11
Delecordia
Het uitzicht was adembenemend.
Puc, Nakur, Magnus en Bek waren na gedetailleerde instructies van Vordam een deur vanuit de Galerij der Werelden uitgelopen, en stonden nu op een bergpiek uit te kijken op de stad Shusar, op de wereld Delecordia. Vordam had verteld dat er drie deuren waren tussen Delecordia en de Galerij, waarvan deze het minst werd gebruikt, en niet zonder reden. De deur kwam uit op een winderige richel waar net voldoende ruimte was om er met hun vieren op te staan, en alleen een smal paadje leidde omlaag naar de veiligheid.
Puc maakte zich geen zorgen over valpartijen; hij had genoeg magische vaardigheden om zichzelf en de anderen te beschermen, hoewel geen van hen waarschijnlijk zijn hulp nodig zou hebben. Magnus kon beter leviteren en vliegen dan elke andere student in de geschiedenis van Tovenaarseiland, Nakur had altijd wel een 'truc' achter de hand, en hoewel Bek niet kon vliegen, gaf alles wat hij over zichzelf had onthuld Puc de indruk dat er meer dan een val van een bergje voor nodig was om de jonge strijder te vellen.
'Kijk daar eens,' fluisterde Bek. 'Dat is interessant.'
Nakur moest het wel met hem eens zijn. 'Ja, heel interessant.'
De hemel had kleuren die ze nog nooit hadden gezien, fonkelende tinten uit het hele kleurenspectrum, die kort pulseerden en gloeiden maar nooit lang genoeg bleven stilstaan om ze goed te kunnen zien. Het leek wel alsof elke windvlaag of beweging van een wolk boven hen werd beantwoord door die buitenaardse kleuren. Puc keek er een tijdje zwijgend naar en merkte toen op: 'Ik heb wel eens eerder zulke kleuren gezien.'
Magnus keek naar de steile berghelling onder hen. 'Wanneer dan, vader?'
'Toen ik jong was. Tijdens de rit met heer Borric, toen Tomas en ik met hem meereisden om de prins van Krondor te waarschuwen voor de Tsurani-invasie. Onder de dwergenbergen ontdekten we een waterval die ook zulke kleuren had. Er kwamen mineralen uit de rotsen vrij, die fosforesceerden in de kolkende energie van het water en het licht van onze lantaarns. Sindsdien had ik dergelijke kleuren niet meer gezien, en nooit zo helder als deze.'
'Ik vind het mooi!' riep Ralan Bek, alsof hij zijn standpunt wilde benadrukken door te schreeuwen.
'Echt waar?' vroeg Nakur. Zijn ervaring met de jongeman had hem niet de indruk gegeven dat de jongeman oog had voor schoonheid.
'Ja, Nakur.' Bek keek naar de hemel met een bijna gefascineerde uitdrukking op zijn gezicht. 'Het is fraai. Vooral die flitsen, en hoe je de wind kunt zien.'
'Kun jij de wind zien?' vroeg Magnus.
'Ja. Jij niet?'
'Nee,' gaf Magnus toe.
Nakur kneep zijn ogen tot spleetjes. 'Ah, nu zie ik het...' Hij wendde zich tot de twee magiërs. 'Als je probeert door de lucht heen te kijken, naar de ruimte erachter, dan zie je de druk van de wind, net als water dat rimpelt over een vlakke rotsplaat. Probeer het maar eens.'
Puc deed het en kreeg na enige tijd een idee van wat de twee mannen bedoelden. 'Het lijkt op de hete lucht boven woestijnzand,' zei hij uiteindelijk.
'Ja!' zei Bek. 'Maar dan meer. Je kunt het achter zichzelf zien.'
Puc kneep vragend zijn ogen samen naar Nakur, die enkel zijn hoofd schudde. 'Hij ziet dieper dan wij.'
Puc besloot de kwestie voor het ogenblik te laten rusten. De wind was kil en de lucht had een bittere ondertoon. In de verte zagen ze hun bestemming, de stad Shusar. 'Kijk eens hoe groot die stad is,' zei hij.
Hij had langdurig met Kaspar gesproken over zijn visioen op de bergen die het Paviljoen van de Goden werden genoemd, en hem vragen gesteld over elk detail. Eén ding waar Kaspar heel nadrukkelijk over was geweest, was hoe enorm de steden van de Dasati waren.
Puc probeerde rustig te blijven, maar hun aankomst op Delecordia en alles eromheen was enerverend. 'Ik denk dat het wel even duurt voor we hieraan gewend zijn.'
'We kunnen beter verdergaan, vader,' zei Magnus. 'Vordams instructies helpen wel, maar ik begin me toch wat naar te voelen. We moeten snel naar Kastor.'
Puc knikte instemmend en begon het pad af te lopen. 'Zodra het kan, zal ik een kleine sprong proberen naar een zichtbare plek, maar ik vermoed dat ik mijn gedachten niet goed zal kunnen richten. Ik voel me alsof ik een slaapmiddel heb genomen.'
Nakur knikte. 'Het is hier interessant, maar niet goed. We moeten die Kastor vinden.'
Zoals hij al had vermoed, was Puc niet in staat de bezwering toe te passen om over korte afstanden te reizen, waarmee hij normaal gesproken naar elke plek kon gaan die hij kon zien. Nakur zag hem tobben en zei: 'Ja, ja, zoals ik al dacht. De materie is hier anders dan thuis. Het is verdraaid... verkeerd.'
'Hoe bedoel je?' vroeg Magnus terwijl ze over het lange pad voortploeterden dat naar de weg naar de stad leidde.
'Weet ik niet,' zei Nakur. 'Zo zie ik het. Materie heeft regels. Ze gedraagt zich op een bepaalde manier als je er iets mee doet. Als je aan de rechterkant duwt, dan gaat ze naar links. Als je omlaag drukt, gaat ze omlaag. De materie op deze wereld... het is net alsof die terugduwt als je erop duwt, of dat ze naar links wil als je omlaag drukt.' Hij grijnsde en voegde eraan toe: 'Interessant, en als ik de tijd had, zou ik vast wel een manier kunnen vinden om ermee om te gaan.'
'Als Kastor voor ons kan zorgen zoals Vordam zei,' zei Puc, 'dan is er wel tijd om je erin te verdiepen, Nakur. En ook voor Magnus en mij.'
Bek maakte een weids armgebaar naar het hele uitzicht. 'Dit is een prachtige plek, Nakur. Ik vind het hier echt mooi.' Nakur keek zijn jonge metgezel aan. 'Hoe voel je je?'
Bek haalde zijn schouders op en liep naast Nakur mee over het smalle pad. 'Ik voel me prima. Hoezo? Jij niet?'
'Niemand van ons voelt zich hier goed, maar jij wel?' vroeg Nakur.
'Ja. Is dat verkeerd?' vroeg de sterke jongeling.
'Kennelijk niet,' zei Magnus.
Het pad werd breder toen ze de lagere heuvels bereikten. Na bijna twee uur stevig doorlopen, kwamen ze aan de rand van een brede weg, bijna een grote straat, die naar de stad leidde. Er rolde een kar voorbij, voortgetrokken door een beest dat bijzonder veel op een paard leek, maar bredere schoften en een kortere nek had. Het beest snoof telkens als de menner op de hoge bok het met een lange stok porde. Terwijl de kar hen passeerde, keek de menner kort naar hen, maar als hij al verrast was vier mensen langs de weg te zien staan, liet hij daar niets van merken.
'Ik vraag me af hoe hij dat beest tot stilstand brengt,' zei Puc.
'Misschien blijft-ie stilstaan als de menner ophoudt met porren, uit dankbaarheid?' opperde Nakur.
Magnus lachte zo hard dat Puc verwonderd naar hem keek. Zijn oudste zoon gaf maar zelden blijk van een gevoel voor humor, en als hij dat deed, verraste hij zijn vader daar altijd mee.
Ze gingen de straat op en bleven aan de rand ervan lopen, want er kwamen doorlopend voertuigen voorbij. Puc was wel vaker op andere werelden geweest, had zelfs acht jaar op Kelewan gewoond bij de Tsurani, en was vaker omgegaan met nietmenselijke, intelligente wezens, maar er was hier iets wat hem meer fascineerde dan alles wat hij ooit eerder had ervaren. Deze plek en deze mensen waren buitenaards op een manier die hij nooit voor mogelijk had gehouden.
Vordam was heel precies geweest in zijn instructies, en had een paar vragen beantwoord, maar alleen over hoe Puc en zijn vrienden zo snel en efficiënt mogelijk bij de handelaar Kastor konden komen. Vordam had vele vragen doorverwezen naar Kastor, alsof hij redenen had om voorzichtig te zijn en niet alles te onthullen.
De stad was prachtig. Terwijl ze verder liepen en er steeds dichterbij kwamen, zag Puc dat de stenen van de donkere stadsmuur licht weerspiegelend waren en vleugen kleur hadden, alsof het licht werd opgebroken in een spectrum, zoals bij olie op water. Zaten er kristalletjes in het steen?
Toen ze de enorme stadspoorten naderden, nam hun verwondering alleen maar toe. De stenen zaten zo dicht op elkaar dat de muur naadloos leek. Hij was zo'n elf of twaalf verdiepingen hoog.
'Op wat voor vijand zijn ze hier voorbereid?' vroeg Puc.
'O, misschien houden ze gewoon van heel grote dingen,' antwoordde Nakur terwijl hij op de linkerkant van de enorme stadsingang afliep. 'Maar dit is interessant,' merkte hij op.
Er waren geen poorten zoals mensen die traditioneel maakten. Een enorm deel van de muur was eenvoudig naar binnen getrokken op scharnieren die ze niet konden zien en zich ook niet konden voorstellen. Nakur lachte. 'Die hebben ze al een tijd niet meer hoeven gebruiken.'
Er was een boom langs de muur gegroeid, en die blokkeerde het segment dat opzij was getrokken. 'Die zou het lastig maken de poort te sluiten,' zei Magnus glimlachend.
'Ik denk dat ze wel een manier zouden vinden,' zei zijn vader terwijl ze de Ipiliacstad Shusar binnengingen. 'Dat ze vredelievend zijn, is goed nieuws.'
'Of ze hebben al hun vijanden al vermoord,' opperde Bek. Puc wierp een blik achterom naar de jongen en zag dat Ralan naar alles om zich heen keek met grote ogen en een brede grijns op zijn gezicht. 'Ik mag deze mensen wel, Nakur,' zei Bek. 'Dit is een interessante en prachtige plek.'
Puc had niet zoveel inzicht als Nakur in hoe die vreemde jongen dacht, maar hij kende hem goed genoeg om te weten dat dit voor Bek een uitbundig vertoon was van wat anderen vreugde noemden. Bek verkeerde kennelijk permanent in een verhoogde staat van bewustzijn en schepte genoegen in alles wat een emotionele piek veroorzaakte; of het nu seks, geweld of schoonheid was. Puc vroeg zich niet voor het eerst af waarom zijn toekomstige ik erop had gestaan die jongen mee te nemen. Nu vielen kleine stukjes van een heel ingewikkelde puzzel op hun plek; van hen allen was Bek het minst gedesoriënteerd en ontdaan over hun aankomst in dit rijk. Hij scheen er echt van te genieten, terwijl zijn drie metgezellen zich steeds onbehaaglijker en zieker begonnen te voelen.
Als hun aanwezigheid opschudding veroorzaakte bij de Ipiliac, dan verborgen ze het goed. Eigenlijk, zag Puc, keken de meesten amper naar de vier mensen.
Hij moest toegeven dat zodra het buitenaardse aspect begon te wennen, de Ipiliac een fraai ras vormden: ze waren lang, met een bijna koninklijke uitstraling en een soepele, sierlijke manier van bewegen. De vrouwen waren opvallend, al waren ze dan naar menselijke maatstaven misschien niet meteen aantrekkelijk te noemen. Ze liepen nog sierlijker dan de mannen, op een manier die bijna verleidelijk was, maar ze schenen zich daar niet erg van bewust te zijn. Het ging er ontspannen aan toe op de markt, waar mannen en vrouwen lachten en elkaar begroetten. Voor zover Puc kon zien, leek dit een gelukkig volk.
Tegen de tijd dat ze het plein hadden bereikt dat Vordam had beschreven, voelde Puc een zware druk op zijn borst, was hij kortademig en begon hij te hoesten. De anderen, behalve Bek dan, hadden het ook moeilijk. Puc bleef staan voor een fontein die ongelooflijk mooi was, gemaakt van kristal met lichtjes erin en water dat in grote vlakken neerkwam en helder klaterde als de druppels op het kristal belandden.
'Daar,' zei Puc wijzend. 'De winkel met de rode deur.'
Een groep ruiters reed over het plein, allemaal in zwarte tunieken met paarse biezen en een wit schild op hun rug. Ze droegen hoeden die van een soort vilt leken te zijn gemaakt, en laarzen tot aan de knie met een lange, neergevouwen flap aan de voorkant. Hun stoere uiterlijk werd benadrukt doordat elke man een kort baardje droeg.
Ze hielden hun vreemde, paardachtige rijdieren in een korte draf, en Bek lachte als een kind. 'Ha! Ik vraag me af of ze kunnen vechten?'
Puc keek meteen op om te zien of hij die vraag in de praktijk wilde uittesten, maar was opgelucht toen hij zag dat Bek alleen maar met open mond van bewondering toekeek. Hij gebaarde dat de anderen hem moesten volgen en ze liepen naar hun bestemming toe. Puc keek snel door de straat om te zien hoe de plaatselijke bewoners de winkels betraden - of ze eerst klopten en dan naar binnen gingen, of ze werden binnengelaten of gewoon naar binnen liepen. Toen hij zag dat iedereen de winkels gewoon in en uit liep, duwde hij de winkeldeur open. Binnen vonden ze niets wat leek op een menselijke winkel: geen toonbank, geen schappen, geen duidelijke inventaris of zelfs maar afbeeldingen van producten die er werden verkocht. In plaats daarvan lagen er kussens op de vloer rondom een groot toestel, waar diverse buizen van geweven stof uitkwamen. Boven op het apparaat stond een grote schaal.
Er kwam een Ipiliac door een kralengordijn binnen. Hij was lang en mager, zelfs vergeleken met de rest van zijn ras. Zijn mantel had een regenboog van kleuren, die van tint veranderen als hij liep. Hij bleef even staan, keek hen een voor een aan, en zei toen iets in een vreemde taal. Toen ze niet reageerden, probeerde hij een andere taal, een die Puc herkende.
'Daar komen we niet vandaan,' zei hij. 'Wij komen van Midkemia.'
In het Keshisch zei de koopman: 'Welkom in mijn etablissement. Ik krijg maar zelden menselijke klanten. Jullie moeten degenen zijn waar Vordam het over had. Hoe kan ik jullie helpen?'
'We zoeken een gids naar Kosridi.'
De handelaar keek verbaasd. 'Jullie zoeken een weg naar het volgende rijk?'
'Is het mogelijk?' vroeg Puc.
'Ja, maar wel moeilijk. Vordam zou jullie niet hebben gestuurd als hij dacht dat het onmogelijk was. Jullie moeten bijzonder sterk zijn als jullie deze winkel hebben bereikt zonder hulp van krachtige magie.'
'Die schijnt hier niet te werken,' antwoordde Magnus. 'En het wordt steeds lastiger om te ademen.'
Kastor knikte. 'Ik kan daarbij helpen.' Hij verdween achter in zijn winkel en keerde even later terug met een buideltje, waarvan hij de inhoud in de schaal op het toestel goot. Toen voegde hij er een vloeistof aan toe, en bijna meteen verscheen er een lichte mist boven de schaal. 'Als jullie de mist inademen door die slangen, zal dat jullie ademhalingsmoeilijkheden snel verlichten.'
'Ik heb dat niet nodig,' zei Bek.
De Ipiliac bekeek de jongeman een tijdje en zei toen zachtjes: 'Ik geloof dat je gelijk hebt.'
Puc aarzelde even toen Nakur en Magnus begonnen te ademen door de buizen, maar het had geen zin om zich zorgen te maken. Ze hadden geen keus. Ze waren nu eenmaal hier en moesten dit wezen vertrouwen. Puc inhaleerde diep en onderdrukte een hoestbui toen de sterke dampen zijn longen bereikten. Na een paar keer diep ademhalen, nam zijn ongemak af.
Nakur inhaleerde een keer diep. 'Dit is goed spul.'
'Vergeef me mijn botheid,' zei Kastor, 'maar de tijd zal tegen jullie werken als jullie besluiten niet verder te gaan op jullie tocht.'
'We zijn niet van plan terug te gaan.'
'Dat zeg je nu wel, maar er zijn vele dingen aan die plek waar je naartoe wilt waarvan ik zeker ben dat je ze niet begrijpt, en ik help jullie pas zodra ik zeker weet dat je ze wél begrijpt.'
Puc knikte.
'De Dasati vermoorden je zodra ze je zien, gewoon omdat je bestaat. Het is een ras dat lijkt op het onze, maar ze worden gedreven door een realiteit die jullie je nauwelijks kunnen voorstellen, Iaat staan volledig begrijpen. Alles wat een potentiële dreiging is, wordt vernietigd, volkomen vernietigd. Alles wat ze niet begrijpen, is een dreiging en wordt daarom vernietigd.
In de geschiedenis van dat volk zijn er twaalf werelden onder hun bewind gekomen. Daarvan werden er vijf bevolkt door andere rassen. In alle gevallen zijn die werelden volledig ontdaan van de oorspronkelijke rassen. Tegenwoordig komt elk dier, tot aan het laagste insect, elke plant, elke levensvorm, van de thuiswereld van de Dasati: Omadrabar.'
Puc herkende die naam uit zijn eigen briefje aan zichzelf, maar zei niets. Hij wilde nadenken over waarom hij zichzelf niet alleen deze bijna onmogelijke taak had opgelegd, maar zelfs naar het hart moest gaan van de gevaarlijkste dreiging voor zijn eigen wereld.
'Ik begrijp je waarschuwing,' zei Puc. 'De Dasati zijn vreeswekkend en dodelijk.'
'Onverzettelijk, mijn vriend. Je krijgt er nooit een zover om met je te praten, laat staan te onderhandelen. Als je alleen al de eerste paar minuten op Kosridi wilt overleven, komt daar veel meer bij kijken dan enkel jullie lichaam voorbereiden op de levensomstandigheden op die wereld.'
'Vordam heeft daar al iets over gezegd,' zei Puc. 'Hij zei dat het leek alsof je stro op het vuur gooide.'
'Eerder olie,' antwoordde Kastor. 'Laten we er alvast van uitgaan dat jullie erop zijn ingesteld om die bestaanstoestand te verdragen. Dan moeten jullie nog altijd de Dasati zien te overleven. Daarvoor is magie nodig van onvoorstelbare proporties, want jullie zullen op elke mogelijke manier op Dasati moeten lijken, niet alleen qua uiterlijk, maar ook wat betreft zintuigen die verder reiken dan die van jullie. Ze kunnen bijvoorbeeld je lichaamswarmte zien, net als ik, en jullie gloeien feller dan zij. Dus moeten we aan vele details werken, zelfs tot jullie lichaamsgeur en de klank van jullie stem aan toe. Bovendien moet die bezwering niet slechts minuten of uren aanhouden, maar wekenlang, misschien wel maandenlang. Daarnaast moeten jullie hun taal, hun cultuur en hun gedrag leren om niet op te vallen. En jullie moeten belangrijk genoeg zijn om te voorkomen...' Hij stak zijn handen in de lucht. 'Nee, het is gewoon onmogelijk.'
Puc keek hem aan. 'Ik denk van niet. Ik denk dat jij weet hoe zoiets te realiseren is. Je ziet er alleen geen voordeel in.'
'Dat is niet waar. Voor deze training zal ik een betaling vragen waar een koning op jullie wereld tevreden mee zou zijn.' Hij kneep zijn ogen tot spleetjes. 'Vordam zou jullie niet hebben gestuurd als jullie niet de middelen hadden om zoiets te bekostigen.'
'Ik kan betalen,' zei Puc.
'Ik ben nieuwsgierig,' zei Nakur. 'Wat voor soort betaling?'
'Het gebruikelijke,' zei Kastor. 'Waardevolle metalen: goud uit jullie rijk is vooral nuttig omdat het neutrale eigenschappen heeft. Zilver om omgekeerde reden. Bepaalde edelstenen voor hun toepassingen en hun schoonheid. Net als vele andere rassen, houden wij van voorwerpen die uniek zijn of tenminste opvallend, van kunstige en curieuze dingen.' Hij keek Nakur aan. 'Maar wat ik het meest op prijs stel, is informatie.'
'Betrouwbaarheid en onwaarschijnlijkheid,' zei Nakur.
'Ja,' zei Kastor. 'Jij begrijpt het.' Hij keek Magnus aan. 'Jij ook?'
'Waarschijnlijk niet,' zei de jongere magiër, 'maar ik ben de zoon van mijn vader, en ik ga waar hij gaat.'
Kastor stelde dezelfde vraag aan Bek. 'En jij, jonge strijder. Begrijp jij het?'
Bek grijnsde alleen maar, en het viel Puc op hoe jong hij er soms uitzag. 'Het kan mij niet schelen. Zolang ik maar plezier heb. Nakur zei dat dit leuk zou worden, dus ga ik met hem mee.'
'Goed dan,' zei de Ipiliac, en stond op. 'We beginnen meteen. Als eerste moeten we oplossingen zien te vinden voor een grote verscheidenheid aan problemen, maar het dringendst is jullie vermogen om de lucht van Kosridi in te ademen, het water te drinken en jullie levensenergie in je lichaam te houden.'
Hij wenkte hen mee door het kralengordijn. Achter in het gebouw ontdekten ze een gang die naar een veel groter gebouw leidde: een pakhuis met ontelbare rijen schappen.
Toen ze door het pakhuis waren gelopen, leidde hij hen een gang in met deuren aan weerszijden. Aan het einde van de gang wees Vordam naar twee deuren, een aan elke kant, en zei: 'Hier logeren jullie. Binnen het uur kom ik terug met verschillende drankjes, mengsels en poeders die jullie moeten innemen. Zonder die stoffen zal het niet lang duren voor jullie zo ziek worden dat niemand meer iets voor jullie kan doen. Maar zelfs ondanks die maatregelen moeten jullie voorbereid zijn op vele dagen van groot ongemak. Als jullie geheel geacclimatiseerd zijn in deze wereld, beginnen we met vier dingen: we bereiden jullie voor op je reis naar het tweede rijk, wat zal aanvoelen alsof je het hele proces weer opnieuw doorstaat; we reorganiseren jullie gedachten zodat jullie door je begrip van magie jullie magische kunsten kunnen gebruiken; we onderwijzen jullie over de Dasati, hun taal, hun overtuigingen en hoe jullie op hen kunnen lijken zodat ze jullie niet vermoorden; en dan zullen we uiteindelijk gaan begrijpen waarom jullie een taak willen ondernemen die zo onvoorstelbaar idioot is.'
Hij vertrok zonder verder nog iets te zeggen, en de vier mannen bleven achter in de gang. Puc opende een van de twee deuren en gebaarde naar Magnus dat hij met hem mee moest gaan, en Nakur en Bek namen de andere deur.
Na twee weken begon het voedsel hun normaal te smaken en rook de lucht zoet. De aanvallen van maagkrampen, de hoestbuien, de misselijkheid en het plotselinge zweten gingen over. Kastor had een reeks instructies van een Ipiliacmagiër geregeld, een wezen dat Danko heette en dat Nakur meteen fascineerde; Danko scheen dezelfde interesses te hebben als de kleine gokker. Nadat er een oefening voltooid was, gingen de twee vaak wandelen in de stad, met Bek achter hen aan, terwijl Puc en Magnus zich richtten op andere problemen die ze konden verwachten.
Puc en zijn zoon maakten gebruik van de afwezigheid van de anderen en praatten over een kwestie die Puc nog steeds niet tot ieders tevredenheid had uitgelegd: waarom maakten ze deze reis eigenlijk?
'Eerlijk gezegd, jongen, weet ik het niet,' zei hij.
Magnus zat in kleermakerszit op een slaapvlonder en glimlachte. 'Moeder zou blij zijn je zoiets te horen toegeven.'
Puc had maandenlang overwogen of hij zijn familie moest vertellen over de briefjes uit de toekomst, maar zijn voorzichtigheid had hem altijd gemaand dat niet te doen. Hij zuchtte. 'Ik mis haar meer dan ik je kan vertellen. Ik zou nu met plezier een van haar woedeaanvallen doorstaan, gewoon om haar stem te kunnen horen.'
Magnus glimlachte breed. 'Ik kan me indenken wat je over je heen zou krijgen als ze hoorde dat je ze woedeaanvallen noemt.'
Puc lachte. Toen trok hij een bezorgd gezicht. 'Magnus, alles wat ik je op dit moment kan vertellen, is dat ik zeker weet dat het heel belangrijk is dat we naar de Dasatiwereld reizen. We moeten naar het hart van hun rijk, en wel via een bepaalde wereld - waar ik vermoed dat we de reden zullen vinden voor die inbreuken op Kelewan en de oorsprong van de scheuringen - en dan ontdekken we daar wat er moet gebeuren om onze wereld en Kelewan te redden.'
'Maar wat ik niet begrijp, is waarom we dit risico moeten nemen. De talnoy wordt veilig bewaard bij de Assemblee en Midkemia heeft geen last meer van scheuringen. Waarom vernietig je de talnoy niet gewoon? Volgens Tomas' herinneringen aan de Drakenheersers zijn ze niet onkwetsbaar. Of verplaats hem dan in ieder geval. Misschien naar een verlaten wereld?'
Puc zuchtte. 'Daar heb ik ook al aan gedacht, en ook aan andere dingen. Als we iets waardevols kunnen ontdekken door het onderzoek dat de Assemblee naar het toestel doet, dan is dat het risico waard. Ik wil de talnoy die dankzij de afweren in Novindus nog voor de Dasati verborgen zijn niet verstoren. Als het moet, kan de Assemblee de talnoy terugbrengen naar Midkemia via een scheuring naar ons eiland, en je moeder weet wat haar te doen staat als zoiets nodig mocht zijn.'
Magnus stond op. 'Kom, we gaan een eindje wandelen. Ik heb het hier wel gezien. Mijn maag doet geen pijn meer, en deze kamer benauwt me.'
Puc stemde ermee in en ze verlieten de kamers bij de handelaar. Ze werden hier bij zonsondergang weer verwacht, als Danko langskwam voor een volgende oefening in magie. Nakurs observatie dat de materie in deze wereld zich anders gedroeg was juist gebleken; zodra de Ipiliacmagiër zijn lessen was begonnen, merkte Puc al snel dat alles in dit rijk andere gedragsregels volgde, en dat er nieuwe methoden nodig waren om hun magie te laten werken. Het was net, zo concludeerde Puc na de eerste les, alsof je een nieuwe taal leerde.
Op het plein zagen ze dat er weer een Ipiliacfestival bezig was. Puc had ervan staan te kijken hoeveel dit volk van dat soort evenementen hield, vaak ter gelegenheid van heilige dagen of data die geschiedkundig belang hadden. Dit festival leek iets te maken te hebben met eten, want er werden door de lieden in de processie koeken naar het publiek gegooid.
Puc greep een vuistgrote koek uit de lucht en nam er een hap van. 'Niet slecht,' zei hij, en bood de helft aan Magnus aan, die zijn hand opstak om te bedanken.
Ze liepen over het plein en een stukje over de hoofdboulevard, nog altijd stomverbaasd over hoe groot deze Ipiliacstad was. Gebouwen waren soms wel twaalf verdiepingen hoog, allemaal met gladde gevels van steen. Er was niets in deze stad dat ook maar enigszins leek op enige menselijke stad die vader of zoon ooit had bezocht, niets van de hapsnap-bouw die ze uit het Koninkrijk kenden of de onderkomens die je zag in de Hete Landen van Kesh, waar huizen gedrongen, donkere toevluchtsoorden waren voor de hitte. Evenmin leek het op de bouwstijl in Kelewan, waar gebouwen allemaal wit werden geschilderd om het zonlicht te weerkaatsen en landhuizen werden gebouwd van hout en papier, met schuif muren om de wind binnen te kunnen laten en vele fonteinen en vijvers.
Uit een zijstraat kwam een kleine stoet aan: een rijke vrouw in een draagstoel die werd getorst door een stel stevige dragers - voor Ipiliacse begrippen althans. Magnus en Puc stapten opzij toen de deftige vrouw passeerde, die uitdagend was gekleed: ze droeg een smalle riem met edelstenen om een heel dun rokje dat zeer weinig aan de verbeelding overliet, en een lijfje dat bestond uit ingewikkeld kralenwerk, dat verschoof en bewoog en fascinerende blikken op haar blote huid bood. Haar zwarte haren, de meest gebruikelijke kleur bij deze mensen, werden hoog op haar hoofd bijeengehouden door een gouden ring, zodat ze in een paardenstaart over haar rug vielen; om elke vinger droeg ze ringen met edelstenen.
Toen ze voorbij was, merkte Magnus op: 'Die acclimatisering die we ondergaan heeft interessante effecten, vader. Ik vond die vrouw aantrekkelijk.'
'Het is een mooi ras, als je eenmaal gewend bent aan hun uitheemse uiterlijk,' zei Puc.
'Nee, ik bedoel aantrekkelijk op de manier zoals ik een mensenvrouw opwindend kan vinden. En dat is vreemd.'
Puc haalde zijn schouders op. 'Misschien. Ik vond de elfenkoningin ook mooi, al was het geen echt fysiek verlangen; maar Tomas was allang voordat hij veranderde in wat hij nu is verliefd op haar. Misschien heeft het iets te maken met de veranderingen die we ondergaan, of misschien komt het gewoon doordat je een bredere kijk op schoonheid hebt dan je vader.'
'Dat zou kunnen,' zei Magnus. 'Ik vraag me af wie ze is. Als we in Kesh waren, zou ik denken dat ze van adel was of een lager lid van het koninklijk huis. In Krondor zou ik eerder denken dat ze een courtisane van een rijke man was.' Hij schudde zijn hoofd gelaten. 'Maar hier? Kunnen we genoeg leren over de Dasati in... een enigszins redelijk tijdsbestek om een bezoek aan hun wereld te overleven?'
Puc zuchtte. 'Ik ben er eigenlijk van overtuigd dat het mogelijk is, maar hoe ik daartoe kom...' Weer vroeg hij zich af of hij zijn zoon moest vertellen over de boodschappen uit de toekomst. 'Laten we zeggen dat ik denk dat deze reis minder gevaarlijk is dan hij lijkt.'
Magnus zweeg een tijdje, en toen zei hij: 'Je moet ophouden me als je zoon te behandelen, vader. Ik ben, en dat ben ik al jaren, je meest begaafde student. Ik ben bijna even machtig als jij of moeder op bepaalde vlakken, en ik vermoed dat ik jullie op een dag misschien wel allebei inhaal. Ik weet dat je me probeert te beschermen.'
Puc legde hem met een opgestoken hand het zwijgen op. 'Als ik je wilde beschermen, Magnus, dan had ik je op het eiland achtergelaten bij je moeder en je broer.' Hij keek om zich heen alsof hij zijn gedachten op een rijtje wilde zetten, en koos zijn woorden zorgvuldig. 'Beweer nooit dat ik je probeer te beschermen, Magnus. Ik heb minstens tien keer mijn mond gehouden als jij het gevaar opzocht, terwijl elke vezel van mijn wezen me toeschreeuwde dat ik iemand anders moest sturen. Op een dag ben je misschien zelf vader, en dan pas zul je begrijpen wat ik bedoel. Als ik alleen maar wilde dat je veilig was, zou je hier niet zijn. Jij hebt een broer en een zus verloren die je nooit hebt gekend, maar ik heb kinderen verloren van wie ik evenveel hield als van jou en Caleb.'
Magnus sloeg zijn armen over elkaar en keek op hem neer, en even zag Puc zijn vrouw in zijn zoon, zowel in zijn houding als in zijn gezichtsuitdrukking. Uiteindelijk zuchtte Magnus. Hij keek Puc in de ogen en zei: 'Het spijt me, vader.'
'Dat is niet nodig,' zei Puc, die zijn arm vastpakte. 'Ik begrijp je frustratie. Er gaat geen dag voorbij dat ik niet denk aan mijn eigen frustratie toen mijn krachten groeiden, en jouw groei is veel makkelijker geweest dan die van mij, voor het geval je het vergeten was.'
Magnus glimlachte warm. 'Dat besef ik.' Hij wist dat zijn vader moeite had gehad met zijn oorspronkelijke mentor, de oude magiër Kulgan van het Mindere Pad. Dat kwam doordat Puc in dat stadium van zijn leven een natuurlijke aanleg had voor het Hogere Pad, een onderscheid dat nu niet meer uitmaakte, maar dat heel veel verschil had gemaakt toen hij nog een jongen was. Daarna had hij vier jaar doorgebracht als slaaf, en toen nog eens vier in opleiding bij de Assemblee van Magiërs op Kelewan. Vergeleken daarmee was Magnus' opleiding gewoonweg idyllisch geweest.
'Maar toch,' vervolgde Puc, 'moeten we nog maar zien hoe we de komende reis zullen overleven.'
Achter hen sprak een stem in accentloos Keshisch: 'Dat is precies de vraag die je zou moeten stellen.'
Puc en Magnus hadden niet gemerkt dat er iemand was genaderd, dus reageerden ze allebei snel en namen defensieve houdingen aan: hun gewicht gelijk over de benen verdeeld, de knieën licht gebogen en hun hand bij de dolk achter hun riem. Geen van beiden voelde zich al competent genoeg om een magische verdediging te proberen.
'Rustig maar. Als ik jullie dood wenste, zouden jullie allebei al dood zijn,' zei het wezen dat net was gearriveerd. Het was een lange Ipiliac met het meest menselijk uitziende gezicht dat ze tot dusverre hadden gezien, deels dankzij de diepliggende ogen en de flinke bos zwart haar tot op zijn schouders, wat zeer ongebruikelijk was onder dit volk omdat de meeste mannen het kort in de nek droegen. Zijn gezicht was gerimpeld, wat aangaf dat hij de middelbare leeftijd voorbij was, maar zijn ogen waren alert en zijn blik doordringend. Hij had de houding en kleding van een strijder: een gevoerde linnen jas, een gekruist leren holster met verscheidene wapens erin en een broek en laarzen, wat aangaf dat hij een ruiter was.
'Ik ben Martuch,' zei hij kalm. 'Er is me gevraagd jullie gids te zijn. Ik ben een Dasati.'