16
Wachten
De deur zwaaide open.
Tad, Zane en Jommy hadden wat liggen dommelen en geprobeerd rust te vinden, en keken op. Er kwam een meisje de kamer binnen, bijna even oud als de jongens. Ze had een ketel in haar hand, een stapel kommen en een bundeltje onder haar arm.
De jongens stonden op en maakten plaats zodat ze naar de tafel kon lopen. Toen ze de ketel en de kommen had neergezet, pakte ze de bundel uit. Er zat een half brood in en een groot stuk kaas.
'Mijn vader zei dat ik jullie dit moest brengen,' zei ze fluisterend. Ze was mollig en had een mooie glimlach, grote bruine ogen en lang, donker haar.
Jommy deelde lepels uit, schepte soep in de kommen en gaf Zane en Tad elk een kom en wat kaas en brood.
Het meisje ging bij Caleb kijken. 'Hij heeft veel bloed verloren,' zei ze, 'maar hij heeft een betere kleur dan gisteravond en hij ademt goed. Als hij wakker wordt, geef hem dan iets te eten.' Ze keek in de ketel en zei: 'Dus laat nog iets hiervan voor hem over, begrepen?'
Tad knikte en probeerde te praten met een mond vol kaas.
Zane zei: 'Dankjewel.'
Jommy vroeg haar: 'Weet je wat we nu moeten doen?'
Het meisje liep naar de deur, draaide zich toen om en keek de kleine kamer rond.
'Wachten,' zei ze, en sloot de deur.
Kaspar haastte zich door de paleisgangen met Pasko op zijn hielen. Het was nog nauwelijks licht, maar ze waren bijna een kwartier geleden geroepen. Hij had zich aangekleed zonder te baden of zich te scheren. Hoewel hij aan het Keshische gebruik gewend was geraakt van het drinken van grote mokken hete koffie 's morgens bij het eten en daarna, had hij daar nu geen tijd voor gehad.
Ze kwamen aan bij het studeervertrek van Turgan Bey en liepen naar binnen. Bey bood Kaspar een stoel aan en gebaarde dat Pasko buiten moest wachten. De agent van het Conclaaf die zich voordeed als lijfknecht boog en verliet de kamer, terwijl Beys klerk de deuren sloot.
'Koffie?' vroeg Bey, wijzend op een grote aarden karaf en twee mokken op tafel.
Kaspar schonk zichzelf iets van de hete, bittere drank in en zei: 'Dank je. Sinds ik hier ben, ben ik eraan gewend geraakt het 's morgens te drinken.'
Bey glimlachte. 'Het is misschien nog wel verslavender dan sommige verdovende middelen die je op de markt kunt kopen.' Hij wenkte Kaspar hem te volgen naar het balkon dat uitkeek op de tuin.
De nachtelijke lucht had plaatsgemaakt voor het zachtgrijze licht van het ochtendgloren, met roze en zilveren flarden die voorspelden dat de lucht snel blauw zou worden. Het zou weer een warme dag zijn in het Keizerrijk terwijl ze afstevenden op het midzomerfestival Banapis. Kaspar wist inmiddels dat de nachten warm waren en de dagen heet. Als hij niet van mening was dat hij er belachelijk uitzag in Keshische kledij, zou hij Pasko allang op pad hebben gestuurd om een linnen kilt en een paar sandalen voor hem te kopen.
Zachtjes zei Bey: 'Er is weer bloed vergoten gisteravond, Kaspar.'
Kaspar zei: 'Ik heb niets gehoord.'
'Je hoort het nu,' zei Bey.
'Wie is er dood?'
'In ieder geval prins Nauka.'
'De achterneef van de keizer?'
'Inderdaad, en een sympathisant van Sezioti.' Bey schudde zijn hoofd en blies langzaam zijn adem uit alsof hij zijn frustratie kwijt wilde. 'Het irritante ervan is dat ik weet dat Dangai hier achter zit.'
'Weet je zeker dat hij niet wordt gebruikt door anderen?'
'Toen Leikesha regeerde, werd haar zoon Awari gebruikt als zondebok door Iemand Wiens Naam Is Vergeten.'
Kaspar knikte. Hij kende de recente geschiedenis van Kesh goed genoeg om te weten dat heer Niromi's naam uit alle historische naslagwerken was verwijderd als straf voor zijn verraad, en dat geen enkele Keshische familie een kind nog Niromi mocht noemen.
Bey vervolgde: 'Dangai is niemands zondebok. Hij heeft de complete controle over het Binnenlegioen, en als het slecht uitpakt zien we misschien straks een herhaling van de laatste poging om de troon te grijpen, toen Keizerin Leikesha's wachten hier op deze plek tegen het Binnenlegioen streden.'
Hij keek een tijd lang uit over de tuin en draaide zich toen weer om naar Kaspar. 'Wist je dat er meer dan duizend officieren van het Binnenlegioen in het Overnse Diep zijn gegooid? De krokodillen hebben maandenlang hun buiken rond gegeten.' Hij zuchtte. 'Maar deze keer weet ik niet of de paleiswacht zich zou verzetten tegen het legioen, want Seizoti is geen populaire figuur. Gerespecteerd, ja, en misschien zelfs enigszins geliefd, maar niet populair.'
'Waarom dat bloedvergieten? Waarom dienen ze niet rechtstreeks een verzoek in bij de Galerij der Heren en Meesters? Te oordelen naar wat ik gehoord heb, lijkt het me dat Dangai de slag zou winnen.'
'Omdat we eerder een land van tradities dan van wetten zijn.' Bey keek Kaspar aan. 'We hebben geen traditie van Grote Vrijheid zoals in het Koninkrijk der Eilanden, en de koning wordt niet bevestigd door de Raad der Heren. Als de keizer, zijn naam zij gezegend, Sezioti benoemt tot zijn erfgenaam, dan is Sezioti de volgende keizer, of zal hij tenminste op de troon zitten totdat Dangai die inneemt door zijn broers hoofd af te hakken.
Maar ik heb bewijs nodig, Kaspar. Bewijs dat niet alleen Dangai hierachter zit, maar dat hij ook een verbond heeft gesloten met de vijanden die nog maar enkelen van ons kennen: Varen en zijn Nachtraven.'
'Hoe kan ik helpen?' vroeg Kaspar.
'Er is gisteravond nog meer gebeurd dan alleen de moord op prins Nauka. De Vrouwe van het Geluk is een gokzaal boven op de Zomerwindheuvel- een van de betere wijken in de stad - en ook een bordeel, en er zijn gisteravond diverse vreemde dingen gebeurd. Talwin Hawkins is verdwenen. Hij ging naar boven met twee hoeren en werd kort daarop gevolgd door twee mannen, een van hen Talwins zogenaamde bediende, de oude moordenaar Petro Amafi. Enige tijd later kwamen de meisjes alleen weer naar beneden, nodigden een paar dronken kerels uit en vertrokken. De kamer boven was leeg; er hing alleen een gordijnkoord uit het raam. We kunnen ervan uitgaan dat Hawkins een of andere valstrik heeft weten te ontlopen. Maar ik wil weten wie die mysterieuze man was die voor Amafi de trap opging. En waar hebben Talwin Hawkins en Petro Amafi hem mee naartoe genomen?'
Kaspar zei: 'Ik heb geen idee.'
'Nou, ik vermoed dat jouw mannetje Pasko wel een manier weet om hem te bereiken.'
'Ik zal het hem opdragen zodra we hier klaar zijn.'
'Ik heb twee meesters, Kaspar. Ik dien degenen die jij ook dient, omdat ik geloof dat ze voor de goede zaak strijden en omdat hun doelstellingen op de lange termijn ook mijn andere meester, de keizer dienen. Ik kan hem het beste dienen door hem bewijs te leveren van een complot tegen hem. Geen schattingen, geen vage aanwijzingen, maar harde bewijzen.Ik heb gisteravond ook gehoord over een vechtpartij in herberg De Drie Wilgen, eigendom van een voormalig Koninkrijks burger die Pablo Maguire heet. Er logeerde een handelaar uit het Dromendal, van wie niemand precies wist uit welk land hij kwam en die zowel Keshisch als Koninkrijks leek, die drie jongens bij zich had, leerlingen schijnbaar. De meester was de deur uit en de jongens zaten te eten toen er een opstootje ontstond. Waarom die drie jongens werden belaagd weet niemand zeker, maar het is duidelijk dat hier meer aan de hand moet zijn.' Bey keek Kaspar aan. 'Die Murphy is toch niet weer een van jouw agenten?'
'Ik ben net als jij, Turgan; ze vertellen mij alleen wat ik weten moet en niets meer.'
De oude man zuchtte diep. 'Ik begrijp waarom je meesters handelen zoals ze handelen, maar ik moet toegeven dat het me mateloos ergert als er andere agenten - potentiële bondgenoten - in de buurt zijn zonder dat ik ervan weet.'
'Het heeft allemaal een doel,' zei Kaspar. 'Je kunt niet vertellen wat je niet weet.'
'Stuur je man dan waarheen hij moet gaan en zeg het voort: ik heb bewijs nodig van Dangais bedrog, en snel, of anders kan Kesh in een burgeroorlog worden gestort.'
'Wat hebben je eigen mensen ontdekt?'
Turgan Bey stak in frustratie zijn handen in de lucht. 'Ik kan er niet meer vertrouwen dan een handjevol van al degenen die zogenaamd bij mij in dienst zijn - er zijn te veel bondgenootschappen gevormd en opnieuw gevormd rond de troonopvolging. Het feest van Banapis begint al over minder dan twee weken, en dan barst het in de stad van de bezoekers. De keizer zal dan waarschijnlijk voor het laatst in het openbaar verschijnen. Hij zal de Galerij der Heren en Meesters toespreken en dan vanaf het balkon de mensen beneden toewuiven, hoewel het onwaarschijnlijk is dat ze hem kunnen zien. Kortom: als er een staatsgreep plaatsvindt, zal dat hoogstwaarschijnlijk dán gebeuren. Het Binnenlegioen zal in de stad zijn, maar de Wagenmenners en het Keizerlijke Leger niet.'
'Ik zal zien wat ik kan doen. Enig idee waar Tal zit ondergedoken?'
'Nee. Praat met je man Pasko, of ga naar de Jolige Jongleur, de herberg waar hij verbleef. Spoor hem op en kijk of hij iets heeft ontdekt. Praat ook met je vrienden in het noorden. Doe alles wat nodig is, Kaspar. Help me dit Keizerrijk intact te houden, en als je zwager je dan niet terug wil zien in Olasko, zal ik ervoor zorgen dat Sezioti je benoemt tot Prins van het Keizerrijk.'
Kaspar glimlachte. 'Bedankt, maar mijn lust naar macht lijkt achter me te liggen. Het werken voor onze vrienden in het noorden geeft me meer dan voldoende reden om elke ochtend uit bed te komen, en niemand kan om meer vragen.' Hij maakte een buiging en verliet de kamer.
Hij wenkte Pasko, die rustig op een bankje buiten de deur zat te wachten, en de oude bediende kwam naast hem lopen. 'Ik ga naar een herberg die De Jolige Jongleur heet. Als er onverwacht problemen ontstaan, ga dan waar je naartoe moet gaan. Er is gisteravond iets misgegaan, en onze vrienden zijn ondergedoken... aangenomen dat ze niet vermoord zijn.' Hij fluisterde: 'Ik moet Tal en Caleb spreken, zo snel mogelijk.'
Pasko knikte en haastte zich op weg, een gang in die hem uiteindelijk via de bediendeningang naar de stad beneden zou leiden. Kaspar begaf zich naar het studeervertrek van de Hoeder van de Keizerlijke Huishouding, om te vragen of er zo snel mogelijk een paard voor hem kon worden gezadeld. Hij vroeg zich af of hij nog ergens een mok koffie zou kunnen bemachtigen en misschien een broodje of een stuk ham, voordat hij zou uitrijden en zich in de chaos zou storten.
Het pakhuis was omringd door wachten die loyaal waren aan het Conclaaf. Binnen keek Tal onbewogen toe terwijl Amafi de huurmoordenaar ondervroeg. Ze hadden behoorlijk wat geluk en vaardigheid nodig gehad om de bewusteloze man naar een veilig toevluchtsoord te krijgen, en ze hadden het verlaten pakhuis net voor zonsopgang bereikt.
Maar nu waren ze veilig, tenminste voorlopig, en de gevangene kon schreeuwen wat hij wilde want niemand kon hem hier horen. Ondanks zijn weigering om te praten, had hij de afgelopen twee uur toch een heleboel kabaal gemaakt.
De man was met leren riemen aan een zware houten stoel gebonden, die weer vastzat aan een steunbalk midden in de ruimte. Dat bleek nodig nadat hij had geprobeerd zelfmoord te plegen door zich met zijn hoofd op de harde aarden vloer te werpen. Helaas voor Tal was de huurmoordenaar alleen maar een uur buiten westen geweest.
Amafi draaide de man zijn rug toe en zei zachtjes: 'We zijn op een punt aanbeland waar zowel hij als ik rust nodig hebben, verhevenheid.' Met een ruk van zijn hoofd gaf hij aan dat Tal met hem mee moest lopen naar de andere kant van het pakhuis.
Toen ze een eindje van de gevangene vandaan waren, zei Amafi: 'Martelen is een kunstvorm, verhevenheid. Iedereen kan een man bewusteloos slaan. Iedereen kan een ander zoveel pijn toebrengen dat hij bijna gek wordt.'
'Waar staan we bij hem?'
'Deze man is geoefend, verhevenheid, en hij is fanatiek. Hij sterft liever in helse pijnen dan dat hij zijn clan verraadt. Dus de truc is om hem ervan te overtuigen dat die helse pijnen eeuwig zullen doorgaan. Dan praat hij wel.
Maar als hij praat, moet hij ook geloven dat de waarheid de enige manier is om aan de pijn te ontsnappen, aan het verraad en aan wat het ook is waardoor zijn stilte wordt gedreven. Als hij te weerbarstig is, zal hij liegen. En als hij te zeer beschadigd is, zal hij alleen maar zeggen wat hij denkt dat we willen horen.'
Tal knikte. Hij had er geen plezier in om Amafi iemand pijn te zien doen, maar hij had sinds zijn jeugd al zoveel dood en leed gezien dat het hem slechts een klein beetje dwarszat. Hij dacht er altijd aan dat zijn tegenstanders het hart vormden van wat zijn volk was overkomen - dat de Orosini zo goed als weggevaagd waren. Hij had ook een gezin in Opardum dat eronder zou lijden, samen met iedereen in Midkemia, als het Conclaaf faalde.
'Wat moeten we doen?'
'Ten eerste moeten een paar mannen buiten de ramen bedekken, zodat het hier altijd donker is. We moeten zijn tijdsbesef ontregelen, zodat hij denkt dat hij hier al langer is dan werkelijk het geval is. Ik moet een extra stel kleren voor ons gaan halen bij de herberg, zodat we hem ook op die manier kunnen verwarren. Bovendien moeten we wat voedsel en wijn halen - brandewijn zou nog beter zijn - zodat we hem op zijn gemak kunnen stellen als het nodig is.'
'Doe wat je doen moet.'
Amafi haastte zich naar buiten en Tal liep naar de half bewusteloze gevangene, die vuil was van het bloed en zijn eigen ontlasting. Tal en hij keken elkaar een hele tijd zwijgend aan.
Caleb kwam kreunend overeind. De jongens hadden de hele dag geprobeerd om rustig te blijven, maar zonder enig besef van tijd in hun kleine schuilplaats leken de minuten wel uren te duren.
Tad en Zane hadden al ruzie gekregen door hun geteisterde zenuwen, maar Jommy had hen uit elkaar gehaald voordat ze konden gaan vechten.
Het meisje was teruggekeerd met nog een maaltijd en had gezegd: 'Het duurt niet meer lang voor ze besluiten waar ze jullie heen brengen.' Maar ze wilde niet bij hen blijven of hun vragen beantwoorden.
Nu Caleb zich had hersteld, vertelden de jongens wat er in De Drie Wilgen was gebeurd. Hij zei: 'Dus we waren niet half zo slim als we dachten.'
'Is alles goed met je?' vroeg Tad.
'Het valt wel mee,' zei Caleb. 'Ik heb twee wonden in mijn schouder, maar geen van beide erg diep. Ik heb een snee over mijn hoofd en hoewel dat soort wonden enorm bloedt, ziet het er erger uit dan het is - en we waren al veilig onderweg toen ik onderuit ging. Ik herinner me niet veel, behalve dat de jongens me droegen...' Hij keek om zich heen. 'Waar zijn we?'
Tad vertelde het hem.
Caleb knikte. 'En hoe zijn jullie hier gekomen?'
De jongens vertelden hem over de vier huurmoordenaars, en Caleb zei: 'Als ze jullie hadden willen vermoorden, zouden jullie nu dood zijn. Ze joegen jullie op zodat jullie hen hierheen zouden leiden.' Hij klonk bezorgd.
'We hebben ze afgeschud,' zei Jommy grijnzend. 'Ik heb ze naar de bakkersjongens geleid, en die besloten heel karakteristiek om wat pret te maken met die kerels. Ik keek achterom toen we aan de andere kant van het plein waren en zag dat de bakkersjongens met z'n allen stonden te springen op die twee die ons achterna zaten.'
'Het verbaast me dat die bakkersjongens niet allemaal dood zijn,' zei Caleb.
'Het verrassingseffect doet wonderen,' zei Jommy.
'Stommiteit ook. Het had die jongens wel het leven kunnen kosten, Jommy.'
Jommy grijnsde niet meer. 'Ik verwachtte geen dankjewel voor het redden van deze twee jongens, maar ik verwachtte ook geen kritiek. Had je liever gehad dat wij dood waren?'
Caleb stak een hand op en gaf zich over. 'Je hebt gelijk. Het spijt me. Ik was er niet bij.'
'Wat doen we nu, Caleb?' vroeg Tad.
'Ik moet nog een paar dagen rusten, maar niet hier. We hebben deze mensen al genoeg in gevaar gebracht. Dus we moeten een andere plek vinden om ons te verstoppen.' Hij haalde zijn hand door zijn lange haren en merkte dat ze vol geronnen bloed zaten. 'En ik moet me wassen.'
Hij ging rechtop zitten, haalde een tijdje diep adem, en zei: 'Ik moet me wassen.'
'Dat zei je al,' zei Zane.
Caleb knikte. 'Als ze weten waar we zijn...'
'Dat weten ze niet,' zei Tad. 'Als ze wisten waar we zaten, waren ze hier al geweest.'
'Ja,' zei Caleb. 'Ik... je hebt gelijk.'
Jommy zei: 'Ga maar weer liggen, vriend. Ik hou alles wel in de gaten.'
Caleb ging liggen en sliep binnen een paar minuten.
'Nou,' zei Jommy, 'ik denk dat dit een goed moment is om te vragen waarom zoveel mensen ons proberen te vermoorden?' Hij keek Tad en Zane onbewogen aan en ging achterover zitten in de enige stoel in de kamer, wachtend op antwoord.
Er gingen nog twee maaltijden voorbij voordat Caleb weer wakker werd. De jongens dachten dat het ergens halverwege de ochtend moest zijn toen hij kreunend rechtop in zijn bed ging zitten en zei: 'Volgens mij heb ik een schedelbreuk.'
'Niet dat wij konden zien,' antwoordde Jommy. 'Wacht hier.' De oudere jongen stond op en liep langs Tad en Zane, die nog op de vloer zaten, de kamer uit.
'Waar gaat hij naartoe?' vroeg Caleb.
'Weet ik niet,' antwoordde Zane. 'Misschien pissen?'
'Jullie zijn toch niet buiten geweest?' vroeg Caleb terwijl hij ging staan, waarbij hij zich vasthield aan de rugleuning van de nu lege stoel.
'Nee,' zei Tad. 'Er staat een steek buiten voor de deur.'
De deur ging open. Jommy kwam binnen en zette een porseleinen kom op tafel. Hij haalde er een gevouwen handdoek uit en gaf die aan Caleb. Toen goot hij water in de kom vanuit een kan. 'Je zei dat je je moest wassen,' zei hij tegen Caleb.
Caleb trok zijn met bloed besmeurde hemd uit en begon zich te wassen. Jommy zei: 'Er zijn ook schone kleren voor je. Ik haal ze wel even.' Hij liep de deur uit en kwam even later terug met een schoon hemd en een nieuwe hoed. 'Het leek erop dat je je hoed verloren was, Caleb, dus ik heb onze gastheer gevraagd of ze een nieuwe voor je konden vinden.'
'Bedankt,' zei Caleb. 'Dat zal helpen die wonden te verbergen.'
'Nu dan,' zei Zane. 'We hadden het erover wat we nu moesten doen voordat je weer onder zeil ging, Caleb.'
'Ik weet niet meer precies wat we besproken hebben, maar als ik het me goed herinner, zijn jullie bijna ingehaald door vier mannen, toch?'
'Dat klopt,' zei Jommy. 'En afgaande op wat deze twee me verteld hebben, staan we tot onze heupen tussen de krokodillen en is het vloed in het moeras.'
'Wat hebben jullie hem verteld?' vroeg Caleb.
Tad en Zane keken elkaar aan, maar Jommy gaf antwoord. 'Genoeg om te weten dat ik ofwel bij jullie blijf tot het einde, of dood ben zodra ik probeer de stad te verlaten, Caleb. Ik begrijp niet veel van wat ze vertelden, en ik laat het aan jou over om me meer te vertellen als je denkt dat ik het weten moet. Maar je moet één ding over mij begrijpen, vriend: ik zal je niet teleurstellen. Je hebt me meer dan eerlijk behandeld, en je hebt me te eten gegeven alleen al omdat ik heb voorkomen dat deze twee werden bespeeld als trommels op een festival. Neem het die jongens niet al te kwalijk dat ze me dingen verteld hebben; ik heb ze ervan overtuigd dat als ik hierbij het leven zou laten, ik het recht had om te weten waarom.'
Tad zei: 'Het is niet meer dan eerlijk, Caleb.'
Caleb keek Jommy aan. 'Je hebt jezelf in groot gevaar gebracht.'
De jongen uit Novindus schokschouderde. 'Ik heb al zo vaak gevaar gelopen sinds Rolie en ik van huis weggingen. Ik had al wel tien keer dood kunnen zijn. Dus wat kan mij een beetje extra gevaar schelen? Ik vind jullie goeie kerels, en als ik me al bij iemand aansluit, dan liever bij goeie kerels. Dus dat is geregeld. Wat doen we nu?'
'We gaan naar een herberg niet ver hiervandaan.' Caleb wees naar Zane. 'Jij gaat vooruit. Het is niet ver en het zou je geen moeite moeten kosten er te komen; als onze vijanden nog op jacht zijn, zoeken ze drie jongens in plaats van één. Je donkere haar maakt jou de beste keus - jij lijkt het meest op een Keshiër. Ik zal je vertellen wat je moet zeggen. Wij komen straks.'
Zane luisterde naar de instructies die Caleb hem gaf. Toen hij weg was, vertelde Caleb aan Jommy en Tad: 'Ik moet eerst nog ergens anders naartoe. Als ik morgen bij zonsopgang niet in de herberg ben, ga dan naar de waard en zeg hem dat jullie met de eerste karavaan naar het noorden mee moeten. Ga naar de karavanserai, maar reis niet mee met de karavaan. Het is een code, en iemand daar zal jullie snel naar huis brengen. Begrepen?'
'Waar ga je naartoe?' vroeg Tad.
'Ik moet een man spreken over wat er gisteravond misging... '
'Eergisteravond,' corrigeerde Tad.
'Goed dan, eergisteravond,' zei Caleb. 'Iemand wist dat we kwamen, Tad, en we hebben behoorlijk op onze donder gehad. Ik vond het vreselijk om zoveel goede mannen kwijt te raken, maar ik moet nu weten hoe ze wisten dat we kwamen en dat jullie in de Wilgen zaten, en of er nog ander kwaad is geschied terwijl ik bewusteloos was.'
'Wees voorzichtig, Caleb,' zei Tad. 'Ik wil niet tegen ma hoeven vertellen dat je dood bent.'
Caleb zei: 'Dat geldt ook voor mij, jongen. Wacht nog een paar minuten en ga dan achter Zane aan. Jommy, jij gaat eerst, en Tad, jij vertrekt kort daarna. Moge Ruthia glimlachend op jullie neerkijken,' zei hij, de Vrouwe van het Geluk aanroepend.
'Jij ook, Caleb,' zei Jommy.
Toen Caleb weg was zei Jommy: 'Je hebt een verdomd fijne vader, vriend.'
Tad knikte alleen maar.
Caleb had zijn haren naar achter getrokken en onder zijn hoed verstopt. Hij droeg een goedkope mantel waaronder zijn leren vest en broek verborgen waren. Hij was niet van plan lang op straat te blijven, maar hij wilde niet het risico lopen dat iemand hem herkende. Zonder lijk om te bewijzen dat hij dood was, zouden Varens mannen ongetwijfeld naar hem op zoek zijn.
Hij was hun toevluchtsoord uit gegaan, verrast dat het al middag was - hij was elk tijdsbesef kwijt sinds hij twee dagen eerder het riool in was gegaan. Hij zocht zijn weg door de stad, gewoon een buitenlandse reiziger die zich niet wist te kleden op de hitte in Kesh, maar nauwelijks de enige buitenlander die erop stond zijn eigen kleding te blijven dragen.
Calebs eerste stop was bij een bescheiden geldlener met een winkel aan de rand van een pleintje. Daarna ging hij bij een wapensmid langs en kocht een nieuw zwaard. Vervolgens was hij naar zijn huidige locatie gegaan - een steegje in een van de minder prettige wijken van de stad.
Hij had zich al bijna een uur in de schaduw opgehouden voordat hij vond waar hij op wachtte: een jongen - niet te jong; hij had niets aan kleuters, hij had behoefte aan een jeugdige, onervaren dief of bedelaar.
Toen de jongeling langs liep, stak Caleb zijn hand uit en greep hem bij de kraag. Hij trok hem achteruit en raakte de jongen bijna kwijt toen die probeerde uit zijn tuniek te kruipen. Caleb liet hem struikelen en zette zijn laars op de borst van de jongen.
Hij was mager, met zwart haar en donkere ogen, en zijn huid was misschien bruin van kleur maar dat was moeilijk te zien door al het vuil op zijn gezicht. Hij droeg een eenvoudige grijze tuniek en korte broek die allebei even vuil waren, en had blote voeten.
'Genade, meester!' riep hij. 'Ik heb u geen kwaad gedaan!'
'Nee,' zei Caleb, 'en dat doe ik jou ook niet, als je één ding voor me doet.'
'Zeg het maar, meester, en ik gehoorzaam.'
'Hoe weet ik dat je niet wegrent zodra ik mijn laars optil?'
'Ik zweer het bij alle goden, meester, en op mijn oma, mogen de goden haar zegenen, en op de keizer, mogen de goden hem zegenen!'
Caleb haalde een munt uit zijn beurs en stak die omhoog. De gezichtsuitdrukking van de jongen veranderde als bij toverslag van angst in inhaligheid. Caleb haalde zijn laars weg en de jongen sprong overeind. Hij stak zijn hand uit naar de munt, maar Caleb trok hem weg. 'Eerst moet je me dienen.'
'Meester, maar hoe weet ik dat ik de beloning krijg als ik mijn taak heb verricht?'
'Moet ik zweren op mijn oma?' vroeg Caleb.
'Nee, natuurlijk niet, maar...'
'Niet protesteren, Heer der Luizen,' antwoordde Caleb in het Keshisch. 'Als je niet doet wat ik vraag, krijgt iemand anders mijn goud.' Hij wist dat één goudstuk meer was dan de jongen in een halfjaar tijd kon stelen of bijeen kon bedelen.
'Wat moet ik doen?'
'Hoe heet je?'
'Mijn naam is Shabeer, meester.'
'Ga heen, Shabeer, breng een boodschap voor me weg, en keer dan terug met een antwoord.'
'En als het antwoord u niet pleziert, meester?'
'Dan krijg je alsnog je beloning.'
'Wat is de boodschap, en naar wie moet ik hem brengen?'
'Ik moet degene ontmoeten die spreekt voor de Ruige Broederschap, degene die een overeenkomst kan sluiten voor de dieven en bedelaars van Kesh. Ik kan veel goud betalen, maar er is ook groot gevaar.'
'Waar het woorden over goud en gevaar aangaat, is er wel iemand, meester.'
'Ga dan nu, dan wacht ik hier. Maar weet wel dat ik machtige vrienden heb. Verraad zal je met de dood bekopen; loyale diensten leveren je goud op.'
'Ik hoor u en gehoorzaam, meester,' zei de jongen en haastte zich op weg.
Caleb trok zich terug in de schaduwen en wachtte af.