18
Plannen
De gevangene deed langzaam zijn ogen open.
Er stond een mooi meisje over hem heen gebogen. Haar donkere haren waren bijeen gebonden, en aan haar gewaad te zien was ze een dochter van het Mejun-volk - nomaden die de grote kuddes antilopen volgden van de graslanden naar het zuiden van het Overnse Diep.
Ze bette zijn gezicht met een koele doek en fluisterde: 'Rustig. Voorlopig ben je veilig.'
De man kon nauwelijks praten doordat zijn gezicht was opgezwollen van de vele klappen die hij van Amafi had gekregen. Hij had dagenlang op een stoel vastgebonden gezeten, hij was gemarteld, gedwongen om zich te ontlasten waar hij zat, had geen voedsel gekregen en alleen voldoende water om hem in leven te houden.
Maar hij had zijn familie niet verraden.
'Kun je zitten?' vroeg het meisje, en haar accent verraadde haar nomadische afkomst nog meer.
Hij kreunde zachtjes en liet zich door haar overeind trekken tot hij rechtop zat. Ze zette een kom vloeistof aan zijn lippen en zei: 'Langzaam drinken. Dit zal je goed doen.'
Hij dronk en merkte dat de bittere vloeistof hem inderdaad alerter maakte en de pijn verdoofde. 'Wie ben je?' fluisterde hij hees.
'Iemand die is betaald om je te bevrijden. Ik heet Iesha.'
'Me te bevrijden?'
'Alles wat ik weet is dat ik je uit deze kamer moet halen en in het riool moet zien te krijgen. Iemand zal daar op je wachten om je mee te nemen; ik weet niet wie of waar naartoe, en dat wil ik ook niet weten. Ik ben bang voor die mannen die je gevangen hebben genomen, en ik vertrek zodra ik mijn goud heb.' Ze trok aan zijn arm. 'Kun je staan?'
Hij kwam overeind en kreunde, maar behield zijn evenwicht. 'Kom, we hebben maar een paar minuten,' zei Iesha.
'Waar zijn de wachten?'
'Ze denken dat je stervende bent, dus ze zijn laks. Een is er weggeroepen, en de andere zit te slapen op zijn post. Het is maar een klein stukje lopen, maar we moeten stil zijn.'
'Laten we dan maar gaan.'
Ze bevonden zich in een kleine kamer in wat een leegstaand huis leek. Iesha legde haar arm om het middel van de Nachtraaf zodat hij op haar kon steunen. Ze liepen naar een lege keuken, waar een tafel stond met een lantaarn erop. De man die met zijn hoofd op zijn armen over de tafel gebogen lag, snurkte zachtjes. Het meisje hielp de gevangene om de tafel heen, een andere kamer in en toen de deur uit naar de straat.
Hij keek om zich heen; het was midden in de nacht en de stilte werd alleen doorbroken door gedempte geluiden vanuit de stad in de verte. 'Waar zijn we?' vroeg hij fluisterend.
'In de wijk Kumhar. We moeten minder dan een halve straat lopen.'
Iesha hielp de gevangene naar een ijzeren rooster midden op straat. Ze bukte zich en trok eraan, maar het rooster bewoog maar een klein stukje. 'Ik zal je helpen,' zei de verzwakte gevangene. Hij gaf bijna een kreet van pijn toen hij zich bukte en het ijzer vastgreep. Ze sleepten het rooster aan de kant en konden in het licht van een lantaarn een stukje verderop nog net de ijzeren ringen in de muur ontwaren. 'Kun je omlaag klimmen?' fluisterde ze.
'Ik red het wel,' zei hij. Met veel moeite ging hij zitten en liet zijn benen over de rand bungelen. Toen draaide hij zich om en ging langzaam omlaag via de ijzeren sporten. Alleen zijn wilskracht zorgde ervoor dat hij de bodem bereikte, waar twee handen hem grepen en ondersteunden.
Er stond een man in lompen beneden op hen te wachten, en toen het meisje ook beneden was zei hij tegen de gevangene: 'Ik moet je hier weghalen.'
'Ik ken je niet,' zei de Nachtraaf.
'En ik ken jou niet, maar ik ben betaald om je ergens naartoe te brengen waar we iemand anders ontmoeten. Nu moeten we opschieten, voordat ze merken dat je weg bent.'
'Wacht,' zei het meisje. 'En mijn goud dan?'
De lompenman zei: 'Ik heb dit voor je.' Met een plotselinge beweging trok hij een dolk uit zijn mouwen stak die in de buik van het meisje. Haar ogen werden groot en haar mond bewoog, maar ze maakte geen geluid. Toen rolden haar ogen weg in hun kassen en viel ze achterover in het smerige rioolwater.
'Kom mee,' zei de lompenman.
De gevangene keek naar het dode meisje en zei: 'Dat was verstandig. Nu kan ze niemand meer vertellen waar ze me heen heeft gebracht.'
'Ze betalen me goed om te zorgen dat er geen losse eindjes zijn. Zodra ik je heb overgedragen aan je vrienden, keer ik hier terug om het rooster terug te plaatsen. Nu opschieten.'
De gevangene was zwak, maar hij leefde op door het vooruitzicht aan zijn martelaars te ontkomen. Hij plonsde door het rioolwater terwijl de lompenman hem naar een grote kruising leidde. Daar wachtten nog twee mannen, allebei in het zwart gekleed. Hun gezichten waren bedekt, en alleen hun ogen waren te zien.
De gevangene versnelde zijn pas, haalde de lompenman in en kwam als eerste bij de twee in het zwart geklede moordenaars aan. 'Dood hem,' zei hij zachtjes.
Een van de Nachtraven knikte. Zijn zwaard schoof met een metalige zucht uit de schede en met een snelle stoot stak hij de lompenman neer. De andere Nachtraaf legde zijn arm rond het middel van de gewonde man en fluisterde: 'Kom, broeder.'
Ze liepen de grote tunnel in en sloegen rechtsaf. Na een paar stappen zei de voormalige gevangene: 'Wacht! Waarom gaan we...' Hij liet zijn woorden wegsterven.
Plotseling stak hij een hand uit en rukte de gezichtsbedekking van de man die hem ondersteunde weg. 'Jij!' siste hij, en stapte achteruit.
Amafi haalde snel uit en sneed de gevangene de keel af met zijn dolk. De man viel achterover terwijl het bloed uit zijn hals spoot, en belandde in het rioolwater.
Tal deed zijn eigen masker af en zei: 'Nu weten we het.'
'Ja, verhevenheid,' zei Amafi. 'Nu weten we het zeker.'
Ze liepen terug naar de lompenman, en Tal zei: 'Je kunt opstaan.'
Chezarul ging rechtop zitten in het smerige slik en schudde zijn hoofd. 'Wat we allemaal niet doen voor de goede zaak,' zei hij.
Tal lachte. 'Ik begrijp het volkomen.'
De drie mannen liepen naar het meisje dat op haar rug in het water lag. Tal zei: 'Lela, heeft iemand je wel eens verteld dat je prachtig sterft?'
Het meisje ging zitten en antwoordde: 'Dank je, Tal.'
Hij stak een hand uit en hielp haar overeind. 'Goed gedaan, allebei.'
Chezarul zei: 'Dus nu zijn we zeker van je informatie?'
'Zo zeker als maar kan,' zei Tal. 'Er waren maar twee plekken over die het hoofdkwartier van de Nachtraven konden zijn, en aangezien onze vriend bezwaar maakte tegen de zuidelijke richting, betekent dat dat hun basis waarschijnlijk in het noorden is. Hij zou eerder zijn gestorven dan ons dat te vertellen, dus dit was de enige manier.'
Amafi zei: 'Verhevenheid, wanneer slaan we toe?'
'Morgen bij noen,' zei Tal. 'Het zijn nachtwezens, dus we vallen aan op hun zwakste moment. Zeg Caleb dat hij iedereen verzamelt,' droeg hij Chezarul op, 'dan regel ik de rest.' Chezarul knikte en liep tegen de stroming in weg door het riool.
Amafi zei: 'Ik ga kijken bij degenen die nog in het toevluchtsoord zijn, verhevenheid, en zal Pasko berichten in het paleis, zodat Kaspar weet wat we gaan doen.'
'Wees voorzichtig,' zei Tal. 'Ze zoeken ons nog steeds.'
'Ik verborg me al in de schaduwen voordat die straathonden geboren waren, verhevenheid.' Hij klom de ladder op.
'En wat doe jij nu?' vroeg Tal aan Lela. Hij glimlachte warm naar haar, hoewel zijn gezicht nauwelijks zichtbaar was in het schemerlicht van boven. Lela was zijn eerste minnares geweest, jaren geleden toen hij nog Klauw van de Zilverhavik: was, de jongen van de Orosini die net begon met zijn opleiding bij het Conclaaf.
'Ik ga terug naar Krondor en mijn positie als taveernemeisje, waar ik een heleboel onzin aanhoor. Maar af en toe krijg ik ook wat nuttige informatie.' Ze stapte dichter naar hem toe en legde haar hand tegen zijn wang. 'Ik wou dat ik wat langer kon blijven, want het wordt spannend, en ik moet zeggen dat ik de afgelopen jaren af en toe wel aan je heb gedacht.'
Tal lachte. 'Ik ben getrouwd, Lela.'
Ze lachte met hem mee. 'Dat maakt veel mannen weinig uit, Tal, en om je de waarheid te zeggen: mij ook niet.'
Hij omhelsde haar. 'Kon het maar, maar nu moet je weg. Hoe verder je van deze stad weg bent, hoe beter het voor je is. Als we elkaar weer ontmoeten, hoop ik dat het onder leukere omstandigheden is.'
Ze bekeek haar vuile japon en handen en zei: 'En schonere. Goed dan.' Ze kuste hem op de wang en begon de ijzeren sporten op te klimmen. Hij wachtte even en volgde haar toen.
Eenmaal boven de grond haastte Lela zich weg door de duisternis, terwijl Tal het rooster terugzette in het wegdek. Hij keek om zich heen om te controleren of niemand hem zag, wetende dat hij over een paar minuten terug zou zijn in een veilig onderkomen waar hij een bad kon nemen, een stel schone kleren kon aantrekken en wat kon rusten. Morgen zou een bloederige dag worden en hij wist dat veel goede mannen waarschijnlijk het leven zouden laten.
Tal kon het holle gevoel in zijn maag niet kwijtraken, waardoor hij zich afvroeg of ze iets over het hoofd zagen. Terwijl hij om zich heen bleef speuren, pakte hij een kleine bol onder zijn zwarte tuniek vandaan en hield die tegen zijn lippen. 'Noen, morgen,' zei hij in de bol, en drukte toen op een knop op het toestel. Tal stak een hand uit zodat de bol op zijn open handpalm lag; hij had niet de wens te ontdekken wat er zou gebeuren als hij zijn vuist eromheen sloot. Na een paar tellen begon de bol te trillen en verdween toen plotseling.
Hij zette zijn nooit aflatende verwondering over de toestellen die de magiërs op Tovenaarseiland maakten van zich af, trok zijn zwarte tuniek uit en propte hem door het rooster zodat hij in het riool viel. Toen draaide hij zich zonder aarzelen om en liep weg. Hij had nog een heleboel te doen voor noen de volgende dag.
Caleb vroeg: 'Weet je het zeker?'
'Nee,' antwoordde Tal, 'maar zo zeker als ik kan zijn. De magistraat van de Ruige Broederschap heeft ons verteld dat de Nachtraven zich op een van twee locaties moeten ophouden. We hebben de gevangene meegenomen naar een hoofdtunnel van het riool, die direct naar allebei de mogelijke plekken leidde. Ik wist dat hij niets zou zeggen als we de goede kant opgingen, maar dat hij zou protesteren als we de verkeerde kant uitgingen. Dat deed hij, en meer zouden we nooit uit hem hebben kunnen krijgen.'
Pasko en Amafi waren in Tals kamer bij de vierde herberg waar hij had gelogeerd sinds de aanval in de Vrouwe van het Geluk. Kaspar zat te dineren met de twee keizerlijke prinsen, Sezioti en Dangai.
'En heb je vader bericht over de aanval?'
'Ja,' zei Tal.
Caleb zei: 'Er is nog één ding dat me dwarszit.'
'Wat dan?'
'Als de Nachtraven zich ophouden in het gedeelte van de riolen in het zuiden van de stad, waardoor worden dan die dieven vermoord die bij die andere locatie in het noorden in de buurt komen?'
'Denk je dat ze twee verblijfplaatsen hebben?'
Caleb haalde zijn schouders op. 'Het is onwaarschijnlijk, maar zou Varen verblijven in de buurt van de Nachtraven? Ik begrijp dat ze voor hem werken, maar niet als dienaren.' 'Denk je dat Varen zich ook in het riool verbergt?'
'Jij hebt zijn kwartier in Opardum gezien, ik niet. Zou er een betere plek zijn om de dingen die hij doet aan het oog te onttrekken dan onder de slachthuizen?'
Tal zei een tijd lang niets. 'Die plek is niet ver van waar we onze ontmoeting met de magistraat hadden.'
'Wat als de gevangene niet bezorgd was dat je hem wegleidde bij het onderkomen van zijn familie? Wat als hij bang was dat je hem ergens anders heen bracht waar hij zou worden gestraft?'
'Dus,' zei Tal, 'ik ben misschien van plan de verkeerde kant uit te stormen en iedereen om te brengen.'
Caleb haalde zijn schouders op.
Tal zei: 'Ik vond het leuker toen ik nog een student was en jij mijn leraar, Caleb. Toen moest jij alle moeilijke beslissingen nemen.'
Caleb haalde zijn schouders weer op, maar deze keer met een glimlach. 'Het is net zoiets als besluiten een grot in te gaan om een beer te vangen, hè?'
Tal knikte. 'Het is veiliger om hem naar buiten te laten komen in plaats van zelf naar binnen te gaan.'
Op hetzelfde moment zetten beide mannen grote ogen op.
Caleb knikte toen Tal vroeg: 'Denk jij wat ik denk?'
'We gaan niet achter ze aan; we roken ze uit!'
Tal wendde zich tot Pasko en Amafi en zei: 'Zeg het voort. Iedereen blijft waar hij is tot we het zeggen. We moeten nog wat plannen smeden.'
Amafi zei: 'Verhevenheid,' en liep naar de deur.
Pasko sprak op zijn lage, diepe toon waarmee hij aangaf dat zijn woorden belangrijk waren. 'U kunt maar beter opschieten. Over een week is het al Banapis, en de eerste ronde van kleinere feestelijkheden begint morgen al. Deze tijd volgende week is het overal en op elk moment een chaos.'
Caleb knikte en stond op. 'Ik moet die bedelaarsjongen zien te vinden en de magistraat op de hoogte stellen. We moeten precies weten hoe dicht we bij die twee gebieden in het riool kunnen komen.'
'Laten we hopen dat zijn informatie klopt. Ik kom er liever niet achter dat hij het een klein beetje mis had geschat,' zei Tal en hield zijn wijsvinger en duim een stukje uit elkaar.
'We zoeken wel een veilige manier om ze naar buiten te lokken,' zei Caleb. 'Vader komt morgenvroeg ter voorbereiding van de aanval, en ik denk dat hij misschien wel een trucje of twee kan verzinnen.'
'Over trucjes gesproken,' zei Tal, 'we zullen Nakur hier waarschijnlijk ook goed kunnen gebruiken. Er is geen gluiperiger rotzak op de hele wereld.'
'Ik zal het vader vragen,' zei Caleb. 'Ga nu op zoek naar Shabeer, dan begin ik met de plannen voor morgen.'
Toen hij bij de deur was zei Tal: 'En Kaspar?'
'Ik zal Pasko naar hem toesturen voordat hij gaat slapen.'
Tal vertrok en Caleb richtte zijn gedachten op de taak die voor hen lag: hoe ze de Nachtraven zo ver konden krijgen hun nest te verlaten zonder daarbij om te komen.
Kaspar had ontdekt dat in Kesh zelfs een informeel avondmaal met twee troonpretendenten werd bijgewoond door een tiental andere sterren van het Keizerrijk, een stuk of twintig tafelbedienden, nog eens twintig bedienden om alles van en naar de keuken te dragen, muzikanten, jongleurs en heel veel mooie vrouwen. Er was goed eten en meer dan genoeg goede wijn.
Kaspar had een ereplaats gekregen aan de linkerhand van prins Dangai, die aan het ene uiteinde van de lange tafel zat tegenover zijn oudere broer, prins Sezioti. Het hoofd van de tafel was met opzet niet gedekt, om aan te geven dat er niemand van hogere rang aanwezig was en om te voorkomen dat er conflicten ontstonden doordat een van beide broers daar zou gaan zitten. Kaspar had de 'informele' uitnodiging - een onberispelijke handgeschreven boodschap van de koninklijke secretaris op een fluwelen kussen dat werd gepresenteerd door een bediende - eerder die dag gekregen. Zijn plannen voor een ontmoeting met Caleb en Tal had hij moeten uitstellen, want niemand kon de prinsen iets weigeren. Kaspar nam aan dat de plotselinge uitnodiging een direct resultaat was van zijn ontmoeting met de keizer de vorige avond. Hij nam ook aan dat wat hij Amafi had verteld juist was, en dat de beide prinsen wilden weten of Kaspar zich bij de andere partij had aangesloten.
De maaltijd was uitstekend, maar Kaspar had slechts weinig gegeten. Hij verwachtte dat hij over minder dan vijftien uur voor zijn leven zou moeten vechten.
Prins Dangai zei: 'Bevallen het voedsel en de wijn u niet, heer Kaspar?'
'In tegendeel, Hoogheid. Het is onvergelijkelijk.'
'U lijkt zo weinig te eten, en nog minder te drinken.'
Kaspar keek de jongere troonpretendent aan. Hij was een man van middelbare leeftijd, misschien maar een paar jaar ouder dan Kaspar, maar hij was fit alsof hij nog iedere dag op het slagveld vocht. Zijn schouders en armen waren zeer gespierd, en hij leek geen onsje vet te hebben. Zijn hoofd was kaalgeschoren, maar hij had een snor en een baard. Net als zijn grootvader en broer had hij een huid die de kleur had van donker walnoot, en zijn gezicht glom door de warmte van de avond. Kaspar wenste dat hij het temperament had om zijn traditionele Olaskese kledij uit te trekken en een Keshische kilt te dragen, want dat moest een stuk comfortabeler zijn.
'Mijn maag is wat van streek, Hoogheid, en ik wil er zeker van zijn dat ik de komende week gezond genoeg zal zijn om alle festiviteiten bij te wonen.'
'Het is nogal een spektakel,' zei prins Sezioti vanaf de overkant van de tafel. 'Elk jaar probeert de ceremoniemeester het festival grootser te maken dan het jaar ervoor.'
Dangai snoof. 'Hoeveel olifanten en apen op zebra's heb je nodig voor een parade?' Hij lachte. 'Een paar zijn wel leuk, maar na een halfuur wordt het...' Hij haalde zijn schouders op. 'Maar de mensen schijnen het geweldig te vinden.'
Sezioti lachte. 'En jij ook, broertje, toen je zes was. Dan riep je altijd: "Til me hoger op, Sezi!" totdat ik dacht dat mijn armen eraf zouden vallen.'
Dangai knikte. 'Dat weet ik nog, broer. Ik weet het nog.'
Kaspar vergeleek de twee mannen. Ze leken veel op elkaar, maar Sezioti was minder gespierd dan zijn broer. Hij had zijn leeuw gedood, net als alle rasbloeds, maar dat was misschien wel de laatste keer dat hij had gejaagd, en het was mogelijk al vijfendertig jaar geleden. Hij leek meer op een wetenschapsman en had een magerder gezicht dan Dangai.
Toch zat Kaspar nog iets dwars: de twee broers leken elkaar echt graag te mogen. Ze voelden zich broederlijk bij elkaar op hun gemak, en plaagden elkaar op een manier die normaal was na tientallen jaren samenzijn. Kaspar was enig kind geweest, net als zijn dochter, maar toch kon zelfs een blinde zien dat deze broers hecht met elkaar waren.
Kaspar probeerde zich voor te stellen waardoor ze vijanden zouden kunnen worden, maar het lukte hem niet. Hij kon zich voorstellen dat ze het oneens waren over dingen; alle broers hadden wel eens ruzie. Hij kon zich zelfs voorstellen dat ze afwijkende ideeën hadden over hoe het Keizerrijk moest worden bestuurd, maar voor hem leek het antwoord duidelijk: Sezioti moest de erfgenaam blijven en Dangai moest het bevel krijgen over het leger - het hele leger. Ze konden de Meester der Paarden, de Leider van de Keizerlijke Wagenmenners en de commandanten van het Binnenlegioen allemaal verantwoording aan hem laten afleggen. Laat Dangai de zorg voor de veiligheid van het Keizerrijk dragen, dan zou hij ervoor zorgen dat zijn broer niets overkwam.
Wat mis ik?dacht Kaspar. Wat zie ik over het hoofd?
Hij vroeg: 'Prins Dangai, voordat ik uit Olasko vertrok, hielden we ons bezig met wat kleine handelsgeschillen tussen Olasko en Kesh. Zijn die al opgelost?'
Dangai brak een botje van een hoen in tweeën en zoog het merg eruit. Hij wees met het botje naar zijn broer en zei: 'Dat is meer Sezi's afdeling, helaas. Ik hou me meestal bezig met militaire aangelegenheden. Sezi?'
'Olasko was nooit het probleem,' zei prins Sezioti. 'Het was het feit dat Roldem erop stond dat alle goederen uit Kesh die vanuit Malvehaven of Wijzershoofd kwamen, op de terugweg naar het Oostelijke Rijk door Roldem moesten passeren.
We zouden de goederen over land naar de Koninkrijkse havens van Diep Tenter of Timons kunnen vervoeren, maar dan zouden we Koninkrijkse invoerrechten moeten betalen. Of we zouden kunnen verschepen vanuit Queral en Hansulé en dan rond de Pieken van de Quor kunnen zeilen, maar die piraten in Roldem hebben meesterschap over alle zeevaart in de Koninkrijkszee geclaimd.'
'Behalve voor de schepen van de Eilanden,' zei Kaspar. Sezioti knikte en glimlachte droevig. 'Inderdaad, en dat komt doordat het Koninkrijk een marine heeft waar zelfs Roldem respect voor heeft. Maar Keshiërs hebben geen zeebenen, en onze marine is weinig beter dan de piraten zelf.'
Dangai zei: 'Je weet dat dit me na aan het hart ligt, broer.' Hij keek Kaspar aan. 'We hebben allebei onze grootvader aangespoord om een vloot moderne schepen te bouwen in Wijzershoofd. Als .we daar een tiental grote oorlogsbodems stationeren, herziet Roldem misschien zijn eisen.'
Sezioti was het hiermee eens en het gesprek ging nog lange tijd door over handelsverdragen, militaire behoeften en hun relatie met buurlanden.
Na de maaltijd vertrok Kaspar met de gedachte dat deze mannen zeer goed in een partnerschap zouden kunnen regeren, wie er ook op de troon zat. Waar was die rivaliteit waar hij zoveel over had gehoord?
Hij overdacht die vraag totdat hij zijn vertrekken bereikte, waar Pasko op hem wachtte.
'Is er nieuws?' vroeg Kaspar.
Pasko wenkte hem naar het balkon, en toen ze buiten waren
zei hij: 'Caleb heeft Taiwin ervan overtuigd dat we meer inlichtingen nodig hebben voordat we toeslaan. Hij zegt dat er twee nesten Nachtraven kunnen zijn, of dat de tovenaar zich misschien ophoudt in een van de verboden gedeelten onder de stad. Puc komt morgen en zal dan besluiten wat we gaan doen.'
'Verdomme,' zei Kaspar.
Pasko glimlachte. 'Wilde u graag vechten, heer?'
'Nee,' zei Kaspar. 'Maar als ik had geweten dat er morgen niet gevochten werd, zou ik wat meer hebben gegeten en een' heleboel meer hebben gedronken.'