2
Raad
Puc stak een hand op.
Hij was een kleine man die er niet ouder uitzag dan veertig. Zoals altijd droeg hij een eenvoudige zwarte mantel, en zijn donkere ogen keken uit over de mensen die voor hem stonden. Zijn ogen waren het enige waaraan zijn grote macht te zien was. Voor de rest zag hij eruit als een heel gewone man.
De grot aan de noordkant van Tovenaarseiland was een traditionele ontmoetingsplaats geworden voor de leiders van het Conclaaf. Hij had een smalle ingang en een laag plafond. Het was er droog, vrij van mos en korstmos, en af en toe werd de boel afgestoft om enig comfort te bieden aan degenen die daar samenkwamen. De grot was bijna leeg, op twee stenen schappen en een paar rotsen na die de enige zitplaatsen vormden. De ruimte werd verlicht door een spreuk van Miranda - een bezwering waardoor de rotswanden zelf zwakjes opgloeiden. Er bevond zich maar één door mensen gemaakt voorwerp in de grot: een buste van Sarig, de verloren god van de magie, die op een zuil tegen de muur stond.
In de loop der jaren was Puc langzamerhand meer gaan begrijpen van de manier waarop de goden waren 'gestorven'. Sarig was verloren en dood gewaand sinds de Chaosoorlog, maar Puc was tot de conclusie gekomen dat hij nog steeds in een of andere vorm bestond en zich met de dingen bemoeide. De buste flakkerde terwijl het gezicht ervan steeds wijzigde; soms leek hij op Puc of op een van Pucs metgezellen. Dat veranderende gezicht bewees de theorie dat alle magiërs op de een of andere manier de belichamingen van de god waren.
Puc zette zijn nieuwsgierigheid naar het voorwerp van zich af en keek naar de gezichten van zijn meest vertrouwde adviseurs. Op twee na waren ze allemaal leerlingen van hem geweest. Die twee - Miranda en Nakur - stonden zwijgend aan de zijkant. Magnus, de zoon van Puc en Miranda die pas was teruggekeerd van Kelewan, stond achter zijn moeder. Even viel Puc in het flauwe licht de gelijkenis tussen hen op, en hij glimlachte flauwtjes. Magnus en Caleb waren onmiskenbaar broers, afgezien van de kleur van hun huid en haren - Magnus had een . lichte huid en wit haar, terwijl de huid van Caleb gebruind was en zijn haar donkerbruin - maar geen van tweeën leken ze bijzonder veel op hun ouders. Hij zag af en toe iets van een overeenkomst, maar Puc had zich meer dan eens afgevraagd of de jongens misschien leken op de grootouders van hun moeder, die hij allebei niet had gekend.
Miranda was niet veranderd sinds Puc haar meer dan vijftig jaar geleden voor het eerst had gezien. In haar donkere haren was slechts hier en daar wat grijs te zien, en haar ogen veranderden van kleur naar gelang haar stemming - van donkergrijs naar groen naar hazelnootkleurig met bruine vlekjes tot donkerbruin. Ze had hoge jukbeenderen en haar mond stond vastberaden, wat soms haar koninklijke schoonheid ondermijnde.
In Pucs ogen was ze altijd mooi, zelfs wanneer hij zo boos op haar was dat hij haar wel kon wurgen. Hij hield van haar om haar kracht en passie. Katala, zijn eerste vrouw, had diezelfde eigenschappen gehad toen ze nog jong was. Pucs ogen ontmoetten die van zijn vrouwen ze communiceerden zwijgend met elkaar, op de manier die ze al jaren deelden.
Nakur ging op een stenen richel zitten en Puc vroeg zich voor de zoveelste keer af of hij die vreemde kleine man ooit echt zou hegrijpen. Nakur weigerde het traditionele idee van magie te accepteren, en bleef volhouden dat het allemaal trucs waren, de handige manipulatie van een of andere mystieke substantie die aan alle dingen ten grondslag lag. Soms leidde het mannetje met de kromme benen Puc af met zijn abstracte overpeinzingen over de aard der dingen, maar op andere momenten bood Nakur door zijn begrip van magie Puc inzichten waar hij versteld van stond. De Isalani was ook, vond Puc, in potentie de gevaarlijkste magiër ter wereld.
De nieuwkomers in de kern van het Conclaaf wachtten tot Puc zou spreken. Zij waren Rosenvar, een magiër van middelbare leeftijd uit Salmarter, en Uskavan, een geestesmeester van de Salavan-wereld.
Uskavan zag er menselijk uit, maar zijn huid had een duidelijke magentakleur als je van dichtbij keek. Puc had tien jaar eerder contact gemaakt met zijn thuiswereld, via de Galerij der Werelden, ,en had erin toegestemd hem te laten studeren bij het Conclaaf 1n ruil voor kennis over zijn geestesmagie. Uskavan kon illusies in de geest van een ander produceren die zo levensecht waren dat er fysieke reacties door konden ontstaan - hij kon fantoommessen te voorschijn halen die konden snijden, of denkbeeldige vlammen die konden branden. Puc vond ook zijn uitheemse perspectief erg nuttig.
Uskavan had de plaats ingenomen van Robert d'Lyes, ooit een van Pucs beste leerlingen en een waardevol dienaar van het Conclaaf der Schaduwen. Robert was het jaar ervoor vredig in zijn slaap overleden, hoewel hij nog geen zeventig jaar oud was geweest.
Puc begon: 'Ik heb elk van jullie afzonderlijk gesproken en wtl nu graag wat inlichtingen met jullie delen daarom heb ik jullie gevraagd om vandaag hier te komen, zodat we kunnen samenvatten wat we weten over twee zeer belangrijke kwesties. Heteerste is de zaak van de talnoy.' Hij wierp een blik op Magnus, die van achter zijn moeder vandaan stapte.
Magnus' gezicht stond ongerust. 'De Tsuranimagiërs zijn evenonthutst als wij over de aard van de magie die is gebruikt om deze dingen te maken.'
De talnoy waren voorwerpen uit een andere werkelijkheid, gemaakt door een ras dat de Dasati werd genoemd en dat extreem gevaarlijk was. Het waren wapenrustingen die werden aangedreven door de gevangen zielen of geesten van de Dasati, en daardoor waren ze bijna tegen alle schade bestand, immuun voor pijn en gedachteloos in hun gehoorzaamheid. Kaspar van Olasko had het Conclaaf verteld waar hij de eerste talnoy had gevonden, en ook dat 'talnoy' in de taal van de Dasati 'erg moeilijk te doden' betekende.
Magnus vervolgde: 'Ze zijn het met ons eens dat een grote invasie in ons niveau van de werkelijkheid, bij gebrek aan een betere term, catastrofaal zou zijn. Daarom proberen ze zo veel mogelijk te ontdekken over de afweren die we hebben verstoord toen we de opslagplaats van de talnoy in de grot ontdekten.'
Hij keek naar Nakur, die zei: 'Helaas heb ik niets nieuws te melden.' De man die volgens eigen zeggen een gokker was en weigerde toe te geven dat hij een magiër was, zweeg even terwijl hij zijn woorden overwoog. Uiteindelijk ging hij verder: 'Onze jongens en meisjes' - hij verwees naar alle jonge magiërs op Tovenaarseiland als jongens en meisjes - 'doen heel erg hun best om het te begrijpen.
Er is één lichtpuntje,' zei hij met een grijns. 'Ik denk dat we een manier hebben gevonden om ervoor te zorgen dat alleen wij ze kunnen besturen, als het op een confrontatie met de Dasati aankomt.'
Puc zei: 'Dat is tenminste iets. Tienduizend talnoy onder ons bevel moet je niet te licht opvatten.' Hij negeerde de impuls om eraan toe te voegen dat de Dasati honderdduizenden talnoy bestuurden en dat hun tienduizend er dus niet veel toe zouden doen. 'Maar ik denk dat onze belangen het meest gediend zijn als we kunnen ontdekken hoe ze zo lang verborgen zijn gebleven. Met andere woorden: als wij ons kunnen verbergen voor de Dasati, hebben we de moeilijkste taak die voor ons ligt volbracht.
En onze andere taak is het opsporen van Leso Varen.'
Miranda zei: 'Hebben we enig idee waar hij naartoe kan zijn gevlucht?'
'Mijn agenten kijken uit naar alles wat ongewoon is en met magie te maken heeft.'
Miranda's donkere ogen vernauwden zich tot spleetjes. 'Hij is telkens jaren achtereen ondergedoken.'
'Maar deze keer denk ik dat hij niet kan wachten om zijn aanwezigheid weer kenbaar te maken,' zei Puc. 'Hij weet dat er daarbuiten iets belangrijks is, ook al heeft hij misschien geen idee van wat die talnoy vertegenwoordigen of hoe hij ze voor zijn eigen voordeel kan gebruiken. Hij zou er alleen al voor willen zorgen dat wij zoiets krachtigs niet in handen krijgen.
Zijn aanval op het eiland en Elvandar vorig jaar bewijst dat hij brutaler is geworden, en dat hij zijn vroegere voorzichtigheid heeft laten varen. Hij heeft al snel weer gebruik gemaakt van zijn krachten nadat zijn gastheer door Talwin Hawkins werd gedood. Ik denk dat we veilig kunnen aannemen dat we weer van hem zullen horen, en snel ook.'
Rosenvar zei: 'Puc, wat verzwijg je nog voor ons?'
Puc glimlachte. Hij had Rosenvar tot de kern laten toetreden omdat de man een scherp inzicht had en een bijna intuïtieve vaardigheid om antwoorden te destilleren uit heel weinig informatie. 'Het is eigenlijk niets specifieks. Alleen wat verontrustende dromen en nare gevoelens.'
Uskavans zwarte ogen waren groot toen hij zei: 'Je moet dromen nooit negeren, Puc. Mijn volk gelooft dat sommige delen van onze geest altijd aan het werk zijn, altijd proberen om dingen te begrijpen. Dromen zijn vaak de middelen waardoor die delen van onze geest communiceren met onze bewuste gedachten; vooral wanneer de emoties sterk zijn. Onze rassen zijn niet zo heel verschillend, en als het op de werking van onze geesten aankomt, hebben we veel gemeen.'
Magnus stond naar de buitenwereldse magiër te kijken, en Puc kon de gedachten van zijn zoon bijna lezen: slechts weinig llwnsen, onder wie Puc, Miranda en Magnus, kwamen ook maar in de buurt van de mentale discipline die een novice van Uskavans orde had. De geesten van de Salavan waren veel complexer dan die van mensen, ondanks Uskavans bewering dat dat alleen maar kwam doordat de Salavan een ouder ras waren en al duizenden jaren de geestelijke kunsten beoefenden.
Puc knikte, met een uitdrukking van berusting op zijn gezicht. 'Inderdaad. Ik vrees dat mijn dromen voortekenen zijn van naderende rampspoed. Maar ze kunnen ook eenvoudigweg een uitdrukking zijn van mijn zorgen ten aanzien van de Dasati.'
Magnus zei: 'Vader, we moeten ons voorbereiden alsof ze al onderweg zijn.'
'Ik weet het.' Puc keek elk lid van de kern van het Conclaaf aan. 'Stuur een boodschap naar onze agenten in alle koninklijke hoven. Ik wil op de hoogte worden gebracht van alle ambities, plannen en intriges, en van elke situatie die we voor ons eigen voordeel kunnen gebruiken. Als het moet, kopen we mensen om of bedreigen ze om te zorgen dat we hulp krijgen bij zo'n conflict.'
Puc zweeg een tijdje. Hij dacht aan de Oorlog van de Grote Scheuring, die twaalf jaar had geduurd. Terwijl de Tsurani zich op het Koninkrijk en de Vrijsteden stortten, hadden Queg, Groot Kesh en de kleinere koninkrijken in het oosten belangstellend toegekeken, op zoek naar een kans om hun eigenbelang te dienen ten koste van het Koninkrijk. 'Als de Dasati komen, hebben we vrienden nodig op hoge posities. Zij moeten er dan voor zorgen dat alle landen snel reageren, waar de invasie ook begint.'
Magnus zei: 'Dat is allemaal goed en wel als de aanval plaatsvindt in Midkemia - alle vorsten op dit continent zullen zich kwetsbaar voelen als er buitenwereldsen komen, en zij zullen zich wel verenigen. Maar wat als ze binnenvallen op de verlaten kust van een van de Avondroodeilanden of op de graslanden van Novindus, of het plateau van Wiñet?'
'Dan wordt de taak moeilijker,' zei Puc. Hij keek elk van hen onderzoekend aan. Miranda leek op dit moment even raadselachtig als een vreemdeling. Ze ging vaak bij zichzelf te rade en nam de zaken in eigen hand. Ze hadden in de loop der jaren meer dan eens ruzie gehad omdat ze mensen voor zich aan het werk zette zonder hem te raadplegen of omdat ze bevelen gaf waar hij het niet mee eens was. Hij glimlachte lichtjes. Zo lang zijn vrouw erbij betrokken was, kon men Puc er nooit van beschuldigen dat hij de raad van het Conclaaf der Schaduwen bestuurde. Ze knikte even en lachte terug, en deze keer wist hij dat ze het volledig met hem eens was.
Rosenvars gerimpelde gezicht zag eruit alsof het was gemaakt van uitgedroogd leer. De rode tint van zijn gezicht werd benadrukt door zijn slordige bos blond haar, dat snel wit begon te worden. 'Het lijkt me,' zei hij, 'dat het nuttig voor ons zou kunnen zijn om een paar geruchten te laten uitlekken.'
Puc zweeg even. 'Waarvoor?'
De magiër uit Salmarter glimlachte en Puc herinnerde zich de eerste keer dat hij hem had ontmoet, in een hoek van een bierhuis waar hij mensen van advies diende, amuletten verkocht en er vrolijk op los loog tegen iedereen die een kroes bier voor hem betaalde. Sinds hij naar het eiland was gekomen, was hij grotendeels nuchter gebleven en zette hij het nog maar heel zelden op een zuipen.
'Geruchten zijn prachtige instrumenten, als je ze op de juiste manier toepast,' zei Rosenvar. Zijn stem klonk rommelend, alsof die ergens diep van binnen begon en zich dan langzaam een weg door zijn keel naar buiten baande. 'Ik heb hele steden zien opleven door het juiste gerucht, Puc. Regenten wantrouwen vaak de officiële rapporten en geloofwaardige getuigen, maar een sappige roddel... ah, dán gaan ze rondrennen als kalkoenen in een storm, met hun hoofd omhoog en hun mond open om :t.ich te verdrinken in de stortregen.'
Puc grinnikte. Rosenvar had altijd van die grappige uitdrukkingen. 'Goed dan, maar wat voor geruchten?'
Rosenvar glimlachte niet meer. 'Ze zeggen dat hertog Erik ziek is, misschien wel stervende, in Krondor.'
Puc knikte. 'Dat heb ik gehoord.'
Miranda zei: 'Hij is de laatste.'
Puc wist wat ze bedoelde. Hij was de laatste overlevende van Caelis' groep van 'Radeloze Mannen', de gevangenen die hun vrijheid hadden gekregen in ruil voor een reis naar Novindus ten tijde van de Slangenoorlog, en de enige man met een hoge rang die nog steeds diende onder degenen die het conflict hadden overleefd. Erik wist wat gevaar op afstand kon betekenen. 'Dus we beginnen in Krondor?'
'Dat lijkt me verstandig,' zei Rosenvar. 'Er zijn wat nieuwtjesventers die verschillende hooggeplaatste ambtenaren van het Westelijke Rijk tot hun klanten mogen rekenen. Als we iets loslaten wat vaag genoeg is om geen onmiddellijke respons te ontlokken, maar wat heer Erik bekend genoeg voorkomt zodat hij zich verplicht voelt om de prins van Krondor te waarschuwen... nou, dan is dat een begin.'
Magnus zei: 'En als het Koninkrijk der Eilanden die waarschuwing serieus neemt, zal Groot Kesh dat ook doen.'
'En als Groot Kesh en het Koninkrijk hun verdediging op poten gaan zetten, zal elk ander koninkrijk in de buurt dat ook gaan doen,' voegde Miranda eraan toe.
'Maar we kunnen ze maar beperkte tijd bij de les houden, dus we moeten dit niet overhaasten,' waarschuwde Rosenvar.
Puc zei: 'We moeten zorgen dat Erik lang genoeg blijft leven om dit te bewerkstelligen.'
Nakur stapte naar voren. 'Ik ga wel naar Krondor om de hertog te bezoeken. Ik zal hem tijdelijk genezen.'
Puc knikte. Nakur was met Erik en Caelis naar Novindus gereisd toen ze voor het eerst tegenover de Smaragden Koningin stonden. De oude hertog zou Nakur vertrouwen.
Hij zei: 'Rosenvar, jij bepaalt welke geruchten we verspreiden, en waar en wanneer. We hebben in bijna elke hoofdstad van belang op Midkemia agenten zitten. Maar ik wil ervoor zorgen dat men zich geleidelijk ongemakkelijk en bezorgd gaat voelen, niet dat ze onmiddellijk in paniek raken.'
'Begrepen,' antwoordde Rosenvar terwijl hij opstond. 'We stellen een lijst van ideeën samen om de vorsten van de wereld op hun hoede te laten zijn.' Hij glimlachte scheef. 'Een béétje op hun hoede.'
Tegen Uskavan zei Puc: 'Ik zou graag de namen willen weten van je allerbeste leerlingen. We zullen ze misschien al snel echt aan het werk moeten zetten.'
De buitenaardse magiër knikte, stond op en vertrok samen met Rosenvar. Puc, Miranda, Nakur en Magnus waren nu alleen in de grot. Puc keek zijn oudste zoon aan en vroeg: 'Waar is je broer?'
'In Sterrewerf, geloof ik. Hij ging er wat voorraden afleveren, maar ik denk dat hij is blijven hangen voor het festival.'
Miranda zei: 'Om bij die weduwe te zijn, bedoel je.'
Puc haalde zijn schouders op. 'Laat hem genieten waar hij kan, lieve. We hebben hem niet voor iets bijzonders nodig, en ik denk dat hij zich daar vermaakt.'
Magnus keek zijn moeder aan en vroeg: 'Moet ik hem gaan zoeken of moet ik terug naar Kelewan?'
Miranda keek haar man aan. 'Zeg jij het maar.'
'Geen van beide. Ga naar Novindus en ga verder met Nakurs werk aan de talnoy. De Grootheden van de Assemblee van Tsuranuanni kunnen zich wel een tijdje zonder jou redden. Wanneer Nakur terugkomt uit Krondor, stuur ik hem naar je toe en kun jij terug naar Kelewan.'
Nakur glimlachte. 'Maak niets kapot voordat ik er ben.'
Magnus lachte droog naar de kleine gokker, haalde een gouden bol onder zijn mantel vandaan en verdween.
Miranda ging achter haar man staan en sloeg haar armen om hem heen. 'Je bent bezorgd.'
'Ik ben altijd bezorgd,' zei Puc.
'Nee, dit is iets anders.' Ze keek hem onderzoekend aan. 'Voel je iets?'
Nakur zei: 'Ik denk dat ik weet wat je haar gaat vertellen.' Hij zweeg even. 'Wel, ik ga nu naar Krondor om ervoor te zorgen dat hertog Erik lang genoeg blijft leven om ons te helpen.' Hij wierp nog een blik op Puc en Miranda en zei: 'Jullie twee moeten echt vaker met elkaar praten. Echt.' Nakur pakte zijn rugzak en staf op en verdween voor hun ogen.
Puc hield lange tijd zijn ogen dicht en beantwoordde toen de vraag van zijn vrouw. 'Ja, ik voel inderdaad iets. En het groeit. Ik weet niet hoe ik het moet noemen, maar het voelt... intenser dan alleen maar een gevoel van naderend onheil.'
'Een voorspelling?'
'De droom zit me dwars, lieve. Ik denk dat er iets op me afkomt en dat wanneer dat komt, de strijd angstaanjagender zal zijn dan we ons ooit hadden kunnen voorstellen.'
'Na wat we al hebben gezien is dat nogal wat.'
'Op een keer, ten tijde van de Grote Opstand, stonden Tomas en ik tegenover een drochtmeester. We versloegen het wezen, al hadden we er al onze magie en niet een beetje misleiding voor nodig. Toen zag ik in Sethanon een opperdrocht - en een grote draak, met al haar magie en macht, kon hem nauwelijks bedwingen.'
'Maar de drochten komen van een van de lagere niveaus, terwijl deze Dasati van het tweede niveau komen. Die kunnen dan toch maar een beetje gevaarlijker zijn dan mensen?'
Puc pakte de hand van zijn vrouw vast. 'Je weet over veel onderwerpen meer dan ik, Miranda, maar de wetenschap heeft nooit je voorkeur gehad.'
Ze fronste haar voorhoofd maar zei niets, omdat ze wist dat het waar was.
Hij zuchtte en sprak zachtjes: 'Wezens van de lagere niveaus absorberen de levenskracht van wezens van de hogere niveaus. Dat is hun aard. Het is als water dat de heuvel af stroomt; alleen de aanraking van een Dasati zou je al schade berokkenen.
De drochten zijn de meest angstaanjagende wezens die dit niveau van de werkelijkheid kunnen bereiken en het overleven; wezens uit de diepten onder hen kunnen zo snel zoveel energie tot zich nemen dat ze worden vernietigd wanneer ze ons niveau bereiken, behalve wanneer ze krachtige magie gebruiken om zich in leven te houden. Nee, juist het feit dat de Dasati van één niveau lager zijn, maakt hen zo angstaanjagend, lieve.' Hij zuchtte alsof hij vermoeid was. 'Nakur begrijpt dat, want hij heeft de talnoy langer bestudeerd dan enig ander.' Hij wierp een blik op de ingang van de grot. 'De anderen zullen er nog wel achterkomen; het heeft geen zin om nu al paniek te zaaien. De Dasati zijn sterfelijk, net als wij, maar als ze dit niveau bereiken zullen ze langzaam de levenskracht rondom hen opzuigen, zelfs uit het gras waar ze op staan. Zelfs wanneer onze legers even sterk zouden zijn als die van hen, zoals het geval was met de Tsurani tijdens de eerste Oorlog van de Grote Scheuring, zouden ze ons uiteindelijk overwinnen. Doordat de levenskracht naar hen toe vloeit, worden zij steeds moeilijker te doden, terwijl wij almaar zwakker worden. Hoe langer de strijd duurt, hoe moeilijker het zal worden om ze te verslaan. En we moeten rekening houden met hun aantallen; als Kaspar gelijk heeft en hij een werkelijk visioen van die wereld heeft gehad, zullen ze geen duizenden strijders sturen maar tienduizenden. Als ze ons vinden, moeten we snel reageren. We kunnen de vorsten van Midkemia geen volledige openheid van zaken geven over wat ons straks te wachten staat - voorlopig nog niet tenminste - omdat hun vastberadenheid anders teniet wordt gedaan door hun angst.'
Miranda keek een tijdje in de ogen van haar man en zei toen: 'We doen alles wat we kunnen.'
'Dat weet ik,' zei hij. 'Nu hebben we allebei werk te doen.'
'Hoe ga je terug?'
Hij glimlachte. 'Ik ga lopen. De frisse lucht zal me goed doen, en helpt me nadenken.'
Ze kuste hem op zijn wang. 'Dan zie ik je thuis.'
Voordat ze kon verdwijnen, zei hij: 'Wacht even! Heb jij Nakur een bol zien gebruiken om te vertrekken?'
'Dat is me niet opgevallen.'
Hij lachte. 'Weer een van zijn trucjes, denk ik.'
Ze lachte terug en toen was ze weg. Niemand kon zich beter verplaatsen dan Miranda. Ze had geprobeerd om Puc en sommige anderen te leren hoe ze dat konden doen zonder patronen of de Tsurani-bollen, maar slechts weinigen konden het met niet meer dan hun geestelijke vermogens, en dan alleen nog naar bekende plekken.
Puc kwam tot de conclusie dat Nakur het van haar moest hebben geleerd. De kleine man had gelijk. Hij moest wat vaker met zijn vrouw praten.
Puc ging de grot uit en bleef staan bij de ingang. Het was laat in de middag op het Tovenaarseiland, en tegen de tijd dat hij bij de villa aankwam zou het bijna etenstijd zijn. Hij keek nog eens achterom naar de grot en ging toen op weg naar huis.
De koninklijke chirurgijn schudde zijn hoofd en sprak zachtjes tegen de bediende: 'Ik vrees dat hij de ochtend niet zal halen.' De twee mannen leken klein in de enorme kamer waar de hertog van Krondor op sterven lag. Er brandde een kaars op het tafeltje naast het bed.
'Zal ik de eerste bediende informeren, heer?' vroeg de jongeman, een blonde magere knaap van niet ouder dan vijftien. De eerste bediende diende prins Robert, die al acht jaar vorst van Krondor was en de erfgenaam van de troon van het Koninkrijk der Eilanden.
'Het is al laat. Ik kom straks weer bij de hertog kijken. Als zijn toestand verslechtert, is er nog tijd genoeg om de prins te wekken.'
'Ja, heer. Zal ik blijven?'
'Dat is niet nodig,' zei de oude geneesheer, zijn gezicht vertrokken van zorg en vermoeidheid. 'Hij zal niet wakker worden en ik moet me om mijn andere patiënten bekommeren. In de koninklijke kinderkamer is de maagflux uitgebroken, en hoewel dat niet dodelijk is, zal de woede van de prinses dat wel zijn als ik de kinderen niet in slaap kan krijgen.'
De geneesheer doofde de kaars naast het bed en verliet samen met de jongen de grote slaapkamer van de hertog, waarna hij de deur zachtjes achter hen sloot.
Even later stapte er een figuur achter een groot gordijn vandaan. Hij liep de kamer door naar het bed en raakte met een vingertop de nog warme lont van de kaars aan, waarop de vlam onmiddellijk weer verscheen. Hij keek naar de stille figuur en zei zachtjes: 'Erik, je ziet er niet zo best uit.'
Nakur kende hertog Erik al toen die nog een jongen was, net van het aambeeld van de smid vandaan, toen hij lang was, met brede schouders en de kracht van drie mannen. Hij was geboren met een opvliegend karakter, waardoor hij bijna was opgehangen voor moord, maar uiteindelijk had hij het Koninkrijk der Eilanden goed gediend. Hij was gestegen naar de rang van Ridder-Maarschalk van het Westen, en kreeg later van de jonge prins Robert de titel Hertog van Krondor.
Nakur keek nu naar een bejaarde man, al meer dan tachtig jaar oud. Zijn huid leek op oud perkament en was strak over zijn schedel gespannen. Zijn schouders waren lang niet meer zo krachtig als in zijn jeugd en gingen bijna schuil onder het wijde nachthemd dat hij droeg.
Nakur haalde een flesje uit zijn rugzak en trok de kurk eruit. Hij liet een enkele druppel van de vloeistof op de lippen van de stervende man vallen en wachtte af. Eriks mond bewoog een beetje, en Nakur liet er nog een druppel op vallen. Hij herhaalde dit ongeveer een kwartier lang, telkens een druppel, en ging toen op de rand van het bed zitten wachten.
Na nog een paar minuten knipperde de hertog met zijn ogen en opende ze. Met een zachte, hese fluisterstem zei hij: 'Nakur?'
De kleine man grijnsde. 'Je kent me nog?'
Met een diepe ademteug, gevolgd door een zucht, ging Erik von Zwartheide - ooit sergeant in Caelis' Vlammende Adelaars, veteraan van de Slangenoorlog, held van de slag bij de Nachtmerriekam en nu hertog van Krondor en Ridder-Maarschalk van het Westelijke Rijk - rechtop zitten en zei: 'Jij bent verdomd moeilijk te vergeten, oude vriend.'
'Je ziet er beter uit,' zei Nakur.
Erik bewoog zijn armen en zei: 'Ik voel me ook beter. Wat heb je gedaan?'
Nakur stak het flesje omhoog. 'Ik heb de tijd wat voor je gerekt. Ik moet met je praten.'
'Dan kun je maar beter opschieten,' zei de hertog terwijl hij achterover ging zitten. Hij grinnikte; een droog, rasperig geluid. 'Ik heb hoe dan ook niet veel tijd meer - wacht, hoe ben je hier binnen gekomen?'
Nakur wuifde de vraag weg. 'Ik heb gewoon gewacht tot niemand keek en ben door het raam naar binnen geklommen.'
Erik lachte. 'Net als de oude hertog James toen hij nog een jongen was?'
'Zoiets.'
'En waarom val je een stervende man lastig?'
'Je moet nog even een tijdje voor me blijven leven, Erik.'
'Dat zou ik graag voor je doen, maar ik denk dat het lot andere plannen met me heeft.'
'Hoe voel je je?'
De hertog hield zijn handen op voor zijn gezicht en zei: 'Verrassend goed, al met al. Ik vraag het nog maar eens: wat heb je gedaan?'
'Het is een magisch drankje dat ik heb gekregen van een priester die hier een heel eind vandaan woont. Het zal je... herstellen.'
'Herstellen?'
'Het houdt je nog een tijdje in leven, of als je er veel van drinkt, nog een hele tijd.'
De hertog ging hoger in bed zitten. 'Ik weet niet zeker of ik dat wel wil, Nakur. Mijn lichaam heeft me in de steek gelaten. En eerlijk gezegd heb ik er genoeg van om steeds zo van anderen afhankelijk te zijn. Ik kan niet eens mijn bed uit komen om te pissen. Niets is zo vernederend als 's morgens drijfnat als een zuigeling wakker te worden. Ik denk dat ik liever doodga dan nog meer van mijn dagen in bed te moeten slijten.'
'Nou, dat hoeft allebei niet,' zei Nakur grijnzend. 'Het middeltje maakt je ook sterker.'
Erik keek Nakur strak aan. 'Ik zie ook beter, merk ik nu.'
'Ja,' zei Nakur. 'Het is best goed spul.'
'Is dat hoe je het de laatste vijftig of zestig jaar voor elkaar hebt gekregen om niet te veranderen?'
'Nee. Ik ken nog andere trucs.'
'Goed, als jij me uit bed kunt krijgen, kan ik het Koninkrijk nog wat langer beschermen, en dan wil ik nog wel even in deze wereld blijven. Maar waarom doe je dit eigenlijk?'
'Nou, ten eerste mag ik je graag.'
'Dank je, Nakur; ik mag jou ook graag.'
'Jij bent de laatste van de Radeloze Mannen die met Caelis en Bobby naar het zuiden ging.'
'Ik was erbij; dat weet ik nog. Ik hou best van een beetje nostalgie, Nakur, maar wat is de echte reden?'
'We hebben iemand nodig die dicht bij de troon staat, om te luisteren en te helpen wanneer de tijd daar is.'
'We?' vroeg de hertog. 'Je bedoelt de Zwarte Tovenaar?'
'Ja, Puc.'
Erik ging met een lange zucht achterover zitten en schudde lichtjes met zijn hoofd. Na de Slangenoorlog was Kesh opgetrokken tegen een bijna vernietigd Krondor, om zelf voordeel te behalen in hun bijna oneindige strijd met hun noordelijke buren. Puc, die in die tijd hertog van Sterrewerf was en vazal van de kroon van het Koninkrijk der Eilanden, had geweigerd om zijn sterke magie te gebruiken om de invasie af te slaan. Hij had de Keshiërs naar huis gestuurd en had Patrick in het openbaar vernederd. Patrick, die toen de prins van Krondor was en nu koning van de Eilanden.
Erik zei: 'Puc is al persona non grata sinds hij zich na de Slangenoorlog verzette tegen prins Patrick. Robbie was misschien alleen in naam familie van Patrick - hij is even bedachtzaam als Patrick overhaast is - maar het collectieve koninklijke geheugen gaat ver terug. Puc heeft Sterrewerf losgemaakt van het Koninkrijk en opgezet als onafhankelijke staat; en dat lijkt voor de troon verdacht veel op verraad.'
'Daarom hebben we jou ook nodig, om hen te overtuigen van het tegendeel. Er is iets vreselijks op komst, Erik.'
'Hoe vreselijk?'
'Heel vreselijk,' zei Nakur.
'Zo vreselijk als de Smaragden Koningin?'
'Nog vreselijker,' zei de kleine gokker.
Erik zat een tijdje doodstil en zei toen: 'Loop eens naar die tafel, Nakur.' Hij wees naar een lange tafel tegen de wand. 'En maak die kist open.'
Nakur deed wat hem gevraagd werd en zag een eenvoudige houten kist staan met een kleine koperen grendel en ring. In de kist zat een zwarte amulet. Hij haalde hem te voorschijn en liet hem aan de ketting bungelen. 'Nachtraven?'
'We hebben dat ontvangen van een van onze mensen in Groot Kesh. Ik denk dat jij en je kameraden er evenveel agenten hebben zitten als wij.'
Nakur draaide zich om en keek de oude hertog aan. Eriks blauwe ogen straalden nu van energie en zijn stem werd met de minuut sterker. 'O, ik heb geen probleem met jullie... hoe noemen jullie het? Jullie Conclaaf?'
Nakur zei niets maar glimlachte flauwtjes.
'Maar jullie zijn niet de enigen die betalen voor informatie, oude vriend,' zei de hertog. 'Ik heb lang genoeg met jou en Caelis gediend en twijfel er niet aan dat jij het goed bedoelt, wat het officiële standpunt van de kroon over jullie activiteiten ook is. Om je de waarheid te zeggen had Patrick dat openbare pak slaag nodig dat hij van Puc kreeg toen het Keshische leger voor de stadsmuren stond. Net zoals de Keshiërs met hun staart tussen hun benen naar huis moesten worden gestuurd.
Maar als ik ooit moet kiezen tussen jouw visie op het algemeen belang en mijn plicht aan de kroon, dan weet je wat ik zal doen.'
'Dat weet ik, Erik.' Nakur begreep dat Erik dan zijn eed en plicht aan de kroon voorrang zou geven boven alles wat Puc vroeg. Hij legde de amulet terug. 'Hoe lang heb je hem al?'
'Een week. Er zijn enkele lagere hof ambtenaren en invloedrijke handelaars dood gevonden in Kesh. Maar het is een grote stad en die dode mannen zijn niet echt belangrijk, dus lijken de Keshiërs zich er nog niet veel van aan te trekken.'
Nakur dacht na. 'Of iemand op een hoge positie zorgt ervoor dat ze dat niet doen.'
'Dat dacht ik ook,' zei de hertog. Hij keek naar het raam en vroeg: 'Hoe lang nog voor de zon opkomt?'
'Vier uur, denk ik,' zei Nakur.
'Ik denk dat ik nog maar een tijdje blijf, Nakur. Als dat gevaar dat op ons afkomt erger is dan het leger van de Smaragden Koningin, wil ik fit genoeg zijn om met mijn zwaard in de hand op de muren te staan.'
Nakur grijnsde. 'Dat gebeurt ook wel.'
Erik lachte terug en Nakur zag dat zijn wangen weer een gezonde kleur hadden. Toen Nakur hem had zien slapen, had Erik eruitgezien als een man van tachtig die met één been in het graf stond. Nu leek hij meer op een kwieke man van zeventig of nog jonger.
'Ik moet zo weg. Drink nu de rest van dat flesje op.'
Erik deed het en gaf het lege flesje terug aan Nakur. De magere gokker haalde er nog een te voorschijn en zei: 'Verstop dit ergens. Drink de helft ervan over een week op als je je nog niet voldoende sterk voelt. En als je je echt geweldig wilt voelen, drink je de rest een week daarna op.' Hij legde het op het kussen naast de hertog. 'Ik zou je nog wat meer kunnen geven, maar je zou moeilijk aan de prins kunnen uitleggen waarom jij er plotseling jonger uitziet dan hij.' Grijnzend voegde hij eraan toe: 'Het is maar goed dat je blond geboren bent, Erik, want de mensen zouden zien dat je haar niet meer zo grijs is als voorheen.'
De deur aan de andere kant van de kamer ging open. 'Ik moet weg, Erik,' zei Nakur en sprong in de schaduw achter het grote gordijn.
Erik wist dat het venster achter het gordijn niet open was, maar dat als hij zou gaan kijken, hij zou zien dat Nakur verdwenen was.
De koninklijke chirurgijn en zijn bediende kwamen de slaapkamer van de hertog binnen. Toen ze hem rechtop in bed zagen zitten, vielen hun monden open van verbazing. 'Excellentie!' riep de geneesheer.
'Rossler,' antwoordde de hertog.
'Heer?' vroeg de bediende, bijna stotterend.
'Wat staan jullie te staren?'
'Maar, Excellentie... naar u, heer.'
'Nou, hou daarmee op.'
'Maar u, wel...'
'Ik weet het,' onderbrak Erik de geneesheer. 'Jullie hadden niet verwacht dat ik de ochtend zou halen. Nou, ik ben beter.'
'Het lijkt er wel op, Excellentie. Mag ik?' Hij stond te popelen om de hertog te onderzoeken.
Erik liet de man geduldig zijn gang gaan, naar zijn hart en ademhaling luisteren en op zijn rug en borst kloppen. Toen de geneesheer echter in zijn ogen staarde, duwde Erik hem weg. Hij zwaaide zijn benen over de rand van het bed en zei: 'Ik moet naar de poepdoos.'
De bediende zei: 'Excellentie, ik zal de steek voor u halen.'
'Niet vannacht, Samuel. Ik kan zelf wel lopen.'
De beide mannen keken in stilzwijgende verbazing toe terwijl Erik opstond en door de kamer liep naar de deur naar zijn privé-toilet. Toen de springlevende hertog de deur achter zich had gesloten, keken de geneesheer en de grijnzende bediende elkaar verwonderd aan.