22

Confrontatie

 

Kaspar greep Amafi's schouder. 

'Hou je klaar.'  

'Wat moeten we zien?'

'Weet ik niet,' zei Kaspar terwijl hij keek hoe de keizer zijn armen opstak.

'Mijn volk!' sprak Diigaí, en zijn stem droeg opmerkelijk ver voor een man van zijn leeftijd. Kaspar twijfelde er niet aan dat iedereen op de twee plateaus onder hen hun heerser kon verstaan. 'Vandaag vieren we Midzomerdag, het Festival van Banapis!'  

De menigte juichte en de keizer zweeg een moment. Kaspar greep de amulet rond zijn hals die hij van Puc had gekregen en trok aan de ketting, die onmiddellijk brak. Hij hield hem stevig in zijn linkervuist terwijl zijn rechterhand zich over het gevest van zijn zwaard sloot. Hij was klaar om een van beide te gebruiken.  

Hij keek naar de twee prinsen die omringd werden door hun gezinnen. Zowel Sezioti als Dangai keek belangstellend naar hun grootvader. Het gezicht van de oudere broer stond licht verbaasd, want er was niet gepland dat de keizer vanavond een toespraak voor de burgers zou houden.

Dangai liet zijn blik over het plateau gaan en maakte oogcontact met Kaspar, die lichtjes knikte. Toen zag hij de prins zijn jongste zoon achter zich duwen terwijl ook hij zijn hand op zijn zwaardgevest legde.  

'We hebben veel reden tot feest in het Keizerrijk!' riep de keizer. 'We hebben vrede en onze oogsten zijn overdadig. Maar er is ook reden voor droefenis.'

Er klonk onmiddellijk een zucht vanuit de menigte, want dit was niet wat ze hadden verwacht tijdens het grootste feest van het jaar.

'In het hart van het Keizerrijk, te midden van al onze overvloed, zijn er mensen die onze grootsheid tot as willen laten vergaan! Er zijn mensen onder ons die de dolk van het verraad in het hart van Kesh willen steken. En die verraders zijn zelfs nu onder ons!  

Wee Kesh, dat een vader dergelijk verdriet wordt aangedaan, want het zijn degenen van wie hij het meeste houdt - degenen van wie hij de grootste vreugde krijgt - die dit pijnlijke verraad plegen!'

De benige arm van de oude man schoot naar voren en hij wees naar zijn twee kleinzoons. 'Daar zijn de architecten van de waanzin, de verraders van hun lijn, zij die bloed willen brengen over het huis dat hen altijd heeft beschut. Zij, mijn bloedeigen kleinzoons, zijn de bron van al het leed dat het Keizerrijk overspoelt.'  

De twee broers waren verbijsterd. Sezioti's uitdrukking gaf aan dat hij bijna niet kon geloven wat hij hoorde, en hoewel Dangai erop was voorbereid dat er vanavond iets zou misgaan, was zijn verwarring duidelijk te zien.

'Maar nu zal de waanzin die ons overschaduwt eindigen!' schreeuwde de keizer. 'Arresteer hen!'

Enkelen van de Huiswachten aarzelden, maar twee van hen stapten onmiddellijk vooruit. Zes gewapende mannen onderschepten hen en hielden hen tegen. Ze waren leden van het Binnenlegioen, en wat de keizer ook beval, zij zouden niet werkeloos toekijken terwijl de broers werden gearresteerd door de Huiswachten.  

Het was een spannend moment en veel edelen probeerden weg te komen bij de confrontatie, terwijl anderen juist naderbij probeerden te komen om te zien wat er gaande was. De situatie bereikte snel een kookpunt, en Kaspar greep zijn amulet stevig vast.

Plotseling haalden de meisjes onder aan het podium korte dolken onder hun kilts vandaan en sneden de Huiswachten die hun keizer niet hadden gehoorzaamd van achteren de keel af. Het bloed spoot uit de halzen van meer dan tien mannen, en de keizer schreeuwde bijna hysterisch: 'Moord!'

Amafi zei: 'Verhevenheid, is de keizer gek geworden?'

'Nee,' zei Kaspar en trok zijn zwaard. 'Hij is al heel lang gek.' Hij stapte langs zijn dienaar, knikte naar Pasko en naam zijn plaats naast prins Dangai in.

'Arresteer ze! Dood ze!' krijste de keizer, en de twee resterende Huiswachten probeerden een stap naar de prinsen toe te zetten, maar werden al snel tegengehouden door de legionairs.  

Leden van het legioen van Dangai liepen snel tussen de menigte boven en beneden door, spoorden de mensen aan rustig te blijven, niet te gaan vechten en het drama tussen de keizer en zijn kleinzoons te laten gaan zoals het ging. Kaspar hoorde vele stemmen die de mensen rondom hem aanspoorden hun hoofd te gebruiken toen steeds meer mensen angstig werden. Velen vluchtten weg van het plateau, via de trappen naar het lagere gedeelte en de straten beneden, maar ze werden in de weg gelopen door degenen beneden die juist boven wilden komen kijken. De worsteling tussen hen dreigde ieder moment om te slaan in een rel.  

Kaspar kwam bij Dangai aan toen de prins riep: 'Grootvader! Wat is dit voor waanzin? Er is hier geen verraad!'  

'Je zegt dat er geen verraad is!' riep de keizer, en Kaspar zag de aderen in de nek van de oude man opzwellen. Op zijn leeftijd van meer dan honderd jaar en ondanks de toverij die hem in leven hield, wist Kaspar dat zijn oude hart op het punt moest staan het te begeven. Zijn ogen waren groot en hij was knalrood aangelopen terwijl het zweet van zijn voorhoofd gutste.

'Maar je staat naast een stel buitenlandse provocateurs! En dan nog zeg je dat er hier geen verraad is!' Hij wees naar Kaspar en de prins en schreeuwde: 'Dood hen!'

Even bewoog niemand zich, en toen kwamen de twintig jonge vrouwen uit de slaapkamer van de keizer naar voren, gillend en met hoog geheven dolken. De eerste legionairs die probeerden hen de weg te versperren werden woest neergemaaid, terwijl anderen achteruit struikelden met diepe, bloedende wonden.  

'Verdedig jezelf!' riep Kaspar, en stapte tussen de keizerlijke familie en het dichtstbijzijnde meisje in. Tegen Dangai riep hij: 'Haal die kinderen hier weg!'

Dangai greep zijn jongste bij de hand, een jongen van tien, en leidde hem met zijn linkerhand naar zijn moeder toe terwijl hij met zijn andere hand zijn zwaard trok.

Een van de concubines van de keizer wierp zich op de prins, die zonder aarzelen naar haar uithaalde, haar onder haar ribben stak en zijn zwaard met een draai weer lostrok. 'Geen genade! Ze zijn allemaal behekst!' riep hij.

Als Kaspar Dangai en zijn mannen niet had ingeschakeld, zou het zijn geëindigd met de dood van de twee Keshische prinsen en wellicht nog tien anderen van hun familie, maar nu de mannen voorbereid waren, werden de meisjes die enkel met dolken bewapend waren snel omgebracht. Niet een van hen trok zich terug of probeerde zichzelf te redden, zo gedreven waren ze om de broers aan te vallen.

Van achter zich hoorde Kaspar vragende stemmen en geschreeuwde antwoorden. Toen, schijnbaar vanuit het niets, verscheen Caleb die zei: 'We hebben alle ingangen naar het bovenste plateau in onze macht.' Tegen de keizer riep Caleb: 'De huurmoordenaars die je bloedbad moesten beginnen, komen niet. Ze zijn allemaal dood.'  

Het gezicht van de keizer verwrong van woede en werd bijna paars toen hij met grote, onthutste ogen naar zijn stervende courtisanes keek en vervolgens naar Kaspar en Caleb.

Kaspar keek op en schreeuwde: 'Ga maar liever zitten voor je hart het begeeft... Leso!'

De keizer blafte een waanzinnige, bijna vrolijke lach en Kaspar liet de amulet van Puc op de grond vallen, waar hij hem met zijn laars kapot stampte. 

 

Nakur kon bijna niet over de hoofden en schouders heen kijken van degenen die de deur blokkeerden. Ten minste honderd edelen waren al van het plateau weggevlucht, en er kwamen er steeds meer naar buiten. Veel van hen waren echter nog steeds gefascineerd door de aanblik van hun waanzinnige keizer. Ze stonden degenen die het paleis wilden ontvluchten in de weg, en de toegang was in beide richtingen versperd.

Nakur zei: 'Bek, kun je wat van die mensen vragen opzij te gaan, alsjeblieft?'

De sterke jongeman grijnsde en zijn ogen zagen eruit als twee glanzende poel~es licht in de schaduw onder zijn zwarte hoed. 'Graag,' zei hij en greep de twee mannen die Nakur de weg versperden. 'Wegwezen!' schreeuwde hij. Als een van beide mannen van zins was om te protesteren, bedachten ze zich toen ze zijn vreemde grijns zagen, en ze beijverden zich om opzij te stappen.

Bek was als een natuurkracht; hij trok mensen aan de kant zonder aanzien van hun rang, en riep: 'Opdonderen!' Na een tijdje besloot de mensenmassa rondom hen dat ze niet meer wilden kijken naar de confrontatie tussen de keizer en zijn kleinzoons, en vertrokken ook. Even later konden Nakur en Bek het plateau op. Terwijl Nakur opkeek naar de keizer, zei hij tegen Bek: 'Dit is niét goed.'  

Op dat moment kondigde een lichtflits de aankomst van twee gestalten aan - Puc en Miranda.

Kaspar zei tegen hen: 'Varen heeft het lichaam van de keizer overgenomen!'

'O, dit is toch niet te geloven,' riep de keizer. 'Net toen alles ging zoals ik wilde...' Met een kreet van pure ergernis maakte hij met beide handen een werpende beweging. Vanuit zijn handpalmen kwam een verblindend witte bol van vuur, die recht naar Puc en Miranda vloog.  

Onmiddellijk vormde er zich een muur van energie - blauwachtig en pulserend - rondom Kaspar en Caleb en de prinsen, die zich snel uitbreidde om iedereen te beschermen die naar de keizer stond te kijken.  

Het oppervlak van de beschermende ring was verblindend licht, en aan de overkant van de boulevard klonk het gejuich van duizenden mensen die dachten dat het spektakel een extraatje was na het vuurwerk boven hen.

Er hing een zware, chemische geur in de lucht na een knetterende ontlading van energie, alsof zojuist de bliksem was ingeslagen. Puc stapte vooruit en zei: 'Het is afgelopen!'  

Leso Varen, in het lichaam van de oude keizer, lachte. 'Het is nooit afgelopen, Puc. Heb ik je dat jaren geleden al niet geleerd? Als je dit lichaam doodt, vind ik wel weer een ander. Jij kunt me niet tegenhouden!'

Puc haalde de pot onder zijn mantel vandaan en zei: 'O, jawel!'

Plotseling veranderde de gezichtsuitdrukking van de tovenaar. Zijn ogen werden groot en hij zei: 'Nee! Dat kan niet!' Zijn broze oude armen bewogen alsof hij een muziekmeester was die zijn minstrelen instrueerde, en de lucht werd vervuld van een dreunende energie waardoor nog meer mensen vluchtten. Degenen op het plateau beneden hen die de uitgang van boven blokkeerden, beseften nu dat er iets heel gevaarlijks dreigde, en ook zij draaiden zich om en vluchtten. Wat het ook was dat zich hier afspeelde, het had niets te maken met de normale wereld, en alles met kwaadaardige toverij. Geharde soldaten stonden met het zwaard in de hand te kijken zonder enige neiging het te gebruiken, en anderen liepen achteruit als kinderen tegenover een dreigende straathond. Zelfs enkelen van de meest onderscheiden veteranen van het Keshische leger draaiden zich om en renden weg.  

Puc zei: 'Het kan wel, let maar op.' Hij liet de pot stukvallen op de marmeren vloer en de waanzinnige tovenaar jankte van machteloze woede terwijl er een smerige groene wolk ontsnapte aan de verbrijzelde pot. De rookwolk wervelde als een draaikolk, en spoedde zich weg van de plek waar de pot was gevallen, recht op Varen af.  

Varen boog voorover en inhaleerde diep, en zoog de groene wervelstorm op in zijn neusgaten. Toen ging hij rechtop zitten. Terwijl zijn lichaam werd overspoeld met kracht, begonnen de rimpels in zijn gezicht te vervagen en bolden zijn verweerde spieren op, en voor de ogen van de verzamelde regenten van Kesh werd hij met de minuut jonger.

'Eerst verstoren jullie het feest!' schreeuwde hij. 'Dan zorg je dat ik die twee niet kan doden.' Hij wees naar de prinsen. 'En heb je trouwens enig idee hoe moeilijk het was om die meisjes te werven en te zorgen dat ze hun meesters verraadden zonder te worden gesnapt? Het waren allemaal geoefende spionnen! Het heeft me maanden gekost!'

Kaspars instinct was juist gebleken, want hoewel het lichaam van iemand anders was, was de kwaadaardige ziel ongetwijfeld die van Leso Varen.

'En jij, Kaspar,' riep de tovenaar. 'Was het niet genoeg dat je dat ding me al een keer eerder hebt laten vermoorden?' Hij keek om zich heen. 'Waar is dat ding trouwens? Ik moet het echt hebben. Het zou zo goed van pas komen bij mijn andere plannen.'  

'Ver hier vandaan,' zei Kaspar. 'Heel ver hier vandaan.'

'Ach, het geeft niet. Ik heb eeuwen de tijd.'

Puc zei: 'Als je nu sterft, Varen, is het voorbij.'

Varen joelde verheugd. 'Denk je dat echt, Puc? Denk je dat ik zo stom zou zijn om geen maatregelen te nemen? Je onderschat het respect dat ik heb voor jou en je... heks? Vrouw? Wat?' 

Miranda zweeg, want ze wist dat Varen haar probeerde uit te dagen. Ze fluisterde zachtjes: 'Hij verzamelt zijn krachten.'

Puc schreeuwde: 'Je kunt nergens naartoe vluchten, Sidi.'

'Die naam heb ik lang niet meer gehoord.' Het lichaam van de keizer zag er nu uit zoals op het toppunt van zijn kracht. Zijn haren waren ravenzwart en zijn huid was glad en glanzend van het zweet. 'Verdomd, wat lekker om weer jong te zijn!' Varen keek naar de dode meisjes uit zijn privé-vertrekken en zei: 'Jammer. Heb je enig idee hoe frustrerend het was om in dat oude lichaam te zitten en... Ach, laat ook maar. Ik vind wel andere meisjes. Waar was ik gebleven? O, ja, het is tijd om iedereen te vermoorden!'

'Nu!' riep Puc.

 

Magnus kwam in actie. Hij was langzaam met een bezwering begonnen terwijl hij zijn vader en moeder tegenover de waanzinnige tovenaar zag, en dwong zich om op het afgesproken moment naast zijn ouders te gaan staan.  

Varen hief zijn handen hoog boven zijn hoofd. Er pulseerden golven zwarte energie uit, rollend en bollend als water dat over rotsen stroomt, maar flikkerend als vlammen aan de oppervlakte. De kwaadaardige magie verspreidde zich en leek op brandende olie op het oppervlak van een golf. Maar de vlammen gaven geen licht of warmte af en bestonden alleen uit flakkerende duisternis.  

Puc, Miranda en Magnus worstelden om degenen rondom hen te beschermen, terwijl Kaspar en de twee prinsen stil van verbijstering toekeken.

Voor de twee prinselijke broers leek het alsof de grootvader die ze hadden aanbeden opeens weer jong was geworden, zoals de sterke man die ze in hun kindertijd hadden gekend, maar hij was veranderd, vervormd en vreemd voor hen door de waanzin en het kwaad die uit hem te voorschijn gutsten. Ze stonden allebei naast Kaspar, Dangai met getrokken zwaard maar niet in staat zich te bewegen, aan de grond genageld door zijn onzekerheid.  

Puc riep: 'Laat niets van dit kwaad jullie raken! Het zal je doden als vuur!'

Kaspar keek ongelovig en met afgrijzen toe terwijl degenen die niet binnen het veld van beschermende magie stonden werden verzwolgen. De zwarte vlam danste over hun huid, en degenen die nog leefden schreeuwden van pijn terwijl de blaren op hun huid verschenen, hun vlees zwart werd en in koolstof veranderde. De vloeibare vlammen waren genadeloos, en zelfs hun beenderen waren binnen enkele minuten verdwenen.  

Het meest onthutsende was nog wel dat de zwarte vlammen een ijzige kilte produceerden, die dreigde het leven van degenen achter het schild op te zuigen. Het was een ding van wanhoop en woede, die zwarte vlam, en hoe meer Varen brieste vanuit zijn positie op het podium, hoe vasthoudender de vlammen werden.

Zwart, vloeibaar vuur, dacht Kaspar, en de drie magiërs leken alles uit de kast te halen om het tegen te gaan. Kaspar zag dat waar de drie magiërs samen moesten werken en rekening moesten houden met de anderen die ze beschermden, Varen geen last had van zulke beperkingen. Hij kon blind in alle richtingen uithalen en maakte zich niet druk om anderen.  

Eindelijk zag Kaspar het gezicht van het kwaad, ongemaskerd, ongeflatteerd en zonder excuus, en hij voelde zich er hopeloos door. Hoe kunnen we ooit zoiets weerstaan? vroeg hij zich af, en even was hij bereid zich over te geven.  

Toen zag hij beweging achter de troon, nauwelijks zichtbaar door de zwarte woeste vlammen die tegen Pucs verdediging beukten.

 

Nakur wenkte Bek hem te volgen. 'Blijf bij me in de buurt,' zei hij terwijl hij een hand opstak.

Ralan Bek vroeg: 'Wat doen we hier?'

'Iets goeds.'

'Goeds kan me niet schelen, Nakur.'

'Iets leuks, dan.'

'Mooi,' zei de jongeman met een glimlach.

Iedereen rondom hen was gevlucht, en Bek zag nu dat er iets gaande was tussen de man op het podium en drie figuren aan de rand van de leuning rondom het bovenste plateau. Toen leek er iets ijzig kouds, zwarts en vloeibaars rondom hen uit te barsten, en Nakur stak zijn handen omhoog alsof hij iets van boven wilde afweren. Een bel van kracht, iets onzichtbaars, hield de zwarte vlammen bij hen weg.  

'We moeten snel zijn,' zei Nakur terwijl hij de trap achter de troon beklom. 'Ik hou dit niet lang vol. Het is een moeilijke truc.'

Toen ze de troon bereikten, stond de man ervoor te krijsen als een viswijf, zijn woorden onsamenhangend terwijl hij golf na golf levensverzengende energie losliet op degenen die ineengedoken beneden stonden. Alleen Magnus, Miranda en Puc weerstonden hem, en gebruikten al hun vaardigheden om degenen rondom hen en op de plateaus beneden hen te beschermen.  

Nakur hield één hand hoog boven zijn hoofd en raakte met de andere hand Beks schouder aan. hij zei: 'Vermoord hem, alsjeblieft.'

Grijnzend trok Bek zijn zwaard, zette een stap naar boven en stak het in de rug van de bezeten keizer.

 

Plotseling waren de zwarte, olieachtige vlammen verdwenen en was het stil. Kaspar zag Varen bewegingloos staan, met zijn mond open en zijn ogen groot van verbazing.

De tovenaar keek omlaag naar de kling die door zijn maag naar buiten stak en zei: 'Alweer?' Toen struikelde hij een stap vooruit terwijl Bek zijn zwaard terugtrok, en stortte ineen op het podium.

Plotseling rilde het lichaam van de keizer, en Nakur, die over de gevallen tovenaar gebogen stond, sprong weg, legde een hand op Beks borst en riep: 'Achteruit!'

Een monsterlijke kreet als van tienduizend jaar woede kwam uit het lichaam, en velen sloegen hun handen over hun oren en grimasten van pijn. Uit het lijk van de keizer schoot een heldere groene vlam omhoog die steeds langer werd en veranderde in een dunne draad groene pulserende energie die eerst omhoog de nachtlucht in ging en vervolgens afboog naar het noordoosten.  

Een tel later brak er een complete chaos uit toen de meesten die nog op het bovenste plateau waren met zijn allen een goed heenkomen zochten. Ook op het lagere plateau vluchtten de mensen in paniek weg, en tegen de tijd dat Puc bij Kaspar en de prinsen was aangekomen, was er alleen een handjevol loyale soldaten achtergebleven.

'Wat was dat?' vroeg Miranda aan haar man terwijl Nakur zich de trap af haastte naar hen toe.

Puc keek Nakur aan en zei: 'Varens doodsscheuring?'

'Ik denk het,' zei Nakur.

'Maar wat betekent het?' vroeg Magnus.

Puc keek zijn vrouwen zoon aan en zei: 'Later. Nu is het Keizerrijk veilig, en Varen is weg.'

Miranda keek niet gelukkig, maar ze knikte. Ze draaide zich om toen Turgan Bey bij de prinsen aankwam. 'Hoogheden, bent u ongedeerd?'

Sezioti ging naast zijn broer staan en zei: 'Alles is goed met ons, Bey.' Hij keek zijn broer aan. 'En grootvader?'

Kaspar zei: 'Uw grootvader overleed een jaar geleden al, Hoogheid. Dat wonderbaarlijke herstel nadat iedereen dacht dat hij stervende was, was de tovenaar Leso Varen die zijn lichaam in bezit nam. Hij was degene die probeerde Kesh in een bloedig conflict te storten.'  

'Maar waarom?' vroeg de oudere prins, verbijsterd door alles wat er was gebeurd.

Puc zei: 'Hoogheid, laat ons naar de Galerij der Heren en Meesters gaan en de situatie uitleggen aan zoveel mogelijk mensen. Er is veel te doen.'  

Kaspar keek de twee prinsen aan en zei: 'En om te beginnen moet u beiden beslissen hoe u uw rijk gaat leiden.'

'Kom,' zei de Vestmeester, 'naar binnen, alstublieft, Hoogheden. We moeten snel de orde herstellen.'  

De prinsen en hun gevolg gaven gehoor aan de woorden van Bey, en Puc en de zijnen volgden de keizerlijke groep naar de zaal, waar meer dan honderd ongeruste edelen wachtten. Puc wist dat er nog honderden meer waren in de Galerij der Heren en Meesters, slechts een paar minuten lopen hiervandaan.

Dangai stapte naar voren en riep: 'Luister naar de woorden van jullie keizer!' Hij draaide zich om naar zijn broer. 'Luister naar de woorden van Sezioti, Hij Die Kesh Is!'

Miranda boog zich voorover en fluisterde tegen Puc: 'Nou, over dat probleem hoeven we ons tenminste geen zorgen te maken.'

Puc knikte. 'Maar er zijn er nog meer.'

'Zoals altijd,' antwoordde ze.

 

Honderden Keshische leiders luisterden zwijgend van verbazing naar het verhaal dat Puc voor hen uit de doeken deed. Ze zaten in de Galerij der Heren en Meesters, met Sezioti op de troon die ooit was bezet door zijn grootvader en grootmoeder. Dangai stond aan zijn rechterhand, terwijl Miranda, Caleb, Nakur, Magnus en Bek links van hem op gepaste afstand stonden.  

Puc stond in het midden van de enorme arena, en keek op naar de galerijen die hem aan alle kanten omringden. Hij sprak rustig en langzaam, en probeerde zo goed mogelijk uitleg te geven over de eeuwenlange strijd tussen zijn machten en die van Varen, maar hij liet alle details over het Conclaaf en hun rol hierin weg. Voor de Heren en Meesters van Kesh klonk het alsof een kleine groep betrouwbare magiërs een afvallige van hun kunst had opgespoord en een dreiging had beëindigd. De meesten zouden het verhaal dat ze hadden gehoord nauwelijks hebben geloofd, maar ze hadden de afloop gezien en wilden nu wel alles geloven dat het bizarre tafereel kon verklaren.

Men was blij dat de troonopvolging blijkbaar niet werd betwist, want de broers waren overeengekomen dat Sezioti zou regeren met Dangai als zijn rechterhand.  

Toen Puc klaar was, zei Sezioti: 'Mijn Heren en Meesters, morgen begint de officiële rouwperiode voor onze grootvader, want wat er ook vanavond gebeurd is, hij heeft meer dan zestig jaar geregeerd met mededogen, genade, en een sterk gevoel voor rechtvaardigheid.' Hij liet langzaam zijn adem ontsnappen alsof hij die had ingehouden, en Puc besefte dat de nieuwe keizer elke dag van zijn eenenzestigjarige leeftijd voelde.

'We zullen proberen zijn erfgoed in stand te houden en even wijs te regeren. Keer alstublieft terug naar uw huizen en zegt het voort: alles is goed in Groot Kesh.'

Langzaam verlieten de machtige leiders van het Keizerrijk de galerij, terwijl Turgan Bey Puc en de rest van het gezelschap op de vloer naar een uitgang achter de troon wenkte. Sezioti was de laatste die vertrok, met een duidelijke blik van spijt achterom kijkend alvorens de anderen te volgen.

Terwijl ze door de gang liepen waardoor de keizer toegang had tot de galerij en zijn privé-vertrekken, bleef Nakur even staan. Toen Sezioti bij hem was, zei hij: 'Het spijt me van uw grootvader, Majesteit. Hij was een goed mens.'

Sezioti zette grote ogen op. 'Ik herken u! Maar... ik was nog maar een jongen...'

'Ik ben ouder dan ik eruit zie,' zei Nakur grijnzend. 'Ik heb uw grootmoeder die mannetjesvalk gegeven, zodat de lijn van keizerlijke valken kon worden hersteld.'

De keizer keek naar Turgan Bey, die knikte en met een vaag glimlachje zijn schouders ophaalde.

'Wie is uw metgezel?' vroeg Sezioti toen ze bij de keizerlijke vertrekken aankwamen. Twee leden van Dangais Binnenlegioen stonden bij de deur in plaats van de dode Huiswachten. 

'Dit is Bek,' zei Nakur. 'Hij gaat met mij mee.'

'Waar gaan we naartoe?' vroeg Ralan.

'Naar huis voor vannacht, en dan ergens anders naartoe.'

Bek knikte alsof Nakur daarmee alles had uitgelegd.

Puc wendde zich tot Magnus. 'Ga met Nakur mee en onderzoek die doods scheuring die we ten westen van Maladon hebben gevonden. Als Varen weer is ontsnapt, moeten we weten waar naartoe.'  

Magnus zei: 'Ja, vader.'

Toen hij zich omdraaide om met Nakur mee te gaan, tikte Puc hem even licht op zijn schouder. 'Je hebt het goed gedaan, jongen. Ik ben trots op je.'

Magnus keek om naar Puc en glimlachte. 'Dank je.' Toen liep hij naar Nakur en Bek en zei: 'De nacht is nog jong en we hebben werk te doen.' Opeens waren de drie mannen weg.

Caleb zei: 'Vader, de jongens zijn bij Chezarul en ik moet naar ze toe.'

Puc besefte dat hoe minder agenten van het Conclaaf er waren om te worden ondervraagd, hoe minder leugens hij hoefde te verzinnen, dus willigde hij met graagte Calebs verzoek in. 

'Jij hebt het ook goed gedaan,' zei Puc, en keek zijn jongste zoon na terwijl die zich een weg zocht tussen de vele bedienden en wachten in de zaal door.  

Turgan Bey regelde een ontvangst in de keizerlijke vertrekken met voldoende voedsel en wijn voor tweehonderd mensen. Er waren niet veel bedienden, want de meesten waren gevlucht, maar enkelen van de meest betrouwbare waren achtergebleven om de gasten te bedienen.  

De Vestmeester zei: 'Majesteit, ik zal de Keizerlijke Suite binnen een paar dagen klaar laten maken voor u en uw gezin.'

'Het heeft geen haast,' zei Sezioti. 'Ik heb het hier naar mijn zin, en hoewel deze kamer geschikt kan zijn voor een oude man en twintig jonge meisjes, denk ik dat mijn vrouwen wel het een en ander veranderd willen zien.'

De keizer ging zitten in de stoel waarin zijn vader tijdens het schaken met Kaspar had gezeten. 'Ik heb elk woord dat je zei gehoord, Puc, en ik heb zelf de waanzin op het plateau gezien, nog geen... wat is het, twee uur geleden? Maar ik kan nog nauwelijks geloven wat er is gebeurd.'  

'Dit is geen slechte zaak, Majesteit,' zei Puc. 'Het soort kwaad dat wij bestrijden is... afschrikwekkend, en de meeste mensen zijn niet eens bereid het te erkennen. Laat in de officiële geschiedenis van Kesh optekenen dat uw vader vandaag overleed en dat er nog anderen zijn omgekomen door een... ongeval. Er is een ongeluk gebeurd met het vuurwerk, en helaas zijn daardoor enkele mensen - onder wie de oude keizer - gestorven. Belast uw land niet met geheimen die beter aan ons enkelingen kunnen worden overgelaten.'  

Dangai zei: 'En degenen die ons aanvielen?'

Kaspar keek Puc aan, die naar hem knikte. 'De Huiswacht moet worden opgeheven tot aan de laatste man,' zei Kaspar, 'en ik stel voor dat u degenen die het dichtst bij uw vader in dienst waren nauwlettend in de gaten laat houden, Majesteit. Varen heeft jaren de tijd gehad om deze chaos voor te bereiden, en veel van degenen die hem dienden waren leden van het Gilde van de Dood.'

'Anderen,' zei Puc, 'waren betoverd, zoals de meisjes die vanavond zijn omgekomen. Sommigen van hen kunnen worden gered middels magie, anderen zijn misschien voor altijd verloren, maar ze moeten worden opgespoord. Ik kan magiërs uit Sterrewerf laten komen om ervoor te zorgen dat ze allemaal worden gevonden.'  

'Hoe kunnen we voorkomen dat zoiets ooit nog een keer gebeurt?' vroeg Turgan Bey.

Miranda zei: 'Mijn echtgenoot was jarenlang een regerend heer van het Koninkrijk der Eilanden, en hij had het oor van de koning en de overleden prins van Krondor, heer Arutha. Magiërs maakten als vanzelfsprekend deel uit van dat hof, en een van hun taken was om te waken tegen dit soort kwaad.'  

Sezioti keek zijn broer aan, die knikte. De keizer zei: 'Is er iemand die je kunt aanbevelen voor een dergelijke functie hier?'

Puc maakte een buiging. 'Ik kan een betrouwbare magiër naar uw hof sturen als adviseur voor magische zaken, Uwe Majesteit. Een Keshiër.' Puc keek op en glimlachte. 'En misschien zelfs een rasbloed?'  

Sezioti knikte en probeerde te glimlachen, al was het niet van harte. 'Dank je, magiër, voor alles wat jij en je vrienden hebben gedaan om ons, onze gezinnen en ons land te redden. Hoe kunnen wij je belonen?'

Puc zweeg een tijdje en zei toen: 'Wij vragen geen betaling om te doen wat er gedaan moet worden, maar we willen u wel vragen twee dingen in overweging te nemen. Het eerste is dat u erkent wat al een eeuw een feit is - dat Sterrewerf een onafhankelijke entiteit is die noch tot het Koninkrijk der Eilanden, noch tot het Keizerrijk Groot Kesh behoort.'  

De keizer zei: 'Het zal misschien moeilijk zijn om de Heren en Meesters daarvan te overtuigen, aangezien Sterrewerf een anker is in het Dromendal, maar we zullen proberen het te realiseren. Wat nog meer?'

'Dat in de toekomst, indien er nog een gevaar zoals Leso Varen Midkemia bedreigt, u voorbij uw eigen grenzen zult denken en hulp zult willen verlenen, zelfs als dat niet direct de belangen van Kesh dient. Wilt u dat overwegen?'  

'Voorheen zou ik moeite hebben gehad de wijsheid van je verzoek in te zien, Puc, maar nu kan ik me voorstellen hoe de koningen van Roldem en de Eilanden zich zouden voelen met dat monster op mijn vaders troon en het bevel over legers die ongeëvenaard zijn op de wereld... Ja, als jullie ooit hulp nodig hebben van Kesh, dan hoef je het maar te zeggen en zullen wij luisteren.'

'Dat is alles wat ik vraag.'

Sezioti zei: 'Dan denk ik dat we klaar zijn. Laten we ons zoveel mogelijk ontspannen, onze grootvader gedenken om al het goede dat hij heeft gedaan, en proberen de verschrikkingen van deze avond uit onze geheugens te wissen.'

'Zo spreekt Hij Die Kesh Is,' verklaarde Turgan Bey.

De anderen knikten. Toen zei prins Dangai: 'Haal onze gezinnen. Ik wil mijn vrouwen en kinderen bij me in de buurt hebben.'  

'En de kleinkinderen,' zei de keizer. 'Laten we een tijdje vrolijke geluiden om ons heen hebben.'  

'Uw wil geschiede,' zei Bey, maakte een buiging en gebaarde naar een bediende.

Miranda wendde zich tot haar echtgenoot en vroeg: 'En nu?'

Puc glimlachte en zei: 'Nu gaan we eten. Ik ben uitgehongerd.'  

Ze glimlachte terug en porde hem speels in zijn ribben. 'Ik heb het over andere dingen.'

Pucs gezicht betrok. 'We wachten tot we van Nakur horen, en dan bekijken we wat de schade is. We zijn hier mannen kwijtgeraakt de afgelopen week en sommigen van onze...' - hij keek om zich heen of niemand hen afluisterde - '...agenten zijn gecompromitteerd. We zullen wat mensen moeten verschuiven.'  

'Het houdt nooit op, hè?'

Hij hield haar dicht tegen zich aan en zei: 'Nee. Maar soms winnen we en kunnen we een tijdje rusten.'

'Kunnen we nu rusten?'

Hij sloeg zijn armen om haar heen en omhelsde haar. 'Vanavond wel, lieve. Vanavond wel.' 

 

Het vroege ochtendlicht drong maar nauwelijks door de laaghangende nevel heen. De dauwdruppels op het gras weerkaatsten als edelstenen de zon en verspreidden een glinsterend licht. Nakur, Puc en Magnus haastten zich naar de plek waar Nakur en Puc eerder de kleine scheuring hadden gevonden.  

Ze baanden zich een weg tussen de bomen door en Nakur zei: 'Daar. Het was daar!'

Puc liep naar de plek die Nakur had aangewezen en zei: 'Nou, nu is het weg.'

'Vader,' zei Magnus, 'denk je dat Varen het heeft overleefd?'

'Ik denk dat alle bloedvergieten in Kaspars citadel door de jaren heen was bedoeld om hem een uitweg te bieden voor als zijn zielskruik werd vernietigd.' Puc keek naar de plek die Nakur had aangewezen en zei: 'Ik kan niet denken zoals hij, maar ik begrijp hem goed genoeg om te weten dat niets hem te veel is om aan zijn uiteindelijke vernietiging te ontkomen. Ik wou dat ik eerder was teruggekomen en dat ding langer had onderzocht.'  

'Zelfs jij kunt maar op één plaats tegelijk zijn, vader.'

Nakur grijnsde en lachte toen. 'Wees daar maar niet zo zeker van, Magnus. Het is alleen maar een truc die hij nog niet heeft geleerd.'

'Ik wil even kijken of er nog iets hier is overgebleven,' zei Puc en sloot zijn ogen.

Magnus en Nakur zwegen terwijl Puc zijn energie concentreerde en met zijn geest langs de energie tastte die uit Opardum hierheen was gekomen en toen naar...  

Pucs ogen vlogen wijd open en zijn gezicht werd bleek. 'Varen!'  

'Wat, vader?'

Puc keek oprecht angstig. 'Ik herken iets in deze scheuring, Magnus, Nakur. Ik weet waar Varen naartoe is gevlucht.'

'Waar dan?' vroeg Nakur, zijn normaal zo zonnige humeur wegsmeltend bij Pucs duidelijke bezorgdheid.

'Hij heeft deze scheuring gemaakt om actief te worden wanneer hij stierf. Hij is naar Kelewan.' Puc keek Nakur aan. 'Leso Varen is nu ergens in het Keizerrijk van Tsuranuanni.'  

De drie mannen zwegen, want de kwaadaardigste ziel die ze ooit hadden ontmoet, was nu vrij in een andere wereld, in een land dat drie keer zo groot was als Groot Kesh. De zoektocht naar hem zou weer opnieuw moeten beginnen.

 

Jommy stond verbaasd met zijn ogen te knipperen. Marie haastte zich naar Caleb en haar zoons. Het ene moment waren Caleb en de jongens in het toevluchtsoord van Chezarul in Kesh geweest, en een tel later stonden ze voor de villa op Tovenaarseiland.  

In tegenstelling tot zijn vader en zijn broer, was Caleb nog een dag in Kesh gebleven. Hij had overlegd met Kaspar en Bey over wat ze moesten doen om de agenten van het Conclaaf in de keizerlijke stad opnieuw te rangschikken. Magnus had bericht aan Marie overgebracht dat Caleb en de jongens het goed maakten en rond het middaguur thuis zouden zijn.  

Marie overlaadde haar zoons met zoenen en keek toen naar Jommy. 'En wie is dit?'

Caleb glimlachte een beetje schuldig. 'Ik denk dat ik veilig kan zeggen dat we er een derde pleegkind bij hebben.'

De roodharige jongen grijnsde en zei: 'Maak u geen zorgen. Ik zal u geen "rna" noemen als u dat niet wilt.'

Marie schudde haar hoofd, glimlachte en zei: 'Ik zal er wel aan wennen. Kom mee. Jullie zullen wel uitgehongerd zijn.'

Caleb legde een arm rond zijn vrouw, Jommy begon de volwassenen te volgen, maar Zane greep hem bij zijn arm. 'We hebben al gegeten voordat we weggingen,' zei hij.  

Jommy draaide zich om, fronste zijn voorhoofd en zei: 'Maar ik heb honger!'

'Wij komen straks,' zei Tad tegen zijn ouders, en hij greep Jommy bij zijn andere arm. 'We willen Jommy het eiland laten zien.'

Terwijl ze hem bijna weg sleurden bij de grote villa, zei Jommy: 'Ik hoop dat jullie wat goeds hebben.'

'Kom mee,' zei Tad, en begon te rennen.

'Waar gaan we naartoe?' vroeg Jommy.

'Naar het meer!' riep Zane, en begon zijn tuniek open te maken.

'Het meer? Waarvoor?'

'Om te zwemmen,' antwoordde Tad.

Jommy bleef staan. 'Zwemmen? Ik wil niet zwemmen! Ik wil eten!'

Zane draaide zich om, liep een paar passen terug en greep Jommy's arm. 'Geloof me; je wilt wél zwemmen.'

Op dat moment hoorden ze gelach in de verte, waar Tad verwelkomd werd door vrolijke meisjesstemmen.

Jommy's gezicht klaarde op. 'Meisjes?'

Zane zei: 'Er zijn hier wat mensen die je echt moet ontmoeten.'  

Plotseling zette Jommy het op een lopen, langs Zane heen, die even alleen achterbleef. Toen rende hij achter de jongen uit Novindus aan terwijl het geluid van gespetter en gelach luider werd.