het zal wel even duren voor hij zich echt hopeloos gaat voelen. Hij is sterk, en bovendien fanatiek.'

De drie jongens bleven zwijgend staan, en hun grimmige gezichtsuitdrukking weerspiegelde de gebeurtenis waar ze getuige van waren. De beul was methodisch en scheen geen haast te hebben. Hij sloeg de gevangene herhaaldelijk en wachtte dan weer een tijdje, alsof hij Ketlami op adem liet komen. Hij sloeg hem in het gezicht, op zijn bovenlichaam, zijn benen.  

Na bijna een halfuur kalmpjes slaan, hing Jomo Ketlami in zijn ketenen en kon niet meer staan. Hij leek op het randje van bewusteloosheid te verkeren.

'Breng hem bij,' zei Puc.

De folteraar knikte en liep naar de andere hoek van de kamer, waar een tafel stond met diverse zakken en instrumenten erop. Hij opende een van de zakken, haalde er een klein flesje uit, stapte naar de slaphangende Ketlami toe, maakte het flesje open en hield het onder zijn neus. Ketlami's hoofd kwam met een ruk omhoog en iedereen hoorde zijn scherpe ademteug, gevolgd door een zwak gekreun.  

'Waar zit je meester?' vroeg Puc hem.

Ketlami keek op naar Puc. Allebei zijn ogen waren bijna dichtgezwollen en zijn lip bloedde. Hij kon nauwelijks spreken, maar bleef opstandig kijken. 'Je breekt me nooit, tovenaar. Vermoord me maar meteen.'  

Puc keek naar de man die naast hem stond en lichtjes zijn hoofd schudde. 'Ga door.'

De folteraar stopte het flesje terug in de zak en ging toen weer voor de gevangene staan. Ketlami keek hem woest aan. De man bracht plotseling zijn knie omhoog en raakte de Nachtraaf vol in het kruis. Ketlami zakte volledig ineen en bleef een tijdje in zijn boeien hangen, happend naar adem.  

En de afranseling ging door.

 

Na dik twee uur had Tad het gevoel dat hij zelf ook ieder moment kon instorten. Bij elke klap kromp hij zichtbaar ineen. Caleb merkte het ongemak van zijn adoptiezoon op en wenkte hem mee de kamer uit. Met een zwaai van zijn hand droeg hij Jommy en Zane op om binnen te blijven.

Buiten, in een lange gang met wachters aan weerszijden, zat Ralan Bek ineengedoken met zijn rug tegen de muur. De merkwaardige, gevaarlijke jongeman was toevertrouwd aan Nakur en scheen daar tevreden mee te zijn.  

'Is alles goed met je?' vroeg Caleb aan Tad.

Tad haalde diep adem en liet de lucht langzaam weer ontsnappen. 'Niet echt,' antwoordde hij. 'Ik heb wel eens gevechten gezien, zoals je weet, maar dit...'  

'Is anders,' maakte zijn stiefvader voor hem af.

Tad haalde nog eens diep adem. 'Ik weet wat hij is, maar...'

Caleb keek Tad in de ogen. 'Het is bruut, het is smerig, en het is nodig. Je weet wat hij is: hij zou jou vermoorden zonder met zijn ogen te knipperen. Daarna zou hij mij vermoorden, je moeder, wie dan ook, en vervolgens rustig gaan slapen. Hij is je gewetensbezwaren niet waard.'

'Dat weet ik, maar ik heb gewoon het gevoel dat...'

Caleb sloeg in een onkarakteristiek teder gebaar plotseling zijn armen om Tad heen en omhelsde hem stevig. 'Ik weet het; geloof me, ik weet het.' Hij liet zijn stiefzoon los. 'Er gaat hierdoor iets verloren, en ik betwijfel of het wel iets is wat we kunnen terugkrijgen.  

Maar onze tegenstanders hebben niets dan kwade bedoelingen met mensen van wie wij houden, en we moeten ze een halt toeroepen. Dit gaat nog wel een tijdje duren. Als we onze bijzondere middelen niet hadden, zou het zelfs dagen kunnen duren. Maar deze man zal ons binnen een uur of twee geven wat we willen weten. Als je wilt, mag je hier buiten wachten.'  

Tad dacht er even over na en schudde toen zijn hoofd. 'Nee. Op een dag moet ik dit misschien zelf ook doen.'

Caleb knikte, wetend dat zowel Jommy als Zane dat aspect van de les niet had meegekregen. Ja, dat is helaas mogelijk.'

Ze keerden terug naar de kamer, waar de beul Ketlami nog eens bijbracht. Caleb en Tad namen hun plek naast de anderen weer in, en Zane fluisterde: 'Hij kan het toch vast niet veel langer uithouden?'

Caleb fluisterde terug: 'Mensen zijn een stuk weerbarstiger dan je denkt als ze echt in hun zaak geloven. Deze man is een gestoord beest, maar hij denkt dat hij een hoger doel dient en dat maakt hem heel moeilijk te breken. Praat maar eens met Claudius Haviks...' Toen herinnerde hij zich de verhalen van zijn eigen vader over zijn jaren in een Tsuraniwerkkamp, 'of met je opa over wat mensen kunnen verdragen. Ik wed dat je verbaasd zult zijn.'

De aframmeling ging nog bijna een uur door, tot de beul plotseling ophield. Hij keek zonder een woord te zeggen naar Puc, en de magiër knikte. Toen wendde Puc zich tot de man naast zich, die een nietszeggend gebaar maakte.

'Geef hem wat water,' zei Puc. De beul gehoorzaamde en liet de gevangene drinken uit een koperen kom. Het water scheen Ketlami goed te doen en hij spuugde in het gezicht van de folteraar. De onverstoorbare man met de zwarte kap veegde enkel het spuug af en keek naar Puc voor instructies.

Puc vroeg nog eens: 'Waar is je grootmeester?'

'Dat zal ik je nooit vertellen,' zei Ketlami.

De man naast Puc greep zijn onderarm. 'Ik heb het,' zei hij zachtjes.

'Weet je het zeker?' vroeg Nakur.

'Ja,' antwoordde de man.

Puc haalde diep adem en keek toen naar Ketlami, wiens verwrongen gezicht zijn kwaadaardige blik niet kon verhullen. Toen zei Puc zachtjes: 'Maak het af.'

Zonder aarzelen haalde de beul met een snelle beweging een scherp mes achter zijn riem vandaan en sneed in een enkele neerwaartse boog een slagader in de keel van Ketlami door. Het bloed spoot de lucht in en Ketlami's ogen werden heel even groot van schrik. 'Wat...'

Toen vulde zijn mond zich met bloed en zakte zijn hoofd voorover.

Nakur wendde zich tot de drie jongens. 'Als je de bloedtoevoer naar het hoofd onderbreekt, is het slachtoffer bewusteloos voor hij zelfs maar in de gaten heeft dat hij gestoken is. Het lijkt een slachting, maar het is vriendelijker dan elke andere messteek die ik ken.'  

'Vriendelijk of niet, dood is dood,' fluisterde Jommy.

Puc gebaarde dat iedereen kon vertrekken, terwijl de beul Ketlami's lijk begon los te maken.

Toen de anderen de gang in kwamen lopen, stond Bek op. 'Gaan we nu? Ik verveel me.'

Nakur knikte. 'We hebben snel genoeg nog meer bloedig werk te doen.' Hij wendde zich tot Puc. 'We zien je boven,' zei hij, en nam Bek mee.

De kamer waar de marteling had plaatsgevonden, bevond zich in de kelder van een van Chezaruls pakhuizen aan de rand van de stad Kesh. Magnus had de nu dode Nachtraaf hierheen gebracht omdat er mogelijk nog andere agenten konden zijn in Durbin. Ze waren er bijna zeker van dat het Conclaaf de Nachtraven in Groot Kesh had uitgeroeid, maar bijna zeker was niet helemaal zeker.  

Puc wendde zich tot de man die naast hem had gestaan en vroeg: 'Waar?'

'Kasteel Cavell.'

Puc trok een peinzend gezicht, alsof hij zich iets probeerde te herinneren. 'Ik weet het nog,' zei hij uiteindelijk. 'Dank je,' zei hij tegen de man, en gebaarde dat hij en de wachters konden vertrekken. Na een tijdje waren alleen Magnus, Caleb en de jongens nog in de gang.

'Wie was die man, vader?' vroeg Caleb.

'Joval Delan. Hoewel hij geen lid is van het Conclaaf, is hij ons wel een of twee gunsten schuldig. Hij is de beste menselijke gedachtelezer die ik ooit heb ontmoet, maar in plaats van zijn gave voor een bepaalde zaak in te zetten, houdt hij hem verborgen tot hij er winst mee kan maken.' Hij keek naar de rug van de weglopende man. Jammer. Hij zou ons veel kunnen leren. Hij wist dat Ketlami sterke afweren zou hebben om te voorkomen dat zijn gedachten werden gelezen, maar dat hij uiteindelijk toch zou denken aan wat hij wilde verbergen.' Puc keek naar de drie jongens en voegde eraan toe: 'Vandaar die afranseling. Ken je nog dat kinderspelletje waarbij je zegt "Niet aan die draak in de hoek denken',? Je kunt jezelf dwingen een heel lange tijd niet aan iets te denken als je ervoor bent opgeleid en de fysieke en mentale middelen ervoor hebt, maar als je maar genoeg onder druk wordt gezet, dan komt dat wat je wilt verbergen uiteindelijk toch in de geest boven.' Tegen zijn zoon zei hij: 'En daarom weten we nu dat de grootmeester van de Nachtraven zich verborgen houdt in Kasteel Cavell.'  

'Kasteel Cavell?' vroeg Caleb. 'Ik ken een dorp dat Cavell heet, ten noorden van Lyton, maar een kasteel?'

'Verlaten,' zei Puc. 'Hoog in de heuvels boven de weg. Van een afstand valt het niet op tussen de rotsen; je ziet het pas vanaf de weg of de rivier en alleen als je ernaar op zoek bent. Het is een eindje vanaf het dorp. Je moet het willen vinden.

De laatste baron Corvallis weigerde er te wonen ... Maar dat is een lang verhaal; ik vertel het jullie wel een andere keer. Wat ik wel weet, is dat het oude kasteel ooit werd gebruikt om een flink deel van de handelsroute tussen Lyton en Sloop te bewaken. Baron Corvallis' dochter trouwde met een man uit Lyton, een burger geloof ik, en de koning liet die titel in onbruik raken. De graaf van Sloop kreeg dat gebied onder zijn bewind, ook al lag het dichter bij Lyton. Hoe dan ook, het oude kasteel werd meer dan een eeuw geleden al in verband gebracht met activiteiten van de Nachtraven. Een van mijn studenten, Owyn Belefote, maakte samen met prins Arutha's man Robert een einde aan die specifieke dreiging voor de regio.'  

Puc tikte met zijn wijsvinger tegen zijn kin en dacht even na. 'Ze moeten hebben gedacht dat er voldoende tijd was verstreken en dat ze die plek wel weer konden gebruiken. Dat was ook een slimme keus: niemand gaat erheen, zelfs de dorpelingen niet vanwege hun bijgeloof, en het is een lastig te bereiken plek. Zolang mensen denken dat het verlaten is, waarom zouden ze dan moeite doen?'  

'Gaan we naar Lyton?' vroeg Caleb.

'Nee,' zei Puc. 'Ik geef deze klus aan Nakur. Hij is nogal dik met hertog Erik, en ik vind ook dat het koninkrijk deze uiteindelijke confrontatie op zich zou moeten nemen.' Hij keek Magnus aan. 'Ik stuur jou echter wel met Nakur mee, gewoon om er zeker van te zijn dat Erik voldoende bescherming heeft tegen de magie die de Nachtraven eventueel nog tot hun beschikking hebben. Je weet dat ik er binnen enkele tellen kan zijn als je me nodig hebt. Ik zal je moeder vragen op bezoek te gaan bij de Assemblee om te kijken hoeveel vooruitgang ze boeken met de talnoy.'  

Magnus knikte en glimlachte droog. 'We weten hoe de Grootheden van het Rijk dat op prijs stellen.'

Puc glimlachte, de eerste keer in dagen dat hij niet grimmig keek. Zijn stem klonk enigszins geamuseerd toen hij zei: 'Ze hebben nog steeds moeite met vrouwelijke magiërs in het algemeen, maar jouw moeder... Ik zal haar zeggen dat ze op haar manieren moet letten.'  

Magnus' glimlach werd breder. 'En sinds wanneer doet moeder wat jij haar opdraagt?' Pucs grimas bewees dat de opmerking van zijn zoon raak was. 'Zal ik Nakur zeggen dat hij zich voorbereidt?'  

'Nakur is altijd voorbereid om te reizen; dat heeft hij nog over uit zijn tijd als gokker. Ik zie je over een paar minuten boven; ik wil nog even praten met Caleb en de jongens.'

Magnus vertrok en Puc wendde zich tot de jongelingen. 'Dat was bloederig,' zei hij.

Jommy keek naar Tad en Zane. 'Jawel, maar hij verdiende het.'

Puc legde zijn hand op Jommy's schouder. Hoewel hij niet echt een geadopteerde kleinzoon was zoals Tad en Zane, was Puc gesteld geraakt op de koene, roodharige jongen en behandelde hij hem net als de anderen. 'Niemand verdient het om zo te worden mishandeld, Jommy.' Hij keek naar Zane en toen naar Tad voor hij zijn blik weer op Jommy richtte. 'Sommige mensen verdienen de dood voor wat ze hebben gedaan, maar leed veroorzaken leidt meer tot pijn bij jezelf dan bij de man die je wilt laten lijden.' Hij keek van het ene gezicht naar het andere. 'Wat ons beter maakt dan onze tegenstanders, is dat wij ons ervan bewust zijn als we kwade dingen doen. En we zouden er misselijk van moeten worden. Zelfs als we het rechtvaardigen door te zeggen dat we een groter goed dienen, of dat het nodig is.' Hij keek naar de deur, waar de beul Ketlami's lijk klaarlegde om te worden afgevoerd, en voegde eraan toe: 'Dat is de prijs die we betalen. En hoewel het nodig is, worden we er wel minder door.' Hij keek elk van de jongens om beurten aan. 'Je enige troost is te weten dat als je hier geen deel van uitmaakte, je geliefden veel meer risico zouden lopen.'

Hij wendde zich tot Caleb. 'Ik bedenk me net dat jij en Marie niet veel tijd alleen hebben gehad sinds jullie zijn getrouwd.'

Caleb glimlachte spijtig. 'Een feit waar ze me af en toe wel aan herinnert, hoewel ze nauwelijks klaagt, vader.'

'De zaken zijn wel een tijdje onder controle. Kaspar is in Novindus met Rosenvar en Jacob, en Nakur en Magnus gaan naar het Koninkrijk om zich bezig te houden met de Nachtraven. Op dit moment hebben we jou niet nodig.'  

Caleb keek zijn vader vragend aan. 'En?'

'Ik stel voor dat je naar huis gaat en je moeder vraagt om de bol die we gebruiken wanneer we naar ons eigen kleine toevluchtsoord gaan. Het stelt niet veel voor - een eilandje van de Avondroodeilanden - maar er staat een huisje, van alles voorzien, en jullie kunnen er een paar dagen alleen zijn.'  

'Klinkt heerlijk. En deze drie dan?'

Puc glimlachte. 'Stuur ze maar mee naar Claudius. Ze kunnen logeren in het Rivierhuis, een week of twee de kost verdienen en hun zwaardkunst verbeteren.'  

Zane grijnsde. 'Het Rivierhuis!'

Jommy klopte zijn vriend op zijn buik. 'Ik dacht dat je die kwijt wilde?' Het Rivierhuis was het beste restaurant in Opardum, en volgens sommigen zelfs de beste eetgelegenheid ter wereld. Zane had een voorliefde ontwikkeld voor goed eten sinds zijn moeder met Caleb was getrouwd en hij beter voedsel had leren kennen dan hij als kind te eten had gekregen.  

'Ik zal wel extra hard werken, vertrouw me,' antwoordde de forse jongeman.

'Nou, ik ben ervan overtuigd dat Claudius en zijn vrouw meer dan genoeg voor je te doen zullen hebben.'

'En jij, vader?' vroeg Caleb.

'Ik moet een reisje maken, een kort reisje, maar ik heb het al veel te lang uitgesteld. Zeg tegen je moeder dat ik met een dag of wat weer thuis ben, maar laat haar niet op me wachten; ze moet naar Kelewan gaan en kijken hoe de Assemblee vordert met de talnoy.'

Ze omhelsden elkaar, Puc zwaaide ten afscheid naar hen vieren en verdween.

Jommy schudde zijn hoofd en zoog zijn adem tussen zijn tanden door. 'Jemig, ik zal er nooit aan wennen om mensen zomaar te zien verdwijnen!'

Caleb lachte. 'Je went nog aan een heleboel dingen voor je klaar bent, jongen.' Hij trok een bol onder zijn tuniek vandaan. 'We gaan naar huis, en dan gaan jullie drieën naar Opardum!'

Tad keek de martelkamer in en zei: 'Ik ben blij dat dit gedeelte achter de rug is, dat is zeker.'

Zonder nog een woord te zeggen, legden ze ieder een hand op de schouder van de ander, terwijl Caleb de bol activeerde en ook zij verdwenen.

 

Een enorme aanwezigheid was gehuld in duisternis, de vorm ervan nauwelijks herkenbaar in het vage licht dat van een enkele lantaarn in een nis in de tegenoverliggende muur kwam.

Een stem sprak zonder geluid: We/kom, Puc van Schreiborg.  

Puc glimlachte en sprak hardop: 'Zo ben ik al jaren niet meer genoemd, vrouwe.' Hij wist dat de aanwezigheid niet stond op titels en dat de titel die hij koos nauwelijks passend was, maar hij voelde de behoefte om zijn respect te tonen.

'Zoals je wilt, magiër,' zei de lage stem. 'Wil je meer licht?'

'Dat zou plezierig zijn,' antwoordde Puc.

Plotseling baadde de ruimte in het licht, alsof de zon door glazen muren naar binnen scheen. Puc keek om zich heen, want hij was hier al in geen jaren meer geweest. Het was een grot, diep onder de stad Sethanon, waar Tomas een verschijning had verslagen die was opgeroepen door de drakenheerser Drakin-Korin. Puc en anderen hadden hier gestreden om een scheuring te sluiten die het hele koninkrijk dreigde te vernietigen, of misschien wel de hele wereld van Midkemia.  

Het wezen voor hem had het lichaam van de grote draak Ryath, maar de geest die erin huisde, was die van een heel oud wezen: het Orakel van Aal. Tijdens die heldhaftige strijd had de draak alles gegeven om een opperdrocht te verslaan, en er was ongelooflijk krachtige magie voor nodig geweest om een vonk van leven in het lichaam te houden nadat de geest ervan was gevlucht, zodat het Orakel een levende gastheer had. De natuurlijke schubben van de draak waren weggevaagd en een provisorische oplossing had er een wezen van ongelooflijke pracht van gemaakt. De schatten van de grote drakenheerser, die eeuwen eerder onder de stad waren verstopt, hadden de edelstenen geleverd die waren gebruikt om de beschadigde schubben te vervangen. Hierdoor was een wezen ontstaan van ongeëvenaarde schoonheid en macht in deze wereld: een grote draak vol edelstenen. Het licht danste over de facetten van duizenden stenen en het wezen leek te glinsteren alsof het bewoog, zelfs wanneer ze bewegingsloos rustte.  

'Is de cyclus van vernieuwing goed verlopen?' vroeg Puc.

'Ja,' antwoordde het Orakel. 'De cyclus van jaren is voltooid en ik bezit al mijn kennis weer.' Ze stuurde een mentale oproep uit, en twaalf mannen in witte mantels kwamen de ruimte binnen. 'Dit zijn mijn metgezellen.'  

Puc knikte. Deze mannen waren de aard van de grote draak van Sethanon gaan begrijpen en hadden vrijwillig hun vrijheid opgegeven, in ruil voor een levensduur die vele malen langer was dan normaal en voor de eer om een groter goed te dienen.

Want het Orakel was meer dan een eenvoudige ziener. Ze bezat de mogelijkheid om vele mogelijke uitkomsten te voorzien die uit een enkele keus konden voortkomen, en ze kon degenen die ze vertrouwde waarschuwen voor ophanden zijnd gevaar. En ze had in niemand op deze wereld zoveel vertrouwen als in Puc. Zonder zijn inmenging zou het ras van Aal -misschien wel het oudste ras in het heelal- een eeuw daarvoor al zijn uitgestorven. Puc knikte naar de metgezellen van het Orakel, en ze beantwoordden zijn groet op dezelfde manier.  

'Weet je waarom ik hier ben?' vroeg Puc.

'Er nadert een grote dreiging, sneller dan je denkt, maar...'

'Maar wat?' vroeg Puc.

'Het is niet wat je denkt dat het is.'

'De Dasati?'

'Zij zijn erbij betrokken en zijn op dit moment de voornaamste oorzaak, maar er zit een veel groter gevaar achter.'  

'De Naamloze?'

'Groter nog.'

Puc was stomverbaasd. Wat hem betrof kon er niets 'groter' in het heelal zijn dan de Hogere Goden. Hij vermande zich. 'Hoe kan er een grotere dreiging zijn dan de Naamloze?'

'Ik kan je alleen dit vertellen, Puc van Schreiborg: in het uitspansel van tijd en ruimte overstijgt de strijd tussen goed en kwaad al het andere. Wat jij ziet, is maar het kleinste deeltje van die strijd. Het is leeftijdsloos, begonnen voor de eerste Aal zich ontworstelde aan de modder van onze thuiswereld, en het zal aanhouden tot de laatste ster is uitgedoofd. Het maakt deel uit van de structuur van de realiteit zelf, en alle wezens bevinden zich binnen in dat conflict, zelfs als ze zich er niet van bewust zijn.

Sommige wezens krijgen een heel leven van vrede en veiligheid toegemeten, terwijl anderen onophoudelijk strijd moeten leveren. Sommige werelden zijn bijna paradijselijk, terwijl het op andere een constante hel is. Elk ervan is op zijn eigen manier deel van een veel groter evenwicht, en als zodanig is elk ervan een vitaal strijdperk in deze strijd. Vele werelden zijn in evenwicht.' Het Orakel zweeg even en vervolgde toen: 'Sommige werelden balanceren op de rand.'  

'Midkemia?'

De grote drakenkop knikte. 'Jouw levensduur is lang, vergeleken met die van andere stervelingen, maar in deze strijd gebeurt dat wat naar deze wereld komt in de tijd die het een god kost om met zijn ogen te knipperen.  

Midkemia is al te lang verstoken gebleven van de invloed van de Godin van het Goede. Wat jij en je Conclaaf zijn begonnen, stompt de inspanningen van de Naamloze al meer dan een eeuw af.

Maar hij ligt te slapen, en zijn trawanten zijn enkel dromen en herinneringen; machtig in jouw ogen, maar niets vergeleken met wat er zou komen als hij wakker zou worden.'

'Is hij bezig om wakker te worden?'

'Nee, maar zijn dromen zijn koortsiger, en zijn strijd wordt voortgezet door een ander, een wezen dat nóg machtiger en dodelijker is.'

Puc stond versteld. Hij kon zich geen wezen voorstellen dat machtiger en dodelijker was dan de God van het Kwaad. 'Wat voor wezen kan er nu...' Hij kon zijn vraag niet afmaken.

'De Duistere God van de Dasati,' zei het Orakel.

 

Puc verscheen in zijn werkkamer. Hij keek snel rond om te zien of hij alleen was, want zijn vrouw ging hier vaak in een hoekje zitten om rustig te lezen als hij er niet was. Hij was ontdaan door wat het Orakel hem had verteld. Hij had gedacht dat hij een ervaren man was, iemand die rampzalige gebeurtenissen had meegemaakt en had overleefd, iemand die talloze verschrikkingen had gezien maar toch had standgehouden, iemand die de Dood in haar eigen paleis tegemoet was getreden en was teruggekeerd naar de wereld van het leven. Maar dit ging zijn verstand te boven en hij voelde zich overstelpt. Op dit ogenblik wilde hij het allerliefst ergens een rustig plekje opzoeken en dan een week lang slapen. Maar hij wist dat die gevoelens alleen voortkwamen uit de schok die hij had gekregen, en dat ze snel zouden verdwijnen als hij zich richtte op de problemen die voor hem lagen. Ah, maar daar zat 'm de kneep, zoals het oude gezegde ging: waar moest hij beginnen? Met een probleem dat zo immens was als waar het Conclaaf nu voor stond, voelde hij zich als een zuigeling die met zijn kleine knuistjes een enorme berg moest verzetten.  

Hij liep naar een kast in de hoek en opende die. Er stonden verschillende flessen in, een ervan met een sterke drank die Caleb vorig jaar voor hem had meegebracht: Kinnoch-whisky. Puc had er een voorliefde voor ontwikkeld. Hij had ook onlangs een stel kristallen glazen van de keizer van Kesh gekregen, en schonk zichzelf wat van de drank in.  

Terwijl hij van de geurige, smakelijke drank nipte, voelde hij de warmte ervan door zijn mond en keel trekken. Hij sloot de kast en liep naar een grote houten kist op een boekenkast. Het was een eenvoudig gevormd ding, maar prachtig bewerkt, van acaciahout, met duvels en lijm in elkaar gezet en zonder een enkele bronzen of ijzeren spijker. Hij zette zijn glas neer en haalde het deksel eraf, legde het aan de kant en keek in de kist, waar één vel perkament in lag.

Hij zuchtte; hij had al verwacht dat hier te vinden.

De kist was op een ochtend verschenen, jaren eerder, op zijn bureau in zijn werkkamer in Sterrewerf. Er had een afweer overheen gelegen, maar wat hem verraste was niet die afweer op zich, maar dat het een afweer was die hij snel herkende. Het leek wel alsof hijzelf de afweer over de kist had gelegd. In de verwachting dat het een valstrik was, had hij zichzelf en de kist over een grote afstand verplaatst, weg van Sterrewerfeiland, en had zich omhuld met beschermende bezweringen. Toen had hij het kistje geopend, en dat was doodeenvoudig geweest. Er hadden drie briefjes in gelegen.  

Op het eerste briefje stond: 'Dat was een hoop werk voor niets, hè?'

Op het tweede stond: 'Als Robert vertrekt, laat hem dan dit zeggen tegen een man die hij zal ontmoeten: ''Er is geen magie".'  

En op het laatste stond: 'Raak vooral nooit deze kist kwijt.'

De briefjes waren in zijn eigen handschrift geschreven.

Jarenlang had Puc deze kist geheimgehouden, een toestel waardoor hij zichzelf vanuit de toekomst briefjes kon sturen. Af en toe dacht hij erover na en bestudeerde het ding op zijn gemak, want hij wist dat hij uiteindelijk het geheim ervan zou moeten ontraadselen. Er kon geen andere verklaring zijn dan dat hij zichzelf boodschappen stuurde.

In de tussenliggende jaren had hij de kist acht keer opengemaakt en had dan telkens een nieuwe boodschap gevonden. Hij wist niet hoe hij het wist, maar als er een briefje in lag, voelde hij altijd aan dat het weer tijd was om de kist open te maken.  

Op één van de briefjes had gestaan: 'Vertrouw Miranda.' Dat briefje was gekomen voordat hij zijn vrouw had ontmoet, en toen hij voor het eerst met haar kennis maakte, besefte hij waarom hij zichzelf die boodschap had gestuurd. Ze was gevaarlijk, machtig en eigenzinnig, en op dat moment een onbekende. Maar zelfs nu nog vertrouwde hij haar niet helemaal. Hij vertrouwde op haar liefde voor hem en hun zoons en ook op haar toewijding aan hun zaak. Maar ze had vaak haar eigen plannen, negeerde zijn leiderschap en nam zelf de touwtjes in handen. Jarenlang had ze agenten voor zichzelf te werk gesteld, naast de agenten die voor het Conclaaf werkten. Zij en Puc hadden door de jaren heen verschillende verhitte ruzies gehad, en diverse keren had ze beloofd haar inspanningen te beperken tot de afgesproken doelen en strategieën van het Conclaaf, maar toch slaagde ze er altijd in te doen wat ze zelf wilde.

Hij aarzelde. Wat er ook op dat stuk perkament stond, het was iets wat hij moest weten, maar tegelijkertijd vreesde hij het. Nakur was de eerste geweest die hij over de boodschappen had verteld - pas in het afgelopen jaar - hoewel Puc nog altijd de enige was die wist van de kist. Miranda dacht dat het maar een sIervoorwerp was.

Terwijl Puc het vel perkament begon uit te rollen, vroeg hij zich niet voor het eerst af of die boodschappen dienden om te zorgen dat iets specifieks gebeurde, of om te voorkomen dat er iets vreselijks zou gebeuren. Misschien was er wel geen onderscheid.  

Hij keek naar het perkament. Er stonden twee regels in zijn eigen handschrift op. De eerste regel was: 'Neem Nakur, Magnus en Bek mee, geen anderen'. De tweede regel was: 'Ga naar Kosridi, dan naar Omadrabar' .  

Puc deed de kist dicht en ging achter zijn bureau zitten. Hij las het briefje diverse keren om te achterhalen of er een diepere betekenis achter die twee simpele regels lag. Toen leunde hij achterover en nipte van zijn drankje. Kosridi herkende hij als de naam van de wereld die de god Banath in een visioen had getoond aan Kaspar van Olasko. Het was een van de werelden waarop de Dasati woonden. Waar Omadrabar lag, daar had hij geen idee van. Maar hij wist één ding: op de een of andere manier moest hij een weg zien te vinden naar het tweede bestaansniveau - naar het vlak van de werkelijkheid waar voorzover hij wist niemand uit deze realiteit ooit was geweest. Van daaraf moesten hij en zijn metgezellen dan naar de Dasatiwereld Kosridi zien te komen, en vervolgens naar dat Omadrabar. En als hij al ergens zeker van was, dan was het wel dat Omadrabar ongetwijfeld de gevaarlijkste plek zou zijn waar hij ooit was geweest.