17
Strijders
Jommy zwaaide met zijn zwaard.
Van onder aan de heuvel zwaaide Grandy terug. De jongens hadden een relatief veilige positie gekregen, en overzagen een compagnie gewonde soldaten achter de linies. Jommy, Servan en Tad zaten op een richel en verkenden de beste route die van het gebied wegvoerde, terwijl Grandy, Zane en Godfrey beneden bleven bij de drie karren met gewonde mannen. Een paar gewonden die nog konden lopen, hinkten mee naast de wagens, die zo langzaam moesten rijden over het lastige terrein dat de mannen ze wel bij konden houden. Ze zochten zich een weg door een bergweide die werd doorsneden door diverse wildpaden. Het felle licht van de middagzon wierp diepe schaduwen over het landschap, waardoor het lastig was de traag bewegende karren op het juiste pad te houden dat van de berg af voerde. Zonder de drie jongens die de weg verkenden, zouden de wagens gemakkelijk in een droge rivierbedding vast kunnen lopen. Jommy wist dat er aan de andere kant van de laatste richel een rechte weg lag die naar de wachtende rivierschepen leidde.
Het conflict had zo'n vijf mijl naar het noordoosten zijn hoogtepunt bereikt, doordat de troepen van generaal Bertrand en Kaspar de infanterie van Bardacs Houvast tot staan hadden gebracht. De vijandelijke soldaten hadden zich verscholen in een oud grens fort, dat half was verwoest door de elementen. Roklems aanvalsmachines, twee kleine blij des en twee grote ballista's, werden gehaald om de andere helft van het fort aan puin te schieten. Er was geen spoor gezien van de cavalerie van Bardacs, en in het kamp werd gespeculeerd dat ze al over de grens terug waren naar het Houvast.
Servan wendde zich tot Jommy. 'Zodra we over deze richel zijn, denk ik dat het een rustige tocht omlaag naar de rivier wordt. De schepen zijn er als het goed is nog .. .' Plotseling zweeg hij.
Jommy hoorde het op datzelfde moment. 'Paarden!'
Geen van beide jongens hoefde eraan te worden herinnerd dat de hele Roldeemse cavalerie aan het front was, als scherm voor de aanvalsmachines. Jommy rende de helling af, een halve pas achter Servan aan en een stap voor Tad uit, die verrast leek zijn twee vrienden de helling af te zien hollen. Toen hoorde Tad Jommy schreeuwen, en daarna het geluid van hoefslagen op de rotsen in de geul.
Grandy, Zane en Godfrey hadden het ook gehoord. De gewonden die dat nog konden, hielpen de anderen uit de karren. Iedereen die nog op de open wagens zat als de cavalerie arriveerde, ging eraan.
Er waren vier boogschutters en twee zwaardvechters meegestuurd met de zes jonge officieren, en voordat Jommy zelfs maar kon overwegen wat hij moest doen, deelde Servan al bevelen uit. 'Jij, jij en jij,' zei hij, wijzend naar de eerste drie boogschutters. 'Ga die rotsen op en schiet op het eerste hoofd dat je door die geul ziet komen, man of paard, dat kan me niet schelen.' Tegen de vierde boogschutter zei hij: 'Jou wil ik dáár hebben...' Hij wees naar een rotspunt die rechts van hen uitstak. 'Kijk of je ze ervan kunt weerhouden jouw kant op te komen.' Tegen de twee fitte wachters en de andere jongens schreeuwde hij: 'Maak die karren los en gooi ze op hun kant! Opschietenl'
Jommy zag de zin er niet van in om te discussiëren over wie de hoogste rang had, want hij had geen idee wat hij moest doen, en Servan kreeg de mannen in ieder geval zover dat ze zijn bevelen opvolgden. De jonge neef van de prins riep: 'Iedereen die een wapen kan hanteren, achter de karren. De rest gaat dit pad op' - hij wees naar een wildpad dat over de richel liep - 'en verstopt zich zo goed mogelijk!'
Degenen die daartoe in staat waren, hielpen de anderen het pad op. Zes lichtgewonde mannen liepen naar de boogschutters en zwaardvechters toe.
Servan greep Grandy vast en zei: 'Ga dat pad op met de gewonden.' Toen de prins aarzelde, schreeuwde hij: 'Lopen! Bescherm ze!'
Grandy knikte en deed wat hem werd opgedragen. Jommy wist dat Grandy ongeveer evenveel bescherming kon bieden als een eekhoorn, maar door dit bevel kreeg de jongen een doel en bovendien was zijn eer gered.
De karren waren op hun kant gegooid en Jommy zag dat iedereen zich zo veel mogelijk had voorbereid; de losgemaakte paarden liepen nu in het bos. 'Hou je klaar!' schreeuwde hij. Hij verschoof zijn gewicht en bepaalde waar de aanval vandaan zou komen.
Plotseling was de lucht vervuld van strijdkreten en pijlen.
De drie boogschutters bestookten de eerste ruiters met pijlen en schoten minstens vier zadels leeg. De vierde boogschutter doodde de eerste twee mannen die zich probeerden om te draaien om de aanvalslinie te verlaten. De mannen achter hen bogen zich over de halzen van hun paarden en stormden op de karren af. Jommy vermoedde dat het een bijeengeraapt zooitje was, voornamelijk huurlingen voor zover hij kon zien, zonder uniformen en zonder organisatie. Hij wist dat als ze een uitweg konden vinden, ze die zouden nemen, dus rende hij naar Servan toe en zei: 'Als ze richting het noorden uitbreken, laat ze dan gaan.'
'Laten we ze gaan?' vroeg de jonge edele.
'Ja! Het zijn huurlingen, die niet willen sterven voor een verloren zaak.'
Op dat ogenblik kwamen de ruiters bij de wagens aan. Jommy zag Tad zich omdraaien en een ruiter uit het zadel slaan, terwijl Zane opsprong vanuit zijn ineengedoken positie achter een van de karren en een man uit Bardacs van zijn paard trok. Zoals Jommy had verwacht, hadden de ruiters maar korte tijd nodig om langs de zijkanten van de drie omgekiepte karren te komen, en nu stond hij tegenover twee gewapende ruiters die de verdediging hadden ontweken.
De gewonde mannen vochten met alles wat ze hadden, maar Jommy wist dat ze geen kans maakten. De boogschutters zouden al snel door hun pijlen heen zijn en hadden geen zwaard of schild, alleen maar messen. Jommy koos de dichtstbijzijnde ruiter uit en haalde hard uit naar de man, die Jommy's zwaard opving met zijn eigen wapen. De man pareerde snel, met de korte, hakkende slagen die cavaleristen het liefst gebruikten om te zorgen dat infanteristen niet te dichtbij konden komen. Jommy was gedwongen achteruit te stappen.
Een andere ruiter kwam van links op Jommy af, dus de jongen draaide zich snel om en bracht zijn zwaard omhoog terwijl hij bukte. Het zwaard van de ruiter zoefde over Jommy's hoofd heen, maar Jommy's wapen raakte de ruiter diep in het been. De man slaakte een kreet van pijn en kon niet meer in het zadel blijven. Het paard was nu ruiterloos. Zonder nadenken sprong Jommy in het zadel, voordat de eerste ruiter zich kon omdraaien en naar hem toe kon komen. Jommy was een goed zwaardvechter en een goed ruiter, maar hij had nog nooit eerder vanaf een paard gevochten, zelfs niet tijdens de opleiding. Caleb, Kaspar en Claudius Haviks hadden hem verteld dat een ervaren strijdros wist wat de ruiter wilde door de manier waarop die met zijn benen druk uitoefende, maar Jommy had geen idee of dit een ervaren dier was of niet; en hij was niet de vaste berijder. Hij pakte snel de teugels met zijn linkerhand en bracht net op tijd zijn zwaardhand omhoog om een slag van de eerste ruiter af te weren. Jommy haalde op zijn beurt uit, met een wijde, zijdelingse slag waardoor hij zelf bijna uit het zadel viel. En het paard draaide met hem mee! Zijn beendruk tegen de linkerflank van het paard en de korte ruk aan de teugels hadden het dier aangezet om mee te gaan met de natuurlijke beweging van Jommy's aanval. Hij drukte zijn hielen in de flanken van het paard en galoppeerde achter de eerste ruiter aan. De man draaide bij, net toen Jommy hem inhaalde, en werd plotseling geconfronteerd met een lange, roodharige ruiter die met moorddadige kracht naar hem uithaalde. De man probeerde achterover te leunen in zijn zadel maar verloor zijn evenwicht. Dat was het ogenblik waarop Jommy had gewacht. Hij herstelde zich van zijn voorwaartse uithaal en deelde een fatale achterhandse slag uit, waardoor de man uit het zadel werd geslingerd.
Jommy draaide zijn paard bij en zag dat Servan, Tad, Godfrey en Zane het moeilijk hadden tegen zes ruiters. Hij stormde op hen af.
Hij reed als een bezetene en dwong het opgewonden dier om met een noodgang tussen twee paarden door te duiken. Jommy negeerde de ruiter links van hem, hopend dat hem dat niet zijn hoofd zou kosten, en sprong uit het zadel, waarbij hij de ruiter rechts van hem mee van zijn paard sleepte.
Plotseling lag Jommy op de grond. Hij klauwde, schopte, gaf knietjes, beet, en stompte met het gevest van zijn zwaard omdat er geen ruimte was om ermee te zwaaien. Paarden hinnikten van schrik en stampten overal om hem heen, en de jongen en de man rolden woest vechtend over de grond. Jommy bad maar dat er geen angstig paard op hem ging staan.
Hij ramde het gevest van zijn zwaard tegen de kaak van zijn tegenstander en zag dat diens ogen glazig werden. Jommy sloeg hem nog eens en het gezicht van de man werd slap, maar dat duurde maar even. De man was een ervaren strijder, en hoe sterk Jommy ook was, de kerel had waarschijnlijk wel erger doorstaan. De man schudde zijn hoofd en wilde uithalen met zijn vuist, toen hij een schop met een laarspunt tegen zijn slaap kreeg. Zijn ogen rolden weg in hun kassen.
Een sterke hand greep Jommy bij zijn uniformtuniek en trok hem overeind. Zane liet los en zei: 'Blij dat je kon komen.'
Jommy draaide zich om en haalde uit naar een ruiter die probeerde te ontkomen. De ruiters trokken zich terug langs het noordelijke pad, zoals Jommy al had vermoed. Hij schreeuwde: 'Laat ze gaan!' en besefte toen dat er toch niemand van hun groepje fit genoeg was om de achtervolging in te zetten.'Jommy liet het zwaard uit zijn hand vallen en plofte op de grond, terwijl alle kracht die hij nog overhad uit hem wegsijpelde als water uit een gebarsten kruik.
Servan ging naast hem zitten. 'Dat scheelde niet veel.'
Jommy knikte. 'Nee. Je hebt het goed gedaan, zoals je alles organiseerde. Heel indrukwekkend.'
'Bedankt,' zei Servan.
Tad kwam naar hen toe gerend. 'Ik ga achter Grandy aan om te zien of alles goed met hem is.'
Jommy knikte en Godfrey zei: 'Ik ga met je mee.'
'Ik zag je toen je met dat paard de chaos inreed, jij idioot,' zei Servan. 'Het kostte je bijna je kop toen je die kerel uit het zadel trok. De ruiter aan je blinde kant had je bijna te pakken.'
'Nou, je weet wat ze zeggen: ''Bijna is bij de boer nog niet half".'
'Dat zeggen ze inderdaad, hè?' Servan begon hard te lachen. 'En zoals jullie door het stof rolden! Dat bijten en schoppen en zo. Heb je echt geprobeerd zijn oor eraf te bijten?'
'Je moet overal bijten waar je kunt,' zei Jommy. 'Dan vergeten ze dat ze je willen vermoorden.'
Servan lachte. 'Nu snap ik het.'
'Wat?'
'Dat oefengevecht aan het Meestershof. Toen je me op mijn gezicht sloeg.'
'Dus?'
'Dat je moet doen wat nodig is om te winnen,' zei Servan. 'Duelleren lijkt niet echt een goede voorbereiding op wat wij zojuist hebben meegemaakt.'
'Ik zie geen verwondingen bij jou, dus zo te zien heb je het goed genoeg gedaan.'
Servan lachte weer. 'Dat is waar. Is het altijd zo?'
'Wat bedoel je?'
'Dit gevoel. Ik voel me bijna uitgelaten.'
Jommy knikte. 'Soms. Dan ben je verdomd blij dat je nog ademhaalt. Niet zoals die arme drommels daar.' Hij wees naar een stuk of zes lijken. 'Dat kan je een heel raar gevoel geven.'
'Ah,' zei Servan, achteroverleunend tegen de omgegooide kar.
'En op andere momenten word je er zo misselijk van dat je zeker weet dat de pijn je de kop zal kosten,' zei Jommy, die dacht aan de marteling van de gevangen Nachtraaf Jomo Ketlami. Hij liet zijn hoofd zakken. 'Maar meestal ben je alleen maar te moe om de ene poot nog voor de andere te zetten.'
Servan haalde diep adem. 'We kunnen deze jongens maar beter organiseren.' Hij stond op, draaide zich om en stak een hand uit naar Jommy om hem overeind te trekken.
De grotere jongen liet zich overeind helpen. Toen ze tegenover elkaar stonden, zei Jommy: 'Nog één ding.'
'Wat?'
'Over dat oefengevecht op het Meestershof. Dus... wat jij zegt, is dat ik gewonnen heb?'
Servan lachte en stak zijn handen in de lucht. 'Nee dat zeg ik niet.'
'Maar net zei je nog...' begon Jommy, maar de neef van de koning draaide zich om en begon bevelen uit te delen aan de mannen.
Valko bleef een tijdje bewegingloos staan en liep toen naar het enorme venster dat uitzicht bood op het plein. Zijn moeder kwam aangereden op de rug van een kleine varnin, gekleed zoals hij zich haar herinnerde van het Schuilgaan. Hij wist niet wat hij verwacht had, misschien dat ze een soort koninklijke hofkledij zou dragen, of dat ze zich door Minderen zou laten vervoeren in een draagstoel. Ze steeg af en gaf haar leidsels aan een lakei, waarna ze snel het fort binnenging.
Valko liep de kamers uit die hij betrokken had zolang zijn vaders vertrekken nog voor hem werden klaargemaakt. Hij had ervoor gekozen alle persoonlijke spullen weg te laten halen, omdat het doden van zijn vader hem een bittere nasmaak had gegeven. Het had in niets geleken op de triomf die hij zich als kind had voorgesteld, een moment van glorie waarna hij zijn eigen rijk zou gaan opbouwen.
Zijn moeder kwam de lange gang naar de vertrekken van zijn vader in lopen en Valko riep: 'Moeder, hier ben ik!'
Ze haastte zich naar hem toe. Ze zag er nog precies zo uit als hij zich haar herinnerde. Ze was lang, gezaghebbend en nog altijd mooi, met schouderlange, donkere haren waarin alleen wat grijs bij de slapen te zien was. Hij begreep waarom veel mannen naar haar verlangden, maar nu begreep hij ook waarom hij haar enige kind was. Het had allemaal deel uitgemaakt van een plan.
Haar ogen waren de meest indringende die Valko ooit had gezien, en haar blik vervulde hem tegelijkertijd met opgetogenheid en angst. Ze was zijn moeder, en de liefde tussen moeder en zoon was uniek onder de Dasati. Ze zou honderd keer zijn gestorven om hem te redden.
Ze omhelsde hem zachtjes en heel kort, en zei toen: 'We moeten alleen zijn.'
Valko gebaarde naar de kamers die hij voor haar had gereserveerd, naast die van zijn vader. 'Ik betrek morgen de herenvertrekken,' zei hij terwijl hij met haar meeliep naar haar appartement.
Ze keek hem onderzoekend aan, maar zei niets tot ze alleen waren en de deur gesloten was. Toen Valko iets wilde gaan zeggen, maande ze hem met haar hand tot stilte, en jaren van gehoorzaamheid namen het over zodat hij bewegingloos bleef staan. Die handgebaren hadden hem meer dan eens gered in het Schuilgaan. Ze sloot haar ogen en mompelde iets wat hij niet verstond, en toen opende ze haar ogen weer.
'We worden niet bespied.'
'Dus het is waar. Je bent een Bloedheks.'
Ze knikte. 'Ik ben blij je in leven te zien, mijn zoon. Het bewijst mijn vermoedens over je; en bovendien betekent het dat je de man bent geworden om wie ik gebeden had.'
'Gebeden? Tot wie? Zeker niet tot Zijne Duisternis, van wat ik heb gehoord.'
Ze knikte en gebaarde dat hij moest plaatsnemen in een stoel naast een divan. Ze keek de kamer rond en knikte goedkeurend. De muren waren van zwarte steen, net als de rest van het kasteel, maar Valko had twee vrouwelijke Minderen opgedragen ze te versieren op een manier die geschikt was voor de vrouwen in de huishouding van de karana, en dat hadden ze gedaan. De prachtigste wandtapijten in het kasteel waren hier aan de muren gehangen, een rijk geweven kleed van ahasawol lag op de vloer, en op haar bed lagen stapels bontvellen. Er waren geurkaarsen aangestoken en overal in de kamer stonden potten met bloemen. 'Je hebt me een warm welkom bereid, mijn zoon.' Ze ging op het bed zitten.
Hij knikte. 'Je bent mijn moeder,' zei hij, alsof dat alles verklaarde.
'En jij bent mijn zoon.' Ze keek hem weer onderzoekend aan. 'En je bent ook de zoon van een buitengewoon man.'
Plotseling kreeg Valko een vreemd, verstikkend gevoel in zijn borst. 'Dat weet ik. Maar waarom krijg ik die vreemde... pijn van binnen - ik weet niet hoe ik het moet noemen - als ik aan Aruke denk?'
'Dat heet spijt,' zei ze. 'Het is een van de vele gevoelens die de Dasati lang geleden zijn kwijtgeraakt.' Ze keek uit het raam naar de ondergaande zon, die sprankelde op de zee. Je vroeg tot wie ik bad. We hebben geen naam voor die kracht, behalve "de Witte". We weten niet eens of het een god of een godin is.'
'Ik dacht dat die allemaal waren vernietigd door de Duistere.'
'Dat willen de Doodspriesters je laten geloven. Hoe dan ook, de Witte is tegengesteld aan alles wat de Duistere vertegenwoordigt.'
'Zoveel vragen...' begon de jonge strijder.
'En we hebben de tijd, maar eerst zijn er dingen die je moet weten om in leven te blijven.
De Witte wordt gebruikt als verhaaltje voor het slapengaan voor kinderen, om ze bang te maken en te indoctrineren, om de Dasati te laten denken dat het een mythe is die geen belang heeft, iets waar je overheen groeit. Daardoor geloven de meeste Dasati er niet in, en dat is een veel effectievere aanpak dan het gewoon te ontkennen.
Lang geleden had de Zusterschap van de Bloedheksen in de Dasatisamenleving een even hoge rang als de Doodspriesters. De Doodspriesters dienden alle goden, niet alleen Zijne Duisternis, en de Zusterschap hield zich meer bezig met de natuur en de levenskrachten. Bloed is niet alleen maar wat je ziet als je het vergiet op het zand van de arena of op het slagveld, maar het is de materie van het leven die door je aderen pulseert. Het belichaamt alles wat tegengesteld is aan de cultus van de Duistere, en toen hij de voornaamste onder de goden werd, werden wij een gruwel en werden we verbannen.
De Zusterschap van de Bloedheksen bestaat al eeuwen 1n het geheim, mijn zoon. We hebben geprobeerd om de macht van de Duistere zo veel mogelijk in te perken.'
'Dan hebben jullie in mijn ogen gefaald.' Valko leunde achterover. 'Ik weet dat ik nog jong ben, moeder, maar ik kan me veel herinneren van wat je me geleerd hebt tijdens het Schuilgaan, en nu besef ik dat je me vele stukken van een puzzel hebt gegeven. Als je ze op de ene manier in elkaar past, lijkt het één plaatje, maar als je ze op een andere manier samenvoegt...'
Ze knikte. 'Een wijs inzicht voor iemand zo jong als jij. Jij bent degene die verwacht werd, Valko van de Camareen. Generaties lang heeft de Zusterschap van de Bloedheksen op iemand zoals jij gewacht, want er bestaat een profetie waarvan niemand buiten de Zusterschap volledig op de hoogte is. Personen zoals je vader, Hirea en Denob, die de Witte dienen, kennen er maar een deel van. Jij zult de eerste buiten de Zusterschap Zijn die hem helemaal zal kennen.' Ze zweeg even alsof ze overwoog hoe ze het beste kon beginnen. Toen keek ze haar zoon aan en glimlachte.
'In voorbije tijden bestond er een evenwicht en waren alle dingen zoals ze hoorden te zijn. Maar om dat evenwicht in stand te houden was een strijd nodig, want net als bij alle soorten strijd, verschoof het evenwicht af en toe. Toen de krachten van de Duistere de kop opstaken, werden die tegengewerkt door degenen die goden en godinnen aanbaden waarvan we nu de namen niet meer kennen, want zelfs die kennis is verboden.
Rond de tijd van de Grote Zuivering kreeg iedere Dasati de keus om de Duistere te aanbidden of te sterven. Veel van hen kozen de dood, omdat ze wisten dat leven onder de heerschappij van de Duistere een leven van ellende en wanhoop zou zijn.'
Valko viel haar in de rede. 'Maar de Duistere is altijd oppermachtig geweest...' Hij liet zijn hoofd hangen. 'Ik spreek voor mijn beurt.'
'Dat is wat je geleerd is. En er waren dingen die ik niet met je kon delen in het Schuilgaan, omdat dan het risico bestond dat je iets tegen een ander kind zou zeggen. Die overtuigingen zijn zo in ons ingebed, dat er moeders zijn die hun eigen kinderen zouden opofferen om een Doodspriester te waarschuwen voor wat wordt gezien als godslastering.'
Valko stond op en liep hoofdschuddend naar het raam.
'We hebben veel te bespreken, en er is veel wat je moet leren,' zei zijn moeder. 'Over een week moet je de hele Sadharin hier uitnodigen om je nieuwe positie als Heer van de Camareen te vieren. Voor die tijd moet je volledig gaan begrijpen wat je de komende jaren moet doen, want jij hebt een kans die geen enkele Dasati heeft gehad sinds het ontstaan van ons ras.'
Valko draaide zich met een bezorgde blik om van het raam. 'Die profetie waar je het over had?'
'Ja, mijn zoon. Ik zal hem je in detail vertellen, en ook nog vele andere dingen die je moet weten. Want als de profetie waar is, en wij denken van wel, dan zal er binnenkort een verandering komen over de Twaalf Werelden en moeten we daarop voorbereid zijn. We weten dat er iemand zal komen die de Duistere wil uitdagen, en hij zal bekendstaan als de Godendoder.'
Valko's gezicht werd bleek. 'Ben ik...'
'Nee, mijn zoon, jij bent de Godendoder niet. Maar je moet de weg vrijmaken voor de Godendoder.'
'Hoe moet ik dat voor elkaar krijgen?'
'Dat weet niemand.' Ze stond op en ging naast Valko staan terwijl de zon achter de wolken aan de horizon onderging. 'Het was een mooie dag vandaag, maar ik denk dat het morgen gaat regenen.'
'Dat denk ik ook.' Hij keek haar aan. 'Wat moet ik doen tot ik mijn taak ken?'
'Speel de rol die het lot je heeft toebedeeld, als Heer van de Camareen. Ik heb boodschappen verstuurd, en zusters van me zullen langzamerhand hier naartoe komen, sommigen jong en mooi, anderen met jonge, mooie dochters. Ze zijn allemaal wijs en weten allemaal meer dan elke andere vrouw die je ooit zult ontmoeten.
Je zult vele zoons voortbrengen, Valko, en weten dat andere zoons van de Zusterschap de plaats van hun vaders zullen innemen. En als de tijd daar is, als de Godendoder komt, dan zullen wij van de Zusterschap, en de mannen van wie we houden, opstaan en de Doodspriesters, de tekarana en zijn twaalf karana vernietigen, en zo het Dasativolk bevrijden.'
Valko voelde zich overdonderd. Zijn geest kon zo'n idee nauwelijks bevatten, laat staan hoe het gerealiseerd moest worden. De jongen die pas uit het Schuilgaan kwam, het kind binnen in hem, wist dat de tekarana de hoogste onder de stervelingen was, gezegend door Zijne Duisternis, dat zijn legers over de Twaalf Werelden heersten en er in de loop van de eeuwen nog twaalf meer hadden verslagen. Dit rijk bestond al meer dan duizend jaar ...
Hij legde zijn arm tegen de muur en liet er zijn voorhoofd tegen steunen. 'Het is allemaal te veel.'
'Dan pakken we het langzaam aan, mijn zoon. We gaan eerst eten, na het eten spreken we verder, en daarna gaan we een nacht goed slapen.'
Valko haalde diep adem en keek zijn moeder aan. 'Er is nog één ding wat ik nu zou willen weten, moeder.'
'Wat dan?'
Met een vreemde glans in zijn ogen zei Valko: 'Vertel me over mijn vader.'