13

Iconen

 

Kaspar beende de kamer in.  

Talwin Hawkins en Caleb knikten hem begroetend toe.

'Het is gebeurd,' zei Kaspar.

'Politiek asiel?' vroeg Caleb.

'Zoiets. Maar het voldoet wel.'

'Het is fijn om vrienden op hoge posities te hebben,' zei Tal.

Ze waren in een kleine kamer achter in een herberg, in een andere wijk dan waar Caleb en de jongens verbleven, een wijk waar veel buitenlanders en andere mensen uit verre hoeken van het Keizerrijk kwamen. Het komen en gaan van drie duidelijk niet - Keshiërs zou hier geen aandacht trekken. Het was al laat en het werd rustiger in de stad, hoewel dit gebied altijd wel druk was en het plein buiten veel werd gebruikt door de jeugd in deze wijk. Tegen beter weten in had Caleb de jongens buiten gelaten bij een fontein waar een stuk of tien meisjes en jongens zich hadden verzameld. Toch vermoedde hij dat ze hier minder snel in de problemen zouden komen dan als hij hen in hun kamer liet naast de twee rasbloed-meisjes, hun opgewonden standje van een moeder en hun reusachtige lijfwacht. Toen hij de man had gezien, had hij zich net als Tal afgevraagd of de man wel echt een mens was.

'Turgan Bey heeft me verteld wat zijn agenten tot dusverre hebben ontdekt,' zei Kaspar. Er stond een tinnen karaf op tafel, en hij schonk zichzelf een kom wijn in. Hij nam er een slok van en trok een vies gezicht. 'We zouden deze hele zaak moeten vergeten en een wijnimporteur uit Ravensburg en enkele districten in de Oostelijke Koninkrijken hier moeten installeren. We zouden een fortuin verdienen als dit de beste wijn is die je hier kunt krijgen.'  

'Dit is het Rivierhuis niet,' zei Tal glimlachend, verwijzend naar het restaurant dat hij in Roldem had geopend. 'En dit is niet de beste wijn die je in Kesh kunt krijgen, zoals je weet.'

Caleb nam een slok. 'Het is echter wel de beste die je hier kunt krijgen.'

Kaspar leunde voorover. 'Er is geen patroon te vinden in de moorden, op één ding na. Elke vermoorde edele, rasbloed of niet, maakt deel uit van een losse alliantie van Heren en Meesters die willen dat prins Sezioti de troon bestijgt als Diigai uiteindelijk overlijdt.'  

Caleb zei: 'En zal dat binnen afzienbare tijd gebeuren?'

'Vertel jij het mij maar,' zei Kaspar. 'Je vader en broer zullen meer begrijpen van hoe de keizer magie gebruikt om zijn leven te verlengen dan ieder ander. Maar het is duidelijk uit wat Bey me heeft verteld dat veel van de Heren en Meesters niet blij zijn dat hij de eerste keizer is die zoiets doet. Zijn voorgangster, keizerin Leikesha, werd meer dan negentig jaar oud, gewoon om dwars te liggen - naar wat ik heb gehoord was ze de taaiste ouwe die ooit op die troon heeft gezeten. Die extra tien jaar die Diigaí nu heeft, zijn nog geen probleem, maar zijn gebruik van magie is dat wel. Het lijkt erop dat de meerderheid van de regenten van Groot Kesh van mening is dat die ouwe zijn politieke scherpte kwijtraakt. Hij besteedt het grootste deel van zijn tijd met zijn courtisanes - wat ik op zijn leeftijd best een prestatie vind - en veel van zijn decreten lijken grillig. Hij verandert geen belangrijke regelgeving, dus de onrust over hem heeft nog geen kritiek punt bereikt. Maar het geduld van de Galerij der Heren en Meesters begint op te raken, en uiteindelijk zullen ze de keizer onder druk zetten om een erfgenaam te benoemen.'  

'Sezioti is een wetenschapper die wel gerespecteerd wordt, maar niet bewonderd.' Kaspar vertelde hun wat Turgan Bey nog meer had gezegd over de politiek in het keizerrijk.

'Dus,' zei Tal, 'we kunnen ervan uitgaan dat iemand heel voorzichtig probeert Sezioti's kansen op de troon te verkleinen ten gunste van Dangai. Waarom?'

'Als de Nachtraven er niet bij betrokken waren,' zei Caleb, 'zou ik aannemen dat het de gebruikelijke bloederige Keshische politiek is. Maar nu dat Gilde van de Dood weer aan het werk is, moeten we ervan uitgaan dat Leso Varen hier ergens de hand in heeft. Dat betekent dat wij het tegenovergestelde willen van wat hij wil.'

Kaspar stond op. 'Ik moet weg. Ik word ongetwijfeld geschaduwd, en hoewel ze weten dat ik contact heb met Tal, weten ze niets van jou. Ik stel voor dat jij als laatste vertrekt.'  

Caleb knikte.

'Over een week is er een ontvangst in het huis van heer Gresh,' zei Kaspar tegen Tal. 'Probeer een uitnodiging te versieren. Het zijn jouw soort mensen: een stel losbollen, verveelde edelvrouwen, nieuwsgierige dochters, ontaarde gokkers en temperamentvolle knapen die naam willen maken door een beroemdheid te vermoorden. Met een beetje geluk maak je op één avond een stuk of zes vijanden.'  

Tal keek Kaspar zuur aan. 'Ik zal mijn best doen.'

'Ik zal Pasko sturen zodra ik iets interessants te melden heb,' zei Kaspar en vertrok.

Tal zei: 'Hij heeft bijna zeker gelijk dat hij wordt gevolgd. Ik zal zo meteen vertrekken, en dan kun jij beter nog even wachten. Denk je dat je over straat kunt zonder te worden gezien?' 

'Als niemand me heeft zien binnenkomen wel,' zei Caleb. 'En ik was hier al meer dan een halfuur voordat jullie arriveerden, dus ik denk dat ik wel veilig ben.

Maar toch, nu we weten dat Kaspar en jij in de gaten worden gehouden, zal ik in het vervolg nog voorzichtiger zijn. Ik zal de volgende keer een veiliger plek kiezen waar we elkaar kunnen ontmoeten.'

Tal keek rond in de kamer. 'En wat als we worden bespioneerd met... andere middelen?'  

Caleb haalde een klein voorwerpje uit zijn gordelbeurs. Hij gaf het aan Tal, die het bekeek. Het leek niet meer dan een gesneden icoontje van been; een huisgod misschien. 'Dit is gemaakt door Nasur, een magiër van het Mindere Pad op mijn vaders eiland. Het voorkomt schouwen of andere vormen van magisch afluisteren. Zolang ik dat heb, kan niemand ons zien of horen met magische middelen.'  

Tal zei: 'Handig ding. Je hebt er zeker niet eentje over?'

'Zelfs als ik er nog een had zou ik hem je niet geven. Als je in de gaten wordt gehouden door Varens agenten, gebruiken ze misschien al magie om je te zien of te horen. Als ze je tijdelijk niet kunnen opsporen, zullen ze er nog van uitgaan dat er iets niet goed werkt of dat Kaspar ervoor zorgt dat de kamer beveiligd is. Maar als je plotseling in het niets verdwijnt, weten ze dat je meer bent dan je voorgeeft te zijn.'  

'En wat geef ik dan voor te zijn?'

'Op dit moment zijn jij en Kaspar agenten van de Kroon van Roldem, en niet zulke hele goeie. We hebben behoorlijk agressief te werk moeten gaan om dat gerucht op de juiste plekken te verspreiden.  

Kesh is altijd nerveus over Roldem, vanwege de zeemacht. Geef ze iets duidelijks en redelijks om zich druk over te maken, dan houden ze zich niet zo bezig met subtiele zaken. Niemand hier in Kesh die niet voor Varen werkt vermoedt zelfs maar dat het Conclaaf bestaat.'

'Behalve die agenten van de regering die werken voor het Conclaaf.'

Caleb knikte. 'Het heeft mijn vader jaren gekost om te komen waar hij nu is. We hebben vrienden op heel hoge posities in hoven over de hele wereld, zonder dat we iets schuldig zijn aan een of andere regering.  

Nu is het tijd dat je gaat. Als ik je moet spreken, stuur ik een van de jongens met een boodschap.'

Tal stond op, gaf Caleb een hand en vertrok. Toen hij bij de deur was aangekomen, draaide hij zich om en zei: 'Als dit allemaal achter de rug is, kom je dan een keer naar Kendricks Hofstee om een paar dagen te jagen?'  

Caleb grijnsde. 'Nadat we een tijdje bij moeder de vrouw hebben doorgebracht, ja. Dat zou ik leuk vinden.'

Tal glimlachte terug en liep de deur uit.

Caleb ging achterover zitten en vond het best om nog een uurtje te wachten zodat hij zeker wist dat hij niet zou worden gevolgd. Hij vroeg zich terloops af wat de jongens aan het doen waren.

 

Zane sloeg tegen de grond en schoof op zijn achterwerk verder door. Hij kwam hard genoeg tegen de rand van de fontein terecht om naar adem te snakken. Tad riep: 'Waarom deed je dat?' en sprong voor de jongeman die Zane zojuist een harde zet had gegeven.  

De knaap bleef staan en zei: 'Wat gaat jou dat aan?'

'Dat is mijn broer die je net hebt geslagen.'

De knaap was groot en zag er agressief uit, met brede schouders en een groot voorhoofd. Zijn kin week een beetje terug, waardoor hij een bijna kwaadaardige uitstraling kreeg toen hij grijnsde. 'En dat is mijn meisje waar hij mee stond te praten.'  

Het meisje in kwestie, een mollig maar heel knap blondje dat even daarvoor met de beide jongens had staan flirten, riep: 'Ik ben je meisje niet, Arkmet. Hou op dat rond te bazuinen.'

'Jij bent mijn meisje als ik dat zeg,' zei hij met een stem die meer leek op een dierlijke grom.

Tad glimlachte. 'Ze zegt dat ze je meisje niet is.'

Arkmet gaf Tad een zet, maar in tegenstelling tot Zane was hij erop voorbereid. Hij boog zijn rechterknie terwijl hij zijn linkerbeen strekte, greep Arkmets uitgestoken hand bij de pols en gaf er een ruk aan voordat hij weer losliet. Zonder weerstand kwam de zware jongen met zijn gezicht op de plaveistenen terecht. Zane stond alweer overeind naast Tad toen de grotere jongeman omrolde. Zijn gezicht was rood aangelopen en hij riep: 'Dat was een grote vergissing!'

Beide jongens waren klaar voor een gevecht, en Zane zei: 'Wij beginnen niks, jongen, maar als je ons in je eentje aankunt, zijn we er klaar voor.'

De jongeman grijnsde vals, kwam langzaam overeind en zei: 'Wie zegt dat ik alleen ben?'

De pleegbroers keken achter zich en zagen dat er zich een grote groep jongens had verzameld. 'En wie zijn jullie?' vroeg Tad.

Een blonde knaap zei: 'Wij zijn leerlingen van het Bakkersgilde.' Hij wees met zijn duim over zijn schouder naar de vier jongens achter hem. 'Arkmet is leerling-bakker.'  

Tad keek Zane aan en rolde met zijn ogen. 'Dus hij is een vriend van jullie?'

De blonde knaap zei: 'Nee, we kunnen die dikke eigenlijk geen van allen uitstaan, maar we hebben een afspraak. Als je één bakkersjongen slaat, sla je ons allemaal.'

Zane zei: 'Ik wou dat iemand ons dat eerder had verteld.'  

Nog maar een paar minuten eerder hadden Tad en Zane bij de fontein rondgehangen en wat geflirt met vriendelijke meisjes. Het plein leek veel te worden bezocht door jonge mannen en vrouwen uit andere delen van het Keizerrijk, jongelingen die wel wilden praten met twee jongens uit het verre Dromendal.  

'Ik neem aan dat er hier geen Gilde van Jongens Uit Andere Delen van het Keizerrijk is,' zei Zane, terwijl hij om zich heen keek. Verscheidene jongemannen liepen met een wijde boog om het dreigende gevecht heen, maar een van de jongens, die ongeveer even oud was als Tad en Zane, kwam naast hen staan.

'Zes tegen twee is geen eerlijk gevecht.' Hij was groot, had brede schouders en rood haar, een belachelijke hoeveelheid sproeten op zijn gezicht, groene ogen en handen zo groot als een smidshamer. Met een bijna demonische grijns zei hij: 'Maar zes tegen drie lijkt al wat beter.'

Een van de bakkersjongens zei: 'O nee, Jommy! Niet weer, hè.'

De roodharige jongen stak zijn rechtervuist naast zijn oor op en wenkte met zijn linkerhand naar de bakkersleerlingen. 'Altijd, vriend. Ik neem graag de kans waar om op jullie meelkoppen te timmeren. Kom maar op!'

De vijf leerlingen leken met de seconde minder overtuigd, en op dat moment klonk er een bulderende kreet achter hen. Zane en Tad keken om, maar lang niet zo snel als de roodharige jongen, die zich bliksemsnel omdraaide en Arkmet recht in zijn gezicht raakte. De grote jongen klapte achterover en kwam op de grond terecht terwijl het bloed uit zijn gebroken neus spoot.

Jommy draaide zich weer om en zei: 'Vijf tegen drie; nog beter!'

'Je bent gek,' zei de blonde bakkersleerling.

Tad stak zijn handen omhoog. 'Ik besef dat jullie gevoel voor eer en plicht hebben, maar toe nou. Willen jullie echt bloeden voor dat stuk onbenul?'

De blonde knaap keek naar de vier die achter hem stonden, en uit hun blikken maakten Tad en Zane op dat er geen gevecht zou komen. 'Niet echt,' zei de blonde jongen tegen de roodharige. 'De vorige keer dat je me sloeg hoorde ik drie dagen niks met mijn linkeroor.'  

'Nou, jullie rotzakken van het Bakkersgilde moeten maar eens beseffen dat jullie hier niet de haantjes zijn, en anderen met een beetje respect moeten behandelen, vriend. Neem die idioot hier nu maar mee naar huis en laat goedbedoelende vreemdelingen voortaan met rust.'  

De vijf bakkersleerlingen hielpen de nog steeds verdwaasde Arkmet overeind en voerden hem weg. Zane draaide zich om en zag dat het blonde meisje er inmiddels tussenuit was geknepen. Tad stak zijn hand uit en zei: 'Bedankt, vriend.'  

'Geen punt,' zei de vriendelijke roodharige. 'Ik heet Jommy Kiliroo.'

'Je komt hier niet vandaan, hè?' vroeg Zane.

'Ha!' zei de jongen. 'Ver van huis.'

Caleb kwam op hen aflopen. 'Als ik dat accent goed kan plaatsen, heel ver,' zei hij. 'Ik heb gezien wat er gebeurd is.' Tegen Tad en Zane zei hij: jullie hebben een eerlijke kloppartij kunnen afwenden, zo te zien.'

'We hadden waarschijnlijk klop gekrégen als Jommy er niet was geweest,' zei Zane.

'Ach, de meeste bakkersjongens zijn zo slecht nog niet, maar die Arkmet is een echte rotzak, als je begrijpt wat ik bedoel. Hij eindigt nog eens aan de galg voor moord, let op mijn woorden.'

'Kom je uit de buurt van de Serpentrivier?'

De jongeman straalde. 'Jullie zijn er geweest, of niet?'

'Een paar keer. Waar kom je vandaan?'

'Mooree, een dorpje een paar dagen stroomopwaarts vanaf Shingazi's Steiger.'

'Hoe kom je dan in Kesh terecht?'

'Dat is een lang verhaal. In het kort zijn mijn vriend Rolie en ik door onze vaders het huis uitgezet. Ze zeiden dat het tijd was dat we ons eigen leven gingen leiden. We hebben langs de rivier gewerkt, stroomafwaarts van de Stad aan de Serpentrivier, en hebben geprobeerd een vaste baan te vinden, maar als je daar bent geweest weet je dat alles wordt bestuurd door de clans. Ik schaam me niet om te zeggen dat ik wel eens iets heb gestolen om me te redden. Ouwe Rolie en ik kregen een kooi op een Keshisch schip dat naar Elarial ging. We hadden geen betere vooruitzichten, dus hebben we aangemonsterd als matrozen. Maar na één reis wist ik dat het niets voor mij was, dus toen we aanlegden hebben we ons geld gekregen en zijn we vertrokken. We vonden werk als menners en, nou ja, van het een kwam het ander. Ouwe Rolie kwam om in een vuistgevecht in Chigatha, en ik ben bij de karavanen blijven werken, dus hier ben ik. Ik zit hier nu al bijna een jaar.'

'Waar woon je?' vroeg Tad.

'Hier en daar. Meestal is het warm, dus slapen in een steegje of bij een fontein is geen probleem. Af en toe kom ik een meisje tegen dat me mee naar huis neemt.' Hij wees met zijn hoofd naar de fontein. 'De meeste jonge mensen van andere plaatsen komen hiernaartoe, dus zijn er niet veel problemen, behalve als er zo'n groep zoals die bakkersjongens opduikt. Ik heb vaker tegenover ze gestaan, en dat weten ze nog.' Hij grijnsde. 'Hoe zijn jullie in Novindus terechtgekomen?'  

'Dat is ook een lang verhaal,' antwoordde Caleb. 'Mag ik je trakteren op een maaltijd en een warm bed?'

'Prima, maar ik heb liever een vaste baan. Eerlijk gezegd is dit dan misschien wel de grootste stad ter wereld, maar het is geen gastvrije plek voor een jongen zonder familie of gilde, en dat is de waarheid.'

'Loop met ons mee,' zei Caleb, 'dan zal ik je vertellen over mijn reizen naar je thuisland.'

Tad en Zane keken elkaar vragend aan maar zeiden niets. Ze hadden het vreemde gevoel dat ze een zwerfhond mee naar huis namen om te voeren. Ze hadden nog geen idee of die hond zou bijten.

 

Zane stond stil naast Caleb terwijl die de religieuze iconen bekeek. Tad was op een zinloos klusje gestuurd met Jommy, die zich zonder veel moeite bij Caleb en de jongens had aangesloten. Ze hadden de vorige avond rond de tafel in de herberg gezeten en verhalen uitgewisseld, en Tad en Zane vonden de jongen allebei aardig, grappig en verstandig. Caleb had geen van zijn beide stiefzoons verteld waarom hij had besloten Jommy bij zich te houden, maar ze wisten hoe lastig het in deze stad kon zijn en hoe handig de roodharige knaap was bij een gevecht, en waren blij dat hij erbij was.  

Caleb bekeek en bestelde een stuk of zes stukken voordat hij de raaf oppakte. Het was niet dezelfde amulet als die de Nachtraven droegen, maar hij leek er wel op. 'Ik herken deze niet,' zei Caleb.  

De handelaar, die Mudara heette, zei: 'Die is voor mij ook vreemd. Ik heb hem van een jongen gekocht, een bedelaar of dief misschien, maar de voorgeschiedenis ken ik niet. Ik heb wel eens gelijksoortige iconen gezien, maar nooit helemaal zoals deze.' Hij was een magere, nerveuze man met een haakneus en een wijkende kin. In zijn ogen was echter te zien dat hij schrander was, een ervaren zakenman die je niet moest onderschatten.  

Caleb haalde zijn schouders op alsof het er weinig toe deed, en keek naar twee andere voordat hij de raaf weer pakte. 'U zegt dat u er nog andere hebt gezien die hierop leken?'

'Ja. Er is een sekte van aanbidders van Lims-Kragma, ver in het zuiden. Ze komen af en toe naar de stad, en ze zijn te herkennen aan hun amuletten. Ik weet niet hoe ze worden genoemd.'  

Caleb bestelde nog twee stukken en zei: 'Ik heb die ravenamulet niet nodig. Als die zoals je zegt alleen wordt gedragen door een kleine sekte in het zuiden, zullen er wel niet veel volgelingen in Krondor zitten.'  

De handelaar keek licht teleurgesteld en begon Caleb onmiddellijk andere stukken te laten zien. Even later kwam Caleb weer terug bij de raaf. Hij haalde zijn schouders op. 'Misschien beslis ik overhaast.'  

De handelaar keek hoopvol. Hij had in deze ene transactie al meer winst gemaakt dan hij normaal in een maand verdiende, maar net als al zijn collega-handelaars wilde hij altijd meer.

'Als curiosa, misschien. U zegt dat u andere hebt gezien die hierop leken, maar niet helemaal hetzelfde?'

'Ja, mijn vriend,' zei Mudara. 'Ze zijn zwaarder, van ijzer of een legering denk ik, en ze worden aan een stevige ketting gedragen. Altijd onder de tuniek.'  

'Denkt u dat u er daar een paar van kunt vinden?'

Het gezicht van de man werd meteen uitdrukkingsloos. 'Niet van die, vrees ik. Maar ik heb een bron voor deze, als u een week kunt wachten. Er zijn vele goede ambachtslieden in de stad die alles kunnen dupliceren wat je ze geeft.'

Caleb haalde zijn schouders op. 'Mijn kopers willen echte spullen. Ze zijn... verzamelaars, en zijn niet geïnteresseerd in goedkope imitaties. Als u nog een paar van die amuletten kunt vinden waar u het over had, neem dan contact met me op in De Drie Wilgen. Ik blijf er nog twee weken. Stuur uw bericht aan Caleb.'

Ze handelden hun zaken af en gaven elkaar een hand, en Caleb vertrok. Terwijl ze wegliepen zei Caleb: 'Ik wil dat jullie de rest van de dag op dit plein rondhangen en die handelaar in de gaten houden. Probeer je niet te laten zien, maar als hij toch een glimp van jullie opvangt, lach dan en zwaai naar hem alsof jullie gewoon voor me aan het werk zijn. Kijk naar wat spullen links en rechts, maar hou hem in de gaten. Als hij met iemand praat, onthoud dan met wie. Als hij vertrekt, volg hem dan, maar laat dat onder geen enkele omstandigheid merken. Als het erop aankomt heb ik liever dat jullie het opgeven en terugkomen naar De Drie Wilgen dan dat jullie worden ontdekt. We kunnen hem altijd een andere keer volgen. Begrepen?'  

Zane knikte en liep naar een ander deel van het plein zodat hij ongezien kon rondlopen en terug bij de handelaar kon komen. Caleb liep doelgericht naar Chezaruls winkel, want hij had een ervaren agent nodig om de handelaar te volgen. Hij wilde Zane zo snel mogelijk bij die man uit de buurt hebben, maar voor het geval de handelaar vertrok voordat een van Chezaruls mannen hem kon vervangen, moest hij de man in de gaten laten houden. Caleb vervloekte zichzelf dat hij hier niet aan had gedacht voordat hij bij de handelaar langsging. Hij wist dat hij met zijn gedachten niet bij de taken was die zijn vader hem had opgedragen, en nu begreep hij de risico's waar zijn vader het over had gehad voordat hij Marie had ontmoet. Als je mensen om je heen had over wie je je zorgen maakte, was dat een afleiding en was je kwetsbaar. Hij had de jongens nooit met zich mee moeten nemen, peinsde hij. 

 

Zane keek toe hoe de markt volliep met mensen die onderweg naar huis van hun eigen werk nog wat wilden kopen. Hij wist uit ervaring dat deze drukte maar kort duurde, en dat de markt snel verlaten zou zijn, waarna de handelaars en hun assistenten de kramen en tafels afbraken en hun goederen weg brachten. Hij had de eerste keer met open mond staan kijken hoe de hele markt het ene moment zo druk was dat je er nauwelijks kon lopen, en een uur later helemaal verlaten was. Hij wist bijna zeker dat Mudara hem niet had opgemerkt, maar hij wist ook dat hij zich moeilijker zou kunnen verbergen als de markt werd opgebroken.

Zane begon uit te kijken naar een plek waar hij een goed uitzicht zou hebben, en zag een portiek waarin hij zich kon verstoppen. Hij glipte naar binnen en keek toe. Zoals hij had voorzien, wilde Mudara graag weg om zijn bestelling bij zijn leveranciers te plaatsen voor de spullen die Caleb had besteld. Hij was een van de eersten die zijn kraam opruimde en zijn amuletten en iconen in een grote zak stopte. Hij gooide de zak over zijn schouder en liep snel weg.

Zane ging achter hem aan. Hij wist dat hij anders moeilijker te vinden zou zijn, en was vast van plan Caleb niet teleur te stellen. Hij probeerde zich onopvallend te bewegen en geen aandacht te trekken, maar hij voelde zich toch ongemakkelijk. Hij zorgde er steeds voor dat er mensen liepen tussen hem en Mudara, en was blij dat de handelaar nergens bleef staan of over zijn schouder keek.

Ze lieten de drukke straten van het welvarende handelskwartier achter zich en kwamen terecht in een minder druk bevolkt gebied van de stad, waar vooral pakhuizen en andere bedrijven stonden die zich bezighielden met handel en leerbewerking. Er waren stallen, bedrijven van menners en wagenlieden, een kantoor voor dragers en eentje dat zich specialiseerde in huurlingbewakers.  

Mudara ging een onderneming binnen waar enorme hoeveelheden rook opstegen uit een stenen schoorsteen aan de achterzijde, en waar ondanks het late tijdstip geluiden van hamers op metaal klonken. Zane nam aan dat hij hier zijn iconen en amuletten liet maken.  

Zane wist niet hoe lang Mudara precies binnen bleef, maar het leek wel uren te duren. Het was al donker toen de man eindelijk weer naar buiten kwam, en Zane hield hem in de gaten vanaf zijn plek achter een paar grote kratten voor een leeg staand pakhuis.  

Hij besloot de man te volgen. De handelaar zou ofwel naar huis gaan, of hem naar een andere leverancier leiden. De handelaar keek weer niet om zich heen en leek zich niet af te vragen of hij werd gevolgd, maar liep snel door.  

Zane dook af en toe om een voorbijganger heen en hield de handelaar in het oog. Even later veranderde Mudara's gedrag, en Zane werd bijna gesnapt toen de handelaar zich plotseling omdraaide om te kijken of hij werd gevolgd. Toevallig bevond Zane zich op dat moment in diepe schaduwen, anders zou hij zeker zijn gezien.

Zane besefte dat dit precies het soort gedrag was waarvoor Caleb hem had gewaarschuwd. De handelaar ging ergens naartoe waar hij niet gezien wilde worden, en zonder te begrijpen waarom wist Zane dat het gevaarlijk was.  

Caleb had beide jongens doordrongen van het risico dat ze zouden lopen in het leven dat ze nu leidden, en voor het eerst begreep Zane echt wat Caleb had bedoeld. Zijn mond was droog en zijn hart klopte in zijn keel, maar hij raapte zijn moed bijeen en bleef de handelaar volgen.

Zane hield de route bij die hij volgde en onthield de kenmerken die hij zag, want hij was nu in een deel van de stad dat hij niet kende. Hij had het gevoel dat je hier na zonsondergang beter niet alleen kon zijn. Er was iets angstaanjagends in deze wijk, met straten zonder lantaarns en gedempte stemmen in de verte. Er lachte een vrouw; een schril, hard geluid waar Zane geen vrolijkheid in bespeurde.  

Mudara ging een hoek om en Zane haastte zich achter hem aan, en keek voorzichtig om de hoek. Aan de overkant van de straat stond de handelaar stil voor een eenvoudige deur. Hij klopte luid aan in een vreemd patroon. Eén klop, pauze, twee kloppen, dan weer één, en toen drie.

De deur ging open. Zane rilde en voelde dat zijn nekhaar overeind ging staan. In de deuropening stond een in het zwart geklede man, zijn gezicht onzichtbaar in de schaduwen. Maar zijn tuniek, broek en hoofddeksel waren precies zoals hem was beschreven voordat hij van het Tovenaarseiland was vertrokken. De man was een Izmaliet, een huurmoordenaar, een Keshische Nachtraaf.  

Mudara sprak snel tegen hem en gaf hem de amulet. De huurmoordenaar leek niet blij om hem te zien en keek langs hem heen, eerst de ene kant van de straat in en toen de andere. Zane hoopte dat de man geen bijzondere vaardigheden had, want als hij nu werd ontdekt, was hij zo goed als dood.

Zane keek toe terwijl de twee mannen discussieerden, want Mudara's gebaren maakten duidelijk dat hij de huurmoordenaar ergens van probeerde te overtuigen. Mudara verhief zijn stem, en Zane hoorde: '...het risico waard. Als dit degenen zijn voor wie we zijn gewaarschuwd, kunnen we ze gebruiken om ons te leiden naar...'

De huurmoordenaar gebaarde dat hij niet zo hard moest praten, en dat deed Mudara. Zane kon de rest niet meer verstaan. De huurmoordenaar sprak nog even zachtjes, stapte toen weer terug naar binnen en deed de deur voor Mudara dicht. De handelaar draaide Zane zijn rug toe en liep de straat door.  

Zane wilde hem juist weer volgen, toen hij door twee sterke handen van achteren werd gegrepen en omgedraaid. Voordat hij maar een woord kon zeggen, werd er een hand over zijn mond geslagen en zei een stem in zijn oor: 'Als je wilt blijven leven, hou dan je mond.'

Zane had het gevoel alsof zijn hart in zijn borst zou ontploffen, maar hij slaagde erin te knikken.  

De hand liet hem los, en de man met de dikke zwarte baard fluisterde: 'Volg me en zwijg tot ik je zeg dat het veilig is.'

Hij haastte zich weg, en Zane volgde. Ze liepen een half uur, van de ene beschaduwde deuropening naar de andere en door duistere steegjes. Toen ze bij een drukker en beter verlicht deel van de stad waren aangekomen, draaide de man zich om en vroeg: 'Jij bent Zane?'

'Ja,' zei de jongeman, buiten adem en met trillende knieën van uitputting en angst.

'Chezarul heeft me achter je aan gestuurd naar het plein, maar je liep al achter die handelaar aan toen ik daar aankwam. Jij volgde hem en ik volgde jou, want ik was bang dat als ik je zou aanklampen, de handelaar ons zou zien.'

Zane knikte. 'Waarom greep je me dan vast?'

'Als je de handelaar nog verder was gevolgd vanaf het punt waar ik je vond, was je vermoord. Ze verlaten hun bijeenkomsten altijd via een vals spoor, en degenen die volgen worden gedood. We zijn vier goede mannen kwijtgeraakt voordat we dat doorhadden.'  

'Wie zijn ze?'

'Het Gilde van de Dood. De Nachtraven,' zei de man met de baard. 'Ik heet Choyoba.' Hij keek om zich heen. 'Kom. Ik breng je terug naar De Drie Wilgen.'

Zane knikte en volgde de man.

 

'Goed gedaan,' zei Chezarul tegen Zane.

Caleb knikte instemmend. 'Jazeker.'

Zane was zo uitgeput door zijn ervaringen dat hij niet eens kon glimlachen. Hij knikte alleen maar.

'Dus nu weten we waar we de Nachtraven kunnen vinden?' vroeg Tad.

Chezarul schudde zijn hoofd en zei: 'Nee, jonge vriend. De Nachtraven hebben ons gevonden.'

Toen Tad niet-begrijpend keek, zei Caleb: 'Het is een val.'

'Een val?' vroeg Zane.

Caleb antwoordde: 'Die nepamulet was daar neergelegd zodat ik of iemand anders van het Conclaaf hem zou vinden. Ieder ander zou hem hebben genegeerd of hem hebben gekocht, maar doordat ik vroeg naar een amulet die erop leek, wisten de Nachtraven dat ik hen zocht. Dat ding ligt er misschien al maanden. Het is iets wat niemand zou interesseren behalve ons. En we hebben toegehapt.'  

'Ik begrijp niet...' begon Tad.

'De Nachtraven zetten vallen uit. Ze weten dat het met die moorden in de stad alleen maar een kwestie van tijd was voordat we op onderzoek zouden uitgaan,' zei Caleb. 'Dus legden ze een valse amulet neer, eentje die genoeg lijkt op het teken van hun eigen genootschap dat iemand die op zoek was naar het Gilde van de Dood nieuwsgierig zou zijn naar de oorsprong ervan.

We hebben gedaan wat ze hadden verwacht. We hebben vragen gesteld, en zij leveren wat wij vragen. De ruzie die je hebt gezien ging er waarschijnlijk over dat de handelaar ons moest zeggen dat hij niet aan de echte amuletten kon komen. Dan konden ze vervolgens proberen ons te volgen vanaf de markt, of ons kopieën beloven en dan een val zetten. Op het moment dat we de spullen zouden komen ophalen, zouden ze ons meevoeren of, en dat is waarschijnlijker, ons volgen naar waar we naartoe gingen. En ons dan vermoorden.'  

Chezarul zei: 'Die moordende honden zijn een plaag voor de vrede in de stad. En ze zijn slecht voor de zaken. We zullen ze op een dag uitroeien, en ik hoop dat dat niet lang meer duurt.' Hij wendde zich tot Caleb. 'Ga morgen niet naar de markt. Ik moet me voorbereiden op onze komende ontmoeting, en sommigen van mijn mannen zijn de stad uit. Geef me twee dagen om mijn mannen te verzamelen en ga dan weer bij die handelaar langs. Over drie dagen komen ze hier naartoe, en dan zijn we klaar voor ze.'  

'Pablo zal niet blij zijn als we zijn herberg in een slagveld veranderen,' zei Caleb.

'Je kunt Pablo's humeur altijd verbeteren met goud, hoe erg het ook is,' zei Chezarul. 'Bovendien is hij op een bepaalde manier even standvastig als wij.'

Caleb knikte en zei: 'Goed dan. Ik neem de jongens morgen mee uit rijden, de stad uit en naar de oevers van het Overnse Diep, om daar een beetje rond te kijken. Misschien de exotische vissen in het meer bezichtigen.'

Chezarul grijnsde. 'Of de krokodillen, misschien?'

'Maakt niet uit. We komen over twee dagen weer terug en gaan dan bij Mudara langs.'

'Mooi,' zei Chezarul. 'Tot dan en goede nacht.'

Hij vertrok, en Caleb zei: 'Tad, ga naar de gelagkamer en zeg tegen Jommy dat hij boven kan komen.'

Tad vertrok en Zane vroeg: 'Ben je van plan om Jommy bij ons te houden?'

'Ik denk het wel, voorlopig. Hij is nogal ongepolijst en bovendien komt hij uit Novindus, zodat hij waarschijnlijk geen banden heeft met de Nachtraven. En ik mag hem wel.' 

Zane knikte. 'Hij sprong voor mij en Tad in de bres terwijl hij daar geen reden toe had.'

'Hij had wel een reden,' zei Caleb. 'Een gevoel van eerlijkheid dat de meeste mensen niet hebben.'

Tad en Jommy kwamen binnen en Caleb zei: 'Jommy, kun je paardrijden?'

'Goed genoeg om er niet af te vallen als we niet al te hard gaan,' antwoordde de roodharige jongen.

Caleb zei: 'Mooi, want we gaan morgen naar het meer en ik zou graag willen dat je meeging.'

'Is het werk?'

'Zoiets,' zei Caleb. 'Ik vertel het je onderweg wel. Ga nu maar slapen.'

De drie jongens gingen Calebs kamer uit en naar hun eigen kamer aan de andere kant van de gang. Pablo Maguire had eerder die avond op verzoek van Caleb een stromatras naar boven gebracht. Zane rolde de matras uit en legde hem tussen de twee bedden. Jommy liet zich erop vallen en Tad zei: 'Ik hoop dat hij niet te hard voor je is.'

Jommy lachte. 'Ik slaap al het grootste deel van het jaar op stenen en zand, en mijn laatste bed was een hangmat op een schip op zee. Ik heb al geen echt bed meer gezien sinds mijn vader me de deur uit zette. Dit is prima.'

Tad blies de lantaarn uit en de kamer werd in duisternis gehuld. Tad en Jommy sliepen al snel, maar Zane lag voor zich uit te staren en dacht aan de in het zwart geklede moordenaar die hij nauwelijks had kunnen zien.