Epiloog
Terugkeer
Twee mannen beenden over het veld.
Ze droegen beiden de zwarte mantels van Grootheden, de magiërs van de Assemblee. Bij het ochtendgloren waren ze door de anderen gevraagd om een nieuwe scheuring te onderzoeken, misschien vanaf de Dasatiwereld.
'Daar,' zei de voorste man, wijzend. Hij versnelde zijn pas, met zijn langere vriend achter zich aan, en toen ze vonden wat ze zochten, bleven de beide mannen staan. De voorste man stak zijn handen op in een afwerend gebaar.
Er was een scheuring, niet meer dan een handbreedte groot, maar beslist een scheuring, en daardoorheen was een wezen gekomen. De mannen keken er verwonderd naar.
Het leek niet groter dan een zuigeling, maar toch stond het rechtop en keek het hen kwaadaardig aan. Het had een min of meer menselijke vorm met twee benen, twee armen en een hoofd. Het gezicht had nauwelijks gelaatstrekken; alleen twee donkere lijnen die de ogen vormden, en een snede waar de mond zou moeten zijn. Het hoofd van het ding was volkomen rond, een bol zonder andere kenmerken. Het had drie vingers aan elke hand, met opponeerbare duimen, en was gekleed in iets wat leek op een zwarte broek en tuniek. Het hield een metalen staafje in een hand, en stak dat met een triomfantelijke, schrille kreet in de grond vlak voor de scheuring.
'Wat is dat?' vroeg de eerste magiër.
'Ik weet het niet,' zei de tweede, en even keek zijn vriend hem aan, want zijn stem klonk vreemd.
'Is alles goed met je?' vroeg hij, want zijn vriend had pas een onverwachte koorts gehad en had bijna drie dagen in bed gelegen voordat hij de vorige dag eindelijk weer was hersteld.
'Prima,' zei de tweede man. Het ding keek in de richting van de ochtendzon en rilde, hoewel het nu al warm was. Het hield zijn gezicht naar de zon gericht en negeerde de twee magiërs.
'Waar is het mee bezig?' vroeg de kleinere van de twee magiërs.
'Het lijkt wel...' - de tweede magiër aarzelde alsof hij naar woorden zocht - 'gefascineerd door de zon.'
'Als wat wij hebben gehoord waar is, en dit ding van de Dasatiwereld komt: hun zon geeft geen licht.'
'Echt waar?'
Weer keek de eerste magiër zijn vriend aan. Toen richtte hij zijn blik weer op de kleine staaf en zei: 'Kijk!'
Het staafje spuwde paarse vonken, die recht op de scheuring afgingen. Al snel raakten de kleine stroompjes energie uit de staaf, die op purperwitte bliksems leken, de scheuring.
'Ik geloof dat het er kracht aan onttrekt,' zei de tweede magiër, en zijn stem klonk weer vreemd.
'Puc denkt dat de Dasati-scheuringen naar deze wereld worden getrokken door de talnoy. Maar volgens hem kunnen ze hier niet in stand blijven zonder een energiebron...' De stem van de magiër werd hoog van schrik. 'We moeten dit ding nu meteen vernietigen!'
Terwijl hij een bezwering begon uit te spreken om de scheuring en het wezen dat ervoor stond te vernietigen, deed de tweede magiër een paar passen naar achteren. Toen hief hij zijn handen, en er schoten twee lansen van groenwitte energie uit die de eerste magiër doodden.
Het kleine wezentje richtte zijn aandacht op het schouwspel en siste als een slang die een indringer waarschuwt uit de buurt te blijven.
De tweede magiër zei: 'Dat kunnen we niet laten gebeuren, hè?'
Hij knielde naast het wezen neer, dat zijn aandacht weer op het zonlicht had gericht. Terwijl de ochtendzon hoger langs de hemel klom en de dag warmer werd, rilde het kleine buitenwereldse wezen. De tweede magiër boog zich over hem heen en zei: 'Ach, je kunt dit allemaal nog niet aan, hè?'
Het wezentje beefde, en plotseling werd het trillen heviger, totdat het plotseling in brand vloog. De magiër werd even verblind door de flits en knipperde met zijn ogen.
'Nou, dat was interessant,' zei hij tegen zichzelf. Toen keek hij naar de kleine staaf waardoor de scheuring werd gevoed. 'Dus iemand wil op bezoek komen, hè?'
Hij bukte zich en greep het staafje van de grond. Zodra hij dat deed, stopte de energie stroming, en na nog geen vijf minuten was de scheuring verdwenen.
De magiër stak het staafje onder zijn mantel, draaide zich om en zei: 'Ik zal nog moeten werken aan de taal. Heel bijzonder, maar mijn accent is niet goed genoeg.'
Leso Varen neuriede een deuntje en keek naar het smeulende lijk dat een Grootheid van de Assemblee van Magiërs was geweest. 'Jammer dat je alles hebt opgeofferd voor het welzijn van het Keizerrijk.' Hij knielde, pakte het lijk moeiteloos op en hees het over zijn schouder. 'Maar je krijgt tenminste een heldenbegrafenis of crematie, of wat ze dan ook doen op deze wereld.' Hij haalde een bol onder zijn mantel vandaan en drukte op een knop, en plotseling was hij verdwenen.
De ochtendzon scheen fel op het gras, en slechts een klein plekje verschroeide aarde onthulde wat er zojuist was gebeurd op de enorme vlakte van het Keizerrijk Tsuranuanni.