9
Roldem
De jongens verspreidden zich langzaam.
Jommy, Tad en Zane wachtten af terwijl meer dan tien universiteitsstudenten hen naderden. De pleegbroers waren gaan lopen vanaf de haven waar hun aankomst werd verwacht, hoewel ze op Pucs verzoek door Magnus waren getransporteerd naar een pakhuis van het Conclaaf. Ze zagen er wat vuil en vermoeid uit, zodat het verhaal dat ze een maand of langer met een karavaan hadden meegereisd en toen een week op zee hadden doorgebracht, geloofwaardig zou zijn. Ze droegen elk een eenvoudige tuniek en broek en een reis rans el over hun schouder.
Ze keken toe terwijl de studenten zich in een halve kring voor hen opstelden en hen schattend opnamen alsof ze vee waren. Hun leeftijden liepen uiteen van ongeveer twaalf jaar tot min of meer dezelfde leeftijd als de drie nieuwkomers, al vermoedde Jommy dat hij met zijn bijna twintig jaar de oudste student van hen allen was.
Alle studenten droegen het officiële tenue van de universiteit: een zwartvilten baret, schuin links op het hoofd, een lichtgeel hemd met een lange blauwe tabberd met witte biezen erover, in de zij vastgestrikt, een gele broek en zwarte laarzen. Elke student droeg een zwartleren buidel in zijn linkerhand. Aan hun donkere huid te zien, was er een aantal studenten bij uit Kesh; maar hun verschillende accenten gaven aan dat veel van hen uit andere landen afkomstig waren.
Een van de oudere jongens, met donker haar en donkere ogen, zijn glimlach bijna een grijns, liep naar Jommy toe en bekeek hem van top tot teen. Toen wendde hij zich tot een blonde jongeling die naast hem stond en vroeg: 'Wat zouden dit zijn, denk je?'
'Plattelandsjongens, dat is duidelijk,' antwoordde zijn vriend met een minachtende blik. 'Dat leid je meteen uit die mestgeur af.'
Jommy zette zijn reisransel neer. 'Luister, maat. We komen net van een schip en een ruwe zee, en daarvoor hebben we een hele tijd op een kar gezeten, dus laten we zeggen dat we niet in opperbeste stemming zijn. Wat zou je ervan zeggen om morgen pas te beginnen met "de nieuwe jongens het leven zuur maken'?'
De donkerharige jongen keek zijn vriend aan. 'Die pummel wil ons welkom uitstellen, Godfrey. Wat vind jij daarvan?'
'Ik vind hem nogal verwaand, Servan.'
'Dus het is verwaand om vriendelijk te zijn?' vroeg Jommy retorisch.
Servan kneep zijn donkere ogen samen en deed alsof hij nadacht. Even later zei hij: 'Nee. Ik denk van niet. Laten we nu maar beginnen.' Hij porde hard met zijn vinger in Jommy's borst. 'Zet die tas maar neer, dan kan ik meteen beginnen met je onderwijs, boer, te beginnen met dat je beter geen grote mond kunt hebben tegen je meerderen!'
Jommy zuchtte. Hij liet zijn ransel langzaam van zijn schouder glijden. 'Dus zo wil je het hebben, hè?' Hij zette de ransel neer en stapte grijnzend naar voren. 'Zie je, in de regel ben ik heel rustig, net als ieder ander, maar ik heb genoeg ervaring om te weten dat waar je ook gaat, wat je nationaliteit of rang, de tijd van de dag of de maand van het jaar ook is,' - plotseling sloeg hij recht op Servans kaak, waardoor de ogen van de jongen wegdraaiden in zijn kassen en hij tegen de grond sloeg- 'overal kom je idioten tegen!' Tegen de blonde jongen zei hij: 'Wil jij ook?'
'Nee,' zei de jongen geschrokken.
'Wees dan maar zo vriendelijk om ons te zeggen waar nieuwe studenten naartoe moeten.'
'Het kantoor van broeder Kynan.' Godfrey wees naar de hoofdingang van de universiteit. 'Daar, tweede deur rechts.'
'Bedankt, maat,' zei Jommy glimlachend. 'En als je vriend straks wakker wordt, zeg hem dan dat hij zich niet druk moet maken. Ik vind dat iedereen het recht heeft om af en toe een vergissing te begaan. Dus we kunnen morgen gewoon opnieuw beginnen. Maar de volgende keer dat hij probeert de baas te spelen over ons "plattelandsjongens", word ik wél boos.'
Godfrey knikte alleen.
Jommy pakte zijn ransel op en zei tegen zijn vrienden: 'Laten we dan maar gaan.'
Ze liepen weg over het grote plein tussen de hoofdpoort en het enorme hoofdgebouw van de Koninklijke Universiteit van Roldem, terwijl de groep studenten zich mompelend om hun gevallen klasgenoot schaarde. Een jongere student haastte zich achter Jommy aan, keek met een brede grijns naar hem op en zei: 'Ik wijs je de weg wel!'
'Fijn, joh. Hoe heet je?'
'Grandy, en jij?'
'Jommy. Dit zijn Tad en Zane.'
De jongen leek niet ouder dan twaalf of dertien en had een aanstekelijke glimlach. Hij had sproeten in zijn gezicht en een bos donkerbruin haar. Hij keek ongelooflijk vrolijk.
'Ben je altijd zo blij?' vroeg Tad.
Grandy schudde zijn hoofd. 'Nee, alleen wanneer iemand Servan op zijn bek slaat.'
'Gebeurt dat vaak?' vroeg Zane.
'Nee, vandaag voor het eerst, maar ik kom wel kijken als je het nog een keer wilt doen.'
'Lastpak, zeker?' vroeg Jommy toen ze de brede trap naar de enorme dubbele deuren beklommen.
'Meer dan een lastpak. Hij is een rotzak en... gewoon gemeen. Ik weet niet waarom; hij heeft alles wat hij zich kan wensen.'
'Ik sta ervan te kijken dat niemand hem ooit eerder een optater heeft verkocht,' zei Jommy.
'Dat komt waarschijnlijk doordat zijn oom de koning is,' zei Grandy.
Jommy bleef zo plotseling staan dat Zane hard tegen hem aanbotste, struikelde en op de grond belandde. Tad staarde Grandy aan, knipperend met zijn ogen als een uil die wordt verrast door een lantaarn.
'Zijn oom is de koning?' vroeg Zane, die snel overeind krabbelde.
'Niet helemaal,' zei de jongen op vrolijke toon. 'Zijn vader is een of andere neef van de vader van de koning, de oude koning, snap je...' Zijn grijns werd breder. 'Maar hij noemt de koning zijn "oom" en niemand durft hem tegen te spreken. Omdat hij nog altijd een prins is en zo.'
Jommy bleef stokstijf staan. 'Nu heb ik het gedaan, hè?'
'Wat ga je eraan doen?' vroeg Tad.
'Nou, voor zover ik het zie, moet ik nu ofwel zijn nieuwe vriend worden, of hem zo in elkaar slaan dat hij het niemand zal durven vertellen.'
Grandy lachte luid. 'Ik denk dat geen van tweeën zal werken. Wie is je beschermheer?'
'Beschermheer?' vroeg Zane. 'Hoe bedoel je?'
'Wie heeft je naar de universiteit gestuurd?' vroeg de energieke jongen toen ze de hal inliepen en naar een brede dwarsgang wandelden. 'Mijn vader is een voormalig kapitein bij de koninklijke vloot, en mijn grootvader was admiraal van de Zuidelijke Vloot voor de oude koning; die de mensen tegenwoordig de grootvader van de huidige koning noemen. Ze zijn hier allebei naar school geweest, dus moesten ze mij wel aannemen, als een soort van erfenis. Als ik hier klaar ben, ga ik ook naar de marine. Dus wie is jullie beschermheer?'
Tad probeerde zich te herinneren wat Caleb had gezegd dat ze moesten antwoorden op zo'n vraag. 'Nou, we komen uit het Dromendal, dus we kennen mensen in zowel het Koninkrijk der Eilanden als Groot Kesh...'
Zane onderbrak hem. 'Turgan Bey, Heer van de Veste, Kanselier van Groot Kesh.' De jongens hadden de man maar één keer ontmoet, heel kort, toen iets minder dan een jaar daarvoor het complot tegen de troon was verijdeld, en het was onwaarschijnlijk dat de Heer van de Veste hen in een groep jongens zou kunnen aanwijzen. Maar Puc had nauwe banden met de man en hij had er kennelijk mee ingestemd om op te treden als beschermheer, zonder Pucs redenen al te graag te willen weten.
Grandy lachte. 'Nou, de Kanselier staat hoog genoeg aangeschreven om Servan wel twee keer te laten nadenken voor hij bij zijn vader gaat klagen. En als hij dat toch doet, zal zijn vader wel twee keer nadenken voordat hij jullie laat omleggen. We zijn er.' Ze stonden voor een grote houten deur rechts in de gang, met een klein kijkvenstertje er middenin. 'Klop drie keer aan en wacht dan af,' zei Grandy. 'Ik zie jullie straks nog wel.' Hij kuierde weg en de drie nieuwkomers keken elkaar schouderophalend aan.
Jommy klopte drie keer en ze wachtten.
Even later ging het luikje voor het kijkvenstertje opzij. Ze kregen een korte blik op licht binnen en de ogen van een man, en toen ging het luikje weer dicht. De deur zwaaide wijd open en een monnik van La-Timsa stond in de deuropening. Hij was lang, breedgeschouderd en met een brede borst, en droeg een lichtbruine mantel tot aan de vloer. De kap van de mantel hing op zijn rug en zijn grote hoofd was gladgeschoren, zoals gebruikelijk in zijn orde. 'Ja?'
Jommy keek naar zijn vrienden, maar zag aan hun gezichten dat ze verwachtten dat hij het woord zou doen. 'Er was ons verteld dat we hierheen moesten komen... meneer.'
'Het is broeder, geen "meneer",' zei de monnik. 'Kom binnen.'
Toen de drie jongens binnen waren, zei hij: 'Doe de deur dicht.'
Zane sloot de deur, en de monnik nam plaats achter een grote tafel.
'Ik ben broeder Kynan,' zei hij, 'baljuw van deze universiteit. Je spreekt alle monniken aan met "broeder" en elke priester met ''vader''. Is dat duidelijk?'
'Ja... broeder,' zei Tad. De anderen zeiden hem na.
'Wie zijn jullie?'
Jommy antwoordde: 'Ik ben Jommy, en dit zijn Tad en Zane.' Hij wees hen aan terwijl hij hun namen noemde. 'We komen uit...'
'Ik weet waar jullie vandaan komen,' zei de monnik. Hij had enorm zware wenkbrauwen en diepliggende ogen, wat de indruk gaf dat hij constant boos keek. Of misschien, dacht Zane, kéék hij ook wel boos. 'Jullie zijn niet wat ik verwacht had toen we een verzoek ontvingen van het Keizerlijk Hof in Kesh om halverwege het schooljaar nog drie ''veelbelovende jongemannen" toe te laten.' Hij zweeg even en bekeek hen.
Jommy stond op het punt iets te zeggen, toen broeder Kynan hem voor was. 'Je spreekt alleen wanneer je iets gevraagd wordt, is dat duidelijk?'
'Ja, broeder,' zei Jommy. Zijn gezicht verraadde dat hij er niet blij mee was om zo toegesproken te worden.
'Jullie zullen harder moeten werken dan de anderen, om je achterstand in te halen. Ons onderwijs is het beste ter wereld, dus zie het maar als een voorrecht dat jullie zijn toegelaten tot de universiteit. Hier zullen jullie vele dingen leren: geschiedenis, kunsten, de waarheid zoals die door La-Timsa aan haar uitverkorenen is onthuld, en ook militaire strategie en tactiek. De beste jonge edelen uit Roldem studeren hier, ter voorbereiding op hun dienst aan hun land in de marine of aan het koninklijk hof. Het is namelijk de plicht van iedereen die zijn studie hier afrondt om tien jaar in dienst te treden voordat ze naar hun familie terugkeren. Veel van hen blijven hun hele leven in dienst van de kroon.'
Tad en Zane wisselden een ongeruste blik, want niemand had iets over dienst aan Roldem gezegd. Voor zover zij het Conclaaf konden inschatten, was er geen beletsel voor Puc om hun op te dragen om jaren in dienst van het hof te werken, of te vechten tegen Roldems vijanden ter land of ter zee; maar het zou een iets minder grote schok zijn geweest als iemand het tegen ze had gezegd.
Broeder Kynan leek hun gedachten te lezen. 'Jongens die geen burgers zijn van Roldem krijgen niet het privilege om te dienen, maar moeten een grote som in goud betalen.' Hij bekeek Jommy van top tot teen. 'Je uiterlijk is niet in overeenstemming met je positie, maar dat doet er niet toe. Straks gaan jullie langs bij broeder Timothy, die jullie kleding van je aanneemt en opslaat. Vanaf dat moment dragen jullie het uniform van de universiteit elke dag tot je weer vertrekt. Er zijn geen rangen onder de studenten, dus titels zijn niet toegestaan. Je spreekt elkaar alleen bij naam aan, en de broeders en priesters bij hun titel en hun naam. Onze regels zijn streng, en ongehoorzaamheid tolereren we niet. Trek nu die tunieken uit.'
De jongens keken elkaar snel aan, lieten hun ransels vallen en trokken hun tunieken uit. 'Kniel voor de tafel,' zei broeder Kynan. Weer keken ze elkaar aan. 'Knielen!' schreeuwde de grote monnik, en de jongens gehoorzaamden.
Broeder Kynan beende naar de hoek van de kamer en kwam terug met een lange stok van donker hout. 'Deze stok,' zei hij toen hij hun de stok liet zien, 'is het corrigeerinstrument. Elke overtreding die je begaat, levert je klappen hiermee op. Het aantal klappen wordt bepaald op basis van de ernst van de overtreding.' Plotseling haalde hij uit en sloeg Jommy op de schouders, en vervolgens Zane en Tad ook. Alle drie de jongens grimasten, maar niemand maakte een geluid. 'Dit is om je te laten voelen wat dat inhoudt. Zijn er nog vragen?'
'Eentje, broeder,' zei Jommy.
'Spreek.'
'Wat is de straf wanneer je een andere student slaat?'
'Tien stokslagen.'
Jommy zuchtte. 'Nou, dan stel ik voor dat u in uw handen spuugt, broeder, want ik heb net voor we hierheen kwamen een jongen geslagen die Servan heette.'
'Mooi,' zei de monnik. Hij gaf Jommy tien harde klappen op zijn rug terwijl Zane en Tad op hun knieën naast hem zaten en hun gezicht vertrokken elke keer wanneer de stok neerkwam. Toen hij klaar was, zei de monnik: 'Sta op en trek je tuniek weer aan.'
Toen ze bezig waren zich aan te kleden, zei broeder Kynan: 'Je bent slimmer dan je eruitziet, Jommy. De straf voor het niet opbiechten van een overtreding is dubbel zoveel stokslagen. Je had er twintig gekregen als ik van iemand anders had gehoord dat je Servan had geslagen.'
Jommy knikte alleen.
'Loop de gang door tot aan de laatste deur aan de linkerkant. Daar vind je broeder Timothy. Hij zal verder voor jullie zorgen.'
Tad en Zane hadden hun hemden met enig ongemak aangetrokken, maar Jommy rukte zijn tuniek over zijn hoofd, pakte zijn ransel op en liep de kamer uit. In de gang vroeg Tad: 'Doet je rug geen pijn?'
'Natuurlijk wel,' zei Jommy. 'Maar ik heb wel erger gehad van mijn pa toen ik nog jonger was dan Grandy, en ik geef zijn soort die genoegdoening liever niet.'
'Welk soort?' vroeg Zane.
'Er zijn twee soorten mannen die straf uitdelen, knul. Degenen die weten dat het nodig is en degenen die ervan genieten. Broeder Kynan is zo iemand die ervan geniet. Hoe meer je laat merken dat het pijn doet, hoe liever hij het heeft.'
Eenmaal bij de deur aangekomen, klopten ze drie keer. Een stem binnen riep: 'Blijf daar niet in de regen staan! Kom binnen!'
Zane keek om zich heen. 'Regen?'
Jommy lachte en opende de deur. Deze kamer was groter dan het kantoor van broeder Kynan, maar in plaats van een sombere werkplaats was het een waar pakhuis. Langs de muur links van hen waren van vloer tot plafond planken aangebracht, en op elk daarvan stonden houten kratten, elk met een zorgvuldig geschilderde naam en nummer. Het moesten er honderden zijn, want de kasten strekten zich uit met rij na rij planken van vloer tot plafond en ze konden het uiteinde van de ruimte niet zien. Tussen de planken liepen twee smalle paden, een aan de linkerkant langs de muur en een aan de rechterkant. De enige andere meubelstukken in de kamer waren een tafeltje en een stoel, waar een monnik op zat. De verweerde oude man was misschien wel de kleinste mens die de jongens ooit hadden gezien; de gemiddelde dwerg zou boven hem uittorenen. Zijn hoofd was geschoren, net als dat van broeder Kynan, maar hij droeg een volle rode baard die met grijs was doorschoten. De ogen van de man hadden een levendige kleur blauwen zijn gezicht leek te zijn bevroren in een eeuwige glimlach. 'Nieuwe jongens!' riep hij verheugd uit. 'Ik had al gehoord dat er nieuwe jongens zouden komen! Dat is prachtig!'
'Broeder Kynan zei ons dat we hierheen moesten gaan,' zei Tad. 'Bent u broeder Timothy?'
'Ja, dat ben ik inderdaad, dat ben ik.' Hij bleef grinniken. 'Nou, laten we dan maar beginnen. Kleren uit, jongens.' Hij stond op en schuifelde weg door de linkergang, en de jongens bleven elkaar verwonderd staan aankijken.
'Misschien krijgen we uniformen,' zei Zane.
'Nee,' zei Tad. 'Méén je dat?'
Jommy grimaste lichtjes toen hij zijn tuniek uittrok, en tegen de tijd dat broeder Timothy terugkwam met drie houten kratten, zo wankel gestapeld dat ze dreigde om te vallen bij elke stap die hij zette, waren de jongens bloot.
'Hier, broeder, ik zal u helpen,' zei Tad, en greep het bovenste krat.
'Dat is fijn,' zei de monnik. 'Pak ieder een krat.' Toen ze elk een krat in handen hadden - waarin een tuniek, broek, hoed en laarzen en witlinnen onderkleding zaten - zei hij: 'Nou, blijf niet zo dom staan kijken, kleed je aan. Als er iets te groot of te klein is, regelen we wel iets.'
Het duurde maar even voor ze ontdekten dat het uniform dat Jommy had gekregen te klein was en dat van Zane veel te groot. Toen ze hadden geruild, bleken de uniformen behoorlijk te passen. De laarzen waren een andere zaak, en de kleine man moest diverse keren naar achteren lopen om passende exemplaren te vinden. Maar uiteindelijk stonden ze alle drie in hetzelfde kostuum dat ze de andere studenten hadden zien dragen.
Tad lachte plotseling, en Jommy vroeg: 'Wat is er?'
'Het spijt me, Jommy, maar...'
'...je ziet er belachelijk uit,' maakte Zane zijn zin voor hem af.
'Nou, jullie zullen ook niet veel indruk maken op de meisjes bij die fontein in Kesh waar ik jullie heb ontmoet.'
Tad lachte nog harder.
'Meisjes?' zei broeder Timothy. 'Meisjes zijn geen gespreksonderwerp. Dat mag niet.'
Ze hielden alle drie op met lachen en Tad vroeg: 'Geen meisjes?'
'Nee,' zei de monnik. We weten hoe jonge jongens zijn, ja heus. Dat we een celibataire orde zijn, betekent nog niet dat we dat niet meer weten, hoewel het niet goed is om te veel terug te denken. Joh, toen ik nog een jongen was, voor ik mijn roeping kreeg...' Hij liet de gedachte zichzelf afmaken. 'Nee, geen meisjes. Jullie moeten studeren, ja, studeren, en oefenen, heel veel oefenen. Maar geen meisjes.'
De vreemde kleine monnik leek volkomen de kluts kwijt te zijn door het onderwerp en dus vroeg Jommy: 'Broeder, wat nu?'
'Nu?' vroeg de monnik.
'Ja, wat doen we nu?' legde Jommy uit.
'O, wat jullie nu moeten doen!' zei de monnik, die weer terugkeerde naar de opperbeste stemming waarin ze hem hadden aangetroffen. 'Nou, jullie gaan studeren, en oefenen.'
Tad rolde met zijn ogen, terwijl Zane besloot om duidelijkheid te vragen. 'Hij bedoelt: wat moeten we nu meteen doen? Zijn we hier klaar?'
'Ja, ja. Jullie komen hier als jullie spullen nodig hebben, en als jullie een kledingstuk scheuren of nieuwe laarzen nodig hebben. Al vindt de vader het niet prettig als jullie laarzen verslijten.'
'Wat voor spullen?' vroeg Tad.
'O, spullen!' riep de kleine monnik, en liep weer door de kamer naar achteren. Even later keerde hij terug met drie van die vreemde leren buidels die alle andere studenten hadden. 'Hier zijn jullie spullen. Dit zijn studentenbuidels. Kijk er maar in!'
De jongens ontdekten dat de buidels in feite twee zachtleren huiden waren die tegen elkaar aan waren genaaid, de een groter dan de ander zodat er een flap ontstond die je over de bovenkant kon vouwen om de spullen in de tas te houden. In hun buidel vonden ze een mesje, een klein potje met een kurk, een stuk of zes schrijfveren en een stapeltje papier. Er zaten nog andere dingen verpakt in papier dat was behandeld met een soort olie of was, en ook een klein kistje.
Jommy wilde het kistje eruit halen, maar broeder Timothy zei: 'Later. Je kunt er later naar kijken. Ik wilde er alleen zeker van zijn dat ik jullie geen lege tassen had gegeven. Jullie moeten leren om klein te schrijven.'
'Klein schrijven?' vroeg Zane.
'Dan is het papier niet zo gauw vol,' antwoordde Timothy.
'Waar moeten we nu naartoe, broeder?' vroeg Jommy.
'Ga naar de residentiezaal. Vraag naar broeder Stephen; hij is de Proctor.' Hij wuifde met zijn hand. 'En nu wegwezen!'
'Broeder,' vroeg Tad terwijl ze naar de deur liepen, 'waar is de residentiezaal?'
'De residenties zijn in de andere vleugel van dit gebouw. Ga terug door de gang. Je vindt broeder Stephen bij de laatste deur links. Hij zorgt verder voor jullie.'
Ze liepen de kamer uit en terug door de gang. Aan het eind ervan kwamen ze bij een ruimte zonder deur. Het was een immense zaal en langs elke muur stond een rij bedden, met aan de voet van elk een houten kist.
In het gangpad tussen de kisten liep een monnik, deze zonder baard. 'Jullie zijn de nieuwe jongens.' Het was een opmerking, geen vraag.
'Ja,' antwoordde Zane, en voegde er snel aan toe, 'broeder.'
'Ik ben broeder Stephen, de Proctor. Ik heb de leiding over alle studenten wanneer ze niet in de klas zitten, bij het gebed zijn of taken uitvoeren voor een monnik of priester. Volg mij.' Hij draaide zich om en ging hen voor naar het achtereind van de zaal. Hij wees naar een bed aan de rechterkant. 'Een van jullie slaapt hier.' Toen wees hij naar twee bedden aan de linkerkant van de ruimte. 'Twee van jullie slapen daar.'
De jongens wierpen elkaar een snelle blik toe, haalden hun schouders op, en Tad en Jommy gingen naar links terwijl Zane het bed aan de rechterkant nam. Toen Zane erop wilde gaan zitten, riep de monnik: 'Niet gaan zitten!'
Zane sprong weer overeind. 'Het spijt me, broeder.'
'Kijk in de kist.'
Toen ze dat deden, vonden ze in de kisten een laarzenborstel, een kam en een grote, ruwlinnen doek, en ook een scheermes en een stuk harde zeep. Zane stak zijn hand in de kist om de kam van dichtbij te bekijken, maar de monnik zei: 'Niets aanraken!'
Zane trok een gepijnigd gezicht. 'Het spijt me, broeder... alweer.'
'Kijk hoe alle voorwerpen liggen. Elke ochtend als je opstaat, maak je je bed op en ga je naar de wasruimte. Daar was je je, kam je je haar, scheer je je en daarna geef je je gebruikte handdoek aan een bediende, die je weer een droge zal meegeven. Dan kom je hier terug. Je kleren heb je de avond ervoor opgevouwen en in de kist gelegd. Je kleedt je aan, en legt dan de andere voorwerpen precies zo terug als je ze gevonden hebt. Als een voorwerp op de verkeerde plek ligt, krijg je vijf stokslagen. Als er een voorwerp ontbreekt, twintig stokslagen. Is dat begrepen?'
'Ja, broeder.'
'Jullie mogen pas op jullie bed zitten na het avondgebed, en dan gedurende één uur voordat je gaat slapen. Als je voor die tijd zittend op een bed wordt aangetroffen, krijg je vijf stokslagen.' Hij keek hen alle drie aan en vervolgde: 'Ga nu op zoek naar de Provoost, die jullie verder zal instrueren. Zijn kantoor is aan de andere kant van de ingang.'
Zane bleef nog even staan staren in zijn kist voor hij het deksel liet zakken. Toen hij zich omdraaide om te vertrekken, vroeg broeder Stephen: 'Wie van jullie heeft Servan geslagen?'
Jommy draaide zich met een spijtige blik om. 'Dat was ik, broeder.'
Broeder Stephen keek Jommy alleen maar lange tijd aan, zei: 'Hmm,' draaide zich om en liep weg.
Toen ze de slaapzaal verlieten, zei Tad: 'Zane, waar staarde je naar?'
'Ik probeerde te onthouden waar alles hoorde. Ik heb geen zin in die stok.'
'Je went er wel aan,' zei Jommy. 'Bovendien heb je een uur de tijd om ernaar te staren voordat we vanavond gaan slapen.'
'O, ja,' zei Zane zonder veel enthousiasme.
De drie jongens vroegen zich af waar ze dankzij hun stiefvader waren aanbeland.