1
Achtervolging
Een vrouw slaakte een woedende kreet.
Drie jongemannen stormden over de avondmarkt, smeten op hun weg karren om en duwden winkelende mensen aan de kant. Hun leider, een lange, knokige jongen met rood haar, wees naar hun wegrennende prooi en schreeuwde: 'Daar gaat-ie!'
De nacht begon te vallen in de havenstad Durbin terwijl de drie in allerijl door de straten renden. Kooplieden trokken snel hun kostbare handelswaar van de tafels toen ze zagen dat de drie jonge strijders alles en iedereen aan de kant duwden die hun achtervolging in de weg stond. In hun kielzog lieten ze een spoor na van consternatie, gevloek en dreigementen, wat ze allemaal negeerden.
De zomerhitte van de Jal- Purwoestijn kleefde nog aan de muren en het plaveisel van de stad, ondanks de lichte bries die vanaf de zee kwam. Zelfs de havenmeeuwen stelden zich er tevreden mee rustig toe te kijken en te wachten tot er iets te eten van een passerende koopmanskar viel. De wat ambitieuzere exemplaren sprongen af en toe op om een tijdje te zweven en zich loom te laten voortdrijven op de hete lucht die opsteeg van de havens tenen, maar keerden dan snel weer terug om rustig bij hun soortgenoten te wachten.
Het was druk op de avondmarkt, want de meeste inwoners van Durbin hadden de hele, hete namiddag rustig doorgebracht in de schaduw; Het tempo in de stad lag laag, want dit waren de warmste dagen van de zomer en mensen die aan de rand van de woestijn woonden, wisten wel beter dan zich zinloos tegen de elementen te verzetten. Het leven ging zoals de goden dat wilden.
Dus toen drie gewapende en ogenschijnlijk gevaarlijke jongemannen achter een vierde aan renden, was dat - hoewel het nauwelijks opmerkelijk was in Durbin - toch onverwacht, gezien het seizoen en de tijd van de dag. Het was gewoon te warm om hard te lopen.
De man die probeerde het stel voor te blijven was zo te zien een woestijnbewoner: hij had een donkere huid en was gekleed in een wijd hemd en loszittende pantalon, droeg een nachtblauwe tulband en een open mantel, en zijn voeten waren in lage laarzen gestoken. De achtervolgers werden aangevoerd door een lange noorderling, waarschijnlijk uit de Vrije Steden of het Koninkrijk der Eilanden. Zijn rossige haar zag je niet vaak in het Keizerrijk Groot Kesh.
Zijn twee metgezellen waren eveneens jong, een van hen breedgeschouderd en met donker haar, de ander blond en iets fijner gebouwd. Ze waren allemaal zongebruind en vuil, en leken door hun harde gezichtsuitdrukking jaren ouder dan ze waren. Hun aandacht was op hun prooi gericht en ze hielden hun wapens binnen handbereik. Aan hun kleding was te zien dat ze afkomstig waren uit het Dromendal: broek, linnen hemd, rijlaarzen en een leren vest in plaats van een mantel en sandalen. De dorpelingen zagen hen aan voor huurlingen, vooral gezien hun grimmige vastberadenheid.
De drie bereikten een boulevard die naar de dokken leidde, en de vluchtende man dook tussen kooplieden, winkelend publiek en havenarbeiders door die naar huis onderweg waren. De leider van de achtervolgers bleef even staan en zei toen: 'Hij gaat naar het graanschippersdok.' Met een handgebaar stuurde hij zijn blonde metgezel een zijstraat in, en gebaarde toen dat de donkere jongeman hem moest volgen.
'Ik hoop het maar,' zei de andere jongen, die een stuk kleiner was. 'Ik heb genoeg van al dat rennen.'
De leider wierp hem een snelle blik en een grijns toe. 'Je hebt te veel in bierhuizen gezeten, Zane. Het wordt tijd dat we je terugbrengen naar het Eiland en de tedere zorgen van Tilenbrook.'
De donkere jongeman was te zeer buiten adem om antwoord te geven, dus maakte hij enkel een geluid waarmee hij duidelijk aangaf dat hij die opmerking totaal niet grappig vond, en veegde snel het zweet van zijn voorhoofd. Het kostte hem al moeite genoeg om zijn lange metgezel bij te houden.
De inwoners van Durbin hadden ervaring met duels, straatgevechten, bendeoorlogen, rellen en allerhande andere soorten burgerlijke onrust. Tegen de tijd dat Jommy en Zane aankwamen bij de hoek waar ze hun prooi hadden zien verdwijnen, was het nieuws hen vooruitgesneld en was de straat naar de dokken verlaten. Voorbijgangers, kooplieden en zeelieden die onderweg waren naar herbergen en taveernes in de buurt hadden aangevoeld dat er problemen zouden komen en hadden dekking gezocht. Er gingen deuren dicht, luiken werden met een klap gesloten, en degenen die niet binnen konden komen, deden hun best om elders beschutting te vinden.
Terwijl Jommy Kiliroo zijn blik op de piepkleine gestalte van hun vluchtende doelwit gericht hield, keek Zane conDoin in elke deuropening, steeg of andere schuilplaats waar eventueel een hinderlaag mogelijk was. Hij zag alleen burgers van Durbin, die ineengedoken zaten te wachten tot het weer rustig werd.
Jommy zag hun man een hoek aan het eind van de boulevard om duiken en wees hem na. 'Hij gaat recht op Tad af, als die zo snel is als normaal!'
Zane grijnsde. 'Jawel. Suri ontkomt niet.'
Jommy, Tad en Zane zaten deze man al een maand op de hielen. Hij was een voormalig koopman die Aziz Suri heette, een woestijnbewoner uit Jal-Pur die naar men beweerde importeur was van specerijen en olie uit de Vrije Steden. Ze zeiden ook dat hij een huurlingspion was die handelde in informatie en geheimen, en een vertrouweling van de Nachtraven, het Gilde van de Dood. Een maand eerder hadden agenten van het Conclaaf der Schaduwen tijdens het Midzomerfestival van de keizer van Kesh een aanslag weten te verijdelen, die erop gericht was het rijk te ontwrichten en een burgeroorlog te ontketenen. Nu waren ze op zoek naar resterende groepjes moordenaars om eindelijk een einde te maken aan hun eeuwenlange terreurbewind.
Zane had moeite om Jommy bij te houden. Hoewel hij even ver kon rennen als de langere jongeling, kon hij dat niet volhouden in het moordende tempo van zijn vriend met de langere benen. Misschien had Jommy gelijk en had hij inderdaad te veel avonden in het bierhuis doorgebracht. Zijn broek was de laatste tijd strakker gaan zitten.
Aan het eind van de straat kwamen ze aan bij de graanschippersdokken: twee enorme pakhuizen op een lange stenen kade met drie grote kranen. Tad kwam vanaf het andere uiteinde van de kade aanrennen en schreeuwde: 'Daarbinnen!' Hij gebaarde dat hun mannetje de nauwe steeg tussen de twee pakhuizen in was geglipt.
Jommy en de twee jongere knapen haastten zich niet, want na een maand in Durbin kenden ze dit deel van de stad vrij goed: goed genoeg om te weten dat hun prooi een doodlopende steeg in was gerend. Toen ze bij de smalle ingang waren aangekomen, kwam de man naar buiten gehold, recht op de haven af. De ondergaande zon weerkaatste rood op de zee; de man kneep zijn ogen tot spleetjes en wendde zijn hoofd af toen hij er tijdelijk door verblind werd.
Jommy stak zijn handen uit en kreeg net voldoende grip op de arm van de man om hem om te draaien. De man was uit zijn evenwicht gebracht en zwaaide met zijn armen om overeind te blijven. Jommy probeerde de man weer bij zijn tuniek te grijpen, maar daarmee gaf hij hem alleen maar een zet, zodat hij verder weg struikelde. Voordat iemand de slanke koopman kon grijpen, botste hij tegen de middelste kraan aan. Verdoofd door de klap draaide de woestijnbewoner zich om, wankelde een keer en stapte pardoes van de rand van de pier af.
Toen de man over de rand verdween, klonk er een kreet die wel wat leek op die van een hond als je op zijn poot gaat staan. De drie jongemannen haastten zich naar de rand en keken eroverheen. Zwaaiend aan het kraantouw, net boven een los laadnet, hing de kleine koopman te vloeken terwijl hij een schuin oog hield op de stenen onder hem. Het was laagtij en er stond slechts een paar duim water tussen de man aan het touwen de harde stenen. Zelfs de barken met platte bodems, die werden gebruikt om graan naar de schepen in de haven te vervoeren, lagen voor anker in dieper water. 'Trek me op!' schreeuwde hij.
'Waarom zouden we, Aziz?' vroeg Jommy. 'Je hebt ons de hele stad door laten rennen in deze verdomde hitte,' - hij veegde het zweet van zijn voorhoofd en smeet het met een snelle polsbeweging naar de man om te demonstreren hoe warm hij het had - 'en alles wat wij wilden, was een rustig gesprekje.'
'Ik ken jullie, stelletje moorddadige maniakken,' zei de koopman. 'Jullie gesprekjes zijn dodelijk.'
'Moorddadige maniakken?' zei Tad verwonderd. 'Ik denk dat hij ons voor iemand anders aanziet.'
Zane trok zijn mes. 'Mijn broer denkt dat je ons verwart met een ander stel moorddadige maniakken, maar ik ben daar niet zo zeker van.' Hij keek zijn metgezellen aan en vroeg: 'Als ik zijn touw nu doorsnijd, hoe schatten jullie dan zijn kansen in?'
Tad boog zich voorover alsof hij het vraagstuk overpeinsde, en verklaarde toen: 'Het is niet meer dan twintig voet naar de rotsen. Vijftig procent kans dat hij alleen maar een been breekt of een arm, of twee.'
'Dat hangt ervan af hoe hij terechtkomt,' zei Jommy. 'Ik heb wel eens een kerel achterover van een ladder zien vallen, alleen maar vanaf de onderste sport moet je nagaan, maar hij sloeg met zijn hoofd tegen de grond en liep een schedelbreuk op. Het duurde wel even voor hij dood was, maar uiteindelijk was hij dood, en dood is dood.'
'We kunnen het gewoon even uitproberen,' opperde Zane.
'Nee!' schreeuwde de koopman.
'Nou, het wordt vloed,' zei Tad tegen Aziz. 'Als je daar nog een paar uur blijft hangen, kun je gewoon loslaten en dan naar dat trappetje daar zwemmen.' Hij wees naar de andere kant van de haven.
'Als de haaien hem niet te pakken krijgen,' zei Jommy tegen Zane.
'Ik kan niet zwemmen!' riep de handelaar.
'Niet echt veel kansen om dat te leren in de woestijn, neem ik aan,' merkte Zane op.
'Dan zit je behoorlijk in de nesten, hè, vriend?' vroeg Jommy. 'Wat denk je van een ruiltje? Jij beantwoordt een vraag, en als het antwoord ons bevalt, trekken we je op.'
'En als het antwoord je niet bevalt?'
'Dan snijdt hij het touw door,' zei Jommy, wijzend naar Zane. 'En dan zullen we zien of je omkomt of alleen je leven maar verpest is... wat ervan over is voor het vloed wordt en je verdrinkt, natuurlijk.'
'Barbaar!'
Jommy grijnsde. 'Zo ben ik al vaker genoemd sinds ik naar Kesh kwam.'
'Wat wil je weten?' vroeg de woestijnbewoner.
'Maar één ding,' zei Jommy, die nu niet meer grijnsde. 'Waar is Jomo Ketlami?'
'Dat weet ik niet!' schreeuwde de man, die probeerde met zijn voeten houvast te vinden in het bungelende laadnet onder zich.
'Hij is ergens in de stad!' riep Jommy. 'We weten dat hij de stad niet verlaten heeft. En we weten ook dat jij al jaren zaken met hem doet. We spreken het volgende af: jij vertelt ons waar hij is, dan trekken wij je omhoog. Dan gaan we naar hem op zoek, zorgen dat we de informatie van hem krijgen die we hebben willen, en vermoorden hem. Je hoeft je nergens zorgen om te maken.
Of je vertelt ons niks en we laten je hangen. Misschien kun je omhoog klimmen naar de punt van de kraan en er op de een of andere manier vanaf zien te komen, maar zelfs dan zullen wij rondvertellen dat je Ketlami hebt verraden. Dan hoeven we alleen maar een oogje op jou te houden en te wachten tot hij je omlegt, en dan hebben we hem alsnog.' Jommy's grijns was terug. 'Jij mag kiezen, vriend.'
'Ik kan het niet!' riep de doodsbange handelaar.
'Vijf rijkszilverstukken dat hij niet doodgaat als hij de rotsen raakt,' zei Tad.
'Ik weet het niet,' antwoordde Zane. 'Volgens mij is de kans groter.'
'Mijn vijf tegen jouw vier?'
Zane knikte enthousiast. 'Afgesproken!'
'Wacht!'
'Ja?' zei Jommy.
'Snij alsjeblieft dat touw niet door. Ik heb kinderen!'
'Leugenaar,' zei Zane. 'Iedereen weet dat je de meisjes in de bordelen vertelt dat je geen vrouw hebt.'
'Ik zei niet dat ik een vrouw had,' gaf de kleine man toe. 'Maar ik zorg wel voor het handjevol bastaarden dat ik heb voortgebracht.'
'Je bent de vrijgevigheid zelf, maat,' merkte Jommy op.
'Er zijn mensen die veel minder doen voor hun kroost,' antwoordde de bungelende handelaar. 'Ik heb zelfs de oudste in huis genomen om hem een vak te leren!'
'Wat voor vak?' vroeg Zane. 'Smokkelen, spioneren, liegen of vals spelen tijdens het kaarten?'
'Weet je,' zei Tad achteloos, 'terwijl wij hier staan te kletsen, komt de vloed op.'
'En?' Jommy keek zijn vriend met samengeknepen ogen aan.
'Nou, als we dat touw niet snel doorsnijden, dan is er een grote kans dat hij gewoon verdrinkt, en dan geldt onze weddenschap niet meer.'
'Dat zou niet best zijn,' zei Zane. Hij zwaaide met het grote jachtmes in zijn hand, draaide het vakkundig rond en begon in het dikke touw te zagen dat via een blok naar de bovenste katrol op de kraan liep.
'Nee!' riep de kleine man in paniek. 'Ik praat wel!'
'Nou, praat dan,' kaatste Jommy terug.
'Pas als je me optrekt!'
Zane keek zijn vrienden aan. 'Een redelijk verzoek?'
'Nou, ik denk niet dat hij ons alle drie aan kan,' zei Tad. 'Hij is immers maar een ongewapend, mager klein mannetje en wij zijn... Hoe noemde hij ons ook alweer?'
'Moorddadige maniakken,' zei Zane behulpzaam.
'Trek hem dan maar op,' zei Jommy.
Tad en Zane grepen de zware lier waarmee het net kon worden opgetakeld en begonnen eraan te draaien. Het ding was goed gesmeerd en bewoog gemakkelijk, en de kleine man bevond zich al snel twaalf voet hoger, met zijn hoofd boven de rand van de kade.
Jommy had zijn zwaard gepakt en wees naar een plek op de wal. 'Leg hem daar maar neer, jongens.'
Tad en Zane blokkeerden de lier zodat het net niet kon vallen en grepen de lange houten arm waarmee de lading kon worden gezwenkt. Toen ze de handelaar veilig boven de kade hadden gemanoeuvreerd, liet hij het net los en viel op het plaveisel.
Voordat Aziz eraan kon denken het weer op een lopen te zetten, duwde Jommy de punt van zijn zwaard tegen zijn keel. 'Zo. Je ging ons vertellen waar Jomo Ketlami is.'
Aziz hield zijn ogen neergeslagen. 'Je moet hem snel opzoeken en doden, en ook degenen die hem dienen, want als er nog een paar van die... moordenaars in leven blijven, ben ik zo goed als dood.'
'Dat was ons plan,' zei Jommy. 'Dus waar is hij?'
'Niet meer in de stad; dat had je mis. Hij kent meer doorgangen door de muren dan een rioolrat. Er zijn grotten in de heuvels boven het strand, een halve dag rijden naar het zuidwesten, en daar is hij ondergedoken.'
'En hoe weet jij dat?' vroeg Tad.
'Hij heeft me bericht gestuurd voordat hij vluchtte. Hij heeft me nodig. Zonder mij kan hij geen boodschappen versturen aan zijn trawanten in andere steden langs de Bitterzee. Ik moet overmorgenavond naar die grotten toe, want hij heeft mededelingen te doen aan zijn moorddadige broeders.'
'Ik denk dat we hem maar gewoon moeten vermoorden,' zei Zane. 'Hij is er veel nauwer bij betrokken dan we dachten.'
'Nee,' zei Jommy, die zijn zwaard omhoog bracht toen Tad Aziz bij de schouder greep. 'Ik denk dat we hem mee moeten nemen naar de herberg om een praatje te maken met je vader, en dat we hém hierover laten beslissen.' Tegen de handelaar zei Jommy: 'Het maakt mij niet uit of je blijft leven of niet. Als ik jou was, zou ik dus maar wat moeite doen om ons ervan te overtuigen dat het beter is voor iedereen als je blijft leven.'
De man knikte.
'Kom mee,' zei Jommy. 'Als je tegen ons liegt, zullen je bastaardkinderen voor zichzelf moeten leren zorgen.'
'Ik zweer op hun hoofd dat ik alleen de waarheid vertel.'
'Nee,' zei Jommy. 'Zweer dat maar op je eigen hoofd, Aziz.' Terwijl de zon in het westen onderging, liepen de vier mannen van de dokken naar de gierput die Durbin was.
Gewapende mannen bewogen zich geruisloos door de nacht. Voor hen lag een kleine grot, net groot genoeg voor één man tegelijk, half verborgen onder een overhangend klif, waar een heuveltje boven het strand was weggesleten door jarenlange erosie. Boven de grot zaten twee boogschutters, klaar om op iedereen te schieten die probeerde zonder toestemming de grot te betreden.
Er kwam mist aangerold vanaf de Bitterzee, en er was geen maan zichtbaar door de bewolking. De nacht was donker als een kolenmijn en de mannen rondom de grot konden elkaar amper Zien.
Caleb, zoon van Puc, gebaarde naar zijn drie jongens dat ze moesten wachten. Achter hem stond zijn broer Magnus klaar om te reageren op een eventuele magische aanval. Een dozijn andere mannen stelden zich in een halve cirkel op bij een andere ingang naar de grot, honderd meter verderop op het klif.
De twee broers leken erg veel op elkaar. Ze waren lang, slank en sterk, met haren tot op hun schouders, een bijna koninklijke houding die ze van hun moeder hadden geërfd, en ogen die dwars door je heen leken te kijken. Het enige opvallende verschil was dat Caleb donkerbruine haren en ogen had, terwijl Magnus' haren lichtblond waren, in het zonlicht bijna wit, en zijn ogen heel lichtblauw. Caleb droeg jachtkleding, een tuniek en broek, kniehoge laarzen en een slappe hoed, terwijl Magnus gekleed was in een eenvoudige zwarte mantel waarvan de kap op zijn rug hing.
Caleb had samen met zijn broer het grootste deel van de nacht besteed om de handelaar Aziz te ondervragen. Magnus had geen speciale vaardigheden waarmee hij kon bepalen of de handelaar de waarheid vertelde, maar dat wist de handelaar niet. Na een eenvoudige demonstratie van Magnus' magische vaardigheden was Aziz ervan overtuigd dat de magiër een leugen van de waarheid kon onderscheiden. Magnus en Caleb waren voor zonsopgang hier aangekomen, en de twee broers hadden hun respectievelijke vaardigheden - spoorzoeken en magie ingezet om er zeker van te zijn dat hun doelwit zich inderdaad in die grotten bevond. Net voor het licht werd waren er twee huurmoordenaars de grot uitgekomen, die een snelle ronde door de omgeving hadden gemaakt. Magnus had een levitatiebezwering gebruikt om zijn broer en zichzelf honderd voet de lucht in te heffen toen de patrouillerende wachtposten boven op de heuvel aankwamen. Inhet donker was er, zelfs als de Nachtraven recht omhoog hadden gekeken, weinig kans dat Magnus en Caleb gezien werden.
Er was een eindje vanaf de kust een wachtpost gestationeerd, om te zorgen dat er niemand ontkwam terwijl Magnus terugging naar Kesh. Hij wilde Chezarul ophalen, een voormalig handelaar uit Kesh en een van de meest vertrouwde agenten van het Conclaaf, en zijn meest betrouwbare strijders. Dankzij zijn magische vaardigheden keerde Magnus binnen enkele uren terug. Bij zonsondergang waren ze deze grotten genaderd en na het donker hadden ze positie ingenomen. Ze schatten dat Jomo Kedami zich verborg in een wirwar van grotten met minstens zes van zijn huurmoordenaars, wachtend tot Aziz kwam zodat de vluchtelingen een veilige overtocht vanuit Kesh konden regelen. En gezien de gebeurtenissen van de afgelopen maand waren dat ongetwijfeld de taaiste, meest doorgewinterde en fanatieke overlevenden van de Nachtraven.
Sinds de aanslag op de keizer door de tovenaar Leso Varen, leider van de Nachtraven, hadden soldaten van het rijk met de hulp van Keshische spionnen en agenten van het Conclaaf der Schaduwen elke mogelijke schuilplaats in Kesh doorzocht. Op keizerlijk bevel moesten de mannen die werden gevonden onmiddellijk worden geëxecuteerd.
Er werden gelijksoortige campagnes uitgevoerd in het Koninkrijk der Eilanden, net als in Roldem, Olasko en verschillende andere grote steden in de Oosterse Koninkrijken. Het Conclaaf was ervan overtuigd dat alle hoofdkwartieren inmiddels waren gevonden, op één na: de ultieme bron van deze moorddadige broederschap, waar hun grootmeester als een enorme spin midden in een web zat dat zich over een heel continent uitstrekte. En de man in de grotten slechts tientallen meters verderop wist waar het hoofdkwartier van het Gilde van de Dood was verborgen.
Caleb gebaarde. Een wachtpost die achter de boogschutters stond, stak een lantaarn aan en de mannen op het strand gingen behoedzaam de tweede grotopening binnen. Magnus had elke vaardigheid die hij bezat gebruikt om er zeker van te zijn dat er geen magische valstrikken op hen wachtten. Hij was minder zeker over aardse valstrikken. De twaalf mannen die de grot binnengingen, behoorden tot de vaardigste agenten van het Conclaaf in Kesh, en misschien wel tot de meest ervaren strijders in het rijk. Ze waren bereid, als dat nodig was, hun leven te geven om Midkemia eens en voor altijd te ontdoen van de Nachtraven.
Nog eens zes mannen namen stelling in voor de tweede grotingang, en twee extra boogschutters positioneerden zich boven op de kliffen. Hun bevelen waren duidelijk: verdedig je eigen leven, maar Jomo Ketlami moet levend gevangen worden genomen.
Caleb gebaarde naar zijn mannen dat ze richting de ingang van de kleinere grot moesten gaan, klaar om iedereen te onderscheppen die probeerde te vluchten. Met handgebaren, nauwelijks zichtbaar in het karige lantaarnlicht, liet hij hun weten dat ze klaar moesten gaan staan aan weerszijden van de grot. Hij gebaarde naar de man met de lantaarn, die het licht afschermde en het strand weer in duisternis hulde.
De minuten kropen traag voorbij, en nu klonken alleen het gebulder van de branding en af en toe de roep van een nachtvogel in de verte. Jommy knikte naar Caleb, die aan de andere kant van de grotingang wachtte, en draaide zich toen om om te zien hoe het met zijn twee jongere metgezellen ging. Inhet donker zag hij Tad en Zane ineengedoken achter zich tegen het klif zitten wachten. Inde maanden dat hij nu bij hen woonde, had hij een band met hen gekregen, en hij merkte dat hij vaak de rol van oudste broer op zich nam. Hun familie had hem verwelkomd en een thuis gegeven, hoewel dat thuis verre van gewoon was; maar hij was het buitengewone gaan accepteren als normaal sinds hij Caleb en zijn adoptie zonen had ontmoet. Jommy wist dat hij zijn leven zou geven om hen te beschermen, en dat elk van hen bereid was zijn leven voor hém te geven.
Plotseling klonk er binnen een schreeuw, meteen gevolgd door de geluiden van gevechten. De eerste huurmoordenaar die de grot uit kwam rennen, werd begroet met de platte kant van Calebs zwaardkling in zijn gezicht. Het bloed spoot al uit zijn gebroken neus toen Jommy hem met het gevest van zijn zwaard tegen de zijkant van zijn hoofd sloeg. Zane greep de verdoofde moordenaar bij zijn kraag en trok hem met brute kracht aan de kant.
Een tweede moordenaar zag zijn collega vallen, al kon hij dan niet precies zien wat er gebeurde in het donker, en aarzelde voor hij met zijn zwaard in de aanslag naar voren sprong. Caleb kon nog net een zwaardwond in zijn zij voorkomen, en zijn tegenaanval kletterde als een alarmbel. Jommy stapte naar voren om de man een klap op zijn hoofd te verkopen. Hij voelde een harde ruk aan zijn tuniek en besefte dat hij, toen hij voor de grotingang langsliep, bijna was doorboord door het wapen van een andere moordenaar. Er brandde iets in zijn onderrug toen de zwaardvechter zijn wapen terugtrok. Jommy negeerde de pijn en sloeg met het gevest van zijn zwaard op het achterhoofd van de man die tegenover Caleb stond. Het brandende gevoel in zijn onderrug hield aan, doordat de zwaardvechter achter hem nog altijd probeerde zijn wapen te ontworstelen aan Jommy's tuniek.
Caleb stak zijn linkerhand uit, greep Jommy bij zijn hemd en trok er hard aan om hem buiten gevaar te brengen. Zane hield zich bezig met de man die probeerde Jommy te vermoorden, toen een andere man langs hem heen sprong en het strand op rende.
'Hou hem tegen!' riep Caleb.
Een sissend geluid vulde de nacht, alsof de bliksem vlakbij insloeg, en een schicht energie sprong van Magnus' hand. De grotingang en het strand baadden in een verblindende blauwe gloed toen er een bol van energie achter de vluchtende man aan ging en hem binnen een tel inhaalde. De man schreeuwde en viel, zijn lichaam schokkend van pijn terwijl kleine kronkelende schichten over zijn bovenlichaam dansten. De magische aanval ging gepaard met sinister knetterende en sissende geluiden.
Caleb en Magnus haastten zich naar de gevallen man toe, terwijl de jongens en de andere agenten van het Conclaaf de overige huurmoordenaars te lijf gingen.
'Ik kom naar buiten!' riep een bekende stem, en even later kwam Chezarul de grot uit. 'Hoe hebben we het gedaan?' vroeg hij.
Toen Caleb bij de gevallen man was aangekomen, schreeuwde Jommy: 'Licht!'
Twee lantaarns, een boven hen en een andere een stukje verderop langs het strand, gingen aan en ze zagen de man op het zand kronkelen terwijl het energieschouwspel vervaagde. 'Bind hem vast voordat ik de bezwering loslaat. Dan kan hij geen vergif gebruiken dat hij misschien bij zich heeft. Fouilleer hem grondig,' zei Magnus.
Caleb keek neer op de man die hij al weken zocht. Jomo Ketlami's gezicht was verwrongen van de helse pijnen. Zijn vuisten zwaaiden nutteloos door de lucht, zijn ellebogen hield hij strak tegen zijn lichaam geklemd. Zijn rug was gekromd en zijn benen schopten zwakjes op het zand. Caleb doorzocht snel de kleding van de man en vond twee gifpillen en een amulet, het ijzeren embleem van de Nachtraven dat ze inmiddels zo goed kenden. Hij trok een touw uit zijn riembuidel, draaide de trillende man om alsof hij een geveld hert was, en bond hem ook als zodanig vast.
'Controleer zijn mond,' opperde Magnus.
'Ik heb meer licht nodig.'
Er werd een lantaarn gehaald, die vlak boven Ketlami's gezicht werd gehouden. Caleb greep de kaken van de gevangene met zijn rechterhand vast en dwong zijn mond open. 'Aha, wat is dit?'
Hij stak zijn linkerhand uit, en iemand legde er een ijzeren tang in. Caleb reikte er snel mee in Ketlami's mond en trok hem een kies uit. Het gejammer van de gevangene werd luider, maar verder kon hij niets doen tegen de trekkerij. 'Holle kies.' Caleb stond op en zei tegen Magnus: 'Je kunt hem nu wel loslaten, denk ik.'
Magnus beëindigde de bezwering en de gevangene viel slap achterover, hijgend als een uitgeputte hond.
Chezarul kwam aanlopen. 'Twee zijn er dood, een van hen zal de ochtend niet halen, maar drie man zijn bewusteloos en gekneveld.'
Caleb knikte. 'Controleer hen ook op vergif.' Hij keek naar Jommy. 'Je bent gewond.'
'Ik heb ze wel erger gehad,' zei de jongeman grijnzend. 'De laatste keer dat ik de zwaarden kruiste met Claudius Haviks heeft hij me drie keer verwond, en hij deed niet eens zijn best.'
Caleb keek naar de steeds groter wordende bloedvlek op Jommy's tuniek. 'Laat je verzorgen, jongen, anders doet Marie me wat.'
Jommy knipoogde naar Tad en Zane terwijl ze zich bij de anderen aansloten die bij hun gevangene stonden. 'Je moeder zorgt wel voor me, hè?'
Tad trok een gezicht. 'Volgens mij vindt ze jou het aardigst.'
Zane knikte. 'Echt wel.'
Jommy's grijns werd breder. 'Dat komt doordat jullie haar al je hele leven hoofdpijn bezorgen. Ik erger haar pas een paar maanden. Ze zal me snel genoeg beu zijn.'
Magnus keek zijdelings naar de lange, roodharige jongen. 'Dat geloof ik ook,' zei hij. Jommy had zich snel geliefd gemaakt op Tovenaarseiland en had zich meteen thuis gevoeld in Calebs geadopteerde gezin. In diverse lastige situaties had hij bewezen dat hij taai was, loyaal en bereid om risico's te nemen voor anderen, maar hij scheen nooit zijn gevoel voor humor kwijt te raken.
Tad liep naar Ketlami toe, die nu roerloos lag te kreunen en zachtjes vloekte. 'En nu?'
'We moeten hem naar vader brengen,' zei Caleb. Toen wendde hij zich tot Chezarul. 'Neem de drie gevangenen mee naar de stad en probeer zo veel mogelijk informatie uit hen te krijgen. Dit zouden de laatste Nachtraven in Durbin moeten zijn, maar de kans bestaat dat er nog een paar achterblijvers zitten. Dus pers elke laatste druppel waarheid uit ze, en zorg er dan voor dat ze de wereld niet langer tot last zijn.'
Chezarul knikte eenmaal en gaf opdrachten aan zijn mannen.
Magnus haalde een bol onder zijn mantel vandaan. Jongens, kom bij me staan.' Hij stond pal naast Ketlami, Caleb pakte een stuk tuniek van de man vast en greep met de andere de zoom van Magnus' zwarte mantel. Jommy legde een hand op Magnus' schouder, terwijl Tad en Zane dicht achter Caleb gingen staan.
Magnus drukte op een knop op de bol en plotseling verdwenen ze. Chezarul en zijn mannen bleven op het verlaten strand achter om het laatste bolwerk van de Nachtraven in Durbin -en als ze geluk hadden in heel Groot Kesh - op te ruimen.