5

Tovenaarseiland

 

Iedereen keek naar Nakur.  

Hij haalde een sinaasappel te voorschijn uit zijn schijnbaar bodemloze rugzak en bood die eerst aan Miranda, toen aan Puc, en toen aan Magnus aan. Ze bedankten allemaal. Hij stak zijn duim door de schil en begon de sinaasappel te pellen, iets wat ze hem allemaal al duizend keer hadden zien doen.  

'Nakur,' zei Puc, 'wat verzwijg je voor ons?'

'Niets,' zei Nakur. 'Tenminste, niets wat ik wist totdat Magnus arriveerde.'  

'Hoe bedoel je dat?' vroeg Miranda, die op de rand van het bed zat waarin Caleb lag te slapen.

Puc stond aan het voeteneind van het bed en Magnus zat in de andere stoel in de kamer.

'Je weet wie die oude heks in het dorp was, toch?' vroeg Nakur.

'Niet echt,' zei Magnus. 'Ik ben haar twee keer eerder tegengekomen, en ik kan alleen aanvoelen dat ze meer is dan een gebruiker van amuletten en kruiden. Ze heeft kracht, maar het is onduidelijk.'  

'Je zei dat de godin haar een echo noemde,' zei Miranda. En toen tegen Nakur: 'Wat betekent dat?'

Nakur keek naar Puc, die antwoordde: 'Ik denk dat ik het begrijp, tenminste gedeeltelijk. Vertel ons wat je weet, Nakur.'

Nakur haalde zijn schouders op en zijn normaal zo blije uitstraling veranderde. In plaats daarvan zag Puc de donkerste uitdrukking die hij ooit bij Nakur had gezien. 'De goden zijn wezens met immense krachten,' begon Nakur. 'Wij begrijpen alleen het weinige dat door het filter heen dringt dat ons door de beperkingen van ons bevattingsvermogen wordt opgelegd.' Hij keek de andere drie aan. 'Jullie zijn allemaal in het Paviljoen van de Goden geweest, dus jullie weten dat het zowel een fysieke plek is als een metafoor voor iets wat veel minder objectief is. Het is een plek van de geest en het lichaam.  

Als ik in het verleden wezens van een bepaald type tegenkwam...' Hij zweeg even en overwoog zijn woorden, en ging toen verder. 'Ik heb het gehad over Zaltaïs van de Eeuwige Wanhoop,' zei hij tegen Puc, die knikte. 'Weet je nog dat hij in een put werd gegooid - en dat ik zei dat het een droom was?'  

Puc knikte weer. 'Dat zeg je telkens wanneer je het over hem hebt, maar je hebt dat nog niet uitgelegd.'

Met een lichte glimlach zeiNakur: 'Ik nam aan, misschien ten onrechte, dat je de waarheid ook al wel wist zonder dat ik je die had verteld. Sinds we dat allemaal bespraken in Krondor, voordat de Slangenoorlog die stad verwoestte.'  

Magnus zei: 'Ik hoor dit allemaal voor het eerst, dus waarom leg je het nu niet uit?'

'De Naamloze slaapt,' zeiNakur.  

Ze kenden alle drie Nalar, de Hogere God van het Kwaad, die was verbannen door de andere Regelaars, zoals de Hogere Goden soms werden genoemd. 'Dat is de legende, in ieder geval,' vervolgde Nakur. 'Tijdens de Chaosoorlog verleidde de Naamloze de Valheru en zorgde hij ervoor dat ze in opstand kwamen tegen de mindere goden, net zoals hij de mindere goden had verleid om in opstand te komen tegen de Regelaars.'  

Magnus zei: 'Ik heb de overlevering even goed bestudeerd als degenen buiten het priesterambt, Nakur. Maar nergens heb ik iets gelezen over dat de Naamloze de mindere goden had gevraagd om de Hogere Goden aan te vallen. Hij wás een Hogere God. Waarom zou hij zichzelf samen met de andere Hogere Goden laten aanvallen?'  

'Om het evenwicht te verstoren,' antwoordde Puc. 'Om de dynamiek tussen de zeven Regelaars te verstoren.' Hij keek Nakur aan, die knikte, en Puc zei: 'Voor de Chaosoorlog, toen de oude orde verdween en de nieuwe orde opkwam, waren er zeven Regelaars.' Hij telde ze af op zijn vingers terwijl hij de namen opsomde. 'De Naamloze, die de Duisternis is, Arch-Indar, het Licht; Ev-dem, de Werker van Binnenuit; Abrem-Sev, de Bouwer; Graf, de Wever van Wensen, Helbinor, Hij Die Zich Onthoudt, en in het midden de Brenger van Evenwicht.'  

'Ishap,' zei Magnus.

Puc knikte. Nakur had zijn sinaasappel op en stopte de schil in zijn tas, likte zijn vingers af en stak ze omhoog terwijl hij verder ging met zijn verhaal. 'Na de Chaos oorlog verschoof de balans.' Hij stak een hand op met vier gestrekte vingers en een naar binnen gevouwen duim. 'De Naamloze en de vier dynamische goden bleven over: Abrem-Sev, Ev-dem, Graf en Helbinor.' Hij vouwde zijn duim naar buiten. 'Ishap, in het midden, is de evenwichtsbrenger. Hij is in feite de machtigste, want hij voegt iets toe aan een partij die in het nadeel is en verzet zich tegen een partij die probeert de overhand te krijgen. Hij probeert altijd het evenwicht te bewaren.  

Ze zijn allemaal van vitaal belang voor niet minder dan het voortbestaan van onze wereld. De een is actie, de ander reactie, de een is een hoger doel en een hogere geest, en de ander is alle ongeziene en onweetbare dingen, maar vitaal voor ons wezen. En de laatste bewaart het evenwicht.'

Hij zette zijn handen tegen elkaar en vormde een cirkel met zijn vingertoppen en duim. 'Ze zijn een eenheid. Ze vormen de materie waar onze werkelijkheid uit bestaat. Maar ze zijn slechts manifestaties van krachten. Die krachten zijn vitaal, dynamisch, en ze zijn de uitdrukking van nog lagere wezens.

De Onzelfzuchtige, Zij die Licht is, en de Naamloze, Hij die Duisternis is, zijn de bronnen van die twee basiskrachten. De Godin van het Goede stierf in de Chaosoorlog, en de andere vijf Regelaars waren gedwongen om de Duistere in een ander rijk gevangen te zetten onder een berg die zo groot was dat onze hele wereld zou passen op een richel langs de top ervan. En daar slaapt hij.' Nakur keek om zich heen. 'Zaltaïs was een van zijn dromen.'

Puc zei: 'Ik dacht dat ik het begreep, maar dat is toch niet zo.'

'Als je in de gevangenis zat, zou je dan niet dromen over een vervanger, een vorst die op een troon ergens ver weg zit en die legers kan aanvoeren om je te komen bevrijden?'

Miranda zei: 'Zaltaïs probeerde een leger samen te stellen om een gevangenis op een ander niveau van de werkelijkheid te bestormen?'

'Nee, dat was maar een metafoor,' zei Puc.

'Alles is een metafoor,' zei Nakur. 'De heks is slechts een echo van de Goede Godin.'

Magnus zei: Wacht even. De oude vrouw die ik in het Paviljoen tegenkwam was dat misschien, maar de dorpsheks is een echt mens.'  

'Daar twijfel ik niet aan,' stemde Nakur in. 'De goden plaatsen vaak een piepklein stukje van zichzelf in een sterveling. Zo leren ze hun rollen in deze wereld te manifesteren en hun plicht aan hun aanbidders volledig te begrijpen. Wanneer de sterveling overlijdt, keert dat stukje weer terug naar de god.  

De relatie tussen goden en mensen is ingewikkeld. De goden zijn ook manifestaties van hoe de mensheid hen ziet. Banath hier in Midkemia en Kalkin in Novindus zijn in wezen dezelfde, maar ze manifesteren zich op een andere manier, met een licht verschillende lading en aard.'

'Dus die oude heks heeft een stukje van een god in zich?' vroeg Magnus.

'Precies,' zei Nakur. 'Arch-Indar is dood zoals wij dat begrijpen, maar haar macht was zo groot, zo diepgaand en fundamenteel, dat zelfs eeuwen na haar dood de echo's van haar wezen ons nog beïnvloeden.'  

'Ben je daarom die religie begonnen in Krondor?' vroeg Miranda.  

'Die ben ik niet begonnen,' antwoordde Nakur. 'Ik heb hem alleen nieuw leven ingeblazen. Toen de avatar verscheen, wist ik dat uiteindelijk de goedheid zou terugkeren. Toen dat jonge meisje, Aleta, al die gaven begon te vertonen, wist ik dat ik de juiste keus had gemaakt.

Denk eraan dat Ishap ook "dood" is, maar zijn volgelingen hebben nog aanzienlijke macht, die gedeeltelijk afkomstig is van de andere Regelaars, maar een ander deel komt eenvoudig van de herinnering aan de Evenwichtsbrenger. Hij zal terugkeren vóór de Goede Godin omdat zijn tempel al langer geleden is hersteld, en omdat degene die ik er heb geplaatst nog heel jong is. Maar als Ishap terug is en wanneer uiteindelijk Arch- Indar terugkeert, kunnen de andere Regelaars de Naamloze weer vrijlaten om de orde in onze wereld te herstellen. Zonder haar als tegenwicht voor zijn kwaad, moet de Naamloze gevangen blijven.'

'En dat komt door de aanbidders?' vroeg Magnus.

'Uiteindelijk,' antwoordde Nakur schouderophalend. 'Hoe lang het duurt, weet niemand.'

'Eeuwen,' zei Miranda.

'Als we geluk hebben,' zei Nakur. 'Het kan nog wel langer duren. Wij zullen waarschijnlijk niet lang genoeg leven om het mee te maken - en wij leven al een stuk langer dan de meesten!' grijnsde hij.

Magnus zuchtte diep. 'Je praat over eeuwen in de toekomst, misschien nog wel langer. Wat heeft dat met onze huidige situatie te maken?'  

Nakur spreidde zijn handen en schokschouderde. 'Ik heb geen idee.' Hij keek Puc aan. Jij?'

Puc knikte. 'Een beetje. Een van onze problemen is dat de Naamloze nog steeds invloed heeft op onze wereld, ook al is het over een grote afstand en slechts indirect. De Goede Godin heeft dan misschien haar echo's en herinneringen achtergelaten, maar zij heeft geen directe invloed op deze wereld, zelfs niet op het niveau van haar tegenstander. Dus op een bepaalde manier zijn wij haar instrumenten, en proberen wij weerstand te bieden aan degenen die worden beïnvloed door de Naamloze. Ik betwijfel of onze oude vijand, Leso Varen, ook maar het geringste idee heeft van wanneer hij een kwaadaardig wezen werd. Maar misschien heeft hij er wel voor gekozen - en heeft hij macht gekregen in ruil voor bepaalde diensten.'  

'Hij beseft misschien niet eens wie hij dient,' opperde Nakur. 'Herinner je je die toestand met de Traan der Goden nog?'

Pucs gezicht betrok. 'Ik heb een lange en verhitte discussie met Arutha gehad omdat hij me dat pas liet weten toen alles al besloten was.'

Nakur knikte. Hij kende het verhaal, maar was er niet direct bij betrokken geweest. En hij wist ook dat het een gevoelig onderwerp was omdat Wiliam, Pucs oudste zoon, en Jezhara, een van zijn betere leerlingen, in het centrum van die confrontatie hadden gestaan. Zij, samen met de man die later hertog James van Krondor zou worden, hadden Varen en zijn handlangers ervan weten te weerhouden de Traan der Goden te stelen - het artefact waardoor de tempels met hun godheid konden communiceren.  

Nakur vervolgde: 'We zullen sommige delen van dat verhaal wel nooit helemaal kennen. Voor zover we wel weten, handelde de man die Beer werd genoemd alleen. Hij nam niet langer instructies aan van Varen, en dat is een kenmerk van hen die de Naamloze dienen; ze zijn vaak waanzinnig, handelen onbesuisd en veroorzaken een puinhoop, zelfs bij hun eigen bondgenoten.

Dat is een van onze voordelen; Het Conclaaf is verenigd en zelfs degenen die ons met enige argwaan bekijken - zoals de tempels of de magiërs in Sterrewerf - bemoeien zich niet met wat we doen.'

'Ze wéten niet wat we doen,' wierp Magnus tegen.

Puc lachte. 'Onderschat ze niet, zoon, en denk ook niet dat wij zo belangrijk zijn. De tempels en vorsten hebben een vrij goed beeld van ons, anders zouden ze misschien een stuk minder meegaand zijn.'  

Nakur lachte ook. 'Wanneer de dag komt dat we tegenover de handlangers van de Naamloze staan, zullen we die mensen die jij nu minacht misschien heel hard nodig hebben.'

Magnus keek beschaamd.

Nakur vervolgde: 'Wat mij dwars zit, is dat die manifestaties van goddelijke macht, die dromen en echo's en herinneringen, de laatste tijd vaker opduiken. Ik heb van onze agenten al gehoord over minstens twaalf vreemde gebeurtenissen sinds de Slangenoorlog.'  

'Wat denk je dat dat betekent?' vroeg Miranda.

'Dat er iets aankomt. Iets wat te maken heeft met de slapende vijand.'  

Puc keek Nakur aan. 'De Dasati?'

'De Naamloze heeft de Pantathiërs ertoe aangezet de Saaur door de scheuring naar onze wereld te brengen. We weten dat het een list was om hier demonen los te laten. De bondgenoten van de Naamloze zijn vernietiging en chaos. Hij geeft niet om de korte-termijn effecten op deze wereld, zolang de gruwelen en het kwaad maar op de mensen worden losgelaten en zijn macht toeneemt. Ik kan alleen maar raden,' zei Nakur, 'maar ik denk dat hij droomt van overheersing. Waarom zou hij anders Zaltaïs op een troon willen zetten in plaats van de Smaragden Koningin? Hij had zijn surrogaat op de troon nodig, zijn droomwezen, zodat hij sneller terug kon keren naar deze werkelijkheid. Hij wil zichzelf boven de andere Regelaars stellen voordat ze het evenwicht kunnen herstellen.'  

'Waanzin,' zei Magnus.

'Van nature is het kwaad waanzin,' antwoordde Nakur. 'Vandaar ook de Razernij van de Krankzinnige God.'  

'De Chaosoorlog,' zei Puc.

Magnus zei: 'Dus wij moeten vechten en sterven, en daarna moeten onze kinderen vechten en sterven?'

'Misschien,' zei Nakur. 'We zullen misschien wel nooit een moment van triomf kennen, een tijd wanneer we kunnen zeggen: "de overwinning is aan ons!" en weten dat de strijd voor altijd gestreden is.  

Zie ons maar als mieren. We moeten een machtige stad omverwerpen, een monsterlijk ding van steen en metselwerk, en we kunnen daarbij alleen onze eigen lichamen gebruiken. Dus werken we jaren, eeuwen, duizenden jaren, zelfs tienduizenden jaren lang, schrapend met onze kleine kaken langs de stenen. Duizenden, tienduizenden, miljoenen van ons sterven, en langzaam beginnen de stenen te verbrokkelen.  

Maar als we een plan hebben, en kennis, dan kunnen we zelf bepalen waar we bijten. We richten ons niet op alle stenen, alleen op de belangrijkste steen waarop alle andere rusten. En dan beginnen we aan het metselwerk rond die steen te knagen, zodat we die uiteindelijk weg kunnen drukken. Zodra dat gebeurd is, beginnen de enorme stenen erboven te bewegen en te vallen.  

Nee, wij zullen dan misschien het eind van de strijd niet meer meemaken, maar uiteindelijk komen de Goede Godin en de Naamloze misschien terug en wordt het evenwicht hersteld.'

'Wat voor wereld zou dat zijn?' vroeg Magnus zich af.

'Een met minder strijd, hoop ik,' zei Miranda.

'Misschien,' zei Nakur. 'Maar zelfs als er nog strijd is, dan zal die veel prozaïscher zijn. Wat we nu doen is strijden met de werelden als inzet.'

Magnus keek naar zijn jongere broer. 'En de prijs van verliezen is te duister om over na te denken.'  

Puc keek naar zijn twee zoons en zijn vrouwen zei: 'Dat weet ik maar al te goed.'

Niemand hoefde nog iets te zeggen, want ze wisten allemaal dat Pucs eerste twee kinderen in de Slangenoorlog waren omgekomen en dat hij nog steeds bitter was over het verlies.  

Nakur stond op. 'We moeten gaan. Ik zal een boodschap sturen naar onze mensen in het veld om te kijken of de aanval op Caleb deel uitmaakte van een groter plan, of gewoon een ongelukkig toeval was.'

Toen Miranda en Magnus weg waren gegaan, zei Nakur: 'Nog één ding, Puc. McGrudder dacht dat we hem wilden verhuizen. Moeten we dat doen?'  

'Nee,' zei Puc. 'Ik denk dat we hem moeten laten waar hij is. Als dit alleen maar bandieten waren, dan is er geen kwaad geschied. Als degenen die Caleb hebben aangevallen mensen van Varen waren, laat ze dan maar denken dat wij dat niet weten. Als McGrudder in de gaten wordt gehouden - en dat moet niet zo moeilijk te ontdekken zijn in zo'n klein dorp - dan kunnen we altijd nog een spion sturen om hén weer in de gaten te houden.'

Nakur knikte grijnzend. Hij hield wel van dit soort geheime plannenmakerij.

'Er is nog iets,' zei Puc.

'Wat dan?'

'Ik kreeg gisteren een bericht dat me zeer veel zorgen baart. Wil je me zeggen wat jij ervan denkt?'

'Natuurlijk.'

Puc haalde een rol papier onder zijn mantel vandaan en Nakur keek ernaar. Puc zei: 'Het is niet de eerste. Ze verschijnen al jaren af en toe op mijn tafel.'  

'Hoe lang al?'

'Sinds voordat wij elkaar ontmoetten. In de eerste stond dat ik Robbie moest opdragen om jou te vertellen...'

'Dat er geen magie bestaat,' maakte Nakur voor hem af. 'Ik weet het. Toen ik dat hoorde, en nog wel van een magiër, wist ik dat ik naar Sterrewerf moest komen.' Hij keek weer naar de rol. 'Waar komen ze vandaan?'

'Niet van waar, maar van wannéér. Ze komen uit de toekomst.'  

Nakur knikte, en zette toen grote ogen op terwijl hij het bericht las. 'Dit komt... van jou!' zei hij, en voor het eerst sinds Puc hem kende was de kleine Isalani sprakeloos.

 

Tad lag op het bed met zijn arm achter zijn hoofd, terwijl Zane ijsbeerde. 'Je slijt nog een geul uit in die stenen als je daarmee doorgaat,' zei hij.

'Ik kan er niks aan doen. Eerst brengen ze ons ontbijt en zeggen ze dat we moeten wachten, en dan brengen ze ons een middagmaal. Dan komt iemand de steek omruilen, en nu is het bijna tijd voor het avondeten en weten we nog niet wat we hier doen.'

'Wat we hier doen is wel duidelijk,' zei Tad. 'We wachten. Wat we niet weten, is wáár we op wachten.'

Zane trok een boos gezicht en Tad ging rechtop zitten. Hij kende dat gezicht. Zane had maar een klein zetje nodig om zijn slechte humeur af te reageren op zijn pleegbroer.

Op het moment dat Tad ging zitten en zich voorbereidde op een aanval van Zane, ging de deur open en verscheen Nakur. 'Meekomen,' zei hij kortaf.

Hij draaide zich om en liep weg, zo abrupt dat Tad bijna struikelde in zijn haast om achter hem aan te gaan. Hij haalde Zane en de Isalani halverwege de gang in en vond het maar vreemd hoe snel die kleine man kon lopen.

'Niet staren,' waarschuwde Nakur hem.

Een tel later liep Tad tegen een deurpost aan. Hij was net langs een grote open deur gelopen, die uitkwam op een binnenplein waar een grote vijver was. Aan de rand van de vijver en in het water zag hij een groep jonge vrouwen. Tads aandacht was afgeleid omdat de meisjes allemaal opvallend mooi waren, volledig naakt, en omdat hun huid lichtgroen was en hun haren de kleur hadden van brons.  

Tad liep ook nog eens tegen Zane aan toen hij zich omdraaide en zich terug haastte naar de deuropening om te controleren of hij het wel goed had gezien. Ze vielen allebei op de grond voor de deuropening.  

De meisjes draaiden zich om en staarden hen aan, en toen zagen de jongens dat hun ogen geen irissen hadden en helemaal parelwit van kleur waren.

Nakur hielp Tad met één hand overeind en zwaaide met zijn andere hand naar de meisjes. 'Ik zei toch dat jullie niet moesten staren,' zei hij, terwijl Tad aan zijn neus voelde om te controleren of die niet bloedde. 'Kom mee.'  

Tad zei: 'Eh...'

Nakur viel hem in de rede. 'Het zijn zes zusters van de Pithirendar. Ze geven niet veel om kleding en brengen een groot deel van hun tijd in het water door. Ze zijn niet helemaal menselijk. Hoewel ze menselijk genoeg zijn om jullie in de problemen te brengen, dus blijf bij ze uit de buurt, anders geef ik jullie nog iets anders om over na te denken.'

'Niet menselijk...' mompelde Zane, en probeerde zichzelf ervan te overtuigen dat zijn ogen hem niet in de maling hadden genomen. Tad stak een hand uit en sleurde hem bij de deur weg, achter Nakur aan.

Ze gingen een hoek om en Nakur gebaarde dat ze moesten wachten. Er kwam een ding - bij gebrek aan een beter woord - door de gang op hen af. Het was half zo groot als de jongens, maar twee keer zo breed. Het zag eruit als een tafel met een zwarte doek eroverheen, en het bewoog zich voort op krabachtige poten. Het maakte ook een vreemd murmelend geluid.  

Toen het ding hen passeerde, zei Nakur: 'Goedemorgen,' en het ding beantwoordde de groet met een verassend normaal klinkende vrouwelijke stem.

Nadat ze de hoek om was, fluisterde Tad: 'Wat was dat?'

'Een bezoeker,' antwoordde Nakur. Hij leidde hen naar een kamer, waar Puc achter een schrijftafel op hen wachtte. De kleine magiër stond op en wees naar een paar stoelen tegenover de zijne. Ze gingen zitten en Puc nam weer plaats achter zijn bureau. Nakur ging bij een raam links van Puc staan.

Puc keek de twee jongemannen aan en zei: 'We weten eerlijk gezegd niet goed wat we met jullie aanmoeten.'

Tads gezicht werd bleek en Zane werd rood. Hij zei: 'Wat bedoelt u met "aanmoeten", heer?'

Puc glimlachte. 'We doen jullie geen kwaad, als je daar soms bang voor bent.' Hij leunde achterover en keek de beide jongens aan. 'Jullie hebben misschien al gezien dat deze woongemeenschap niet is zoals andere die jullie kennen.'  

Zane knikte alleen maar, en Tad zei: 'Ja, heer.'

Nakur lachte. 'Jullie schijnen er aardig goed mee om te gaan.'

Zane haalde zijn schouders op. 'Ik weet eigenlijk niet goed wat ik ervan moet denken. Maar Caleb is altijd goed geweest voor onze moeder, en voor Tad en mij, en aangezien jullie familie van hem zijn dacht ik... nou, dat we hier wel veilig zouden zijn.'  

Puc ging verzitten. 'Ik bemoei me niet overmatig met de levens van mijn kinderen, maar vertel me eens iets over jullie moeder.'

Tad begon te vertellen, omdat Marie zijn echte moeder was, hoewel ze Zane precies zo behandelde als hem. Hij begon met de gebruikelijke complimenten aan haar adres - dat ze goed kon koken en dat ze hun povere huisje zo schoon hield - maar even later was het voor iedereen duidelijk dat de jongen niet alleen van zijn moeder hield maar ook veel respect voor haar had. 'Het was zwaar toen mijn vader stierf.' Hij keek naar Zane. 'Maar ze nam Zane in huis omdat hij mijn beste vriend was en omdat hij niemand anders had. De anderen in het dorp wilden er niets van weten. Ze redde het en zorgde ervoor dat we geen van tweeën in de problemen kwamen.'

Zane voegde eraan toe: 'Ik ken haar al langer dan ik mijn echte moeder heb gekend, dus ik neem aan dat ze mijn echte moeder is, als u begrijpt wat ik bedoel, heer. Ze heeft Tad nooit voorgetrokken en ze knuffelde me toen ik klein was. Ze hield van mij alsof ik haar eigen zoon was.'

Puc zuchtte. 'Zelfs zonder dat ik haar heb ontmoet, kan ik begrijpen waarom mijn zoon om jullie moeder geeft, jongens, en ook waarom hij om jullie geeft. Het was heel dapper van jullie om terug te gaan naar die wagen.'

Nakur zei: 'Of dom, van wat ik heb gehoord. Zei Caleb niet dat jullie naar het dorp moesten gaan als jullie aan die rovers konden ontsnappen?'

'Ja,' zei Tad. 'Dat klopt, maar we hadden er al twee gedood, en we dachten dat Caleb misschien wat hulp kon gebruiken. En we hadden inmiddels twee zwaarden.'

Puc schudde zijn hoofd. 'Ik ben maar wat blij dat jullie niet gehoorzaamd hebben, en ik bewonder jullie vastberadenheid. Als jullie dat niet hadden gedaan, was ik mijn jongste kind kwijtgeraakt.' Zijn ogen werden even glazig terwijl hij aan iets dacht. Hij zei zacht: 'Dat is iets wat ik meer vrees dan jullie je kunnen voorstellen.' Toen keek hij de jongens weer aan en vroeg: 'Maar wat moeten we met jullie?'  

'Caleb bracht ons naar Kesh om bij iemand in de leer te gaan, of verder naar Krondor, want thuis is er geen werk voor ons,' zei Zane. 'Als u leerlingen nodig hebt, dan willen wij dat graag zijn.'

'Wil jij dat ook, Tad?' vroeg Puc.

'Ja, heer,' zei hij knikkend.

'Ik heb inderdaad leerlingen nodig,' zei Puc. 'Maar eerst moeten we kijken of jullie aanleg hebben.'  

Puc stond op, en de jongens volgden zijn voorbeeld. Puc wees naar zijn vriend en zei: 'Nakur zal jullie een paar dagen onderwijzen terwijl mijn zoon geneest, en dan heb ik andere taken voor hem en zullen anderen jullie beproeven. Nu heb ik werk te doen, dus wegwezen.'

Ze verlieten de kamer en Tad grijnsde naar zijn vriend. Hun angsten waren nu vervangen door hoop, want ze hadden Nakurs waarschuwing over dat hun kennis ze het leven kon kosten serieus genomen.  

Terwijl ze door de gang liepen, vroeg Tad: 'Nakur, voor welk ambacht worden we opgeleid?'

'Dat hangt er nog vanaf, mijn jonge vriend,' zei Nakur. 'Ik weet niet zeker of er een naam is voor wat jullie mogelijk gaan doen. Laten we zeggen dat jullie leerlingarbeiders worden.'

'Wat voor arbeid?' vroeg Zane.

'Van alles. Dingen die je je nu niet eens kunt voorstellen. Want als jullie gaan werken voor het Conclaaf der Schaduwen, is dat meer dan een ambacht.' Met een plotseling ernstige uitdrukking op zijn gezicht, zei hij: 'Het is een levenslange toewijding.'  

De jongens wisten niet precies wat hij bedoelde, maar Nakurs uitdrukking vertelde hun dat ze niet blij zouden zijn als ze er achterkwamen.